Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over het afleggen van de eed en de gelofte (Westminster Confessie - hoofdstuk 22)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over het afleggen van de eed en de gelofte (Westminster Confessie - hoofdstuk 22)

WESTMINSTER CONFESSIE

13 minuten leestijd

EEN GEHEEL HOOFDSTUK WORDT IN DE WESTMINSTER CONFESSIE GEWIJD AAN WETTIGE EDEN EN GELOFTEN. IN DE HEIDELBERGSE CATECHISMUS WORDT HET ZWEREN VAN EEN EED BEHANDELD BIJ HET DERDE GEBOD IN EEN TWEETAL VRAGEN. HET AFLEGGEN VAN DE EED OF EEN GELOFTE HEEFT ALLES TE MAKEN MET HET GEBRUIK VAN GODS NAAM EN HET EREN VAN HEM. REEDS IN HET HOOFDSTUK OVER DE EREDIENST, DAT WIJ DE VORIGE KEER BESPRAKEN, NOEMT DE WESTMINSTER HET AFLEGGEN VAN EEN EED OF GELOFTE EEN ONDERDEEL VAN DE DIENST AAN GOD. IN DIT HOOFDSTUK WORDT IN DE ARTIKELEN 1 T/M 4 AANDACHT AAN DE EED GESCHONKEN. IN DE LAATSTE DRIE ARTIKELEN WORDT AFZONDERLIJK OP DE GELOFTE INGEGAAN.

Eed zweren

In het eerste artikel wordt van de eed gezegd dat de persoon die de eed zweert God plechtig tot getuige roept van hetgeen hij verklaart of belooft. De eed maakt deel uit van de dienst en aanbidding van God. Door het afleggen of zweren van de eed vraagt de persoon die zweert aan God hem te oordelen overeenkomstig de waarheid of het onwaar-zijn van wat hij gezworen heeft. ‘Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt de Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE’ (Lev. 19:12). In artikel 2 staat dat zowel in het Oude als het Nieuwe Testament het zweren van de eed wordt vereist in zaken van voldoende gewicht. ‘Wie zweren zal op aarde, die zal zweren bij de God der waarheid’ (Jes. 65:16). De eed mag alleen bij de Naam van God worden afgelegd. Het is zondig als iemand onnodig of onbezonnen een eed zweert onder aanroeping van de heilige Naam van God. Ook vandaag de dag is het wettige gezag bevoegd de eed van personen te vereisen in zaken van groot belang. ‘Ik riep de priesters en deed hen zweren dat zij zouden doen naar dit woord’ (Neh. 5:12).

Het volgende artikel zegt dat als het wettige gezag vereist de eed af te leggen met betrekking tot een zaak die goed en rechtvaardig is, het een zonde is om de eed te weigeren. Dit betekent nooit dat de eed lichtvaardig wordt gezworen. Iemand die de eed aflegt moet ervan overtuigd zijn dat er groot gewicht aan de eed hangt. Hij moet ook ten volle overtuigd zijn dat het de waarheid is wat hij betuigt. Door een eed te zweren mag men zich nooit verplichten tot iets wat niet goed of onrechtvaardig is. Hij moet in staat zijn en vastbesloten om datgene waarover hij een eed aflegt ook uit te kunnen voeren met de hulp van de Heere God.

Over het zweren van de eed wordt in artikel 4 gezegd dat deze in duidelijke woorden gesteld moet worden. Er mag geen sprake zijn van dubbelzinnigheid of dat iemand heimelijk een voorbehoud maakt. Een eed kan niet verplichten tot het doen van zonde. Als een eed wordt afgelegd aangaande iets wat niet zondig is, rust de verplichting op de mens om deze ook uit te voeren, ook al zou hem dat schade berokkenen. Een eed is een plechtige verklaring die afgelegd wordt onder aanroeping van Gods Naam. Een eed mag daarom niet gebroken worden, ook al is deze afgelegd voor ongelovigen. Jozua had met een eed een verbond gemaakt met de Gibeonieten, dat hij hen niet zou doden. Toen het uitkwam dat zij hem bedrogen hadden met te beweren dat zij uit een ver land gekomen waren, heeft hij hen gespaard vanwege de door hem gezworen eed bij de HEERE, de God van Israël (Joz. 9:18-19).

Gelofte afleggen

De Westminster maakt onderscheid tussen een eed en een gelofte. Eerst wordt in artikel 5 beklemtoond dat een gelofte in feite een eed is met een belofte. De gelofte wordt in godsvrucht en met zorg afgelegd en getrouw nagekomen. ‘Wanneer gij een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen, want Hij heeft geen lust aan de zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het. Het is beter dat gij niet belooft, dan dat gij belooft en niet betaalt’ (Pred. 5:3-4). Daarna wordt gesteld dat een gelofte alleen aan God mag worden gedaan, vrijwillig, gelovig en met een besef welke plicht men op zich neemt. Een gelofte kan uit dankbaarheid worden gedaan, of om iets te verkrijgen wat ons ontbreekt. De functie van een gelofte is om ons des te nauwgezetter te verbinden aan een noodzakelijke plicht of iets anders, voor zover bevorderlijk.

In het laatste artikel wordt erop gewezen dat een gelofte niet mag worden afgelegd om iets te doen wat God in Zijn Woord verbiedt of over iets dat buiten onze macht ligt. Een gelofte mag ook geen hindernis opwerpen voor het volbrengen van onze gewone plicht. De roomse gelofte van een levenslang celibaat wordt afgewezen. Hetzelfde geldt voor de belofte van vrijwillige armoede en gehoorzaamheid aan de regels van een kloosterorde. De Westminster vindt hier geen bewijs in van een hogere graad van volmaaktheid, maar integendeel van bijgeloof en zondigheid. Het zijn strikken waarin een christen zich niet moet laten vangen.

Het goede gebruik

Het onderscheid tussen een eed en een gelofte is enigszins vloeiend. Een gelofte is een eed die een belofte bevat. Niet elke eed bevat een belofte. Bij het zweren van de eed wordt God tot getuige geroepen van hetgeen iemand belooft dan wel verklaart. Dat de Westminster ruime aandacht besteedt aan eden en geloften zal te maken hebben met de uit de hand gelopen roomse praktijk, vooral onder de geestelijkheid. De Heere Jezus waarschuwt tegen het lichtvaardig en onnodig zweren zoals het in Zijn dagen onder de Joden gebruik was: ‘Zweert ganselijk niet, noch bij de hemel, omdat hij is de troon Gods; noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings; noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken. Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze’ (Matth. 5:34-37).

Nogmaals, Jezus waarschuwt tegen het onbezonnen en onnodig zweren. Hij verwerpt het rechte gebruik van de eed of gelofte niet. Meerdere keren roept Paulus in zijn brieven God tot een getuige aan. Bijvoorbeeld in 2 Korinthe 1 vers 23: ‘Doch ik roep God aan tot een Getuige over mijn ziel, dat ik om u te sparen nog te Korinthe niet ben gekomen.’ Ook in Filippenzen 1 vers 8: ‘Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen met innerlijke bewegingen van Jezus Christus’.

Ten slotte, al noemt de Westminster Confessie het niet expliciet, het afleggen van een eed gebeurt natuurlijk in het bijzonder bij het uitspreken van het jawoord in het uur van openbare belijdenis, bij de huwelijkssluiting en kerkelijke bevestiging ervan, bij de doop van onze kinderen en het bevestigd worden in het ambt van diaken, ouderling of predikant. Ons plechtige jawoord wordt uitgesproken voor God en Zijn gemeente. Hoofdstuk 22 van de Westminster laat ons zien welk groot gewicht hangt aan elk door u voor Gods aangezicht uitgesproken jawoord.

Rijssen, ds. H. Lassche

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 2020

Kerkblad | 24 Pagina's

Over het afleggen van de eed en de gelofte (Westminster Confessie - hoofdstuk 22)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 2020

Kerkblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken