Babylon en Jeruzalem
Over de christelijke doop als roeping en belofte in deze wereld
I
Wanneer ik vanmiddag tot u spreek over Babyion en Jeruzalem, sluit ik mij daarin allereerst aan bij het referaat van prof. Schuurman. Hij heeft tot u gesproken over de wereld en de cultuur van onze dagen en heeft die gekarakteriseerd als een Babelcultuur. Wat op ons afkomt aan mogelijkheden van wetenschap en techniek, van kennis en kunde, van menselijk vernuft en van menselijk vermogen, dat verbaast ons en verwart ons tevens. En Babel betekent, naar u weet, in de taal der Schrift 'verwarring'.
Nu zal ik hier niet tegenspreken, dat wat zich vandaag aan ons verwarrend openbaart en sterk maakt en zelfs als een bedreiging op ons af kan komen, niet ten volle ernstig genomen moet worden. Dat moet het zeker! En we dienen wellicht, wanneer we ons realiseren wat voor duizelingwekkende en afschrikwekkende mogelijkheden door de moderne wetenschap en techniek binnen het bereik gekomen zijn, te spreken van een unieke en mogelijk zelfs van een apocalyptische 81 situatie Babel heeft haar toren gebouwd als nooit tevoren, het heelal en het kleinste atoom liggen binnen haar bereik En wij zien dat met slechts aan, maar wij zijn er ook ten nauwste bij betrokken
Maar toch is hier door een historicus en een theo loog — en dat mogen wij allemaal zijn' — nog wel het een en ander bij op te merken Want is wat we nu zien in wezen wel zo nieuw en uniek en is wat zich vandaag openbaart in het licht van de Schrift wel zo verrassend''
Wie Gods heilswoorden van Oude en Nieuwe Testament spelt en wie zo ook de geschiedenis kent, weet wat dat "in wezen", wat die diepere structuur betreft, wel beter Babel is al een heel oude stad en haar tegenbeeld Jeruzalem niet minder Wat zich nu openbaart, openbaarde zich in oude tijden ook al en heeft zich alle eeuwen door vertoond Nu eens meer verborgen, dan weer heel manifest staat Babyion tegenover Jeru zalem, het verwarrende machtsvertoon en de brute eigenwaan tegenover het gezicht van de vrede, het werk van de tegenstander, de verzoeker en verwarrer tegenover het werk van de Almachtige, de stad van Satan tegenover de glorierijke stad Gods
Nu is dit alles in theorie vnj gemakkelijk gezegd En WIJ zijn jammergenoeg in kerk en christendom zozeer gewend geraakt aan grote woorden, dat wij wellicht menen dit alles wel te weten Maar ik wil er graag nadruk op leggen en u er ook mee bemoedigen, dat het zo gemakkelijk niet ligt Babyion en Jeruzalem — twee steden zijn er in deze wereld en in deze wereld tijd Babyion en Jeruzalem — twee machten strijden ook in ons hart Maar hun werkelijke gestalte is ons zo dikwijls verborgen en hun precieze contouren zijn ons zo dikwijls verhuld' Zo dikwijls moeten wij tastend onze weg gaan, zo vaak ons oordeel opschorten, zo veelvuldig de hand op de mond leggen' Achter de verwarrende werkelijkheid rondom ons en in ons mogen wij evenwel weten van Gods heilsplan, van zijn teken dat ons merk- en veldteken is, van zijn belofte die ons als zieners doet staan op het veld van de geschiedenis, met het uitzicht op Jeruzalem, de stad van de vrede'
En zijn er vele van die zieners geweest, van die mensen die weten van Babyion en uitzien naar Jeruzalem'' Inderdaad zijn zij er geweest Ik noem er slechts enkelen Abraham bijvoorbeeld, de vader der gelovigen HIJ leefde in Babyion, in de stad Oer in de laagvlakte van Babylome Hij kende de taal, de cultuur, de godsdienst, de zeden, de techniek van Babel, — maar hij ging uit Midden op het veld van de geschiedenis werd hij een ziener Hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God de architect en bouwmeester is (Hebr 11)
Uit Oer IS hij getogen
ten antwoord op een stem,
die nep hem uit den hoge
op naar Jeruzalem (Gez 3)
En ik noem u als volgend voorbeeld Jozef Hij leefde in Egypte, in een babylonische cultuur, in een wereld met een reusachtige beschaving en techniek Hij stond daar op zijn post en vervulde zijn hoge taak Hij ging evenwel niet op in deze wereld, maar wist zich uitein- 82delijk een vreemdeling En ik noem u als ander voor beeld Daniel in Babel, met de vensters open naar Jeruzalem En ik noem u vooral Israel zelf, hel volk dat vele jaren verkeren moest in Babel, dat evenwel Gods roeping en belofte met vergat, maar in diaspora en vreemdelingschap met groot verlangen uitzag naar Jeruzalem
Aan de rivieren van Babel,
daar zaten wij,
ook weenden wij,
als WIJ gedachten aan Sion
Indien ik u vergete,
o Jeruzalem,
zo vergete mijn rechterhand zichzelf
(Ps 137)
Het is zo, dat van oude tijden af het leven van de gelovige IS geweest Hij of zij verkeert in deze wereld in een vreemde stad en weet zich in het geloof burger van die andere stad Het is zo, dat in de Brief aan de Hebreeen het geloofsleven getekend wordt van Abel, van Henoch, van Noach, van Isaak, Jakob en Mozes, van Sara en Rachab, van de richters, van koning Da vid, van Samuel en de profeten "In het geloof zijn deze allen gestorven, de beloften met verkregen hebbende, maar zij hebben die van verre gezien en omhelsd, en ZIJ hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op aarde waren Want die zulke dingen zeg gen, geven te kennen dat zij een vaderstad zoeken En indien zij die vaderstad in gedachte hadden vanwaar ZIJ uitgegaan waren, zij zouden gelegenheid gehad hebben om terug te keren Maar nu begeren zij een beter, dat IS een hemels Daarom schaamt God zich hunner met om hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid" Zo is het, dat Paulus in Filippenzen 3 spreekt over ons politeuma, ons burgerschap in de he melen, en in Galaten 4 over de hemelse stad Jeruzalem die vrij IS en ons aller moeder Zo is het, dat de Apo calyps van Johannes de plaats van de gelovige in deze wereld tekent, burger van de stad van God, vreemd, veracht, vervolgd door Babyion
Wanneer wij deze plaats van de gelovige in Israel, deze plaats van Israel zelf en van de christelijke gemeente gezien hebben, dan begrijpen wij waarom zozeer de nadruk gelegd wordt op de vreemdelingschap Als een centraal thema klinkt zij in de geschriften van Oude en Nieuwe Verbond Israel verkeert in den vreemde, is vreemdeling, de gelovige is hier uiteindelijk niet thuis maar verkeert in het land van zijn vreemdelingschap En in het Nieuwe Testament valt dit zo mogelijk nog meer op, bijv in / Petrus de ge lovigen zijn uitverkoren vreemdelingen die in de di aspora leven (1, 1), ze zijn bijwoners en vreemdelingen (2, 11), hun omgeving ervaart hen als vreemd (o m 4, 12 vv )
Wie deze grondtoon van de Schrift, wie dit spreken over de twee steden en over de daarmee onlosmakelijk verbonden vreemdelingschap van de gelovige gehoord heeft, staat er met verwonderd over dat ook in de Ou de Kerk deze gedachte telkens naar voren treedt Reeds bij de zgn Apostolische Vaders, de vroeg christelijke geschriften die volgen direkt na het Nieuwe Testament, klinkt het herhaaldelijk de gemeente van God, de kerk is hier vreemdelinge, zij is bijwoonster, zij is hier met thuis maar verkeert in den vreemde (bijv / Clemens, opschrift, Martynum van Polycarpus, opschrift, Polycarpus' Brief aan de Filippenzen, opschrift, enz ) De kerk, de christelijke gemeente is naar haar ware wezen paroikia, bijwoonster, parochie "Gij, de dienaars van God, woont in den vreemde, want uw stad (nl Jeruzalem) IS ver verwijderd van deze stad (Rome — Babyion)", zo luidt het in het geschrift De Herder van Hermas En bij 'kerkvaders' als Clemens of Ongenes, Tertulhanus, Cypnanus of Ambrosius horen wij dezelfde ge dachte telkens opnieuw Er zijn twee rijken, twee gemeenschappen, twee steden, hier, m deze wereldtijd, verkeert de christen in de vreemdelingschap
Voor ik nu verder ga en kort spreek over Augustinus, de kerkvader die dit alles op sublieme wijze heeft doordacht en gesystematiseerd en op indrukwekkende wijze heeft verwoord in zijn magistrale werk Over de stad van God, houd ik hier een moment stil Want is het met nu, dat wij ons allereerst moeten afvragen, niet alleen of die vreemdelingen in Oude en Nieuwe Testament, maar vooral ook of die eerste christenen het niet verkeerd hebben gezien'' Of ztj hun verantwoordelijkheid in de wereld, in de maatschappij, in de cultuur, de wetenschap en techniek van hun dagen wel voldoende hebben beseft'^ Of zij niet vervallen zijn in een ongeoorloofde wereldmijding en zelfs wereldver achting, dopers, gnostisch, dualistisch-ketters''
Wie hierover nadenkt, constateert juist het tegeno vergestelde Een profetisch figuur als Daniel, in zijn hoge positie aan het babylonische hof, kan toch moeilijk wereldvlucht en wereldmijding verweten worden En Jozef, die minister-president, onderkoning van Egypte, toch ook met En evenmin het volk Israel in Babel men bouwde er huizen, plantte er wijngaarden, gewon zonen en dochters En wat te zeggen van Abraham, die grote herdersvorst en kenner van de cultuur' Zo en niet anders was het wat de hoofdlijn betreft ook bij de eerste christenen Juist geen wereldmijding en juist geen wereldverachting Juist niet een vlucht uit de maatschappij, — maar wel een weten anders te zijn Anders zijn zij geweest in hun woorden en da den, waarachtig, liefdevol, barmhartig, vergevingsge zind Anders in hun beleving van huwelijk en seksua liteit, anders in hun waardering van abortus, euthana sie, prostitutie, zelfmoord, anders in hun houding te genover ouden, zieken, zwakken, misdeelden Men wist ervan dat het schema van deze wereld voorbijgaat, maar men het de mens in deze van God afge keerde wereld met aan zijn lot over Juist door hun anders zijn, door hun dienstbetoon, door hun protest tegen onrecht en geweld, door hun liefdevol en karak tervol op hun post staan zijn de eerste christenen wer vend geweest Ze zijn wel degelijk in de wereld present, maar ze zijn met van de wereld "Wij zijn geen Brahmanen of Indische naaktlopers, vreemde snuiters die in de bossen wonen en het leven ontvluchten'", schrijft Tertulhanus "Wij weten, dat wy God de Schepper dank moeten bewijzen Daarom niets van wat HIJ gemaakt heeft, verwerpen wij Ook wij gaan naar de markt, naar het badhuis, naar de winkel, naar de werkplaats Ook wij werken, drijven handel, ver richten politiedienst, eten, drinken, baden ons Maar WIJ doen het anders'" (vgl Apol Al v ) Wat zijn dat eigenlijk voor mensen, die christenen, vroeg keizer Domitianus zich een honderd jaar eerder, zo rond het jaar 90, af Hij laat dan familieleden van Jezus voor zich komen, kleinkinderen van Judas, de broeder des Heren Ze verschijnen voor hem, die afstammelingen van koning David, en ze moeten zeggen wie ze zijn en hoeveel macht en bezit ze wel hebben En wat melden ze'' Eusebius beschrijft dit alles in zijn Kerkelijke Geschiedenis (III, 19—20) "Zilvergeld hebben we met, we hebben gezamenlijk slechts 39 moigens land en daarvan moeten we nog belasting betalen en van het werk dat we daarop doen moeten we leven" Vervolgens laten ze de keizer hun ruwe handen zien en de eeltplekken op hun lichaam Maar hoe zit het dan met dat rijk, met die stad van jullie'' Waar is die en wan neer komt dat rijk'' En dan zeggen ze "dat rijk van Christus'' Dat is niet werelds en met aards, dat brengen WIJ niet tot stand, maar het is hemels en engelachtig en het komt bij de voleinding der tijden, wanneer Christus komt en ieder vergelden zal naar zijn werk" Als keizer Domitianus dat gehoord heeft, laat hij ze gaan Hij veracht ze als simpele mensen, waarvan hij niets te duchten heeft
Zo dan hebben de eerste christenen in de wereld gestaan Veelal geen machtigen, geen edelen, geen aanzienlijken Maar wel zich bewust burgers te zijn van een ander rijk, van een andere stad, van een ander vaderland In deze wereld, maar niet ervan Niet apart, maar wel anders
Nu IS dit het merkwaardige dat ditzelfde besef, ditzelfde inzicht en deze zelfde houding ook steeds present blijkt bij die christenen die grondig op de hoogte waren van de cultuur van hun dagen Ik sprak zojuist over die eenvoudige gelovigen uit Palestina Maar ik noemde u ook Tertulhanus en dan ontmoeten we al een heel andere persoonlijkheid Tertulhanus was een geleerd man, een advocaat die grondig geschoold was in de wijsbegeerte Maar hij zegt in wezen hetzelfde En zo IS het ook met hoogbeschaafde christenen als Clemens van Alexandrie, Ongenes, Athanasius, de grote kerkvaders uit Cappadocie en vele anderen meer Zij behoren tot de leidmggevende elite, kennen de filosofie, de cultuur, de literatuur \an hun tijd, maar weten ook van de vreemdehngschap en van de tegenstelling tussen Babyion en Jeruzalem
Welnu, het is dit besef dat het meest duidelijk, het meest uitgewerkt en het meest invloedrijk naar voren IS getreden bij Augustinus Naar bekend schnjtt hij kort na de val van Rome in 410 zijn grote werk De civitate Dei Over de stad van God Hierin ontvouwt hij zijn leer van de twee steden, Babyion en Jeruzalem HIJ tekent hun oorsprong, hun voortgang in de tijd, hun bestemde uiteinden En hij laat op onovertroffen wijze zien dat die twee steden of rijken er vanaf het begin zijn geweest, ontstaan met de val van de engelen en van de mens, en dat zo het historisch verloop een strijd IS van die twee steden, totdat de definitieve scheiding komt
Nu meldt Augustinus dit alles niet om nu eens een diepzinnig geschrift te schrijven waarin alomvattend en op speculatieve wijze van alles aan de orde zou komen Een geschrift zoals m de tijd van de zgn Ver lichting dikke boeken geschreven werden door Christian Wolff en ook door anderen "Von Gott, der Welt und allen anderen Dingen überhaupt" Maar Augustinus wil de christenen van zijn tijd en van alle tijden troost bieden, bemoediging, hoop, uitzicht op het veld van de geschiedenis, hij wil ze onderwijzen hoe ze staande kunnen blijven m een turbulente wereld en hier hun roeping kunnen vervullen
En wat meldt Augustinus dan'' Gehoord de nood van de tijd kijkt hij allereerst in de Schrift en vertelt de heilshistorie Hij begint vanaf de schepping en gaat door tot op Christus' komst De geschiedenis is niet maar een doelloos en zinloos gebeuren, en het pad van de eeuwigheid is niet krom (Nietzsche), maar er zit lijn in, perspectief, toekomst Dat is op zich al een heel belangrijke ontdekking en Augustinus doet deze op het voetspoor van Israels profeten Wat er met deze wereld gebeurt, wat er met de christelijke gemeente gebeurt en wat er met mij gebeurt, is niet zo maar iets toevalligs, iets zonder zin of doel, maar het maakt deel uit van Gods heilsplan Dat is troostvol en opwekkend en geeft moed om te zijn en zo ook hebben de eerste lezers van Augustinus' boek het ervaren Maar Augustinus gaat verder Ook na Christus' komst gaat Gods heilswerk door en in dat plan zijn ook WIJ begrepen en de christelijke gemeente en alle volkeren en het gaat zelfs heel de kosmos aan Zo ziet Augustinus, wanneer hij staat op het veld van de geschiedenis en schouwt en dat opschrijft in zijn boek De Cl VItate Dei
Maar Augustinus meldt meer Wanneer hij zijn oor te luisteren heeft gelegd bij Israels profeten en geschiedschrijvers, wanneer hij vernomen heeft wat apostelen en evangelisten gesproken hebben en vooral ook wanneer hij zich te binnen heeft gebracht wat in de hem voorafgaande christelijke traditie is gezegd, dan meldt Augustinus meer Nadenkend en voorgangers nasprekend over oorsprong, zin en doel van de geschiedenis, ziet hij het beeld oprijzen van de twee steden Jeruzalem staat tegenover Babyion, de stad van God tegenover de aardse stad, en die aardse stad IS ten diepste een diabolische stad, rijk van de duivel Zo schouwt de ziener een strijdtoneel, zo is de geschiedenis geen wandelpark maar een worstelperk en zo ziet de gelovige zich geplaatst in een apocalyptisch gebeuren
En het is juist hierin dat Augustinus de Chnstgelovige van zijn tijd en van alle tijden bemoedigen wil De kerk, de gemeente is niet doelloos en zinloos in de ze wereld geworpen en de diabolische en babylonische verwarring van de tijd en de cultuur en de techniek mag haar niet doen despereren Maar ze mag moed grijpen om te zijn en aldus haar roeping vervullen Hoe dan'' Wel, zo zoals Abraham op het veld van
Hoe dan'' Wel, zo zoals Abraham op het veld van de geschiedenis heeft gestaan en zijn roeping verstond Zo zoals Jozef in Egypte op zijn post heeft gestaan en in den vreemde zijn hoge taak verrichtte Zo zoals Daniel, met de vensters open naar Jeruzalem Zo zoals Israel in Babel, balling maar weet hebbend van de belofte
Het verwondert niet dat Augustinus vanuit deze achtergrond op de vreemdehngschap de nadruk legt De christelijke gemeente is hier met thuis, maar verkeert in den vreemde Maar dit verhindert haar met om in deze tijd en in deze wereld haar roeping te vervullen' Zoals Israel eertijds in Babyion als vreemdeling verbleef, maar er toch huizen bouwde en wijngaarden plantte en wist dat in Babylons vrede ook haar vrede gelegen was, evenzo nu ook de kerk Uti mur et nos pace Babylonis, ook wij gebruiken de vre de van Babyion' (De stad van God XIX, 26)
Het IS dan in dit verband dat Augustinus zijn befaamde leer van 'gebruiken' en 'genieten' ter sprake brengt Hoe gaat de christen om met het aardse, het tijdelijke, met de natuur, de cultuur, de techniek'' Hij gebruikt ze en het goede eruit aanvaardt hij dankbaar HIJ erkent en waardeert ze als Gods goede gaven Maar hij weet ook dat deze goederen tijdelijk zijn, aards, voorbijgaand In een preek zegt Augustinus "Tijdelijke weldaden zijn gezondheid, rijkdom, eer en aanzien, vrienden, een huis, kinderen, een echtgenote en alle overige dingen van dit leven waarin wij als pelgrims trekken" Maar tegelijk voegt hij er aan toe "Laten wij ons dus in de herberg van dit leven niet be schouwen als eigenaars die er blijven, maar als pelgrims die verder zullen reizen" (sermo 80) Het tijdelijke gaat voorbij en dat weet de pelgrimerende christen Daarom is zijn houding in deze wereld een geheel andere dan die van de burgers van de aardse stad ZIJ hebben zich verstrikt in het tijdelijke, hun hoogste genieting is het aardse, daarnaar snakken zij zelfs (De stad van God IV, 34, XV, 15) Maar de burger van de stad van God staat en gaat anders in wereld en tijd HIJ gebruikt het aardse, maar wordt er niet door in beslag genomen Genieten, opgaand gemeten doet hij alleen God en zijn rijk
II
Wat IS nu de achtergrond van dit alles en wat betekent het voor ons'' Toen ik zojuist sprak over de twee steden en over de hiermee samenhangende waardering van de natuur en de cultuur en al haar gaven — ook de techniek —, hoorde u wellicht bekende klanken Mogelijk kende u ze uit Augustinus of misschien las u ze bij Calvijn wanneer hij spreekt over het gebruik van de aardse goederen, en wanneer hij tevens de nadruk legt op de vreemdelingschap van de christen en zijn overdenking van het toekomstige leven. En zeker kunt u ze ook tegengekomen zijn bij Luther — die heel direkte leerling van Augustinus — of, zoals ik in mijn boek over de twee steden óók kort heb aangeduid, in onze tijd in de geschriften van Dr. W. Aalders. En nu kan men van dit alles zeggen dat het gnostisch is of dopers of dualistisch of platonisch of wereldverachtend, — maar dat is bewust of onbewust een misverstand. Het gaat hier om oeroud christelijk erfgoed, om een visie die van oude tijden af behoort tot het wezen van het christelijk geloof.
Nu zou men ten bewijze van dit laatste diverse bijbelteksten kunnen noemen, bijv. het spreken van Paulus in 1 Korintiërs 7 over het gebruiken van deze wereld maar het haar niet ten einde toe gebruiken. En ik zou kunnen wijzen op woorden van Jezus, bijv. "Wie vader of moeder, wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is mijns niet waardig" (Mt. 10, 37) en: "Wie niet afstand doet van alles wat hij heeft, wie dat niet verzaakt (apotassetail), die kan mijn discipel niet zijn" {Lk. 14, 33). Maar ik wijs nu vooral op het sacrament waarin dit alles van oude tijden af gestalte heeft gekregen en waaruit wij allen vandaag nog onze roeping en Gods belofte mogen horen. Ik bedoel de christelijke doop.
Want wat is de doop? Het is als bij een geboorte: verlost worden uit de duisternis, aan het licht gebracht worden, zodat het levenslicht wordt aanschouwd. Het is als Noach met de zijnen in de ark: door het water heen gered worden. Het is als Israël dat uittrekt uit Egypte: door de Rode Zee heen naar het beloofde land. Het is het verlost, het uitgetrokken worden uit de macht van de duisternis en het overgezet worden in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde {Kol. 1, 13). En dat alles, om met Kohlbrugge te spreken, over ons en zonder ons, buiten ons om, maar vóór ons.
U begrijpt dat bij dit gebeuren het thema van de twee steden of rijken voortdurend present is. Wat ik in het voorafgaande gezegd heb over de twee steden, over de vreemdelingschap en over 'gebruiken' en 'genieten', moet dan ook vanuit deze achtergrond gehoord worden. Door de doop gaat men over van Babyion naar Jeruzalem, van het machtsgebied van Satan naar het rijk van Christus. Zo hebben de eerste christenen het verstaan en daarom bij de doop, en vooral in de catechese voorafgaand en volgend op de doop, de leer van de twee steden ter sprake gebracht. Doop en leer van de twee steden horen bijeen. En zo blijkt het ook in het klassieke doopformulier.
Met enkele voorbeelden wil ik dit illustreren. Ik zeg dan allereerst iets over het doopgebeuren in de oudchristelijke kerk zoals dat, direkt aansluitend bij het Nieuwe Testament en bij de joodse doopgewoonte, plaatsvond. Wie gedoopt wilde worden, ontving eerst onderwijs. Zoals wij bijv. uit het oude en unieke geschrift de Didachè of Leer van de Twaalf Apostelen weten, werd men dan onderwezen in de twee wegen. Er zijn twee wegen, een weg van het leven en een weg van de dood, een weg waarop men achter Christus mag opgaan naar Jeruzalem, en een weg waarop de diabolos zijn verwarrende werk doet en die leidt naar Babyion, de stad die zal ondergaan.
Wanneer dan die eerste christenen onderwezen waren over de twee wegen en de twee steden of rijken, en wanneer zij gehoord hadden wat behoort tot de weg van het leven en wat tot de weg van de dood, en vooral wanneer zij in een soms jarenlange voorbereidingstijd de geboden van de levensweg in praktijk hadden gebracht, volgde de doop. En juist hierbij bereikt de tegenstelling tussen de twee wegen en de twee steden een dramatisch hoogtepunt! Men gaat over van Babyion naar Jeruzalem, zweert het oude leven en het burgerschap in de oude stad af en wordt door genade burger van de stad van Christus.
Uit vele getuigenissen weten wij hoe dat moet zijn toegegaan. Dikwijls stond de dopeling barrevoets op een haren kleed, beeld van het vroegere leven in onreinheid en ongerechtigheid, symbool van de zonde. De dopeling vertrapt het. Zijn handen heeft hij uitgestrekt naar het Westen, het gebied van de ondergaande zon, van de heerschappij der duisternis, van Satan. Dan zweert hij Satan en diens rijk, waaraan hij wegens Adams zonde verbonden is, af. Hij doet er afstand van, hij verzaakt het. Zo luidt het bijv. bij Cyrillus van Jeruzalem (rond 350): "Ik verzaak u. Satan, en al uw werken en heel uw pompa en gans uw eredienst". En bij Ambrosius (ca. 390): "Ik verzaak u, duivel, en uw engelen en uw werken en uw heerschappij". Of bij Theodoras van Mopsuestia (ca. 420): "Ik verzaak aan Satan, aan al zijn engelen, aan heel zijn dienst, aan al zijn bedrog en aan heel zijn wereldse dwaling". En wel degelijk hebben die eerste christenen geweten wat die dwaling, dat bedrog en die dienst aan Satan en heel zijn pompa inhield. Ze hebben dit alles ontmoet in de hen omringende wereld: in de decadente huwelijksmoraal, in het wrede circus en in het schandelijke theaterspel, in de abortus- en euthanasiepraktijken, in de sterrenwichelarij en waarzeggingskunst, in de verheerlijking van grootheid en macht. Dit Babyion wordt nu afgezworen. "Zij is gevallen, zij is gevallen. Babyion die grote stad!"
Maar na het verzaken van Satan, zijn dwaalwegen en zijn stad vol hybris (overmoed), volgt de toetreding tot Christus. De dopeling keert zich naar het Oosten, naar het gebied van het paradijs, de opgang van de zon, vooral van de Zonne der gerechtigheid. Zo luidt het bijv. bij Cyrillus van Jeruzalem: "Hebt gij aan Satan verzaakt en openlijk het verbond met hem verbroken, (. . .) dan opent zich voor u het paradijs van God dat Hij in het Oosten heeft geplant, maar waaruit onze eerste vader vanwege zijn overtreding was verdreven. Om dit te symboliseren keert gij u van het Westen naar het Oosten, het gebied van het licht. Toen heeft men u doen zeggen: Ik geloof in de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en in één doop tot vergeving der zonden". Of bij Ambrosius: "Gij hebt u gekeerd naar het Oosten. Immers wie de duivel verzaakt, keert zich tot Christus en richt op Hem zijn blik".
Na dit zich gericht hebben op Christus, volgt de doop. Het burgerschap van het nieuwe Jeruzalem wordt verzegeld en bekrachtigd! De oude kleding wordt uitgetrokken: beeld van het afleggen van de oude mens en zijn werken, van het uitgaan uit de oude stad. Een zalving met olie vindt plaats, waardoor opgeroepen wordt tot de heilige strijd. Niet meer behoort men bij Satans rijk en legermacht, maar men is atleet van Christus om "vromelijk (dapper) tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk te strijden en te overwinnen".
Dan geschiedt de eigenlijke doop. Nu zou over die doop en de diverse handelingen vol symboliek die hierbij plaatsvonden veel meer te zeggen zijn. Maar vooral op één gebeuren, de tekening met het kruis, wil ik in dit verband nog wijzen. Na de doop ontvangt de gedoopte een nieuw, smetteloos wit gewaad, beeld van het kleed der gerechtigheid. Maar tevens wordt hij getekend met het teken van het kruis.
Of dit kruisteken in alle gevallen na, of soms ook direkt voorafgaand aan de doop werd gegeven, is uit de overgeleverde teksten niet geheel duidelijk. Maar wel staat vast dat het merken met dit teken een centraal moment is van de doop. Het is zelfs zo, dat het hele doopgebeuren hiermee in één woord wordt aangeduid! De doop is sphragis, verzegeling met het zegel van het kruis, gemerkt zijn met het merkteken van Christus.
Wie zich dit realiseert, voelt de gedachten in zich vermenigvuldigen. Hèt teken van het burgerschap van Jeruzalem is het kruis! Wie gedoopt is, draagt het kruis! Gedoopt zijn betekent: gaan in het voetspoor van de Gekruisigde, deelhebben aan Christus' lijden!
Welnu, het zijn déze aspecten die in de vroegchristelijke tijd telkens naar voren treden. Doop is intrede in de gemeenschap van Christus' lijden, aldus Cyrillus. Doop is meesterven met Christus, zegt Basilius. En Ambrosius meldt in zijn werk Over de sacramenten heel karakteristiek, dat de dopeling gevraagd is of hij gelooft in Jezus Christus en in diens kruis. Op het belijdende antwoord: "Credo, ik geloof" is hij ondergedompeld. "Aldus bent u met Christus begraven. Wie echter met Christus is begraven, verrijst ook met Hem".
Maar naast deze intrede in de gemeenschap van Christus' lijden, heeft het kruisteken nog een andere betekenis. Het kruis is ook een zegel dat beschermt en bewaart. Het is deze verzegeling die bijv. in het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes, reeds dikwijls wordt genoemd. De uitverkorenen, de 144.000, dragen een teken aan hun voorhoofden (bijv. Openb. 7, 3; 14, 1). Dit geheime teken is een tau, het teken dat de laatste letter van het hebreeuwse alfabet vormt. Maar nu schreef men oudtijds deze tau niet zoals wij dit nu doen als n, maar in de vorm van een kruis: x of + . Dat hebben vooral vrij recente ontdekkingen in Palestina, waar graven van de oudste jodenchristenen gevonden zijn, laten zien. Daarop staat het teken tau, maar in de vorm van een kruis. Het is dit teken tau, oorspronkelijk de Naam van de Vader aanduidend, dat voor de oudste christenen ook de Naam van de Zoon aangeeft. "En ik zag", zegt Johannes, "en zie, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderdvierenveertigduizend, hebbende Zijn Naam en de Naam van Zijn Vader geschreven op hun voorhoofden". De burgers van Jeruzalem dragen het teken van het kruis dat verzegelt, beschermt en bewaart. Zij dragen niet de naam van het beest en behoren niet bij Babyion dat zal ondergaan. Maar zij zijn verzegelden, afgezonderden, uitgeroepenen, behorend tot de ecclesia.
Zó was in de begintijd de betekenis van de christelijke doop. En wat zegt ons dit alles nü? Wie vernomen heeft wat over de doop in de eerste christelijke eeuwen gemeld is, heeft bekende klanken gehoord. Inzonderheid in het klassieke doopformulier horen wij ze nog. Hoe wij aan dit prachtige, inhoudsrijke formulier gekomen zijn, is niet precies duidelijk. Datheen heeft er sterk de hand in gehad en van hem zijn in ieder geval de doop vragen. Daarnaast is het grootste gedeelte afkomstig uit de Pfalz, waar blijkbaar weer elementen uit Geneve (Calvijn) en van Marten Micron zijn overgenomen. Het gebed voorafgaand aan de doop — bekend als het zondvloedgebed — kwam via Luther. Maar volstrekt duidelijk is wel, dat in het doopformulier de taal gehoord wordt van de oudchristelijke kerk. Ook hier wordt gesproken over verzegelen en over de doop als zegel. Ook hier wordt gesproken over het kruis: "O almachtige, eeuwige God, wij bidden U bij Uw grondeloze barmhartigheid, dat Gij deze kinderen (deze broeders, deze zusters) genadig wilt aanzien, (. . .) opdat zij hun kruis, Christus dagelijks navolgende, vrolijk dragen mogen . . .". Ook hier wordt gesproken over "de wereld verzaken". En ook hier wordt, in de dankzegging, gezegd dat de gedoopten "vromelijk tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk strijden en overwinnen mogen".
U hoort het: de thematiek van de twee rijken of steden klinkt hier door. En hoe de verzegelden met het zegel van de doop in deze wereld mogen staan, wordt eveneens ten volle uitgezegd. In de doop klinkt Gods belofte en onze roeping, Gods roeping en onze belofte.
En kan het nu verwonderen dat Dr. Hermann Friedrich Kohlbrugge gezegd heeft, dat hij al zijn preken wel zou willen geven voor het doopformulier? Het is ook Kohlbrugge die in een van zijn geschriften heel nadrukkelijk op de betekenisvolle inhoud ervan gewezen heeft. Dat was in 1855, in het boekje Historisch-theologische gesprekken tussen twee gereformeerde predikanten. Kohlbrugge behandelt hierin de oorsprong van het doopformulier, vooral de herkomst van het zgn. zondvloedgebed. Hij betoont zich hier een verrassend kenner van de geschiedenis en van de liturgie. Hij schrijft zijn werkje in de vorm van een dialoog, een gesprek tussen een oom en een neef. Die neef, een stadspredikant en heel gevoelig voor de mening van het beschaafde publiek, heeft er moeite mee het hele formulier van a tot z te lezen. Vooral dat gebed voorafgaand aan de doop geeft hem problemen. Hoe kun je nu bidden: "Gij, die naar Uw streng oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met de zondvloed gestraft hebt, en de gelovige Noach met zijn acht zielen uit Uw grote barmhartigheid behouden en bewaard; Gij, die de verstokte Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de doop beduid werd. . ."? "Wat zou het verlicht en beschaafd publiek wel zeggen als het zo iets hoorde?"
Kohlbrugge gaat dan een bewonderenswaardige uiteenzetting geven, bewonderenswaardig vanwege de grote historische kennis die eruit spreekt Hij laat zien hoe ook deze typologie geworteld is in het spreken van de Schrift en van de Oude Kerk en hoe juist via Luther dit zgn zondvloedgebed tot ons is gekomen De doop IS redding door het water heen, zoals Noach eertijds door de zondvloed heen werd gered
Nu spreekt Kohlbrugge hier niet over de tegenstelling tussen de twee steden Maar ik wil er wel mee eindigen Wanneer wij in deze tijd en in deze lijdenstijd nadenken over de twee steden en over de betekenis van de christelijke doop, dan denk ik vooral aan Jezus Wat ik gezegd heb over de twee steden, wat gemeld IS over de doop, vindt in Hem zijn bron en ver vulling Jezus, — Hij werd gedoopt, maar daarna door de Geest weggeleid naar de woestijn om verzocht te worden Getest, getoetst op Zijn doopbestaan Veertig dagen lang, zoals Israel veertig jaar in de woestijn "Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dan " Maar Jezus houdt vast aan het Woord "Er staat geschreven " Zo doet HIJ ook in Gethsemane "Mijn ziel IS geheel bedroefd" (Ps 42/43') "Al Uw golven en Uw baren zijn over mij heengegaan" Ook dat was Jezus' doop Om de beker van de wijn van Gods toorn te drinken (vgl Openb 14, 10, 16, 19), gaat Hij deze weg Zo gaan de Zijnen met onder met Babyion, maar wordt de poort ontsloten van Jeruza lem Omdat de vloed over Hem is heengegaan, daar om mogen wij water scheppen met vreugde uit de bronnen van het heil (Jes 12) Want de doop is met slechts doortocht, maar ook intocht, ondergang — maar ook verrijzenis, strijd — maar ook overwinning
(Referaat, gehouden zaterdag 19 maart 1988 op de conferentie van de "Kring van Vrienden van Dr H F Kohlbrugge" in de Marcuskerk te Utrecht)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1988
Kerkblaadje | 8 Pagina's