Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De spanning tussen orthodoxie en modernisme in de 19e eeuw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De spanning tussen orthodoxie en modernisme in de 19e eeuw

27 minuten leestijd


Inleiding

Degene die zich aan een beschouwing waagt over de spanning tussen orthodoxie en modernisme, zoals deze zich in ons land in de 19e eeuw voltrokken heeft, moet beginnen zichzelf in tweeërlei opzicht te waarschuwen.

De eerste waarschuwing is deze. Belangrijke theologische verschijnselen zijn uit historisch oogpunt, wat hun beginfase betreft, meestal met eeuwen te verlengen. Dit is zonder enige twijfel het geval als orthodoxie en vrijzinnigheid in het geding zijn. Terugrekenend vanuit de 19e eeuw, komen wij via de Aufklarung ') bij de z g „Nadere Reformatie" van de 18e eeuw, bij remonstrant en contia-iemonstrant, inclusief de rekkelijken en de preciesen van onze gouden eeuw, maar daarvóór melden zich naast de vrijdenker Dirk Volkertz. Coornhert mannen als Petrus Dathenus en Guido de Bray, dus de grote fi guren van de psalmberijming en de Nederlandse geloofsbelijdenis. En in de Middeleeuwen zien wij met de regelmaat van de zandloper de spanningen tussen de consequente aanhangers van het Roomse dogma en bijv. de pre-reformatoren (Wyclif, Hus, Savonarola, Geert Groote, Jan van Ruusbroeck, Thomas a Kempis), en de strijd tussen mystiek en scholastiek Het zou op zichzelf een boeiend bedrijf zijn, brede aandacht te geven aan dit gehele complexe historische gebeuren, dat aan de spanningen van de 19e eeuw voorafgaat. Maar wij moeten deze mogelijkheid bewust buiten haakjes brengen.

De tweede waarschuwing grijpt diepei, omdat ei een soort valkuil dreigt, waar men in kan trappen Ieder die met historische problemen omgaat, voelt namelijk wel eens de ongelukkige zucht m zich opkomen om iets nieuws te zeggen over datgene, waar geen nieuwe feiten over beschikbaar zijn Nu kan men moeilijk staande houden, dat de

Nu kan men moeilijk staande houden, dat de theologische problemen van de 19e eeuw in de wetenschappelijke literatuur onvoldoende aandacht hebben gekregen Integendeel er is een bibliotheek over volgeschreven, en eén mensenleven is te kort om alles te doorvorsen. Deze laatste uitspraak kan men zelfs al toepassen op één stroming uit die eeuw het Réveil. Ondanks deze tweede waarschuwing willen wij

Ondanks deze tweede waarschuwing willen wij toch een poging wagen om bepaalde accenten te leggen, die vroeger met gelegd zijn, en enkele facetten m het licht te stellen, die voorheen in de schaduw zijn gebleven. Een uiteenzetting van de aan de orde zijnde materie behoeft stellig per definitie met te zijn een herdruk van hetgeen anderen ons hebben vooigezegd. Wel zal bij dit ondernemen scherp aangegeven dienen te worden, waar de grenzen liggen van deze nieuwe aspecten en waar men, deze grenzen overschrijdend, toch weer de voeten op bekende paden zet.

Het menselijke aspect

Als eerste punt wil ik dan de opvatting bestiijden dat de theologische spanningen der vorige eeuw, vooi zover het de vakgeleerden betrof, een kwestie van studeerkamerpolemiek is gebleven. Dat dit bij het kerkvolk anders lag, weten wij sinds jaar en dag de kerkscheuringen van 1834 en 1886, de strijd om de vrije christelijke school, de resonans \an het optreden van Kohlbrugge zijn evenzovele bewijzen daarvoor

Om te adstrueren wat ik precies bedoel, wil ik mij beroepen op de toch wel monumentale studies van Haitjema De richtingen in de Nederlandsche Hervormde Kerk (1934) en De nieuweie geschiedenis van Neerlands Kerk der Hervorming (1964). Het persoonsregister van dit laatste boek omvat ongeveei 360 namen' Maar merkwaardigerwijs ontbreekt daarin de enige Nederlandse theoloog, die zich op diepmenselijke en veelal relativerende wijze met de spanning tussen orthodoxie en modernisme heeft beziggehouden P. A. de Genestet. In zijn Leekedichl- ]es heeft hij de toga afgelegd en heeft hij als leek op een verrassend humane wijze, maar uiterst intensief deelgenomen aan de polemiek der geleerden. En hel moet ons toch wel iets zeggen, dat talrijke namen die in de vorige eeuw voor zichzelf in het mausoleum der geschiedenis een blijvende plaats claimden thans met eens meer gespeld kunnen worden Maai de levenswijsheid, ook de theologische levenswijs heid, die De Genestet aan ons volk schonk, is eigenlijk tot op dit moment levend gebleven bij talloos velen Het is met te veel gezegd, dat alle facetten








Het geven van veel voorbeelden zou een boek kun nen vullen Beperking is noodzaak Zo zegt hij tegen alle strijdenden Uw richting is mij wel — mits zij naar boven streeft En schoon de mijne niet mij wat te denken geeft

En dan dat juweeltje Twee in een huis slechts enkele citaten

H IJ was een zeer rechtzinnig man, Z IJ was een vrome vrouw, H IJ in elk puntje van de Leer, In 't kiene z ij getrouw

H IJ was ervaren in de Schrift, Z IJ kende 't groot gebod H IJ was een Godgeleerde Z IJ was een kmd van God omtient

H IJ hield vergaadring dag aan dag Voor schooljeugd en Chinees, Intussen bouwde z ij haar huis In 's Heren rechte vrees

Zij had het leven des geloofs, H IJ had de leer alleen Och of hier 't spreekwoord baten kon. Dat man en vrouw zijn een

Bijna profetisch is hij in de volgende twee regels

De slechtste Christnen hier op aard, t Zijn theologen — zonder baard

ijna zouden wij hier lezen ohne Earth Nog slechts een voorbeeld Conrad Busken Huet

Nog slechts een voorbeeld Conrad Busken Huet lad een boek geschreven Brieven over den bybel Iij laat twee jonge mensen Machteld en Leonard en uitvoerige correspondentie voeren over een leeks heologische kwesties Met een weergaloze humor ontmaskert De Genestet de literaire vorm waarin Huet zijn opvattingen realiseert De Genestet stelt het voor alsof hij een verliefd paartje bespiedt en dan verwacht, dat de conversatie zal gaan over die onderwerpen die m verliefde harten opkomen Maar wat IS het onderwerp van hun discussie? De echtheid





Machteld is een beter minnaar. Is een Leids piotes^or waard

Daarmee zijn wij als vanzelf aangekomen bij figuren als Conrad Busken Huet Allaid Pierson en Johannes van Vloten

Het IS een moeilijke weg van lechtzinnigheid via vrijzinnigheid naar met-wetendheid Anders geformuleerd van orthodoxie via modernisme naar agnosticisme

Een dergelijke zielegang voltrekt zich met zonder grote innerlijke spanningen met als hoo3Lcpunt — of IS hier het woord dieptepunt beter op zijn plaats' — dat men vertwijfeld neerzit bij de schenen van kapotgeslagen theologische illusies

Zien WIJ eerst naar Huet (f 1886), „gepredestineerd" om predikant te worden Hij stamde uit een Hugenotengeslacht en in zijn familie struikelde men over Waalse predikanten', zijn moedei v^as een domineesdochter

Tijdens zijn theologiestudie in Leiden komt hij onder invloed van de grote profeet van het modernisme J H Scholten De van huis uit meegekregen orthodoxie begint hier al beslissend bij Huet at te kalven Als hij zijn studie met succes beëindigd heeft, begint de grote innerlijke strijd moet hij dominee worden of een ander beroep kiezen? Voorlopig ontwijkt hij de keus door naar Zwitserland te gaan en daar Franse literatuur te studeren Hij preekt daar enkele malen en hij staat volkomen achter zijn woorden, maar anderzijds beseft hij terdege, dat hi) niet kan geven wat de gemeente vraagt Dat kan ook moeilijk, daar hij van zichzelf getuigt, dat^ hij Alfied de Musset beter kent dan het Nieuwe Testament Teruggekeerd naar Holland staat hij opnieuw voor een existentiële ^) keus het beroep naar Haarlem aannemen of met?

Doch eerst nog een typisch histoiisch tiekje

Van de Waalse gemeente krijgt hij aanvankeliik geen „bewijs van goed gedrag", omdat hij als student meegedaan had aan een rel tegen een piofessor

Na veel innerlijke strijd neemt hij het beroep aan De Haarlemse gemeente kon zijn intelligentie, zijn redenaarstalent en zijn grote eruditie i") waardeien, maar de discrepantie ^^) tussen de oithodoxie dei gemeente en het modernisme van haai voorganger nam met de zondag toe Maar het bleef met bij een theologisch veischil De spanning tussen het geloof der gemeente en het agnosticisme van haai leidsman werd zo manifest ^~), dat de breuk onvermijdelijk was HIJ breekt met de kerk, blijft zondags in de Haarlemse concertzaal voor een aantal vrienden „toespraken" houden totdat zelfs de laatste restanten van zijn geloof zijn verdwenen De bijbel en speciaal de persoon van Christus stelt hem voor onoplosbare raadsels In journalistiek en literatuurstudie vindt hij een nieuwe toekomst



Van Vloten (f 1883) is uit de geschiedenis der Nederlandse letterkunde niet meer weg te denken, gezien zijn talrijke publicaties op liteiaii-historisch gebied. Zowel Frederik van Eeden als Albert Verwey waren met een dochter van Van Vloten ge trouwd.

Van Vloten was de zoon van een orthodox Hervormd predikant in Kampen. Niet om zijn vroeggestorven vader te eren, maar vanuit een innerlijke affiniteit ") ging hij in Leiden theologie studeien Hoewel hij zijn studie met een theologische disseitatie bekroonde, heeft hij nooit de kansel betreden Het Leidse modernisme had hem al zo stevig in zijn greep, dat hij geen roeping meer gevoelde om in de voetstappen van zijn vader te treden.

Grote invloed op zijn denken had de Duitse theoloog David Friedrich Strausz (f 1874), die m zijn Leben Jesu (1835) de persoon van Jezus Christus tot mythe verklaart. Strausz ruilde het christelijk dogma in voor de moderne wetenschap en het Godsgeloof voor Darwin's evolutionisme, dan is zijn breuk met kerk en christendom definitief (1872, Der alle und der neue Glaube). Van Vloten, die als jongeman de theologie koos, omdat hij daarin zag ,,een wetenschap die als van Godswege te spieken en de hoogste waarheid te bevatten scheen", schiijft in 1843 een artikel over Strausz, waarin zich zijn komende beslissing reeds aankondigt. In 1849 keert hij kerk en geloof definitief de rug toe, de door hem met zoveel passie ") bestudeerde theologie moet zich volgens zijn nieuw verworven inzicht , ontbinden jn wijsbegeerte, mens- en natuurkunde" Op latere leeftijd koestert hij een diepe verering voor Spinoza, ,,de blijde boodschapper der mondige mensheid".

Allard Pierson (1831-1896) is wellicht het meest klassieke voorbeeld van het type theoloog, dat in de orthodoxie begon en via het modernisme tenslotte in een volstrekt agnosticisme verzandde. Misschien IS Pierson ook de meest tragische van de drie, juist omdat hij zo uitzonderlijk begaafd was.

In zijn jeugd is hij nog geheel en al kmd van het Réveil, vooral van zijn moeder erfde hij de orthodoxe geloofsovertuiging. Maar ook hier bleek genade geen erfgoed te zijn. Reeds als student knagen de wormen der twijfel aan de wortels van het geloof Ook uit het leven van Pierson blijkt, hoe indringend de invloed van leermeesters, speciaal van hoogleraren kon zijn. De wijsbegeerte van Opzoomer, waarin een poging werd gedaan de mens met zichzelf te verzoenen, verdrong de plaats van Hem, die door Zijn kruisdood God en de mensheid verzoend had Weliswaar werd Pierson predikant, maar het kostte hem iedere week meer moeite om een preek te maken, waar een bijbels getuigenis in moest doorklinken. Na veel innerlijke strijd ervaart hij, dat het hem niet meer mogelijk is nog iets van de essentie van het Evangelie te verkondigen Het „Onze Vader" is voor hem een zinloos gebed. Maar Pierson was er de man niet naar om het met zijn geweten op een accoordje te gooien, geen gemarchandeer met het belangrijkste wat de mens heeft zijn levensovertuiging. Daarom deelt hij aan zijn gemeente mede, dat hij het ambt had neergelegd Hij heeft geen enkele




Na zijn toch nog elfjarig predikantschap (1854- 1865 Leuven en Rotterdam) bouwt hij bewust en energiek aan een nieuwe toekomst Heidelberg en Amsterdam vertrouwen hem het professoraat in de aesthetica ") en de kunstgeschiedenis toe. Hij verrijkt de Nederlandse cultuurgeschiedenis met een aantal werken van grote impoitantie Zijn studiën over Israel en Hellas zijn nog steeds het bestuderen meer dan waard. Maar zijn mooiste en beste boek blijft voor mij zijn Oudei e Tydi^enoLen, nog steeds is deze studie de belangrijkste bron voor ieder die hei Reveil wil leren kennen Het pleit voor het karakte' van Pierson, dat hij het Reveil niet heeft beschreven vanuit rancunes "); integendeel, er spreekt uit dit boek liefde en bewondering voor Bilderdijk, Da Costa, Groen van Prinsterer en zovele anderen En WIJ, die dankbaar zjjn voor de rijkdom aan geschriften die hij ons naliet, moeten nochtans ten diepste betreuren, dat hij de parel van grote waarde die in zijn jeugd nog zo verrukkelijk voor hem glansde, in het midden zijner jaren verloren heeft zonder haar ooit weer te vinden.

De triomf der orthodoxie

Ondanks de gegeven voorbeelden waaiuit bleek dat enkele veelbelovende jongemannen de orthodoxie de rug toekeerden en eeist tot het modernisme, later tot het agnosticisme kwamen, kunnen wij — wat de 19e eeuw betieft — nochtans spieken van de triomf der orthodoxie.

Om daar enig zicht op te krijgen, dienen wij een aantal facetten te onderscheiden, die weliswaar een duidelijke onderlinge samenhang hebben, maar die niettemin elk een eigen accent vertonen Ik moet daarbij tenminste de volgende aspekten noemen het Reveil, de praktijk van de christelijke barmhartigheid, het niet-theologisch geschoolde kerkvolk, de officiële theologie, het optreden van Dr. Kohlbiugge Vanzelfsprekend kunnen slechts enkele aspekten de aandacht krijgen.

Het Réveil

In de eerste plaats het Réveil, dit is in heel zijn verschijningsvorm een buitenkerkelijke bewegmg met grote invloed op onze gehele cultuur en dus ook op de kerk. De frontale aanval op de Aufklarung met haar nieuwe triniteitsbelijdems „God, deugd en onsterfelijkheid" is niet van de kerk, maar van het Reveil uitgegaan Aan het begin van deze opwekkingsbeweging staat de reuzengestalte van de grimmige Willem Bilderdijk. Naar het woord van de R K Nijmeegse hoogleraar Gerard Brom is het Bilderdijk geweest, die als een Christophorus ^^) het christendom over de revolutiestroom heeft heengedragen.



Twee opmerkingen moeten daarbij gemaakt. Onianks het soms gepassioneerd *^) pleidooi van de \éveilmensen voor het behoud van en het geloof in Ie centrale heilsfeiten, is de wetenschappelijk-theoogische bezinning van deze beweging nooit haar sterkste kant geweest.

Ten tweede: het is een misvatting het Réveil als •n uitsluitend Protestantse beweging te zien. De vmk van geloofsenthousiasme is duidelijk overgesla- I n op het Rooms-Katholicisme. De Roomse gelovi- •-'cn waren minstens zo sterk onder invloed van de i.ufklarung gekomen als de Protestanten. Bilderdijk m Da Costa hebben een diepgaande invloed uitgeiti^nd op de grote emancipatoren ^•') van het P.oótas-Katholicisme als J. A. Alberdingk Thijm en •>chaepman. De Réveilfiguren hebben door talrijke ^buitenkerkelijke samenkomsten duizenden mensen "•reikt, die in de modernistische Aufklarungspreken Lcnen voor brood kregen. Het Réveil gaf een antï\'oord op de vraag van hen, wier zielekreet luidde: Geef mij Jezus of ik sterf; buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.

Vanuit het Réveil moeten wij wel komen tot de aktijk der christelijke barmhartigheid, wellicht de ,'willendste kant van het Réveil. De liefde tot ^.hustus drong veel mensen zich te wenden tot de 'aste in nood. Een opsomming van hetgeen op aatschappelijk terrein gedaan is, kent nauwelijks enzen: het werk van Ds. Heldring in Zetten, de üchtingen te Hoenderloo en Alphen aan den Rijn; de - org voor niet- gehuwde moeders, voor de gevangelen, voor de gehandicapte kinderen, voor de veraarloosde jeugd, dit alles en nog oneindig veel leer is niet ter hand genomen door het modernisme, uar door de orthodoxie van het Réveil. De naai- . 11 breischolen voor meisjes, het werk van Ds. Jan de lefde in „Tot heil des volks", het gehele zondags- ^choolwezen en de 80-jarige schoolstrijd zijn elk op ichzelf monumenten van evangelisch werk, waarbij lie maatschappelijke doelstellingen gedragen werden ioor het getuigenis van Jezus Christus. Of men de ichtergronden van deze activiteiten als Petrinisch, 'aulinisch of Johanneïsch indiceert, of als een ver- .enging daarvan, is bijzaak; hoofdzaak is, dat de 'pvattingen van de grote reformatoren der 16e eeuw II dit werk zichtbaar zijn. Een feit is en blijft, dat de '•norme maatschappelijke activiteiten der vorige -euw — voor zover kerk en theologie daarbij betrokken zijn — niet zijn uitgegaan van de Groninger 'heologie, niet van Hofstede de Groot, niet van Op- /oomer, niet van J. H. Scholten, niet van Pierson, naar van die vele duizenden, wier namen wij eigenlijk niet meer kennen, maar die „om Gods wil en met het oog op der zielen behoudenis geen synthesebruggen wilden bouwen" (Haitjema) en die zich van-


De officiële theologie

Keren wij ons nu tot de officiële theologie. Ik noem dan in de eerste plaats, chronologisch. Ds. Nicolaas Schotsman. Nauwelijks is de Franse overheersing voorbij en was de kerk bezig haar saldo op te maken, of Schotsman verhief zijn stem. En dat was hard nodig, want de Aufklarungsgeest scheen de kerk beslissend in zijn ban te hebben. Het vooruitgangsgeloof dreigde de plaats in te nemen van de wedergeboorte. ,,De brave Hendrik" van Thomas Anslijn vergiftigde nog steeds de jeugd, en Jantje zag jaar in jaar uit pruimpjes hangen aan zijns vaders pruimeboom.

Schotsman riep ons volk terug tot de oerreformatorische waarheden door in 1819 te schrijven een „Eerezuil ter nagedachtenis van de voor twee honderd jaren gehoudene Nationale Synode te Dordrecht". Geschriften zijn niet slechts belangrijk door hun inhoud, maar ook door het moment waarop zij verschijnen. In 1816 had Willem I aan de Hervormde Kerk een nieuwe besturenorganisatie opgelegd; inderdaad: opgelegd. Schotsman riep de kerk weer terug tot haar oorspronkelijke opdracht. In de kerk stak een storm van verontwaardiging op. Een erezuil.? Een schandzuil!

Maar het kerkvolk las met grote gretigheid Schotsmans woorden; een tweede druk was noodzakelijk. Maar toen werd de kritiek nog bijtender. Want niemand minder dan Bilderdijk had er nu een voorwoord in geschreven. En tot overmaat van ramp verscheen reeds in 1819 een Franse vertaling. Schotsman zelf waarschuwde daarin zijn lezers ,,hun kracht niet te zoeken in kerkelijke formulieren en bescherming door de staat, maar in een levend geloof en de betrachting van een evangelische godzaligheid" (D. Nauta).

Niet minder indrukwekkend is het optreden van Ds. D. Molenaar, wiens in 1827 geschreven ,.Adres aan alle mijne Hervormde geloofsgenooten" in ijltempo negen maal herdrukt moest worden. Er ontstond onder leiding van rationalistisch-supranaturalistisch georiënteerde predikanten een grote aktiegroep tegen hem. Molenaar had zich fel gekeerd tegen de in 1816 ingevoerde ,,proponentsformule".

Daarin werd van de a.s. predikanten gevraagd in te stemmen met de leer der kerk voorzover en niet omdat deze met Gods Woord overeenstemt. De zaak werd in Nederland zeer hoog opgenomen. Koning Willem I gaf blijk van zijn groot ongenoegen jegens deze Haagse predikant. Er kwam zelfs een apart Koninklijk Besluit tegen Molenaar; niemand in de Haagse kerkeraad nam het voor deze eenzame strijder op. Alleen buiten de kerk kreeg hij steun; b.v. van de toen reeds zeer bekende Groen van Prinsterer. Molenaar was stellig een predikant met een zuivere en scherpe visie op de reformatorische theologie. Maar hij miste de ,,fighting spirit" ^"). Geschrokken van de felle reakties op zijn Adres van 1827, trok hij zich terug in zijn pastoraal werk, het evangelie predikende, zoals Luther en Calvijn hem hadden geleerd.


De orthodoxie in de Hervormde Kerk had het in de eerste helft der 19e eeuw op te nemen tegen het Oud-Liberalisme en de Groninger richting Men vergisse zich niet in de naam „Oud-Liberalisme' , het gaat hier niet om politiek maar heel duidelijk om theologisch denken, hoewel in deze richting stellig orthodoxe momenten zijn te bespeuren er zijn als gevolg van de Aufklarung onmiskenbaar rationalistische accenten, die overheersen Onlosmakelijk hieraan verbonden is de moralistische inslag De Oud-Liberalistische theologie ademt een geest van gezapigheid, van zelfgenoegzaamheid geheel passend in de geest van Hendrik Tollens

De Groninger richting is als theologie meer doordacht, beter gestruktureerd, ze heeft meer wijsgeiige achtergrond Met theologen als Hofstede de Groot, J H Scholten, Opzoomer en enkele anderen komt men met in een dag klaar Dit neemt nietweg dat ervan orthodox standpunt mt over de Groninger school een vonnis moet zijn zonder voorbehoud haar kern is een Aufklarungsrationalisme, een trmiteitsbehjdenis God — deugd — onsterfelijkheid, een ontstellend gebrek aan inzicht in de menswording Gods, een theologie die overwoekerd is door filosofie, monisme, determinisme, een invloed van Hegel die elke grens van het toelaatbare overschrijdt Als wij zien met welk een ernst en een gedrevenheid dit modernisme de kerk m werd gestuwd, dan kan men er zich slechts over verwonderen, dat de orthodoxie niet slechts staande is gebleven, maar dat in de 20e eeuw enkele moderne theologen toch weer neigen naar oorspron kelijke Schriftgegevens en lang met mcei zo sceptisch staan tegenover Jezus als Zoon van God en zelfs te genover de opstanding uit de doden

De ethische theologie

In de strijd tegen het modernisme mag stellig de ethische richting niet onvermeld blijven Hoewel lang niet zo dogmatisch belijnd als Schotsman en Molenaar, hadden de ethischen het grote voordeel van hun openheid naar het gehele culturele leven Eerst moet ik hier noemen de figuui van D Chante pie de la Saussaye Sr , die zondei emge twijfel de grenzen tussen Aufklarung en Reveil, tussen Revolutie en Reformatie scherp gemarkeerd heeft

Kort samengevat acht ik de betekenis van Chantepie deze in de pluriformiteit -') der Reveil-theo logie, die bijwijlen zelfs een chaotische indruk maakt heeft hij duidelijk struktuur gebracht Chantepie heeft aan dit theologisch denken een ruggegraat ge geven, daardoor kon de twintigste eeuw — zeker tol aan het optreden van Karl Barth —, voorzover zij de ethische richting volgde doorlopend bij de geschriften van Chantepie m de leei gaan Vervolgens had zich een konventikel-oithodoxie ontwikkeld, dit weliswaar het Schriftgezag hoog hield en de dogmatische lijnen consequent dooitrok, maar die duidelijk dreigde te verzanden in bevindelijkheid en fun damentahsme Echte theologische bezinning in wetenschappelijk opzicht moest men bi) deze keldei vroomheid" niet zoeken Ook al wil ik de konventikel-orthodoxie m een aantal aspekten positief waarderen, en ook al is haar betekenis voor het leven der kerk niet gering geweest een onmiskenbaar negatief





Niemand heeft dit scherper gezien dan Chantepie die met behoud van een Chnstocentnsche theologie zijn vensters naar het njke cultuiele leven open hat geworpen Voor hem werd in de cultuur iets van di scheppingsmacht die de Schepper aan de mens hai gegeven zichtbaar

Maar sterkei nog dan Chantepie had J H Gun ning oog voor de cultuur en haar schoonheidsaspek ten En nog duidelijker dan bij Chantepie zien wij bi Gunning een theologisch kernpunt, van waaruit hi heel zijn denken wil struktureren Dat kernpunt i en bhjft Jezus Christus, de Middelaai Gods en dt mensen Omdat Gunning vasthield aan de Persooi van de gekruisigde Heiland, kon hij alle aanvalle van supra-naturalisme ^^), idealisme en empiri^ me '•') genadeloos afslaan

Gunning erkende de organische inspiratie van d bijbelschrijvers, volgens hem was de leiding va' Gods Geest bij de kanonvorming onmiskenbaai Maar de bijbel bleef wel voor hem een mensehj boek met menselijke fouten en gebreken, eventuec met historische misvattingen Zijn grondregel i'= ,daarom alleen is de Heilige Schrift een menselij boek omdat zij Gods Woord is"

Het IS geen gemakkelijke opgave om aan te ge ven, in welk opzicht de ethische Gunning zich ondc scheidt c q ^*) zich distantieert van de grote refoi matoren, men kan zelfs de vraag stellen, of het zi heeft zich daarin te verdiepen Toch moeten w trachten enkele momenten in Gunnings denken va te leggen

Om de orthodoxie van Gunning boven elke twijti te verheffen, zou men nog eens de openingszmnc van het fijnzinnige geschrift ,,Het Kruis des Ver/csers" op zich moeten laten inwerken Zij luiden a volgt „Er IS op aarde een Gemeente van Jezu Christus, onder menigerlei naam en vorm de werel doorgaande Zij is er geweest van den beginne en z zal blijven tot het emde, want haar eeuwige Konm kan met zonder onderdanen zijn Haar leven is die Kt ning zelf (De Gemeente) kent alleen Jezus Chii^ tus die haar zonden gedragen heeft op het hout, v door Wiens striemen wij genezen zijn Wij zijn s a men genezen en levend gemaakt Geloofd zij God dat ook ik mag mede getuigen m dat grote kooi dat alle eeuwen door zijn stem opheft om de ecu wige Heiland het vleesgeworden Woord, te prijzen

Men zal toch moeten toegeven orthodoxer kaï het nauwelijks Vraagt men echter aan Gunning o hij m het voetspoor der reformatoren bereid zou ziji ,de boodschap Gods als heenv,ijzing naar Jezu Christus het enige Middelpunt" (Haitje ma) te aanvaarden dan treedt ei bij hem een lichit maar niettemin duidelijk waarneembare aanzelm» op Het geloof als kategorie '') van het Leven dci



De vraag of Gunning zich voldoende bewust is geweest, dat ook de gelovige mens, die tot een dusianige conceptie in staat zou zijn, een zondig mens s en blijft, een mens die ook in zijn wijsgerig dencn dwalen kan, indien hij zich niet van moment tot loment laat overweldigen door de macht van het \ oord, die vraag moet hier gesteld. De eerlijkheid gebiedt ons te vermelden, dat de 'Jer wordende Gunning dit zelf ook heeft ingezien. het getuigt van grote geestesadel, dat hij veel van at hij eens schreef, openlijk herriep.

i. H. F. Kohlbrugge Zonder twijfel is Kohlbrugge een rots van ortho

Zonder twijfel is Kohlbrugge een rots van orthoixie in de theologische branding der vorige eeuw. 'oit diende deze Lutheraan een Nederlandse kerk; . promoveerde hij in Utrecht op een dissertatie vver de exegese van Psalm 45. Nochtans is zijn in- •oed op het Nederlandse godgeleerde denken nau- :lijks te overschatten.

Ook wie zich slechts oppervlakkig in de theolo- He literatuur van onze eeuw verdiept, zal erdoor g^rroffen worden, dat twee namen steeds in relatie elkaar gebracht worden: Kohlbrugge en Barth. A over de aard van de relatie bestaan, diepgaande jchillen. Laat mij eens enkele opvattingen in mijn .en woorden weergeven: Barth is niet denkbaar als 1 Kohlbrugge niet gekend had; wat hen beiden veragt, is hun visie op de Romeinenbrief, mits men bij .iith niet de eerste druk van zijn Römerbrief neemt; ".ohlbrugge was veel minder erudiet "''), veel minder -Inlezen dan Barth; Kohlbrugge was geen systeem- •ouwer, hij heeft aan zijn dogmatische opvattingen •looit de struktuur van een vofledige dogmatiek ge- ;,even; Barth heeft in zijn Kirchlische Dogmatik ons •en onvergankelijk monument van theologisch denken nagelaten. Zelf meen ik, dat men een in deze materie zeer ge-

Zelf meen ik, dat men een in deze materie zeer ge- 'pccialiseerd vaktheoloog moet zijn, om overeeni'Omst en verschil tussen beide denkers vast te leg- ;.;cn. Voor mij is het feit dat Kohlbrugge opnieuw aclualiteit heeft gekregen door het optreden van LÏarth, een overtuigend bewijs voor de grootheid van ie 19e-eeuwer. En de geschiedenis zal ons leren, wie an beiden dieper heeft gegraven. Helaas circuleren in kerkelijke kringen nog steeds

Helaas circuleren in kerkelijke kringen nog steeds Lnkele zeer oppervlakkige oordelen over Kohlbrugge, waarvan wij er twee noemen:

1. Kohlbrugge poneerde enkele ketterse meningen over de heiligmaking;

2. wie Kohlbrugge volgt, vervalt tot volstrekte pas- siviteit '") in het kerkelijke werk. Natuurlijk komen wij op deze misvattingen terug.





Laten wij, om een keus te doen (en dus om redenen van beperking), drie aspekten uit Kohlbrugge's denken belichten: 1. Zijn orthodoxie; 2. zijn uitleg van Rom. 7 : 14 ; 3. zijn exegese van de spalmen.

Wat zijn orthodoxie betreft, moeten wij stellen, dat het sola tide, sola gratia en sola scriptura ^'^) heel zijn denken beheerst. In dit opzicht stelt hij zich frontaal op tegen het modernisme. Zijn theologie als Woord-theologie actualiseert zich in het Schriftgeworden Woord, het Vleesgeworden Woord (de Logos) en het Gepredikte Woord. Voor zover ik het zie, heeft Barth deze opvatting van Kohlbrugge overgenomen. Zijn orthodoxie brengt hem meer dan eens in conflict met de in veel opzichten struktuurzwakke theologie van enkele Réveilfiguren, met name Da Costa en Willem de Clercq. Dat in de polemieken tussen Kohlbrugge en Da Costa de leer der heiligmaking in het geding is, blijkt uit de briefwisseling overduidelijk. Als apart punt geldt nog, dat in Da Costa's opvattingen over chiliasme ^^) en millennium ^°) de Augustiniaanse lijn der kerk verlaten werd.

In zijn Lehre des Heils komt duidelijk naar voren, dat Kohlbrugge de dogmatische lijnen van de oerchristelijke gemeente consequent doortrekt; het zijn deze drie lijnen: 1. dass ich ein Mensch bin, und nichts mehr; 2. dass Gott Gott ist; 3. dass Er Seine Verheissungen auch an mir erfüllt ^').

Ook hier neem ik de vrijheid te constateren, dat Barth deze drie lijnen over heeft genomen.

De heiligmakingsleer van Kohlbrugge wortelt in zijn Drei Gastpredigien (Rom. 7 : 14; Ps. 65 : 5; Ps. 45 : 14—16), die enorm opzien baarden. Tot vandaag toe geldt, dat niemand iets over Kohlbrugge mag zeggen of schrijven, indien hij deze preken niet grondig bestudeerd heeft. De preek over Rom. 7 : 14 „Want de wet is geestelijk, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde" is voor Kohlbrugge's theologie fundamenteel. Grote betekenis hecht hij aan de komma achter ,,vleselijk". Voor hem is de nieuwe mens niet ,,Christus in ons", maar ,,wij in Christus". Dit is méér dan een woordenspel. Op het moment dat de mens in het geloof de Christus der Schriften aanvaardt als zijn Heiland en Zaligmaker, is hij in Gods ogen volkomen heilig, volmaakt. Daaraan valt niets meer toe te voegen. Al het procesmatige wil Kohlbrugge uit de heiligmaking verbannen. Christus heeft gezegd: Het is volbracht. Aan Zijn middelaarswerk behoeven en mogen wij niets toe te voegen. Wie dit toch wil doen, miskent de algenoegzaamheid van het verlossingswerk.

Het is kenmerkend voor Kohlbrugge, dat hij nochtans vasthoudt aan de leer der dankbaarheid van de Heidelbergse Catechismus: het is onmogelijk, dat de wedergeboren mens geen vruchten der dankbaarheid zou voortbrengen. Maar deze dankbaarheidsvruchten zijn geen toevoegingen aan het verlossingswerk, maar ZIJ zijn er het gevolg van. Dus geen passiviteit, geen lijdelijkheid in het vervullen van onze taak m de gemeente. Daar werken wij, zo'ang het dag is. Maai het ZIJ verre van ons dit als ,,werkheiligheid ' te karakteriseren. Wij zijn geschapen met de ogen hemelwaarts. Niets IS uit ons, alles is uit Hem. Nog een enkel woord over de zeer specifieke

Nog een enkel woord over de zeer specifieke exegese die Kohlbiugge van de psalmen geeft. Voor zover ik kan beooidelen, is hij hierin niet door Barth gevolgd.

Eigenlijk zijn alle psalmen volgens hem messiaans Ook deze lijn trekt hij met een consequentie door, die menigeen heeft doen schrikken. Als de psalmdichters spreken over hun schuld, hun ongerechtigheden, hun zonden, dan past Kohlbrugge dit onverkort op Christus toe. Zozeer heeft Hij onze zonden op Zich genomen, dau het getuigenis van de psalmist Zijn getuigenis is geworden Als voorbeelden dienen de volgende Ps. 40 13 ,,Mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien. Zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds". Ps. 41 5 „Ik zeide: o Here, wees mi) genadig, genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd". Ps. 69 6 „O God, Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen".

In een discussie met de Barthiaan Van Niftnk vroeg ik hem eens, hoe hij dacht over het messianisme, dat Kohlbrugge zag m Ps. 73 22 ,,Toen was ik een grote dwaas en zonder verstand, ik was een redeloos dier bij U". Statenvertaling ,,ik was een groot beest bij U". Van Niftrik reageerde ongewoon fel Kohlbrugge had moeten bedenken, dat er in Bethlehem geen beest, maar een Kind is geboren

Intussen blijven zowel Kohlbiugge's disseitaiic over Psalm 45 als de overige exegesen der psalmen nog steeds de moeite van het bestuderen waard. Samenvattend mogen wij stellen, dat m de spanning tussen orthodoxie en modernisme in de vorige eeuw het werk van Kohlbrugge niet meer valt weg te denken. Ik wil niet beweren, dat er zonder Kohlbrugge in de vorige eeuw en in deze eeuw van orthodoxe theologie geen sprake meer zou zijn. Maar ik durf met stelligheid staande te houden, dat de orthodoxie er andeis uit zou zien, als er geen Kohlbrugge geweest was. En met de reserve en de bescheidenheid die mij passen, zou ik willen beweren dat de Kirchliche Dogwatife op bepaalde plaatsen anders gekleurd zou zijn, als Barth nooit een woerd van Kohlbrugge had gelezen.

Ten slotte

Men kan zich afvragen of het in deze tijd, die over apocalyptische middelen beschikt om de wereld te vernietigen, nog zin heeft aandacht te vragen voor de theologische spanningen der vorige eeuw. Is het niet of WIJ onszelf opsluiten in een donkere kamei als WIJ ons verdiepen m wat meer dan 150 jaai geleden kerk en volk beroerde? Kunnen wi] volgens de mode van deze tijd niet beter met spandoeken de straat opgaan, en liefst naar het Binnenhof, om van onze onrust te getuigen over alles wat nationaal en internationaal tot een aanklacht tegen de mensheid en de menswaardigheid is geworden.? Als ik met gemeend had dat het zin heeft, waien deze woorden ongeschreven gebleven.




Waarom achten wij dit noodzakelijk.?

Omdat veel kerkleden zich moeilijk aan de indiul kunnen onttrekken, dat de kerk bezig is de schijn o| zich te laden, dat het enige criterium dat zij stellei mag aan haar leden, nl. „wat dunkt U van de Chri'' tus''", vervangen dreigt te worden door nieuwe crite na, nl. ,,wat denkt U van de Nederlandse defensie van allerlei aktiegroepen, speciaal als het om kern centrales gaat, om krakers enz. enz..?" En de lijn va Dorothee Solle doortrekkend — sprak Barth niet va „die schreckliche Frau Solle.?" — zeggen sommig predikers naarmate wij de deide wereld helpen, na<. die mate is Christus uit de doden opgestaan. Vet gemeenteleden voelen het zo aan, dat de kerk hun d mondigheid ontzegt om zelf, ten overstaan van hui verantwoordelijkheid tegen het eigen geweten, tege de naaste en tegenover God, een beslissing te neme in de grote politieke vraagstukken die nu aan de oi de zijn.

Als een kerk zich door partijpolitieke opvattinge laat vergiftigen, o.a. door continu in haar predikin te zwijgen over de 60.000 doden in Nederland pi jaar door abortus, als keikleden deswege m de ve onderstelling gaan verkeren, dat zij eerst de maa schappelijke en politieke opvattingen der kerk mo ten ondertekenen, en dat daarna het geloof in de d kruisigde als een waardevolle bijkomstigheid won gewaardeerd, dan is er iets fundamenteels fout in h kerkelijk belijden, omdat men op deze wi|ze de z ken van achteren naar voren benadert. De belijden in bijbels-reformatorische zm dient onder alle on standigheden primair te zijn. Slechts van daaruit m( gen WIJ de lijnen trekken naar de politiek, de maa schappij, de derde wereld enz. Maar het doortrekki van deze lijnen is mede en vooral een zaak van L mondige leden der kerk. Deze leden willen in de vo wassenheid van hun oordeel als zodanig dooi t kerk geaccepteerd worden. In de vorige eeuw hec de kerk in haar worsteling tegen Aufklatung, ratu nalisme, revolutie en ongeloof een aantal mannc voortgebracht, die het kostbaarste dat de keik bezai haar belijdenis, aan het nageslacht hebben overgt dragen.

Dit kostbaarste heeft aan actualiteit nog gec gram ingeboet. Vanuit deze schat der kerk moge WIJ, elk m eigen persoonlijke verantwoordelijkheu de immense ^^) problemen waarvoor wij staan, tegi moet treden. Wie de omgekeerde weg volgt, handel tegen het hart van het evangelie in. Daarom, c daarom alleen, heb ik deze regels geschreven; dus on de kerk opnieuw te herinneren aan haar autochtr ne '^•^) roeping. En het volgen van deze roeping u pliceert, dat wij de kerk opnieuw stellen voor haa eigen geschiedenis. De bestudering van haar gt schiedems uit de vorige eeuw is daarvoor een cond tio sine qua non ^*).

(Referaat, op 25 april 1.1. gehouden in de Marcuskei > te Utrecht op de jaarlijkse conferentie van de ,.Kriii van vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge")

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1981

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De spanning tussen orthodoxie en modernisme in de 19e eeuw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1981

Kerkblaadje | 8 Pagina's