De verloving
Constantijn de Grote (regeringsperiode 306-337) was de eerste Romeinse keizer, die het christelijk geloof aanvaardde en de christelijke kerk sinds 313 gelijke rechten gaf als het paganisme (heidendom), naderhand zelfs bevoorrechtte. Bij hem zette het kerstenmgsproces van Europa in.
Omdat in onze tijd zovaak gesproken wordt over ontkerstening en over het na-christelijke tijdperk, is het verhelderend om na te gaan, wat onder Constantijn de kerstening heeft ingehouden. Welnu, zij was vooral waarneembaar in de wetgeving. Zo werden de bezitsrechten van de heren over hun slaven ingeperkt en de wrede gladiatoren-gevechten verboden. Voorts werd de zondag tot een officiële rustdag. Het ingrijpendst waren echter de veranderingen in het huwelijksrecht. De echtscheiding werd bemoeilijkt; er werden strengere straffen gesteld op echtbreuk; de heidense gewoonte, dat mannen naast hun vrouw er een concubine (bijzit) op nahielden, werd verboden; en de verloving werd als rechtsgeldig verdrag erkend.
Omdat in onze tijd de verloving hoe langer hoe meer in onbruik is geraakt en er weinigen zulJen zijn die er nog het belang van inzien, kan het zinvol zijn om na te gaan, wat de beweegredenen van keizer Constantijn zijn geweest om het verlovingsrecht, als onderdeel van het huwelijksrecht, in te voeren. In welk opzicht kan hier van 'kerstening gesproken worden.?
Twee dingen helpen ons om daar enige duidelijkheid over te krijgen. In de eerste plaats, dat het Romeinse recht de verloving niet kent. Het spreekt alleen over het huwelijk. Het leven voorafgaande aan het huwelijk kende geen vaste verbintenissen. Niet dat er geen contacten geweest zouden zijn, — integendeel! Maar die waren vormloos, ongeregeld, vrijblijvend, niet verplichtend. Men zou het voor-huwelijkse leven kunnen omschrijven als immoreel (zonder mores, zeden), als vrije sex.
In de tweede plaats, dat de verloving van Joodse herkomst is. Men denke in dit verband maar aan Mattheüs 1 ,waar gezegd wordt, dat Maria verloofd was met Jozef. En wat die verloving aan verphchtingen inhield, wordt duidelijk uit het feit dat daarbij geen sprake was van samenwoning en sexueel verkeer (Mattheüs 1 ; 18-25). De tegenstelling tussen Joden en heidenen trad hier overduidelijk aan het daglicht. In Israël was er geen sprake van ongeregeld sexueel leven vóór en buiten het huwelijk. De driften werden geleid in de bedding van de verloving, waardoor de sexuele bandeloosheid paal en perk werd gesteld en de liefde geheel werd gericht op het aanstaande huwelijik. De hartstocht werd daardoor persoongebonden en ontving in de verloving een zeer duidelijk uitzicht op vervulling. Het zogenaamde Don Juantype van de avontuurzoeker en vrouwenjager bestond daardoor niet in Israël.
Uit de christelijke literatuur van de na-apostolische tijd blijkt, dat de christenen deze Joodse zede dankbaar hebben overgenomen. In de hypergesexualiseerde samenleving uit de nadagen van het Romeinse rijk zagen zij er een machtig middel in om jonge mensen enige bescherming te geven ten aanzien van de vele verleidingen rondom hen en van de wilde hartstochten van de ontwaakte sexualiteit.
Aan de verloving ligt dus ten grondslag de wederzijdse huwelijksbelofte. Het in uitzicht gestelde huwelijk verbond de jonge man en de jonge vrouw aan elkaar en legde hun beiden de verplichting op van trouw. Men zou hier kunnen spreken van een gesloten verbond, bijna zelfs van een verdrag. Dat blijkt uit het feit dat de verloving openbaar werd gemaakt. De ouders waren erbij betrokken. Vrienden, verwan
De ouders waren erbij betrokken. Vrienden, verwanten en kennissen werden ervan op de hoogte gesteld. Er vond een plechtige feestmaaltijd plaats. En bovendien was er de ceremonie van de ringwisseling, die men ook van de Joden had overgenomen. Het ontvangen en dragen van een gouden ring aan de vinger was het uiterlijke teken, dat men onder een verplichting stond en niet vrij meer was.
Het is interessant om te weten, dat de verlovingsring bij de christenen uit de eerste eeuwen een naam droeg, die wij ook in het Nieuwe Testament tegenkomen, namelijk: arrabon, onderpand. Paulus gebruikt het woord in II Corinthe 1 : 22 en 5 : 5; ook in Efeze 1 : 14. Arrab on is een term uit de profane rechtspraak van die tijd. Men duidde ermee aan: het onderpand als bewijs van een rechtsgeldige overeenkomst. Wde dus de verlovingsring droeg, gaf ermee te kennen, dat hij of zij een overeenkomst met een ander was aangegaan. De ring was het zichtbare bewijs van de rechtsgeldigheid ervan.
Met de wetgeving van Constantijn werd nu de verloving door de overheid erkend als een contract met officiële rechtskracht. Wie een verloving willekeurig verbrak, kon vervolgd en gestraft worden. De verlovingsring kreeg in de wet de naam: arrhae sponsalicae, onderpand van het verlovingsverdrag.
Etymologisch (woordafleidkundig) ligt in ons woord: verloving, evenals in het Duitse woord: Verlöbnis, de wortel van: beloven, belofte. En in het Franse woord: fiancer is het niet anders. Het betekent letterlijk: aanbieden en aannemen van een fiance, van een verbintenis. Het woord fiance is afgeleid uit: fier, vertrouwen. Daarbij dient opgemerkt te worden, dat volgens Tertullianus de christenen in die tijd golden als de meest betrouwbare mensen die steeds hun woord hielden.
Tegen deze achtergrond wordt duidelijk, waarom de opname van de verloving in het keizerlijke recht een vorm van kerstening was. Het betekende een breuk met het Romeinse recht, dat de tijd vóór het huwelijk geheel vrij liet en daarmee de vrije sex tolereerde; terwijl het de Joodse zede overnam, die de ongebondenheid der driften indamde en het leven, voorafgaande aan het huwelijk, maakte tot voorportaal van de echtverbintenis. Ook wordt tegen deze achtergrond overduidelijk, dat het in onbruik raken van de verloving gezien moet worden als een symptoom van ontkerstening. Omdat er nauwelijks meer sprake is van een verloving, staat het voor-huwelijkse leven onder de zware bedreiging van immoraliteit (zonder mores, zeden). Het wegvallen van de periode van de wederzijdse trouwbelofte van een jonge man en een jonge vrouw betekent haast een vrijbrief voor een ongeregeld en vrij leven vóór het huwelijk. In ieder geval bewijst de praktijk, dat tal van jongeren die tijd vóór het huwelijk zó beleven. Pijnlijk missen zij de zedelijke beschutting, die de Joods-christelijke verlovingsverbintenis hun in die levensperiode zou kunnen bieden. Men kan daarom alleen maar verbaasd zijn, dat op geruisloze wijze en bijna als een vanzelfsprekendheid de verloving ook in kerkelijke kring is afgeschaft.
Ongetwijfeld is er een samenhang tussen het feit dat het huwelijk niet meer het voorportaal van de verloving kent èn het feit dat het nog maar weinig voorkomt, dat een jonge man en een jonge vrouw rein en maagdelijk het huwelijk ingaan. Zó wreekt Ziich het gemis van een periode van geestelijke en zedelijke voorbereiding vóór de echtverbintenis.
Want men onderschatte de waarde daarvan niet! In de verloving ligt immers uitgedrukt, dat de mens als individu uniek en daarom niet verwisselbaar is. Het gegeven woord van trouw tegenover elkaar bewaart ons ervoor, dat wij eraan gewend zouden raken om met de één zowel als met de ander te leven. Het bewaart ons voor de nivellering van het individu in zijn eigensoortigheid tot willekeurig exemplaar van het geslacht man of vrouw. Het beschermt ook onszelf als individu. Men kan niet zichzelf weggeven eens, meerdere malen, vaak. Die verwiss.eling tast de eigen persoon aan. De verloving leert de mens trouw te zijn aan de ander, aan het gegeven woord, aan zichzelf. Wat blijft er over van de persoon van de partner en van ons eigen persoon-zijn, als wij de ander zo maar weer kunnen vergeten en vervangen door een derde of vierde.' Wezenlijk voor verloving en huwelijk is, dat afstand en tijdelijke gescheidenheid de liefdesband niet verbreken, maar die eerder aanhalen. Wie gemakkelijk kan verwisselen van partner, verliest de diepte in de liefdesrelatie; ja, verliest uiteindelijk zichzelf. Hij is tot liefhebben van de ander niet meer in staat.
Het is de eigensoortigheid van elk mens als schepsel Gods in zijn onherhaalbaarheid, die ook de huwelijksgemeenschap van man en vrouw stempelt tot iets dat ver uitgaat boven het biologische feit van de lichamelijke paringsdaad. De apostel Paulus spreekt van: „één vlees worden met de ander" (1 Cor. 6 : 16). Hier vindt plaats de voJkomen overgave van zichzelf aan de ander. In geen andere daad schenkt men zich zó onvoorwaardelijk in zijn eigen individualiteit aan de ander. Inderdaad: ,,Dit geheimenis is groo't!" (Efeze 5 : 32). Daarom zijn echtbreuk en hoererij ook mensonterend. De individualiteit wordt erdoor verwoest.
In wezen is ihiermee ihet antwoord gegeven op de vraag, waarom in de Joods-christelijke traditie naast het huweliji; ook de verloving met zoveel zorg en eerbied werd omringd. Dat is voortgekomen uit het besef, dat het hier ging om de voorbereiding van een geestelijk bouwsel dat twee mensen als schepselen Gods in hun volstrekte en onherhaalbare eigensoortigheid samenvoegt in een verbintenis voor immer.
Men zag in, dat dit bouwsel van fundamentele betekenis is voor man en vrouw, voor jong en oud, voor enkeling en gemeenschap. De grondwaarden van het mens-zijn liggen erin verankerd. Daarom dragen de beide partners van de verbintenis wel de eerste verantwoordelijkheid; maar ook de familiekring, de volksgemeenschap, de staat weet er zich bij betrokken. De adel van het mens-zijn staat erbij op het spel. Wordt het huwelijk zonder geestelijke voorbereiding ingetreden en komt het tot verstoring, dan heeft dat zijn weerslag op de hele samenleving. Daarom getuigt het van staatsmanswijs'heid, dat Constantijn de Grote verloving en huwelijk uit de particuliere belangensfeer trok en ze publiekrechtelijk karakter gaf. Een overheid daarentegen, die de waarde van het
Een overheid daarentegen, die de waarde van het huwelijk miskent, ontkerstent de samenleving en werkt de terugkeer van het heidendom in de hand.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1983
Kerkblaadje | 8 Pagina's