Gedachten over huwelijk en gezin, vroeger en nu
I
In het informatieblad over kerk en kerkelijk leven Kerknieuws van 26 juni 1981 kwam ik een interview tegen met Dr. A. Dekker, wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken te Kampen, die het vak ethiek doceert. Hij beweert daarin dingen, die zó ingaan tegen het traditionele denken over het huwelijk, dat ze niet onopgemerkt mogen blijven; en dat temeer niet, waar zulke ondermijnende en afbrekende opmerkingen over huwelijk en gezin hoe langer hoe meer een mode-verschijnsel worden onder christenen. — „Echtbreken betekent in het Oude Testament de echtgenote van je volksgenoot stelen. Samenwonen mag je dus geen hoererij noemen. Je moet verde< bedenken dat er thans een generatie opgroeit die voor een groot deel gescheiden ouders heeft. Er zijn samenwonende jongelui die zóveel trouw en warmte voor elkaar opbrengen dat veel getrouwde mensen daar niet aan kunnen tippen. Ik heb dan ook grote bezwaren tegen de term „hokken". Als je dat woord gebruikt, geef je al te kennen dat je samenwonen iets beestaohtigs vindt. Beesten hokken immers. Dan heb je eigenlijk al een ethisch oordeel geveld".
— ,,U vindt niet dat geslachtsgemeenschap uitsluitend binnen het huwelijk mag plaatsvinden.?"
— ,,Het bestaande huwelijk is nog maar anderhalve eeuw oud. Men heeft ihet sexuele zó losgemaakt van de belevingswereld van de totale mens dat het opgeladen werd met een inhoud die wel moest teleurstellen. Voor de sluiting van een huwelijk mocht er niets, daarna móést alles ".
Tot zover het citaat. Je slaat je handen met verbijstering ineen, als je zulke lasterlijke woorden vol venijn tegen het huwelijk ziet komen uit de pen van een christelijke ethicus. En een uitzondering is hij niet. Nog niet zo lang geleden las ik in het hervormde blad voor ambtsdragers Woord en Dienst (februari 1981) een artikel over kerk en gezin, waarin gezegd werd: ,,Ik kom in mijn werk dagelijks tegen, dat getrouwde mensen vriendschap sluiten met anderen dan de huwelijkspartner, zonder dit als overspel re ervaren. Zij vragen zich af, waarom ze het beste wat ze in zich hebben niet met anderen zouden mogen delen. Er zit winst in dergelijke ontwikkehngen Ik denk dat met name het feminisme heeft ontdekt, hoezeer het traditionele huwelijk een legitimatie betekende voor het bezittend omgaan van de man met ,,zijn" vrouw en kinderen, en hoezeer dat huwelijk een weerspiegeling is van een op bezit, prestatie en macht gebaseerde samenleving ". Aldus de remonstrantse predikant W. J. Overdiep. Ook hier die toon van kwaadaardige laster tegen huwelijk en gezin. En er zouden nog veel meer voorbeelden va:i te geven zijn.
Aangezien het niet mogelijk is om laster en kwaadsprekerij te ontzenuwen en om haatdragende figuren van hun ongelijk te overtuigen, geloot ik dat het het beste is om dergelijke uitspraken alleen maai aan te horen als symptomen van „de geest, die thans werkzaam is in de zonen der ongehoorzaamheid en in de kinderen des toorns" (Efeziërs 2 : 2, 3). Slecht.s op één punt wil ik ingaan, namelijk de boutade (uitval) van Dr. Dekker als zou het bestaande huweUjk nog maar anderhalve eeuw oud zijn.
II
Reeds in de tweede eeuw kende men de kerkelnki inzegening van het huwelijk. De roomse liturgie schreef voor, dat drie afkondigingen zouden geschieden eer het huwelijk werd voltrokken. Na de beant woording der vragen verbond de priester man ei vrouw aan elkaar in naam van de Drieënige God, besprengde hen met gewijd water, zegende de trouw ringen en sprak een gebed uit. De hervormers namet veel van deze ceremoniën over. Calvijn verklaarde ii 1545: „De publieke en plechtige ceremonie om d' huwelijken te bevestigen is door de christenen inge steld, opdat het ware en wettige huwelijk in grotci eer en achting zij en dat er geen bedrog gepleegd worde tussen de partijen, maar dat alles te goedei trouw geschiede, en opdat de kerk bidde voor hei goede heil der gehuwden".
Vooronderstelling bij de hervormers was, dat he' huwelijk een burgerlijke handeling is en publiekrcchLciijk karakter heeft. De kerkelijke inzegening 'S dus niets anders dan een bevestiging van het door de bur- "orlijke overheid gesloten huwelijk. De provincie Holland kende dan ook reeds in 1580 een burgerlijk huujujk; de andere provincies sinds 1656. Omstreeks io4U werd in ons land de Burgerlijke Stand ingesteld m het huwelijk ten stadhuize gesloten. Welk zinnig nens zal nu echter durven beweren, dat „het belaande huwelijk nog maar anderhalve eeuw oud :s".^ Hoe in het verleden over het huwelijk gedacht .erd, blijkt uit het Formulier om de huwelijke staat oor de gemeente van Christus te bevestigen, dat amt uit de kerkorde van de Palts, die het overgejmen had van de liturgie van Farel en Calvijn. Hoe- 'jel gewicht men aan het huwelijk hechtte, toont ook j formule van afkondiging van de verloofden, die olaas in latere edities is weggevallen. Zij luidt zó: N. en N. willen zich naar Gods ordening tot de hei- '4e huwelijke staat begeven; daartoe begeren zij een iristelijk gebed der gehele gemeente, opdat zij deze iristelijke staat in Gods naam beginnen en zaliglijk ;t Zijn lof voleindigen mogen. En zo iemand daar- >e iets te spreken had, waardoor zulks verhinderd of .^gehouden mocht worden, die brenge zulks ordeik en bijtijds aan, of zwijge daarna, en wachte zich iige verhindering daartegen voor te nemen". In een tijd, die zo lasterlijk over het verleden wreekt als thans, is het van grote betekenis om het lassieke huwelijksformulier in ere te houden, al was 't alleen maar om er als historisch document de ond der kwaadsprekers mee te stoppen. Vergeleken larmee is toch alles, wat zij als nieuwlichterij -naar . aren brengen, niets anders dan mateloze overschatmg van hun vermogen tot geestelijke creatie. In al un parmantigheid beseffen zij niet, hoe gering hun gen inbreng is in vergelijking met al'hetgeen zij te mken hebben aan het verleden.
III
Een belangrijke plaats in het huwelijksformulier eemt het verhaal in van de instelling van hei. hu- \clijk naar het boek Genesis, hoc Eva werd gescha- >'n, en hoe de Here God zelf haar tot Adam bracht. Ook nu nog beschikt Hij een iegelijk zijn huisvrouw lijk als met Zijn hand toe". Een ander bewijs, hoe 'ivol de huwelijke staat is, ligt in de geschiedenis ^n de bruiloft te Kana.
Nu is het met name de verwijzing naar het paraisverhaal in het huwelijksformulier, dat in onze tijd ^erstand en ergernis oproept. In de literatuur van ministische kant komt men hier telkens op terug. 'p grond van het verhaal in Genesis 3 hebben man- • en de eeuwen door hun conclusies getrokken: de ''onde moest een oorzaak hebben; wie was de schuli's^e.? Natuurlijk de vrouw! Eva dus als zondebok en 'i schulddraagster! De Bijbel zegt het immers. De \iouw een verleidster, in wier net iedere keer weer 'ie man viel! Machtig en zelfgenoegzaam komt de man uit dit verhaal te voorschijn.
Is de woede, die dit verhaal thans bij veel vrouwen '>proept, terecht.? Wordt hier de man boven de vrouw i^esteld? Is hier sprake van sexisme, dat wil zeggen: van discriminatie op grond van sexe? Of is hier veeleer sprake van overgevoeligheid, van kittelachrigheid van gehoor, van vooringenomenheid.? Wij zullen ons toch bewust moeten zijn, dat het mogelijk is een tekst te lezen „met een eenvoudig oog ' (Mattrheüs 6 : 22) en „in eenvoudigheid des harten' (hfeziërs 6 : 5); maar dat het ook mogelijk is die te lezen met een boos oog en in argwaan van hart.
Hoe kinderlijk en ontwapenend is, vergeleken met die verkrampt feministische visie op Genesis 1 tot 3, de wijze waarop vader Cats ons in zijn Grondhvwelyk in de hof van Eden verplaatst en ons met zachte ernst, op gezellige toon, in huiselijke uitvoerigheid een denkbeeld geeft van het volkomen geluk der reinste onschuld en der eerste liefde. Ook een Vondel of een Bilderdijk zouden in dit verband genoemd kunnen worden, maar Cats is de eenvoudigste, de minst theologische verteller, die zonder dogmatische belasting het bijbelverhaal voor zijn kinderen uiteenzet. Hij doet er ons getuige van zijn, hoe de bruiloft van Adam en Eva door de voltallige dierenwereld gevierd wordt.
Zo schildert hij, hoe de zoete nachtegaal en honderd kleine pijten hun zangtoon aanheffen, de paradijsvogel om het hoofd van de jonge bruid zweeft, de kraan een krulletter in de lucht trekt, de bij was en honig komt aanbieden. Je vreemdste waterbewoners buitelingen en kromme sprongen voor haar maken, en straks ook het paard, de kemel, de olifant en de krokodil met elkander beginnen te ijveren op wiens rug mevrouw behoort te rijden. Dan komt ook de schildpad haar tandeloze mond ontsluiten om te beweren, dat niemand dan haar deze eer toekomt. Verder zien wij een egel, volgetakt met allerlei vluchten, als een wandelende fruitmand voor de bruid verschijnen. Is deze tekening niet meer in de geest van het verhaal dan de kwaadaardige beschuldiging, dat hier de vrouw tot zondebok van de geschiedenis wordt gemaakt.?
En luisteren wij nu naar de woorden, die Adam spreekt bij het aanschouwen van zijn bruid:
,,lk heet u wellekom, o wens van mijn gedachten! Mijn ziel, myn ander ik, daar op mijn zinnen [wachten. Ik heet u wellekom, o lust van mijn gepeis! Mijn troost, mijn lief behulp, tot mijn vermaak [geboren. Mijn kroon, mijn hoogste schat, mijn uitgelezen [blom, O zegen van den Heer, ik heet u wcllekoyyi".
Daarop antwoordt Eva:
,,Hoe dat gij dient genoemd, die mij hier komt [begroeten. En hoe ik spreken zal, en u behoor te groeten. Des ben ik onbewust. Wat is er dat ik ken. Die maar een ogenblik hier op der aarde ben? Ik mag u wel terecht mijn lieven broeder [noemen. Dewijl dat gij en ik van énen Vader komen: God heeft ons bei gevormd, en dat met eigen [hand. Ziedaar van eersten af een wonder vasten [band ".
Wat ons in deze dichtregels het meest treft, is de kinderlijke eenvoud, de onbedorvenheid, het prille en zuivere van de morgendauw der geschiedenis. Wat zijn wij 2üe-eeuwers vergeleken daarmee: oud, verlept, en daardoor niet meer in staat om onbevangen naar het paradijsverhaal te luisteren! Onwillekeurig leggen wij er onze argwaan zn wrok in. Daarin zijn WIJ kinderen van onze tijd. Want zó is onze tijd, dat hij leert het verleden grondig te wantrouwen en tegen alles, wat ons uit het verleden is overgeleverd, in verzet te komen; de Bijbel en het geloof, de kerk en het huwelijk niet uitgezonderd!
IV
Nu wil ik daarmee zeker niet zeggen, dat huwelijk en gezin starre, onveranderlijke grootheden zouden zijn, en evenmin dat het verleden niet critisch benaderd zou mogen worden. De tijden veranderen en wij met hen! Verandering is echter iets anders dan verwoestmg. Bij veranderingen blijft het grondpatroon gehandhaafd en vinden er slechts verschuivingen plaats op ondergeschikte punten. Zo heeft ook het huwelijk een grondpatroon, een oervorm, een a r c h e, wat vader Cats terecht deed spreken van 'het Grondhuwelijk. Het heeft zijn oorsprong in de schepping, in de echtverbintenis van Adam en Eva, zoals die ons beschreven wordt in Genesis 1 — 3.
Alle tijden door vinden er binnen dat grondpatroon wijzigingen plaats, bijvoorbeeld in het sexuele verkeer van man en vrouw, in de gezinsvorming, in het maatschappelijk functioneren van man en vrouw, in hun deelhebben aan het cultuurproces en aan de ontwikkeling van wetenschap en kunst. Uiteraard speelden daarbij sociale en economische ontwikkelingen een grote rol. De agrarische en ambachtelijke samenleving lostte zich op. Het platteland en de dorpen boetten aan betekenis in. Door de industrie groeiden de steden en nam het verkeer toe. De maatschappij werd bewegelijker en bood meer mogelijkheden voor individuele vrijheid en ontwikkeling. Voor de verhouding van man en vrouw had dat alles grote gevolgen, en dus ook voor 'het huwelijk en het gezm. Maar het huwelijk blééf huwelijk en het gezin blééf gezin; dat wil zeggen, dat het grondpatroon, de bijbelse oervorm, er steeds in herkenbaar bleef. In hun onderlinge verhouding en eigen aard bleven man en vrouw gelijk aan het grondhuwelijk uit het paradijsverhaal. Hun liefde en trouw tegenover elkaar veranderden niet. En evenmin hun besef, dat huwelijk en gezin alleen kunnen bestaan, als er wederzijds de bereidheid is om zich naar de ander te schikken en niet ten koste van de ander te streven naar maximale zelfontplooiing. Met andere woorden: de blijvende, onveranderlijke grondslag van het huwelijk bleef de a g a p e, niet de e r o s; de gevende liefde, niet de zelfzuchtige liefde.
Hoe in de gesdhiedenis het grondpatroon van huwelijk en gezin temidden van revolutionaire stormen ongewijzigd bleef, terwijl op ondergeschikte punten verschuivingen plaatsvonden, — daarvan vinden wij overvloedig Bewijsmateriaal in de historische studie van professor L. Knappert uit Leiden, getiteld: Het zedelijk leven onzer vaderen in de achttiende eeuw (Haarlem, 1910). Uit historische bronnen leidt hij af, dat de Hollandse huwelijken verre te verkiezen waren boven de Franse. Als Diderot ons land bezoekt, constateert hij, dat de Nederlandse vrouwen kuis en eerbaar waren. Slechte huwelijken zijn zeldzaam. Hun harten lijken op turven: ze branden langzaam maar lang. Uit oude familie-papieren is ook op te maken, dat in menig gezin een stil, innig en vredig huwelijksgeluk gesmaakt werd. Hoe vriendelijk klinkt daarin de benaming ,,mijn liefste", gebruikt door man ot vrouw!
Ook stelt Knappert vast, dat de Hollandse vrouwhaar huis met talent bestuurde en dat de man zich aan haar gezag gaarne onderwierp. En niet alleen een goede huishoudster was zij, maar ook bestuurde zij als regentes de wees- en gasthuizen beter dan de man. Men placht in die tijd ook te zeggen dat, waar de vrouw de koorden der beurs houdt, de man zelden bankroet gaat. Ook was het geen zeldzaamheid, dat vrouwen uitmuntten door kennis en geleerdheid, ook al stond de tijd het niet loe dat zij pleitten ol tot hoogleraar benoembaar waren. „Wij horen Johanna Gevaerts prijzen als geleerd en ontwikkeld, geestig en smaakvol pratend over godsdienst, filosofie moraal en politiek. Ik denk aan Anna Elisabeth Buma, dochter van een predikant te Ysbrechtum, bijgenaamd ,,de geleerde juffer", die zeer ervaren was ir het Grieks. Ik denk aan die Josina Karolina van Lijnden, die met de Griekse koopman Adamantio Koraïs logica studeerde en wetenschappelijke avond jes hield. Aan Belle van Zuylen, de hoog ontwikkel de, geëmancipeerde Utrechtse freule, wier voort rel felijke, zielkundige, Franse brieven documenten ziji en die ook ander letterkundig werk van formaat ''leei geleverd". Men kan daarom niet het verleden mi. één pennestreek veroordelen en beweren, dat in vroe ger eeuwen de vrouw miskend en onderdrukt is ge worden.
V
Dergelijke beschuldigingen en verwijten zijn nit zelden een poging om de oorzaak van eigen falen c te wentelen op de omstandigheden. Het waren d maatschappelijke structuren, het was de christelijk starheid en geborneerdheid (bekrompenheid), het wa de heerszucht der mannen, waardoor de vrouw beknt is in haar zelfontplooiing. Maar wat er aan schei pingsdrang in een mens ligt, dat moet er toch ui hetzij bij man of bij vrouw! Dat laat zich toch nii keren! De voorbeelden uit het verleden bewijzen hc En dat er niet méér creativiteit (scheppingsdrani naar voren gekomen is in het verleden, dat houd toch in, dat verreweg het merendeel der vrouwei niet gedreven is geweest door scheppingsdrift, manbewust genoegen heeft genomen met de mogelijkhc den die voor haar openlagen. Ik denk er niet aai om dat de vrouw te verwijten! Het enige wat il> ermee zeggen wil, is dat in de vrouw-zelf van natura bij lange na niet die scheppingsdrang en behoeftitot zelfontplooiing blijkt te leven, die haar in deze tijd wordt toegedicht! Het zou daarom wel eens kunnen zijn. dat zowel het feminisme als de huiJigt hetze tegen huwelijk en gezin niets anders dan de symptomen zijn van een gevaarlijke ideologische overspanning, die ontwrichtend werkt in kerk, siaai in maatschappij, en die de meest gevaarlijke bedreiging vormt voor huwelijk en gezm, maar ook ' 'lor de ziel van de vrouw.
i^at dit vermoeden niet uit de lucht gegrepen is. 1 ieder beamen, die niet onbekend is met de enorme hwloed van de Frankfurter School, en die afweet \ in de greep die een figuur als H. Marcuse op de >,'iderende jeugd heeft gehad. Ik ben van mening, dat daar het revolutionaire zaad gekweekt is, dat de giondpatronen, de oorspronkelijke scheppingsvormen, d: a r c h a i, bij de gratie waarvan wij leven, ver- '- "tigd heeft. Het is het zaad van een vrijheidsbestzijn, dat fanatiek anti-christelijke en anarchisti- ^ )e trekken heeft, en dat het duidelijkst herkenbaar 1 bij de zogenaamde ,,chaoten" en „autonomen". I )e volstrekt negatief hier over huwelijk en gezin gei' -ht wordt, blijkt uit het volgende gedichtje, dat die kring stamt en als gebed bedoeld is*:
,,kh tu, was ich tu, und du tust, was du tust. Ich bin nicht auf dieser Welt, uni nach deinen Erwartungen zu leben. Und du bist nicht auf dieser Welt, urn nach den meinen zu leben. Du bist du, und ich bin ich. Und wenn wir uns zufallig finden,— wunderbar. Wenn nicht, kann man nichts machen".
Lahng:
„Ik doe, wat ik doe, en jij doet, wat jij doet. Ik ben niet op deze wereld omvolgens jouw verwachtingen te leven. En jij bent niet op deze wereld om volgens de mijne te leven. ]y bent jij, en ik ben ik. En als wij elkander toevallig vinden, — prachtig! Zo niet, dan is er niets aan te doen".
Wie aangeraakt is door dat vrijheidsbewustzijn, is geen huwelijk en gezin meer in staat, want het 'kt explosief in de scheppingsorde. En aan dat iheidsbewustzijn verlenen kerk en theologie handspandiensten!
VI
!-ééft nu dit moderne, ideologisohe vrijheidsbestzijn in de vrouw, of wordt het haar aangepraat.? /ij in het verleden achtergesteld en onderdrukt, of dat een historische constructie, die niet met de '- 'len overeenkomt.? Is het grondpatroon van de ver- ' )uding van man en vrouw, zoals ons dat door de i libel en de christelijke traditie is overgeleverd, door •' Lijd achterhaald en zijn wij toe aan radikale veriiaiwingen, of is hier sprake van een doelbewuste en iv 'iistmatig aangewakkerde afkeer van het christenu >in.?
Wie de huidige hetze tegen huwelijk en gezin beziet in het raam van de tijd waarin wij leven, kan moeilijk anders dan ernstig rekening houden met de l^uuste mogelijkheid. Veel wijst erop, dat er een samenballing van anti-christelijke krachten plaatsvindt cm eens en voorgoed af te rekenen met Bijbel, kerk en geloof. En waar was de schat van het Evangelie alle tijden door het veiligst bewaard en het zuiverst overgeleverd.? Toch bij de vrouw, toch in het huwelijk, toch in het gezin! Is het dan wonder, dat thans de aanvallen van de Boze daarop gericht zijn.?
A 1 s het bijbelse grondpatroon van het huwelijk goddelijke waarheid is; als de man-vrouw verhouding in werkelijkheid is, zoals die ons daar getekend wordt; als dus overeenkomstig Genesis 1 — 3 de vrouw minder de scheppende, de ontwerpende, de veroverende is, en meer de luisterende, de ontvangende, de bewarende, de behoedende; — dan is het toch vanzelfsprekend, dat de vrouw voor de antichristelijke machten de grote sta-in-de-weg is. Méér dan de man is zij krachtens haar aard geneigd en in staat om de schat van het Evangelie in haar moederlijke zorg te nemen, daarin gelijkend op Maria die het Kind Jezus onder haar hart en in haar hart droeg. Het is dan ook niet toevallig, dat in alle eeuwen de kerk moedergestalte heeft gehad. Wat zich afspeelt in onze tijd, zou daarom wel eens verwant kunnen zijn aan het visioen van Johannes in het boek Openbaring hoofdstuk 12: de draak vervolgt de vrouw.
Menselijk gesproken betekent dat, dat de toekomst van Evangelie en geloof, van huwelijk en gezin, ligt in handen van de vrouw!
Uiteraard geldt dat voor de vrouw, die echtgenoot en moeder is; maar ik ben geneigd om te zeggen, dat het in versterkte mate geldt voor de vrouw die een plaats inneemt in het openbare leven. Méér dan de vrouw, die echtgenoot en moeder is, komt zij direkt in aanraking met de kolken en stroomversnellingen van de tijd. Zij heeft haar vrouw-zijn te verwerkelijken, niet in de kleine verbanden van huwelijk en gezin, maar in de grote verbanden van onderwijs, welzijnswerk, kerk, parlement, universiteit, cuhuur. Zal zij erin slagen om daar haar identiteit (eigen aard) te bewaren en zó haar eigen belangrijke inbreng als zuurdesem in de maatschappij te laten doorwerken.? Zal zij in staat zijn om de verleiding te weerstaan van een vrijheidsbeleving die normloos en wetteloos is, en die haar wortels heeft in een humanistisahe mens-vergoddelijking.? Zal zij temidden der ,,chaoten" en ,,autonomen" trouw blijven aan het bijbelse grondpatroon, de goddelijke a r c h e, van het vrouw-zijn.? Zal zij Eva's dochter blijven.?
Wat de vrouw in die omstandigheden nodig heeft, is een geestelijke instantie, die haar in haar eenzame strijd om haar identiteit te bewaren, steunt en bevestigt. En welke instantie is daar méér toe geëigend dan de kerk in haar moedergestalte.?
En dat is nu het meer dan trieste van de huidige situatie, dat de kerk zelf ihaar identiteit dreigt te verliezen en ontrouw wordt aan haar Eva- en Maria-gestalte! Er is reden te over om de woorden van de profeet Hosea op haar toe te passen: „Klaagt uw moeder aan, klaagt haar aan — zegt de Here —, want zij is Mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet" (Hosea 2 : 1). Wat voor steun heeft de vrouw te verwachten van een kerk, die naar voren treedt met uitspraken, als wij aan het begin van dit stuk aanhaalden.? Van een kerk, die vaak méér verwant is aan de bevrijdingsideologie van de Frankfurter School dan aan het Evangelie van vergeving en verlossing.?
Mede daardoor is de positie van de vrouw, die een plaats inneemt in het openbare leven, uitermate bedreigd. En todh blijf ik erbij, dat menselijk gesproken de toekomst van Evangelie en geloof ligt in handen van de vrouw. Hoe en waar zal zij echter steun en bevestigmg vinden om haar identiteit te behouden.? Hoe zal zij in deze rauwe en brutale tijd volharden in haar diepste eigenheid: te zijn de luisterende, de ontvangende, de bewarende, de behoedende.?
Als reformatorische christenen weten wij ons minder afhankelijk van de kerk in haar moedergestalte dan rooms-katholieke gelovigen. Wij kennen immers als laatste en beslissende gezagsinstantie de Schrift. De kerk mag dan tijden van verval kennen en somtijds met twee tongen spreken; — de Bijbel niet! Daarom zullen wij in de huidige situatie telkens gedwongen zijn om ons over de kerk heen te beroepen op de Schrift. En dat zal ook de vrouw moeten doen om staande te blijven in haar roeping. Wil zij Eva's dochter blijven, dan zal zij ook Maria's dochter moeten blijven. Van haar staat immers geschreven: ,,Maria bewaarde al deze woorden in haar hart" (Lucas 2 : 19 en 51).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1981
Kerkblaadje | 8 Pagina's