Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hoséa (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoséa (8)

9 minuten leestijd

Hoséa moet de bazuin aan de mond zetten. Hij moet groot alarm slaan, want er dreigt groot gevaar. De dreiging betreft een arend (vers 1). Je kunt het vergelijken met een luchtalarm: de sirenes loeien om te waarschuwen voor de aanstormende bommenwerpers of raketten. De arend waar Hoséa van spreekt is de koning van Assyrië; hij zal op het alleronverwachtst, zoals een roofvogel zijn prooi, Israël overrompelen. Ten diepste is deze koning als een roede in Gods hand; de Heere Zélf gaat Zijn volk bezoeken. Wat een zegen dat Hij het volk nog laat waarschuwen!

Alleen… ziet Israël dat kennelijk niet zo. Er blijkt niets van bekering of van dankbaarheid jegens de Heere dat Hij het volk nog waarschuwt. Hoséa spreekt indringende woorden, alarmerende woorden. En het volk schrikt misschien wel even op, maar als er nog geen gevaar blijkt te zijn, houden ze het erop dat het loos alarm was. Zoals een prooi op de grond geen gevaar ziet, omdat de arend nog hoog boven in de lucht zweeft. De mensen die Hoséa’s woorden horen, slaan de waarschuwing in de wind. Ze geloven de oordeelsaankondiging niet. Ze zijn misschien nog wel boos geworden op de profeet; misschien heeft zijn sombere boodschap hen wel geërgerd. Het is Hoséa vergaan zoals ooit Noach, de prediker der gerechtigheid. Hij waarschuwde in de oude wereld voor het komende gericht, maar ook hij vond geen gehoor.

De volksgenoten van Hoséa menen geen gevaar te lopen. ‘Ze zijn immers godsdienstig!’, zo denken ze. In vers 2 horen we hoe ze zeggen: ‘Mijn God! wij Israël, kennen U’. Voor de profeet is het ongetwijfeld om moedeloos van te worden. Het volk kan zich niets bij Gods straffende hand voorstellen. En terwijl hij alarm slaat, haalt de één de schouders op terwijl de ander zich aan zijn boodschap ergert. Hoe indringend hij ook klopt op de deur van hun hart.

Is er veel veranderd? Gaat het nu anders toe? De hoogste Profeet, Christus, spreekt in het Evangelie ook zulke waarschuwende woorden. En ook de apostelen schrijven alarmerende woorden over de op handen zijnde dag van het gericht. De dag die ons overvallen zal, als de jagende arend waar Hoséa op wijst. En ook nu zijn er mensen die denken dat hun eigen godsdienst, hun eigen gerechtigheid hen vrijwaart van de straf. Ze zijn immers kinderen van het koninkrijk, zoals de Israëlieten in Hoséa’s dagen zich kinderen van het verbond wisten… Diep aangrijpend zijn de woorden van Jezus: ‘Alsdan zullen zij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd. En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet…’ (Luk. 13:26-27). Echter, ook nu gaat de waarschuwing nog voor het gericht uit! Acht de lankmoedigheid van onze Heere dan voor zaligheid.

Hoe is dat voor Hoseá geweest. Hij zal gesproken hebben met de meeste bewogenheid, met een vrezend hart. Zoals ook Noach dat gedaan zal hebben. Wetende van de schrik des Heeren, hebben ze hun tijdgenoten bewogen tot het geloof! En laat juist die indringende boodschap, die de Heere tot hen zendt, niet zien hoezeer Hij op het behoud van de goddeloze uit is? Ook hier. Hij spreekt het volk hier aan als ‘Zijn huis’ (vers 1). Hoe veelzeggend! Hij wil daar wonen. Dit volk behoort Hem toe. Dáárom kan Hij het niet ongewaarschuwd laten. Als we de Heere hier zo horen, komt de vader van de verloren zoon in gedachten, die zo uitzag naar een wederkerende verloren zoon. ‘Hoe lang nog…’ (vers 5).

Hij heeft dit volk hoog bevoorrecht. ‘Hij gaf aan Jakob Zijne wetten, deed Israël op Zijn woorden letten. Hij leerde z’ in Zijn wegen wand’len; zo wou Hij met geen volken hand’len…’ (zie vers 12). En het volk? Het beweert Hem te kennen, zo hoorden we, maar het heeft intussen het goede verstoten (vers 3). Het heeft de zorg, de gunst, de genade van God veronachtzaamd. Ten diepste de Heere Zelf vergeten. Wat is dat verdrietig: zó bevoorrecht maar zó afkerig. En vooral: hoe strekt het tot oneer van Hem!

Het zal intussen duidelijk zijn geworden dat er een zware storm dreigt, de storm van Gods gericht over het tienstammenrijk. Wij mensen zeggen wel eens: ‘Wie wind zaait, zal storm oogsten’. Deze woorden zijn, zoals u ziet, ontleend aan Hosea 8 (vers 7). Waar we in Hoséa’s dagen dan aan moeten denken? We horen van het verworden koningschap en van de afgodsdienst (vers 4-6). Van vorst en volk geldt: niet de Heere wordt gezocht, maar eigen belang en eigen eer. En intussen gaat het hard bergafwaarts. Dat moet iedereen in Israël toch wel beginnen in te zien. Het gaat slecht met het land, en dan vooral ook in economische zin (vers 7). Brengt dat het volk tot inkeer? Doet het Israël wederkeren tot de Heere? Integendeel. Het gaat zijn heil bij Assur zoeken. Zoals een ontrouwe vrouw legt Israël het met iedereen aan die dat maar wil. Het volk overlegt grote schatten om hulp en bescherming te kopen – tevergeefs, dat wel. Assur bedriegt haar. Ten laatste is het volk berooid en ontluisterd. Zoals de verloren zoon moederziel alleen overbleef. Als er niets meer te halen valt, laten dergelijke vrienden je vallen. Wat een ellende! En het absolute dieptepunt: ‘Want Israël heeft zijn Maker vergeten…’ (vers 14).

Sommelsdijk, ds. P.C. Hoek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 2020

Kerkblad | 24 Pagina's

Hoséa (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 2020

Kerkblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken