Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Mirjam

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Mirjam

27 minuten leestijd

Lezen: Ex. 2: MO,Ex. 15: 1, 2, 18, 21,Num. 12, Num. 20: 1Zingen: Ps, 136: 1, 2, 12-15, 26Ps. 81: 1, 2, 7, 12Ps. 105: 1. 2, 3, 24Ps. 77: 9,10,11Ps. 106: 1, 5, 6, 7, 26Ps. 89: 8Ps. 143: 10 (slotpsalm)Ps. 66: i, 3, 8, 10Ps. 68: 11, 12Ps. 78: 1,7Ps. 103: 4Kerntekst:"Immers heb Ik u uit Egypte!and opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam."(Micha 6: 4)

Kijk daar eens... Bij de oever van de rivier de Nijl staat een meisje. Ze tuurt in de verte. Een heel eind bij haar vandaan, verscholen tussen het riet, drijft een mandje. Het is gemaakt van de biezen, de rietstengels, die hier overal langs de rivier groeien.

Wie is dat meisje en waarom staat ze daar?

Dat meisje heet Mirjam. Ze hoort bij het volk van Israël. In het mandje ligt haar jongste broertje. Het is nog maar drie maanden oud.

Vanmorgen heeft moeder het hier neergezet en Mirjam moet kijken wat er met hem gebeurt.

Vader en moeder durven het broertje niet langer in huis te houden. De koning van Egypte, Farao, heeft gezegd dat alle jongetjes van het volk van de Israëlieten verdronken moeten worden in de rivier de Nijl. Toch hebben de vader en de moeder van Mirjam niet geluisterd naar dat bevel. Ze hebben het kindje verborgen, omdat ze geloven, dat de Heere dit kind zal gebruiken in Zijn dienst.

Opeens... luister eens! Daar klinken stemmen. Een poosje later komen er een paar vrouwen bij het water van de Nijl. O, Mirjam weet wel wie het zijn. Het is de prinses, de dochter van Farao. Ze komt hier dikwijls met haar hofdames om zich te wassen. Niet ver van de plaats waar het mandje tussen het riet drijft, gaat ze het water in en al gauw ontdekt ze het mandje. Eén van haar hofdames moet het voor haar halen. Als ze het deksel eraf haalt, ziet ze dat in het mandje een jongetje ligt. O, zegt ze medelijdend, dat is vast een jongetje van de Hebreen! Mirjam heeft alles gezien. Snel komt ze tevoorschijn. "Wilt u dat ik iemand voor u roep die voor het kindje kan zorgen?" vraagt ze. Dat wil de prinses graag. Ze wil dit kind graag zelf houden. Maar het is nu nog veel te klein om bij haar in het paleis te komen. Mirjam loopt naar huis en roept haar moeder. Dadelijk gaat moeder Jochebed naar de prinses. Die geeft haar de opdracht goed voor het babytje te zorgen. Als het over een poosje groot genoeg is, zal het in het paleis mogen wonen. Het zal de zoon van de prinses worden.

En dat is ook gebeurd. Toen het kind drie jaar was heeft Jochebed het naar de prinses gebracht.

De prinses denkt even na. Dan zegt ze: "ik noem het kindje Mozes, want ik heb hem uit het water gehaald."

Wat de ouders van Mozes geloven, gebeurt! De Heere roept Mozes om Zijn knecht te zijn. Hij mag het volk van Israël, dat zo door Farao onderdrukt wordt, uit Egypte leiden. En niet alleen Mozes wil de Heere daarvoor gebruiken, maar ook zijn jongere broer, Aaron.

Samen gaan Mozes en Aaron heel wat keren naar Farao om hem de wil van de Heere te vertellen: "Laat Mijn volk Israël trekken, dat het Mij een feest viere in de woestijn!"

Maar Farao verhardt zijn hart. Hij wil de Heere niet gehoorzamen. Hij wil het volk van Israël niet laten gaan. Dan komt de straf. Die bestaat wel uit tien plagen.

Bij de laatste plaag worden alle eerstge- borenen gedood. Dan geeft Farao toe en zegt: "Jullie mogen weg uit het land van Egypte."

Kijk, daar gaan de Israëlieten. Wat zijn ze blij! Eindelijk zijn ze vrij. Eindelijk zijn ze verlost van Farao en zijn knechten, die hen zo onderdrukten.

En nu zijn ze op reis naar het land dat de Heere hen beloofd heeft. Voor het grote volk uit gaat de wolkkolom, het teken dat de Heere bij hen is. Hij Zelf wijst de weg die ze moeten gaan. Maar die weg gaat zo anders dan het volk verwacht.

De Heere wijst hen de weg naar de Schelfzee. Voor hen is water en aan allebei de kanten zijn bergen. Maar het wordt nog erger.

Plotseling horen de Israëlieten de grond dreunen. Het lijkt wel als of er een geweldig leger achter hen aankomt. En dat is ook zo! Farao heeft er spijt van gekregen dat hij het volk heeft laten gaan. Nu komt hij hen achterna om hen terug te halen of te doden.

Als de Israëlieten dat zien, schrikken ze geweldig. Zullen ze hier nu in de woestijn sterven? Ze gaan murmureren.

Tussen al die duizenden Israëlieten loopt ook Mirjam, de zus van Aaron en Mozes. Ze heeft gezien hoe dat Farao het volk onderdrukte. Maar ook heeft ze in Egypte de wonderen gezien die de Heere gedaan heeft. In het hart van Mirjam is stille verwondering en aanbidding. De Heere heeft gedaan wat Hij beloofd heeft. Hij heeft hen uit Egypte geleid. En nu zijn ze op weg naar het beloofde land, naar Kanaan.

Ook Mirjam hoort het geluid van wagens en paarden. Ze merkt hoe de Israëlieten beginnen te murmureren. Ze hoort hoe ze Mozes de schuld geven van wat er nu gebeurt. Ze vragen hem: "Waarom hebt u ons uit Egypte geleid? Hebt u ons in de woestijn gebracht om te sterven?" Mirjam schrikt! Nee, zelf weet ze ook niet hoe het nu moet. Maar zal de Heere, Die hen uit Egypte verloste, hen ook nu helpen?

Mirjam ziet dat Mozes niet boos wordt op het volk, maar dat hij voor hen tot de Heere gaat bidden. Ook hoort ze hoe haar broer het volk op de Heere wijst. Hij is immers de Enige Die kan en wil en ook zal helpen! Het volk hoeft niets te doen. De Heere zal voor hen strijden en het volk zal zien hoe Hij hen verlost van hun vijanden.

Ze hoort hoe Mozes verder zegt dat iedereen zich klaar moet maken om verder te reizen. Het is het bevel van de Heere Zelf. Hij Zelf zal strijden tegen de Egyptenaren en Zijn volk verlossen.

De Israëlieten gehoorzamen. Ze breken hun tenten op. Een poosje later staat het volk klaar om verder te gaan.

Maar kijk eens, wat er dan gebeurt. De wolkkolom die voor het volk van Israël uitgaat en 's nachts verlicht is, gaat achter het volk staan. En daar gaan de Israëlieten. Ze trekken verder. Ook Mirjam loopt mee. Het duurt niet lang en dan staan ze vlak voor het water van de Schelfzee. O, kijk eens! Mozes doet wat de Heere hem geboden heeft. Hij steekt zijn staf uit over het water en dan gebeurt er een groot wonder. De Heere stuurt een oostenwind. Hij maakt voor Zijn volk een pad door die zee. Op dat pad mag het volk van Israël door de zee naar de overkant.

Als Mirjam naast zich kijkt, ziet ze daar een muur van water. Ook aan de andere kant staat zo'n muur. En tussen die twee muren van water lopen de Israëlieten. Heel de nacht duurt de doortocht. Als het de volgende morgen licht begint te worden, is het volk van Israël bijna helemaal aan de overkant. Daar blijven ze staan en kijken naar de laatste Israëlieten die nog in de zee zijn.

Maar... kijk eens naar de overkant. Daar komen opeens de Egyptenaren! Ze komen ook zo maar het pad op, dat de Heere voor Zijn volk maakte. Ze komen de Israëlieten achterna! Naar de muren van water kijken ze niet. Als ze in het midden van de zee zijn, schrikken ze plotseling geweldig. De Heere opent hun ogen en laat hen zien waar ze zijn, midden in de zee met aan twee kanten een muur van water die elk ogenblik kan instorten. Ook laat de Heere hen zien Wie Hij is en dat ze tegen de God van Israël strijden. Ze proberen nog wel te vluchten, maar het is te laat.

Eindelijk zijn de laatste Israëlieten aan land gekomen. Nu is het pad niet meer nodig.

Dan spreekt de Heere opnieuw tot Mozes: "Strek uw hand uit over de zee". Mozes gehoorzaamt. De Heere zendt een sterke wind waardoor de muren van water instorten. De Israëlieten zien hoe de muren die de hele nacht rechtop hebben gestaan, instorten. Ze zien hoe het water over de Egyptenaars heenspoelt en hoe ze verdrinken in de zee. Ze zien hoe de Heere hen van Farao en zijn soldaten verlost.

Dan begint Mozes te zingen. Het is een lied tot eer van de Heere, die wonderen heeft gedaan en het volk veilig door de Schelfzee geleid heeft. "Zingt de Heere, want Hij is hoog verheven; het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen".

Zo zingt Mozes en de mannen die hem horen zingen, zingen met hem mee.

Kijk daar eens. Daar komt ook een groep vrouwen. Voorop loopt een vrouw die de leiding heeft. Het is Mirjam. Achter haar komen de andere vrouwen.

Mirjam heeft ook gezien hoe Farao en zijn ruiters in de Schelfzee verdronken zijn. Ze heeft gezien hoe de Heere, dat wat Hij beloofde, ook gedaan heeft. Dat Hij de Getrouwe is! Wat is de Heere goed! En nu Mozes begint te zingen en de mannen achter hem aan komen, kan ook Mirjam haar mond niet dicht houden. Mozes en Mirjam voelen zich verbonden aan elkaar. Niet alleen omdat ze broer en zus zijn, maar er is meer. Er is een geestelijke verbondenheid. Mozes en Mirjam zijn kinderen van God. Beiden hebben ze een nieuw hart. Een hart wat uitgaat naar de Heere en Zijn dienst. Een hart wat God groot wil maken.

In hun liederen loven ze de Heere voor wat Hij heeft gedaan. De Heere geeft zelf de woorden in de mond.

Als de vrouwen van Israël Mirjam horen zingen en zien spelen op haar trommel, nemen ook zij hun muziekinstrumenten en lopen zingend en spelend achter Mirjam aan. Ze luisteren naar wat Mirjam hen voorzingt en zingen dat na. Ja, eigenlijk zingen ze na wat de Heere Mirjam leert. Mirjam mag dat doorgeven. Zij mag de vrouwen van Israël onderwijzen en vertellen Wie de Heere is en welke grote wonderen Hij gedaan heeft. Samen met de mannen zingen de vrouwen daar bij de Rode Zee, waarin de Egyptenaren zijn verdronken. Heel het volk van Israël looft en prijst die God Die hen verloste van Farao en zijn leger. Luister maar. Iedere keer als de mannen een stukje gezongen hebben, geven de vrouwen antwoord: "Looft de Heere, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen".

Het is een jaar later later. Midden in de woestijn staan de tenten van de Israëlieten. Ze zijn nog steeds op reis. Veel is er al gebeurd. Ze hebben van de Heere eten en drinken gekregen. Zelfs hebben ze de stem van de Heere gehoord, toen Hij bij de berg Sinaï sprak: "Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb". Daar bij de Sinaï heeft de Heere hen Zijn Wet gegeven en hen geboden dat ze Hem alleen zouden liefhebben en dienen. Dat ze zouden leven tot Zijn eer.

Ook Mirjam heeft dat bevel gehoord. Kijk, daar staat ze samen met Aaron voor Mozes. Mirjam is ontevreden. Ze vindt het helemaal niet goed, wat haar jongste broer allemaal doet. Mozes hoeft zich heus niet te verbeelden dat hij meer is dan alle andere Israëlieten. Dat de Heere hem tot die taak geroepen heeft, daaraan denkt ze niet.

Mirjam is er boos over dat hij een vrouw heeft, die niet bij het volk van Israël hoort. Ze is van heidense afkomst. Mirjam heeft er met Aaron over gesproken en die vindt eigenlijk wel dat zijn zus gelijk heeft. Mozes had toch veel beter een vrouw uit het volk van Israël kunnen kiezen...! Hij moet toch als leider het goede voorbeeld geven! En nu hebben ze samen Mozes opgezocht. Ja, Mozes is de leider, dat is waar, maar Mirjam is toch ook profetes en Aaron is door de Heere aangewezen om Hogepriester te zijn. Dus zij zijn ook heel belangrijk! Dat de Heere hen die gaven geschonken heeft, daar denken ze niet aan. Dat Hij wil dat ze die gaven zullen besteden tot Zijn eer, vergeten ze. Nee, Mirjam en Aaron worden er trots op. Ze zeggen tegen Mozes: "Heeft de Heere ook niet door ons gesproken?"

En wat voor antwoord geeft Mozes aan zijn broer en zus? Mozes zegt niets! Hij hoeft ook niets te zeggen, want de Heere gaat voor hem spreken.

Mozes, Aaron en Mirjam moeten alle drie bij de tabernakel komen: de plaats waar de Heere spreekt van boven het verzoendeksel, dat op de ark ligt. De Heere gaat Zelf vertellen wie Mozes is en welke grote gaven hij gekregen heeft.

De Heere spreekt met Mozes niet door gezichten of dromen, maar van mond tot mond. Niet omdat Mozes geen zonde heeft, of omdat hij beter zou zijn dan de andere Israëlieten, maar omdat de Heere hem heeft uitgekozen!

En nu doen Mirjam en Aaron Mozes verdriet! Daarmee zondigen ze ook tegen God. Als straf wordt Mirjam melaats. Als Aaron dat ziet, schrikt hij vreselijk. Nu zien hij en Mirjam wat ze eigenlijk hebben gedaan. Ze zijn tegen God in opstand gekomen. Daarom zendt Hij die vreselijke straf. Aaron vraagt Mozes of hij de Heere vergeving wil vragen voor Mirjam en voor hem. En wat doet Mozes? Hij luistert naar die vraag van zijn broer. Hij bidt de Heere Mirjam toch te genezen en haar de zonde te vergeven. De Heere hoort uit genade en Hij verhoort het gebed van Mozes. Wel zal Mirjam zeven dagen onrein zijn. Zeven dagen zal ze niet bij de Israëlieten mogen wonen. Zeven dagen zal ze buiten het leger van de Israëlieten moeten blijven. Zeven dagen zal ze ook niet in het huis van de Heere mogen komen. Daarna zal ze weer rein zijn. Dan zal ze het offer der reiniging moeten brengen. Als het volk dat hoort, blijven ze nog zeven dagen op de plaats waar ze nu zijn. Pas als Mirjam ook weer bij het volk mag komen, zullen ze verder reizen. Dan zal Mirjam ook weer meegaan.

Veertig jaar heeft het volk van Israël in de woestijn rondgezworven. De meeste Israëlieten die aan de Schelfzee hebben meegezongen, leven niet meer. Zij zijn in de woestijn gestorven. Ze zijn gestraft, omdat ze de Heere niet geloofden.

Eén van degenen die daar zong, is Mirjam. Ze is al heel oud, ongeveer 130 jaar. Nu is het volk voor de tweede keer bij het land Kanaän gekomen. En dan sterft ook Mirjam. Ook zij mag het land Kanaän niet binnengaan. Zij sterft in de woestijn, in Kades. Daar wordt ze ook begraven.

Mirjam mocht de vrouwen leiding geven. Ze mocht hen voorgaan in het loven van de Heere. Nu is haar reis door de woestijn ten einde. Al blijft het land Kanaän voor haar gesloten, ze mag het hemelse Kanaän binnen gaan. Daar is geen ontevredenheid meer en geen straf. Daar zingt ze opnieuw haar lied, het lied van Mozes en van het Lam. Wat een wonder! De Heere heeft haar verlost. Hij heeft haar zonden vergeven door het bloed van de Heere Jezus Christus.

Ken jij de God van Mirjam al?

Wat doe jij met de gaven die je van Hem gekregen hebt? Ben je daar trots op? Of heb je geleerd de Heere daarvoor te danken? Is het ook jouw gebed: "Leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden?"

Vraag de Heere of je Hem mag leren kennen. Maar vraag ook of Hij je wil leren te leven naar Zijn wil en tot Zijn eer.

Ter inleiding

"Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!" Het is het lied van Mozes en Mirjam. Samen mochten ze de Heere groot maken, om Zijn daden. Beiden mochten het aardse Kanaiin niet in; wel het Hemelse. Daar klinkt een eeuwig lofgezang. Hoe noodzakelijk is het ook voor ons en onze kinderen te weten waar de reis heen is. Te zorgen voor het toekomende. Dat leert de Heere Jezus ons ook in de gelijkenis die Hij vertelt aan Zijn discipelen.

U vindt beide vertel schetsen opgenomen in deze Mivo. We hopen dat ze u van dienst zijn bij de vertelling op de klub. Namens de kommissie Mivo-12 wens ik u goede bijeenkomsten toe.

M. Sollie

Deze jaargang zullen de volgende schetsen nog verschijnen:

nr. 4 Aktieschets

nr. 5 Bevrijding

Naaman de Syriër.

Dit artikel werd u aangeboden door: Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 november 1994

Mivo -12 | 28 Pagina's

Mirjam

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 november 1994

Mivo -12 | 28 Pagina's

PDF Bekijken