Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Luther en Kohlbrugge over Psalm 51

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luther en Kohlbrugge over Psalm 51

21 minuten leestijd

(Referaat, gehouden 24 maart 1984 op de conferentie van de „Kring van vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge" in de Marcuskerk te Utrecht)

Geen abstrakte beschouwing over ons onderwerp

Het is moeilijkerom één toneelspeler te beschrijven dan een heel handboek over aestheüica (schoonheidsleer) samen te stellen. Nog moeilijker is het om één prestatie van dlie toneelspeler weer te geven. Hoe geringer de stof is, hoe moeilijker de taak. En hoe meer men overzichten als middelen mag gebruiken, hoe gemakkelijker het gaat. Want daar de stof zo omvangrijk is schijnt het, dat men toch iets zegt met deze volkomen abstrakte beschouwingen die iedereen uit zijn hoofd kent.

Wij lopen dit gevaar van systematiseren en overzichten geven en dan nog eens onze beschouwing daarover geven óók met ons onderwerp: Luther over de psalm ... Kohlbrugge over Luther en de psalm ... en WIJ weer over Luther en Kohlbrugge ... en u weer over mij, enzovoort.

Ik denk aan de variant van Barth op de bekende tekst van Amos (5 : 21 — 24): „Ik haat. Ik versmaad uw conferenties en voordrachten, uw preken en bijbelstudies, en Ik mag uw gesprekken en bijeenkomsten niet rieken. Want als gij daar uw uitlegkundige, dogmatische, ethische en pastorale wijsheden voor elkaar en voor Mij ite berde brengt en vertoont, — aan deze uw offers heb Ik geen behagen, en het offer van deze uw mestkalveren wil Ik niet aanzien. Doe het getier van Mij weg, dat gij, ouderen, met uw dikke boeken en jullie, jongeren, all met jullie proefschriften iaten horen. Ook mag Ik het spel, het luitenspel van uw recensies en beschouwingen in kerkbladen en theologische tijdschriften niet horen. Vreselijk is het als het gebeurt, dat de HERE zwijgt, en juist als Hij zwijgt, zo spreekt. Vreselijk ds het als de ene theoloog vóór en de andere na het merken of tenminste vermoeden moet, dat het gebeurt; en het ergste is, dat velen het niet eens schijnen te merken dat de hele theologie geen theologie, geen spreken voor Zijn aangezicht meer is".

Wij kunnen God wel in onze gedachten hebben van de morgen tot de avond en misschien ook nog wel alls we 's nachts wakker worden. Maar het gaat er niet om God m onze gedachten te hebben, over Hem ite spreken, maar de vraag is of de HERE de linhoud van ons leven is. En als Hij dat niet is, het allerhoogst en eeuwig goed, dan ben ik één stuk verlatenheid, één stuk nacht en duisternis. Hij is de God des levens uit duizend doden.

Wat de Geest geven wil met dankzegging ontvangen

Daar staan David en Luther en Kohlbrugge.

„Ik heb me — aldus Luther — de uitleg van de Miserere-psalm (dat is dus de boetepsalm: ,,'Wees mij genadig, o God!") voorgenomen, niet alsof ik zou kunnen beloven deze taak naar behoren te volbrengen, want ik beken, dat ik de Geest die in deze psalm spreekt niet helemaal begrepen heb. Ik wil graag mét u leerling worden en de Geest verwachten. We zien, dat deze leer (van zonde en genade, kortom van 'h'et hele geloof, de 'hele theologie) door onze itegenstanders met grote zorg en moeite en veel boeken-sdhrijven behandeld as, en toch is er nfiemand onder hen, die er ook maar iets van verstaat. Ze hebben de klok horen luiden ..., het zijn dromen. De grond voor die grote blindheid en onwetendheid 'ligt daarin, dat de ware kennis niet van hot menselijk verstand afhangt. Die kennis wordt niet bij ons ühuis, in ons ihart geboren; nee, ze wordt van Boven geopenbaard en gegeven. Samen willen wij wat de Geest geven wil nu met dankzegging ontvangen".

Zó begint Luther zijn verklaring, die 'hij in juli en augustus 1532 voor zijn studenten gegeven heef t. Dat is ook de hele toonzetting van deze colleges.

1. Wij vinden in deze psalm een somma (korte samenvatting) van 'het Christelijk geloof. Het psalmboek kan wel een klein bijbeltje genoemd worden en dan is Psalm 51 weer een bijbeltje m dit bijbe'litje. We mogen er de Heilige Geest wel heel dankbaar voor zijn, dat Hij de moeite genomen heeft ons deze psalm te geven. Hij heeft alles aufs schónste und aufs kürzeste (op z'n mooist en op z'n kortst) tot een fijn handboekje gemaakt. 2. Voortdurend bestrijdt Luther zijn tegenstanders.

2. Voortdurend bestrijdt Luther zijn tegenstanders. Daarbij moeten wij denken aan de soholastisohe theologen, de monniken, de paus, en ook aan de dwepers. Laten we vooral niet menen, dat deze gesprekken achter'haald zijn. Het gaat daarbij om nog altijd springlevende, vandaag de dag zeer populaire misverstanden van het Evangelie. Hoe gaan wij om met onze naaste, die welgemeend en vriendelijk tegen ons zegt: Het gaat toch maar om één „god", en die zal wel ... en die zal wel niet ... als ik maar goed ben voor mijn medemens, dan hoef je toch niet zo c'hristelijk te zijn en naar de kerk te lopen ...?

Wij zouden eens naar Luther kunnen 'luisteren, 'hoe de zichzelf rechtvaardigende mens zijn zekerheden (dromen genoemd) verliest en de HERE gelijk geeft in Zij'n Woord. Maar — en dat zullen we ook van 'hem leren — we hebben dan alleen „recht van spreken" als we ervaren hebben en nog dagelijks ervaren, dat 'het voor ons „kerkmensen", „vromen", dubbel zwaar is.

3. De rechtvaardiging van de zondaar door Jezus Christus vin'dt Lucher in ieder vers: ,,Want 'het eigenlijke voorwerp van de theologie is de door de zonde schuldig geworden mens èn de rechtvaardigende God en Heiland van deze zondaar. Wat hierbuiten in de theologie gezocht en verhandeld wordt, is dwaling en vergif".

Het thema van Psalm 51: kennis van zonde èn genade

Laten we er nu eens naar luisteren, hoe Luther 'dit uitwerkt:

„Onze zonde is, 'dat wij in zonde ontvangen en geboren zijn. Dat heeft David door eigen ervaring geleerd. Zo is de z'onde de verdorvenheid van alle innerlijke en uiterlijke krachten, zozeer dat geen lid zijn dienst doet zoals het vóór de zonde tin het paradijs was. We zijn van God afgeweken, hebben een kwaad geweten, zijn aan ziekte en dood onderworpen, zoails het woord luidt: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij 'de dood sterven" (Gen. 2 : 17). Dat leren we echter alleen uit het Woord. De volkeren die het Woord niet gehad hebben, hebben, ook al lagen ze midden in deze ellende, niet kunnen verstaan waarom het menselijk geslacht aan zóveel leed en aan de dood onderworpen IS. Want met'het oog op de dood hebben ze geoordeeld, dat deze een natuurnoodwendugheid zou zijn (de dood behoort nu eenmaal bij het leven); ze hebben niet geweten, dat de dood de bezoldiging der zonde is. Zo kunnen ze met het oog op de hele natuur van de mens geen juist oordeel vellen, omdat ze de bron niet kennen, waaruit dit onheil over de mens gekomen is.

Deze kennis van zonde en van de hele natuur is het thema van deze psalm. Hij behandelt niet alleen een voorbeeld (Davids overspel en moord en leugen), maar omvat de hele leer van de geestelijke reliijgie en bébanddt 'de Godskennis zowel ds de kennis van onze natuur, van de zonde, de genade, enzovoort. Daarom moeten we weten, dat deze psalm een alomvattende leer voor het 'hele volk van God is, van het begin af toen deze psalm gemaakt werd tot op vandaag. Hier is een leer, waardoor David en veelmeer de Heilige Geest in David ons opvoedt tot ide kennis van God en van onszelf.

Hij laat ons op een 'heel bijzondere wijze zien, wat de zonde is. Deze kennis is niet de een of andere spekulacie (bespiegeling) of een gedachte-diing, dat 'het hart zelf uitvindt. Nee, het gaat om het ware innerlijke gevoel, om de waarachtige ervaring en om de heel zware strijd van het hart, zoals David zegt: „Ik ken mijn overtredingen", 'di. ik voel ze, ik ervaar ze. Want wat betekent hier het hebreeuwse woord? Niet, zoals de paus geleerd heeft, dat je alUerlei moet verzinnen en bedenken wat je gedaan en niet gedaan hebt! Het woord wil zeggen, dat je de ondraaglij'ke last van de toorn van Go'd voölt en ervaart. En de 'kennis 'der zonde is dit voelen van de zonde. En die mens is een zondaar, 'die in zijn geweten benauwd wordt en in de angst blijft hangen, zod.at hij niet meer weet in of uit te gaan.

Het gaat dus niet over een filosofische (wijsgerige) kennis van de mens als een redelijk wezen. Dat is natuurleer (d.i. natuurwetenschappelijke menskunde) en geen theologie. En dan is er de rechtsgeleerde, d'ie over de mens spreekt voorzover hij bezitter en beheerder van zijn zaken is; de arts spreekt over de gezo'ude en de zieke mens; de theoloog spreekt over de mens als z o n 'd a a r. Dat is het wezen van de mens in de theologie, en dat wordt door de theologen verhandeld met 'het doel, dat de mens deze zijn door de zonde verdorven natuur zal gevoelen. Als dat gebeurt, volgt de vertwijfeling die in de 'hel werpt. Wat toch moet de mens voor het aangezicht van de rechtvaardige God doen, de mens die weet, dat zijn 'hele natuur door de zonde verdorven is en 'hij geen been 'heeft om op te staan (zoals Jakob in Pniël).? Daar is 'hij in 'het „niets van zijn gerechtigheid" geworpen.

Als dat zó in 'het hart ervaren wordt, dan moet 'het andere deel van de kennis volgen, dat ook niet spe- 'kulaüief (bespiegelend), maar heel praktisch en op de ervaring betrokken moet zijn: dat de mens leert en hoort, wat genade ds, wat rechtvaardiging is, wat Gods besluit over zo'n lin de diepte gestort mens is; want God heeft lin Christus besloten om de mens te herstellen. Dan wordt het verslagen hart weer opgericht en naar de leer der genade stek het met vreugde vast: Al ben ik een zondaar in mijzelf, in Christus ben ik geen zondaar. Hij is ons gemaakt tot gerechtigheid, en dan ben ik rechtvaardig en gerechtvaardigd door de rechtvaardige Christus, die rechtvaardigt; en daarom is en heet Hij de rechtvaardigende Christus, omdat Hij bij de zondaren be'hoort en voor de zondaren gezonden is. Dat is de theologische kennis van de mens en de theologische kennis van God: de inhoud van de hele psallm".

Geen wezenlijk verschil tussen Luther en Kohlbrugge

Het past me hier wel mijn verlegenheid uit te spreken. De hele kennis van God en van de mens. Calvijn begon er zijn InsCituüie mee: ,.Nagenoeg de ganse hootdinhoud van onze wijsheid is de kennis van God en van onszelf". En valt niet het hele leven en werk van Augustmus onder: „God wil ik kennen en mijn hart".?

Maar mijn verlegenheid wordt enigszins weggenomen doordat ik me ,,beperken" mag tot Luther en Kohlbrugge. En ik denk dan, dat ik twee kanten opkan:

1. Ik kan de colleges van Lucher en de preken van Kohlbrugge naast elkaar 'leggen en ze met el'kaar vergelijken. Dus op de wijze van: Zo zegt Luther het en zo zegt Kohlbrugge het. En dan is me ge- Meken, dat het accent anders wordt, namelijk: z ó zegt Luther het en zó zegt Kohlbrugge het. Er is grote overeenkomst, soms detteriijke, vanzelfsprekend daar waar Kohlbrugge Luther citeert. De verschillen zijn niet wezenlijk, maar te verklaren uit de fronten waartegen ze .in Gods Naam moesten strijden, die weer samenhangen met de tijd waarin ze leefden.

Lucher had te maken — en dat komt in de verklaring van deze psalm telkens weer naar voren — met het kerk en wereld-wijde probleem van de boete, de kerk als boete, en biechtmsüituut. En dan de tijd: Rode, zwarte en vale paarden renden over de aarde, doods- en helle-angsten kwelden mannen, vrouwen en kinderen (de schilder Albrecht Dürer noemde Luther niet voor niets „de ohnistelijke man, die ons uit duizend angsten redt"; lees daarvoor de eerste hoofdstukken van het boek van Dr.W. Aalders: Luther en de angst van het Westen maar eens na). En verder waren er de paus en zijn doctores. De 'laatsten noemit hij doctores van de duisternis. En de paus kwam waarachtig niet maar eens een keertje op bezoek — daar is nog we'1 overheen te komen en je kunt je gang gaan zonder je er iets van aan te trekken! Nee, Luther had de principalis, animosus Spiritus, dat wil zeggen: de voorname, de enige, bezielende Geest, nodig om hem te versterken tegen dit lid van het corpus (lichaam) van de satan, dat zich begon te bewegen en te krommen toen hij het Evangelie verkondigde, zodat hij nergens veilig meer was.

Kohlbrugge leefde in een heel andere tijd, dn de 19e eeuw. De mensen met hun kinderen in opmars naar een betere wereld! Heb de moed om je van ]e eigen verstand te bedienen! En...de wetenschap heeft uitgemaakt, u begrijpt me? Welgeschapen en weltevreden en, zo nodig, berusten in je lot, verdraagzaam zijn tegenover alles ... behalve tegenover de gereformeerde belijdenis (Miskotte), geen dascriminaitie (en in de 20e eeuw zijn we zo wijs(!) om er ook nog een wet van te maken)!

Kohlbrugge leefde in een kerk, die met rust gelaten wi'lde worden. Er was toch een prediking, waar ieder troost 'in vond. Ja, behalve de armen en ellendigen. En voor hen wisit hij zich geroepen, gedreven, te prediken. Wat komt dat bijzonder uit in zijn preken over Psalm 51!

Men predikte wel de genade, maar niet de almachtige genade, die al onze tegenstand overwint. Liefde predikte men wel, maar niet de heilige 'liefde. Gods trouw, ]a, maar niet de 'trouw, die i^l onze ontrouw versl'indt. Men predikte de strijd tegen de zonde, ja, maar over de overwinning die in Christus is 'durfde men nauwelijks te fluisteren. Tot allerlei werken riep men op, maar over 'het geloof dat de Geest werkt, het geloof in het volbrachte werk, het geloof dat dn zijn onmacht de almacht van Ghrisitus aangrijpt, hoorde men hoogstens enkele matite woorden die het merk van de vanzelfsprekendheid droegen. De heerlijkheid van Christus, de algenoegzaamheid van Zijn werk, de volkomenheid van de Zijnen in Hem, — dat was bijna vergeten. Men verkondigde een mengseil van Goddelijk en menselijk doen, zonder kracht. Soms nog wel schijnbaar rechtzinnig, maar voor een veriorene die voor het Woord beeft 'had men geen troost.

Hier zet Kohlbrugge dan ook in bij zijn eersite preek over Psalm 51: „Het ds heel liefelijk, met verlichte ogen te zien, we'lke ide overvloedige grootheid der kracht is van de God van onze Here Jezus Christus aan allen, die geloven, naar de werking Zijner sterke macht, die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden heeft opgewekt en gezet aan Zijn rechterhand in de hemel. Het zien hiervan bewerkt een eeuwige troost, als wij maar van onze eigen, algehele machteloosheid hartgro'udig overtuigd en hierover ook diep verootmoedigd zijn, en als het ons erom gaat, dat deze kradht ook aan ons verheerlijkt wordt. Om echter te zien op welke wijze deze kracht werkzaam is, moeten wij de Schrift raadplegen. En moet ik daartoe een gedeelte van de Schrift naar voren brengen, dan moge het de eenenvijftigste Psalm zijn".

Diit is dus de ene kant, die we konden opgaan. Nu de andere kamt.

Luisteren naar Psalm 51 : 10

2. Dat is: luisteren naar één tekst en, met behulp van Luther en Kohlbrugge, horen wat hij ons te zeggen heeft. Ik denk dan aan vers 10: „Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt".

Aan een mevrouw die bij de Pinkstergemeente behoorde, vroeg i'k: Zingt u Psalm 51 wel eens in uw samenkomsten.? Nee, zei ze, wij zingen alleen blijde liederen, en ze gaf enkele voorbeelden die ik met kende. Ik ried haar aan elke dag een psalm te lezen en naar de Prinses Juliianakerk te komen (ihet was lin Sdheveningen).

David had de boodschap uit de mond van de pnofeet gehoord; ,,De HERE 'heeft uw zonde van u weggedaan: gij, kind des doods, zult nieit sterven". De Heilige Geest laat hat bem boren en komt Zölf mee. Vreugde en blijdschap in de Qeest. Dan dicht en zingt David deze psalm >en hij 'heet niet „boetelied", niet „klaaglied", maar ,,psalm" en nog wel „om voor te zingen". David onderviindt het, hoe van onderen in de hel van zijn veflorenheid armen van eeuwige tliefde zijn, idiie hem gegrepen hebben.

En nu bidt hij om te mogen horen. Zó immers werkt de Geest en wij zijn geheel en al passief. We kunnen itot onze zaligheid niets meer doen dan dat we horen. Dit is dus de hoofdsom: Als u treuuig bent of de toorn van God moet gevoelen, zoek geen ander medicijn -en laat geen andere troost toe diatn het Woord, of het u nu door een aanwezige broeder wordt toegefluisterd of dat het u op een andere manier invalt, waar de Heilige Geest u herinnert aan een woord dat u a'1 eerder gehoord hebt. Dat kunnen woonden zijn als: „Ik iheb geen Hust in de dood van de zondaar, maar daarin dat de zjondaar zich bekeert en 'leeft", of ,,opdat allen die in Hem geloven, het eeuwige 'leven hebben". Zulke woorden en vele andere brengen 'het horen van de blijdschap, of deze woonden ons nu 'door de mond van een ander of door de Heiilige Geest ingefluisterd worden. Dat behoort tot de verborgen wijsheid en waar'heid, die onervaren mensen niet kunnen begrijpen. „De beenderen, die Gij verbrijzeld hebt". Het gaat

„De beenderen, die Gij verbrijzeld hebt". Het gaat dus alltijd weer door het tegendeel heen. En dat 'is 'het wondere geheim: 'daaraan weet David, dat hij met God te doen ^heeft, met de God zijns heils. David kent de Here, de God van het verbond, die spreekt: „Ik ben de HERE, uw God, en gij zijt Mijn volk". En wait heeft de HERE ,hem in het bijzonder gegeven.? ,,Zo zegt de HERE, de God van Israël: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël, en Ik heb u uut Sau'ls 'hand gered; Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja. Ik 'heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en indien het te weinig is. Ik zou er nog. Ik weet niet wat, aan toegevoegd hebben" (2 Sam. 12 : 7, 8). En dan vo'lgt: „Waarom hebt gij dan het Woord des HEREN veracht.?" Ermee gespat, zoals Buber vertaalt. Nu ontdekt hij, wie hij is voor de HERE: Ik wil U weghebben, ik voel mijn ellendige onverschilligheid voor U, voor Uw Naam en eer. En dan maar heilig verontwaardigd doen over anderen: die man, die 'het lammetje van zijn arme buurman genomen had, verwees ik ten dode! En ik wilde de heilige en rechtvaardige 'koning zijn: dat is het gevaarhjkste van alles. David viel m onboetvaardigheid en valse zekerheid, zozeer dat hij zonder de tussenkomst van Nathan misschien de zonde tegen de Heilige Geest begaan zou hebben, zegt Lutlher.

Daar'liigt hij, van zijn kracht en waard'igheid ontkleed, naakt en bloot op God geworpen: ,,A1 ben ik ook zo gehed en al verkeerd, verdraaid, verdorven, 'tóch 'lig lik met al mijn zonden en schandelijkheden, gruwelijke en afschuwelijke dingen voor Uw heilig aangezicht! hier moet ik blijven, ik kan het nergens anders uithouden! — ik ben waard, dat Gij mij vertrapt, maar Uw aangezicht, al is het ook toornig, is nochtans liefelijk" (Kohlbrugge).

„Verberg Uw aangezicht van mijn zonden". „Verwerp mij niet van Uw aangezicht".

„Verwerp mij niet van Uw aangezicht".

„Een verbroken en verslagen hart zuk Gij, o God, niet verachten".

„Doe mij vreugde en blijdschap horen".

Het hele heil is in het Woord en niemand deelt erin idan die het Woord gelooft. D/ie muziek wil David horen, telkens en telkens weer, -en die wil hij ook aan allen en een ieder laten horen. Bederf die muziek vooral niet door uw eigen opvatüing en uitvoering!

Luther en Kohlbrugge doen ook niets anders dan vreugde en blijdschap laten 'horen. En we worden door hun voorbeeld en ervaringen vermaand, hoe we dat zu'llen doen.

Twee lijnen vanuit Luther

Graag wil ik nog twee lijnen trekken vanuit Luther, één naar de kerk en één naar de wereld:

1. Vaak komt Luther teru,g op zijn strijd dn het klooster. Daar waren allerlei regels voor berouw en boetedoeningen, en de vraag was: Wanneer heb je nu genoeg berouw.? Wanneer kom je nu tot het horen van de blijdschap.? „Dat heb ik als een grote smart ervaren en mijn geweten werd al onrustiger. Ik kon de vrijspraak der vergeving maar niet aanvaarden. Wie weet of ik d'it wel geloven maig.? Toen ik toevallig bij het hoofd van het klooster kwam en onder tranen over mijn aanvechting sprak, zei hij: ,,Mij'n zoon, wat doe je.? Weet je niet, dat de Here Zelf ons bevolen heeft te hopen.?" D'oor diit éne woord (Hij heeft bevolen) werd ik zó gesterkt dat ik het wist, dat we het Woord geloven moeten; zo dikwijls had ik dit Woord vroeger gehoord, maar — door dwaze gedachten gehinderd — geloofde ik niet, dat ik het Woord geloven moest; ik hoorde het Woord alsof het me niet aanging. Daarom, jonge mensen, door mijn voorbeeld en mijn ervaringen vermaand, neemt deze leer der rechtvaard'iging aan, namelijk dat de gerechtigheid niemand ten deel valt dan hem, die het Woord gelooft! U moet tussen het Woord en uw berouw een onderscheid maken als tussen hemel en aarde".

Als we in ons kerkelijk leven van vandaag daar eens wat méér naar luisiterden en naast berouw zetten: kerkelijke verordeningen en bekeringswegen, theologische spekulaties en eigengemaakte heilig- 'heid, zou er idan niet één kerk zijn, en wel de kerk der goddelozen (die in de hemel welbekend is, zie Openb. 7).? 2. Een lijn naar de wereld: Luther schrijft de ver

2. Een lijn naar de wereld: Luther schrijft de verbrijzeling van de beenderen aan God toe. Zoals 'het er ook staat: ,,Laat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt". Hier ontstaan onze twijfels: Komt het kwaad dan van God.? Nee, zegt men, het komt van de duivel. En inderdaad, zegt Luther, zó staat het ook in het boek Job: „Gij, satan, hebt Mij, de HERE God, opgehitst om hem (d.i. Job) te verslinden zonder oorzaak". Maar ja, al liet God de satan toe zijn vurige pijlen op Job en hier op David af te schieten. Hij had het toch kunnen verhinderen. Of zijn er soms twee goden, één van het goede en één van -het kwade.? Luther wijst dit scherp af en zegt: God wil, dat we zowel in goede als in kwade dagen op Hem alleen vertrouwen.

Met deze moeiten en twijfels staat Luther midden londer ons: Als er dan een God van liefde is, waarom is er dan all dat kwaad, al die ellende in de wereld.? Zó'n God kun je codh niet vertrouwen.? En vertrouwen, dat wil de mens, ik zou zeggen: hij moet 'het, anders kan 'hij niet leven. En vroeger deden de mensen het wel: Daarboven moet een lieve Vader wonen, en Die maakt alles in orde. Dat was gemeengoed onder de mensen. Het ventrouwen werd wei eens geschokt, zoals b.v. door de aardbeving in Lissabon (1755), maar het overleefde tot in de 19e, begiui 20e eeuw.

Nu leven we in een tijd van demoniën en langsten, van ramp op ramp, van vrees voor de Grote Aardbevingsramp. Kinderen van elf, 'twaalf jaar roepen elkaar voor de televisie op om mee te demonstreren in Den Haag, en lopen er rond met spandoeken: „Ik wil ook opa worden". Mensen geloven en 'hopen niet meer, en dan is 'het toch eigenlijk niet meer mogelijk om menselijk te overleven. Het vanzelfsprekend vertrouwen in „God" is weg. De God der fiilosiofen, de Naakte God, ziou Luther zeggen, die is er dan ook niet, die leeft niet, die toornt niet en iheeft ook niet liief.

De ware God kan geen God zijn, of onze beenderen moeten eerst verbrijzeld worden, beter gezegd: H ij moet eerst onze beenderen verbrijzelen; wij kunnen niet ten hemel varen, of wij moeten eerst ter 'helle varen. Ik moet de duivel een poosje ihet Godzijn gunnen en onze God ihet duivel-zijn laten toeschrijven. 'Maar daarbij blijft het niet. De HERE .hóórt als we

'Maar daarbij blijft het niet. De HERE .hóórt als we tot Hem roepen, want Hij doet ons vreugde en Mijdschap horen: ,,Ik ben de HERE, uw God". ,,Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt!"

Zó 'helpen Luther en Kohlbrugge ons om ons kruis vro'lijk te dragen, onze naaste te dienen en Ohristus' komst blij te verwachten. Zij mogen <u en mij dienen want het is uiiteinde"lijk het ,,ausgezeichnete Geschenk des HeiHgen Geistes", het „uitnemende geschenk van de Heilige Geest", als we kunnen geloven, dat God genaldig is, en dat Hij m ij genadig is.

Besluit

Tenslotte. Ik begon met iets over een toneelspeler te zeggen, en wel hoe moeilijk hij te beschrijven is; ik wil ook besluiten met wat een toneelspeler over een domiinee en over zichzelf zei.

Ze 'hadden beiden in dezelfde klas op de 'lagere school gezeten. Ze waren heel verschillende wegen gegaan en 'hadden elkaar uit het oog verloren. Na meer dan 60 jaar ontmoetten ze elkaar weer bij een réunie ter gelegenlbeid van het 100-jarig bestaan van de school. Ze zouden alllebei wat ,,doen", zoals dat heet. Een voordracht, maar dan over hetzelfde onderwerp. Ze besloten, dat ze beiden hetzelfde zouden lezen of voordragen, als je het 'liever zó wil noemen. Het zou Psalm 23 worden: ,,De HERE is mijn herder, mij zal niets ontbreken".

De toneelspe'ler droeg met zijn nog welluidende stem de psalm voor, meeslepend, en hij kreeg de 'han-den op elkaar. En nu de dominee — hij zou het zijn klasgenoot

En nu de dominee — hij zou het zijn klasgenoot van wdeer niet kunnen verbeteren, dacht men. Met zijn wat omfloerste stemgeluid las hij, en 'hij kreeg de handen niet op elkaar, ieder was stil, onder de lindruk.

Na afloop vroeg men aan de toneelspeler: „Wat was nu toch het verschil.?" En zijn antwoord was: ,,Ik ken de psalm, maar hij kent de Herder".

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1984

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Luther en Kohlbrugge over Psalm 51

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1984

Kerkblaadje | 8 Pagina's