Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hosea (12)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hosea (12)

10 minuten leestijd

Elke keer als je denkt dat het niet meer erger kan worden, schrik je op van wat Hoséa verder nog spreken moet van de Heere. Nu ook weer. Het volk omringt de Heere met leugen en bedrog. Zoals mensen die doen alsof ze Hem dienen, maar intussen hun hart ver van Hem houden. Zo zegt het volk in Hoséa’s tijd lust te hebben in de wegen van de Heere, terwijl het volksleven iets heel anders laat zien. En Juda en Israël geven elkaar niets toe. Vergeleken met Israël lijkt Juda beter, maar dat is slechts schijn. Ook met Juda heeft de Heere een twist (vers 3).

Het volk gaat echter niet alleen bedrieglijk met de Heere om, maar ook met andere volken. De zonde tegen de eerste tafel van de wet geeft de hand aan die tegen de tweede tafel. Wat Hoséa betreft staat zijn volk als onbetrouwbaar te boek; je kunt simpelweg niet van het volk op aan. Dat zit zo. In de tijd van de profeet kiezen alle volken, om politieke en strategische redenen, óf voor Egypte óf voor Assyrië. Nu had Israël die keuze uiteraard helemaal niet moeten maken: het heeft op de Heere te betrouwen. Dat laatste doet het volk niet; maar als het dan toch die keuze wil maken, blijkt het bovendien naar anderen toe onbetrouwbaar: het sluit een verbond met Assyrië en tegelijk brengt het geschenken naar Egypte, de vijand van Assyrië (vers 2). En wat wel te verwachten is, gebeurt: uiteindelijk staat het volk met lege handen. De profeet vergelijkt het met jagen op de wind: je houdt er niets aan over, het keert zich zelfs tegen je.

Hoséa houdt nu dit volk, bij wijze van voorbeeld, het portret van vader Jakob voor. Te beginnen met zijn geboorte (vers 4). Zoals u weet, wordt Ezau als eerste geboren; zijn tweelingbroer Jakob komt er meteen achteraan. Het is alsof ze in de moederschoot geworsteld hebben om de eerste te zijn: Jakob houdt bij de geboorte de hiel van zijn broer vast. Hij heeft er zijn naam aan overgehouden: Jakob, hielenlichter. Het is moeilijk uit te maken of Hoséa dit positief of negatief bedoelt. Wil hij hun vader hier vooral als de bedrieger portretteren? Of wil hij, in positieve zin, juist laten zien dat het Jakob van jongs af om de zegen van de Heere te doen was? De kanttekenaren denken in die laatste richting. Zij wijzen erop dat hier al zichtbaar wordt dat Jakob de eerstgeboortezegen niet in de weg van de natuur verkreeg, maar uit genade.

Het zou een levenslange les worden. Zijn leven door moest Jakob leren in welke weg de Heere Zijn zegen geeft. Met name noemt Hoséa dan zijn worsteling met God bij Pniël. Jakob moest leren dat hij Gods belofte niet beërven kon in eigen kracht of door eigen slimheid. Nee, maar in de weg van de worsteling met en om God, waarbij hij als een zondaar leert smeken om genade. Als Hoséa daarna Bethel noemt, zullen we moeten denken aan de tweede ontmoeting die Jakob daar met God had (Gen. 35). Die ontmoeting heeft hij met Hem als hij de afgoden uit zijn tenten en gezin heeft weggedaan, de Heere zijn geloften betaalt en offers brengt. De Heere verzekert Jakob dat Hij zijn God is én dat Hij aan Jakobs nageslacht het land Kanaän geven zal. Jakob heeft geleerd niet op mensen te vertrouwen, wat het volk in Hoséa’s tijd doet, maar op de Heere. ‘Welgelukzalig is hij, die den God van Jakob tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op den HEE- RE, zijn God is’ (Ps. 146:5). Zo heeft de Heere Zich bekend gemaakt. Zo heeft het volk ook Hem te zoeken in de weg van bekering. Om te wachten op Hem. Dat is de enige weg: Hem zoeken, worstelend om Zijn zegen.

Efraïm blijkt echter doof voor die oproep. ‘Nog zegt Efraïm: Evenwel ben ik rijk geworden…’ (vers 9). Dat is toch een bewijs dat God gezegend heeft? Dat laat toch duidelijk zien dat het wel goed zit? Er is niets aan de hand. Er is op Efraïm niets aan te merken, althans volgens Efraïm. Bekering is niet nodig. Het is alsof we ons eigen boze hart horen…: ‘Zo slecht ben ik er toch niet aan toe…?’ Maar let wel: de Heere oordeelt anders! We kunnen veel hebben, zoals Ezau. De vraag is of we alles hebben, zoals Jakob (Gen. 33:9,11).

Terwijl Efraïm denkt dat er niets aan te merken valt, wijst de Heere Gilead aan en Gilgal (vers 12). Plaatsen die Hoséa al vaker genoemd heeft. Gilead is een stad vol misdaad (6:8), Gilgal een plaats van gruwelijke afgoderij. Hoséa zegt dan ook: ‘Efraïm heeft de Heere zeer bitter vertoornd…’ (zie vers 15). Aangrijpend!

Heeft de Heere dat verdiend? Wat heeft Hij niet voor hen gedaan? Hij heeft het volk gehoed en geleid. Echter, ze hoorden niet naar Zijn stem die klonk door de dienst van de profeten. We horen dan ook van Gods toorn en vergelding. En toch… Toch geeft Hij het volk niet op. Toch horen we de Heere zeggen: ‘Maar Ik ben de HEERE, uw God…’ (vers 10). En daarin daagt het heil! Want Hij zendt straks dé Profeet, Die tevens dé Priester is. Om op Hem alle ongerechtigheden te doen aanlopen. Hoor naar Hem en uw ziel zal leven! Dat is Pniël: God gezien van aangezicht tot aangezicht, tot redding van je ziel.

Sommelsdijk, ds. P.C. Hoek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 2020

Kerkblad | 24 Pagina's

Hosea (12)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 2020

Kerkblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken