Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wilhelmus van Nassouwe

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wilhelmus van Nassouwe

6 minuten leestijd

•e coupletten V tot en met X

V

Edel en Hooch gheboren. Van Keyserlicken Stam, Een Vorst des Rijcks vercoren. Als een vroom Christen Man, Voor Godes Woort ghepreesen Heb ick vrij onversaecht. Als een Helt sonder vreesen. Mijn Edel bloet ghewaecht.

VI

Mijn Schilt ende betrouwen Sijt Ghy, o Godt, mijn Heer, Op U soo wil ick bouwen, Verlaet my nimmermeer! Dat ick doch vroom mach blijven, U dienaer t'aller stondt. Die Tyranny verdrijven. Die my mijn hert doorwondt.

VII

Van al die my beswaren End mijn Vervolghers zijn, Mijn Godt! wilt doch bewaren Den trouwen dienaer dijn. Dat sy my niet verrasschen In haren boosen moet, Haer handen niet en wasschen In mijn onschuldich bloet.

In het 5e couplet, dat uit één zin bestaat, treffen ü weer de stijlfiguur van de inversie aan. Neutraal - ->steld zou er staan: „Ik heb als zodanige mijn leven jor Gods onvolprezen Woord in de waagscihaal gebeld". „Als zodanige" is echter deels expressief geilaatst. Het effect hiervan is, dat er niet alleen met adruk op wordt gewezen dat de Prins van zeer hoge -omaf is, zelfs een keizer onder zijn voorvaderen 't, maar ook dat hij gelijk in rang is met de Habsiger Filips II. In 1292 hadden de Duitse vorsten i de dood van Rudolf van Habsburg namelijk Adolf .n Nassau tot keizer gekozen. Weldra trad toen 'idolfs zoon als tegenkeizer op. In de hierop vol- •nde strijd sneuvelde Adolf in 1298.

In werkelijkheid was Willem als Nassauer geen 'ijksvorst, slechts Rijksgraaf; als Oranje was hij orst.

De adjectieven (bijvoeglijke naamwoorden) verkoycn (voortreffelijk, uitgelezen) en geprezen staan in postpositie, d.w.z. achter het substantief (zelfstandig naamwoord) waar ze bij horen, wat in die tijd niet ongewoon was (vgl. daar was eens een meisje loos: daar was eens een gewiekst meisje). Na zo nogmaals gewezen te hebben op zijn vor

Na zo nogmaals gewezen te hebben op zijn vorstelijke afkomst, zijn onbegrensde moed en op datgene waar het hem uiteindelijk om gaat: op te komen voor Gods Woord, zoals het een vroom christen betaamt, ncht hij zich in de 6e en 7e strofe met een vurig gebed tot God, de Heer der heren, zijn hoogste autoriteit. Hij noemt Hem zijn bescherming en toeverlaat, op Wie hij al zijn vertrouwen stelt, en smeekt Hem nimmer van hem te wijken, zodat hij volhardende in het geloof altoos Zijn dienstknecht moge wezen en de tirannie {die is een lidwoord) verdrijven, die hem zo zeer aan het hart gaat. {soo is een aanvullend woord, een stoplap, als in strofe IX.) Willem van Oranje vertoont hier duidelijk de trekken van de psalmdichter. Neem psalm 144 : 2: „Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!", maar ook psalm 18 : 3. Denk eraan, dat met die tirannie in de eerste plaats gedacht is aan geestelijke dwingelandij; vandaar dat dit lied zo actueel blijft. Hulde aan Koningin Beatrix, die het niet beneden zich geacht heeft deze bede bij haar inhuldiging tot de hare te maken! Dat haar woorden bewaarheid mogen worden door haar daden.

In het 7e couplet vraagt de Prins of God Zijn trouwe dienaar toch wil beschermen tegen al degenen die hem kwellen en vervolgen. Dijn staat weer in postpositie. Het is het oude bezittelijke voornaamwoord van de 2e persoon enkelvoud, dat bij het persoonlijk voornaamwoord du hoorde en dat in de 16e eeuw aan het uitsterven was. (Omdat Marnix van St.-Aldegonde zich met hand en tand verzette tegen het toen nieuwmodische Gij, U en Uw met betrekking tot God, voert men dit gebruik van dijii wel aan als een argument voor zijn auteurschap van het Wilhelmus. Maar m het 6e couplet worden Gij, U en Uw gebruikt!) Geef, dat ze me in hun slechtheid — zo bidt hij verder — niet bij verrassing doden en zó over mij triomferen. Hij vraagt dus gespaard te mogen blijven voor de dood door sluipmoordenaarshand. De wetenschap dat deze bede niet verhoord werd — in 1584 werd Willem van Oranje immers door Balthasar Gerards, een Frans huurling die zich uitgaf voor een hugenoot en zó kans zag tot de Prins door te dringen en hem'op lafhartige wijze in het Prinsenhof te Delft vermoordde — maakt deze passage des te schrijnender.

De Bijbel kent de uitdrukking: de voeten wassen in het bloed van de tegenpartijders (zie psalm 58 : 11), wat letterlijk betekent dat er zóveel slachtoffers onder de overwonnenen zijn gevallen dat de overwinnaars bij wijze van spreken door hun bloed kunnen waden. Figuurlijk wil deze uitdrukking dus zeggen: de algehele overwinning behalen. (Moeten we ook aan Deuteronomium 21 : 1 — 9 denken.?)

VIII

Als Davidt moeste vluchten Voor Saul den Tyran, Soo heb ick moeten suchten Met menich Edelman: Maer Godt heeft hem verheven. Verlost uut aider noot. Een Coninckrijck ghegheven In Israel seer groot.

IX

Nae tsuer sal ick onttanghen Van Godi, inijn Hcer, dat soet, Daer na soo doet verlanghen Mijn Vorstelick ghemoet. Dat is, dat ick mach sterven Met eeren in dat Velt, Een eewich Rijck verwerven Als een ghetrouwe Helt.

X

Niets doet my meer erbarmen In mijnen wederspoet, Dan datmen siet verarmen Des Conincks Land en goet; Dat u de Spangiaerts crencken, O Edel Neerlan Jt soet! Als ick daer aenghedencke. Mijn Edel hert dat bloet.

Geheel in de geest van zijn presentatie in de vorige strofen, vergelijkt de Prins zich in het 8e en 9e couplet expliciet met David, die immers evenals hi) met zijn mannen ellendig om moest zwerven voor een tiran (Lees: Saiil, tweelettergrepig). 1 Samuel 22 : 2: „En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hi) werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen". Hoewel David wist dat Sauls koningschap van Godswege reeds weggenomen was, bleef hij hem als zijn vorst eren. De geschiedenis in de spelonk van Engedi (1 Samuel 24) is daar het beste bewijs van.

Maar — zo gaat de Prins verder — God heeft hem uit alle nood verlost en weer in ere hersteld door hem een groot koninkrijk in Israel te geven. Zo zal Hij ook mij na al deze rampspoeden eenmaal hét grote geluk doen smaken, waarnaar mijn ziel haakt (dat kan een lidwoord zijn. ons het, maar ook een aanwijzend voornaamwoord; in het laatste geval moet het met sterke klemtoon gelezen worden). Gezien hetgeen zojuist over Davids lotgeval is gezegd, zou je verwachten dat dit wel het bezit van een aards koninkrijk zal zijn. Maar er zijn andere zaken die hem ten diepste beroeren. In de eerste plaats de vurige wens om, zoals het een ridder betaamt, in het zadel te sterven, en vervolgens om eenmaal, vanwege zijn „den Vaderland getrouwe tot in de dood", waarbij we niet het minst aan het hemelse Vaderland hebben te denken, de volkomen uitkomst van het eeuwig, zalig leven te smaken.

In al zijn tegenheden — strofe 10 —'wekt niets zo zeer zijn deernis, dan dat hij de goede, welvarende Nederlanden ziet verarmen, en zich tot zijn onderdanen richtend vervolgt hij: dat u de Spanjaarden zóveel leed en schade berokkenen, o geliefd, edel Nederland, als ik daaraan denk, bloedt mijn hart. (goet en soet staan weer in postpositie.)

(Wordt vervolgd)

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1981

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Wilhelmus van Nassouwe

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1981

Kerkblaadje | 8 Pagina's