Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

1. Obadja op vijandelijk grondgebied

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

1. Obadja op vijandelijk grondgebied

29 minuten leestijd

In 1 Kon. 18: 1-16 wordt de geschiedenis verteld van Obadja. In deze geschiedenis komt de innerlijke gezindheid van deze man naar voren. Obadja's innerlijk komt tot uiting in zijn daden. Uit de vrucht wordt de boom gekend (Matth. 12 : 33).

Obadja, wie was hij?

In de Bijbel worden tien personen genoemd die de naam Obadja dragen. Meest bekend zijn de profeet Obadja en de persoon die aan het hof van koning Achab werkzaam was.

Over deze laatste gaat het in deze bijbelstudie. Van beroep is hij "hofmeester". Een hofmeester heeft in het Oude Israël een hoogstaande positie.

Hij is aangesteld over het huis van de koning. Dat degene die over het huis was aangesteld een belangrijk funktie bekleedde, blijkt uit het feit dat Farao tegen Jozef zegt: "Gij zult over mijn huis zijn en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan gij" (Gen.

41 : 40). Met het "huis" wordt de totale huishouding, de hofhouding van de koning bedoeld. Een hofmeester had in Israël grote bevoegdheden.

Hij was de eerste minister van de koning. Dat blijkt uit het feit dat Obadja opdracht van Achab krijgt om in het ene deel van het land water te gaan zoeken (vers 5). Achab neemt zelf het andere deel voor zijn rekening.

Omstandigheden

Obadja bekleedt deze hoge post aan het hof van koning Achab. Achab is getrouwd met Izebel. Haar vader was de koning van de Sidoniërs, Ethbaal.

Omri, de vader van Achab sloot een verbond met Ethbaal en dit verbond werd bezegeld door het huwelijk van Achab en Izebel. Beide vaders hebben het koningschap veroverd door hun voorgangers om het leven te bréngen.

Achab en Izebel volgden het spoor van hun vack j rb De baaldienst werd ingevoerd en de God die in het verleden zo menigmaal had geholpen, werd verlaten. In Samaria bouwde Achab een tempel voor de god Meikart. Izebel onderhield uit de kas van de koning 450 Baaisprofeten en 400 profeten van Astarte. Zowel Achab als Izebel zorgden ervoor dat het volk de dienst van God vaarwel zei.

Deze goddeloze koning was de werkgever van Obadja.

De situatie in het land ziet er in Obadja's tijd niet goed uit. Het land werd geteisterd door een geweldige droogte. De profeet Elia was met de boodschap gekomen: "Zo waarachtig als de HEERE, de God van Israël leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!" (1 Kon. 17 : 1). Volgens Jak 5 : 17 heeft

Elia tot de Heere gebeden om deze droogte, opdat in de goddeloze maatschappij aangetoond kan worden dat de Heere God is.

De droogte is begonnen en duurt al enkele jaren. "En de honger was sterk in Samaria" (vers 2) en in gans Israël.

Economisch had dit gevolgen voor het land en de inwoners. Het vee stierf wegens watergebrek, de gewassen op het land groeiden niet en het gevolg was dat brood en vlees schaarse artikelen waren in de tijd van Obadjd, En dit alles was het gevolg van de zonden van Obadja's werkgever, koning Achab.

Obadja vreesde de HEERE

De naam Obadja betekent "Knecht van de HEERE". Deze naam kan Obadja met recht dragen. Hij is niet alleen een knecht van de goddeloze koning Achab, maar hij is boven alles een knecht van God. Ook al verkeert Obadja aan het goddeloze hof, ook al bekleedt hij daar een belangrijke funktie, toch heeft de Heere laten neerschrijven: "En Obadja was den HEERE zeer vrezende" (vers 3).

Het is goed mogelijk dat hij een goede opvoeding van huis uit mee heeft gekregen. Zelf zegt Obadja dat hij de Heere vreesde van "mijn jonkheid af' (vers 12).

Obadja, een knecht van de Heere op het grondgebied van een vijand van God. Hoe kunnen deze twee samen gaan? Hoe is het mogelijk om een dergelijk beroep uit te oefenen, eerste minister van de goddeloze Achab?

Hoe kun je een dergelijke post bekleden in een goddeloze omgeving?

a. Obadja en de profeten

De Heilige Geest heeft laten opschrijven dat Obadja de Heere vreesde, want... Vers 4 begint met het woordje "want", een woord dat een verklaring geeft van het gegeven dat Obadja de Heere diende. En wat was de verklaring?

Obadja verborg honderd profeten in een spelonk. Izebel was namelijk bezig om de profeten van God te doden, uit haat tegenover de dienst des Heeren. Obadja die daarvan wist, heeft toen honderd profeten ondergebracht en verzorgd.

Dat was een waagstuk. Hij had immers zijn baan kunnen verliezen als Izebel het zou ontdekken. Iedere dag liep hij dit risico. Niet alleen omdat hij iedere dag deze profeten moest verzorgen, maar ook omdat hij een hooggeplaatst man was en het gevaar liep dat één van zijn onderdanen hem zou verraden.

Wat in dit verband van belang is, is dat uit Obadja's daden bleek dat hij de Heere vreesde. De boom wordt aan de vruchten gekend.

b. Obadja en zijn werkgever

Obadja's godsdienst, Obadja's dienst aan de Heere, bleek uit zijn daden.

Niet alleen uit het feit dat hij 100 profeten verborg, maar ook uit het feit dat hij gehoorzaam was ten aanzien van zijn werkgever, koning Achab.

Na 3 1 /2 jaar droogte keert Achab nog niet terug van zijn verkeerde weg. Hij wist waarom het land werd geteisterd door droogte. Hij wist heel goed dat Gods profeet dit had aangekondigd en dat het een straf op de zonde was.

Toch komt Achab niet tot belijdenis van schuld. Achab besluit om het land door te trekken om te zoeken naar water. Obadja moet de ene helft doorzoeken en zelf zal hij de andere helft doorgaan.

Dit bevel is niet een bevel tegen Gods geboden in en Obadja gehoorzaamt zijn aardse koning. Hij gaat er niet tegenin, maar doet wat hem opgedragen wordt. De boom wordt aan de vruchten gekend. Vruchten van gehoorzaamheid!

c. Obadja en Elia

Nog een gebeuren waaruit blijkt dat Obadja de Heere vreest, is te vinden in de ontmoeting met Elia. In vers 7 staat: "Als nu Obadja op de weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht en zei: Zijt gij mijn heer Elia?"

Obadja en Elia. Aan de ene kant staat iemand die een zeer hoge post bekleedt in maatschappelijk opzicht en aan de andere kant staat een eenvoudige profeet van God. Aan de ene kant hebben we te maken met iemand die beschermd wordt door koning Achab en aan de andere kant een profeet die door Achab gezocht wordt. Iemand wiens toekomst er goed uit ziet, ontmoet de profeet die in gevaarlijke omstandigheden verkeert.

Toch buigt de voorname Obadja voor de eenvoudige Elia. Niet omdat Elia in maatschappelijk opzicht een hogere plaats bekleedt dan Obadja. Maar omdat Obadja beseft dat hij voor een dienstknecht van de Allerhoogste staat. Weer eens blijkt dat Obadi.i de Heere vreest. De vruchten van ootmoed worden aan zijn boom '«•vonden.

Obadja's vrees

Obadja krijgt de opdracht van Elia om tegen Achab te gaan zeggen dat Elia er is. Uit zijn reaktie blijkt duidelijk dat Obadja bang is.

Waar is nu zijn vertrouwen? Waar is nu zijn moed die hij destijds aan de dag legde toen hij 100 profeten verborgen hield?

Obadja begint te redeneren en te argumenteren. "Wat heb ik gezon digd dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab dat hij mij doodde?"

Elia, weet u niet dat Achab u zoekt?

Overal heeft Achab al knechten heengestuurd om u te vinden en telkens kwamen zij terug met de boodschap dat ze u niet hadden kunnen vinden. Achab heeft zelfs andere volken gevraagd om te helpen, maar ook zonder succes.

Obadja wist dat Elia ineens vertrokken kon zijn, bijvoorbeeld doordat hij een boodschap van zijn

Zender zou krijgen om ergens anders heen te gaan. Stel je voor dat Obadja naar Achab zou gaan om te zeggen dat Elia er is en dat ondertussen Elia zo'n boodschap zou ontvangen en dat hij dan weg zou zijn. Wat dan?

Eén ding staat vast voor Obadja: dan zou Achab hem doden!

En Elia kan van Obadja toch niet vragen om zijn leven in de waagschaal te leggen? Dat had Obadja, die de Heere van zijn jonk heid af diende, niet verdiend.

Hoe moeten we Obadja's reaktie bezien? Duidelijk is dat Obadja stond te redeneren. Hij wist beter dan wie ook wat voor persoon Achab was.

Hij wist heel goed dat Achab geen genade zou kennen, ook niet ten aanzien van zijn eerste minister.

Hij wil maar liever verborgen blijven. Maar de Heere wil anders. Daarom zegt Elia: "Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor wiens aangezicht ik sta, ik zal voor zeker mij heden aan hem vertonen". En Obadja gaat. Het koste wat het kost, zelfs zijn leven. Wat heeft hij over? Nu heeft hij niets meer over dan alleen zijn God. En dat is genoeg, ja, dat is alles. Daar heb je de vol- dragen vrucht van de vreze des Heeren. Dat is loutere genade. Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.

Anders jong zijn....

Wat kunnen we uit deze geschiedenis leren?

a. De vreze des Heeren. Obadja was anders jong, anders dan de meesten van zijn leeftijdsgenoten.

Immers, hij diende de Heere van zijn jonkheid af.

Dit anders-zijn was een zaak van het hart en was te zien aan de daden van zijn geloof. In hartelijke verbondenheid aan zijn Heere en Zaligmaker kon hij staande jffijven in een goddeloze omgeving. De vreze des Heeren doet wijken van het kwade. De innerlijke ver-ander-ing, waarbij hij leefde uit de genade van de komende Messias, stelde hem in staat om zijn dagelijks werk te doen in een omgeving waarin geen enkele rekening werd gehouden met God en Zijn dienst.

b. Vervolgens blijkt uit deze geschiedenis dat Obadja zich onderwierp aan de overheid/zijn werkgever (Achab).

c. Hij droeg zorg voor de kerk (de onderhouding van de profeten), en

d. hij betoonde eer aan de ambten (Elia).

En al deze zaken werden gevoed vanuit een innerlijke vreze des Heeren. Obadja stond in de wereld, maar was niet van deze wereld.


EN het gebeurde het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, 2 in het derde jaar, zeggende: Ga heen, 3 vertoon u aan Achab ; want Ik zal regen geven op den aardbodem.

2 En EliagingheenomzichaanAchabtevertoonen. En de honger was sterk 4 in Sainaria.

3 En Achab had 5 Obadja 6 den hofmeester geroepen ; en Obadja was den HEERE zeer vreezende.

4 Want het geschiedde als Izebel de profeten des HEEREN uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verbergde hen 7 bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen 8 met brood en water.

1 Te weten, drie jaren en zes maanden; Luk. 4 : 25, en Jak. 5 : 17.

2 Te weten, nadat hij bij de weduwe in Sarepta was geherbergd geweest.

Zie vs. 7 van het voorgaande hfdst.

3 Orn hem van mijnentwege den regen te beloven en te gebieden, dat hij de priesters van Baal op den berg Karmel doe vergaderen. Zie onder, vs. 19 en de volgende.

4 Versta dit, niet alleen van de stad Samaria, maar van het gansche koninkrijk Israels.

5 Hebr. übadjahu ; die te onderscheiden is van anderen, die dezen naam gehad hebben, 1 Kron. 27 : 19, en 2 Kron. 34 : 12, en van den profeet Obadja, Obadja : 1, tenware hij dezelfde geweest ware, gelijk eenigen gemeend hebben.

6 Hebr. die over zijn huis was. datis, zijn hofmeester. Zie boven, 4 : 6, en 16 : 9.

7 Hebr. vijftig man in een spelonk; te weten, en vijftig in een andere, dat 16, bij, met, of elke vijftig samen.

8 Dat is, met spijs en drank. Zie boven, 13 : 8.


5 En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij 9 gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezels in het leven behouden, en 10 niets uitroeien van de beesten.

6 En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen ; Achab ging bijzonder op een weg, en Obadja ging ook bijzonder op een weg.

9 Het Hebreeuwsche woord beteekent allerlei kruid, hetwelk den beesten tot voeder dient, groeiende in onbebouwde plaatsen, en dat met de zeissen afgemaaid en onder het hooi gerekend wordt. Verg. Job 8 : 12, en 40 : 10; Ps 104 . 14, en 129 : tj, en 147 : 8.

10 Te weten, mits die door onachtzaamheid van voeder onverzorgd te laten.

7 Als nu Obadja op den weg was, zie, zoo was 11 hem Elia tegemoet; en hem kennende, zoo 12 viel hij op zijn aangezicht, en zeide:

Zijt gij mijn heer Elia ?

11. Hebr. in zijn ontmoeting.

12. Te weten, om hem burgerlijke eer te bewijzen, naar de manier des lands. Zie Gen. 18:2.


8 Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uwen heer: Zie, Elia is \hier] 9 Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd,

9 Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht 1 3 geeft in de hand van Achab, dat hij mij doode ?

10 [Zoo waarachtig als ] de HEERE uw God leeft, zoo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft om u te 14zoeken ; en als zij zeiden : Hij is hier niet, zoo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af, 15dat zij u niet hadden gevonden.

11 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uwen heer: Zie, Elia is [hier],

12 En het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des HEEREN 17u wegnam, ik weet niet waarheen, en ik kwam om 18[dat] Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zoo zou hij 19mij dooden ; ik uw 20knecht nu vrees den HEERE van mijne jonkheid af.

13 Is mijnen heer niet aangezegd wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten des HEEREN doodde? dat ik van de profeten des HEEREN honderd man heb verborgen,21 elke vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb?

14 En nu zegt gij : Ga heen, zeg uwen heer: Zie, Elia is I[hier]; eu hij zou mij doodslaan.

13 Hij wil zeggen dat Elia, hem bevelende hetgeen in het voorgaande vs. venncld is, hem niets goeds scheen te gunnen, alsof hij zich ergens in misdaan had ; want hij kon dat bevel niet wel volbrengen zonder zijn leven in groot gevaar bij Achab te stellen. De reden hiervan verhaalt hij onder, vs. 12. 14 Voeg hierbij de straf, die in het eedzweren van de Hebreen verzwegen wordt, als: God doe m i j dit o j dat, e n z . Zie Oen. 14 : 23.

15 Achab had niet alleen in zijn land mannen uitgezonden, oin Elia te zoeken, maar ook verzocht aan eenïge naburige koninkrijken en volken, die met hem in vriendschap stonden, hetzelfde onder hun gebied te willen doen j welke toen zij daarna zeiden, dat zij hem niet hadden kunnen vinden, begeerde hij dat zij de waarheid van hun zeggen met een eed bevestigen zouden.

16 Versta dit van den Heiligen Geest, die dit doen kon door zijn goddelijke kracht, of door middelen, naar zijn welgevallen.

17 Dat dit geschieden kon en somtijds geschied is, kan men afnemen uit 2 Kon. 2 : 16; Hand. 8 : 39.

18 Te weten, dat gij hier tegenwoordig zijt, en bereid om met hem te spreken. 19 Te weten, als een die hem door leugentaal zou bedrogen en bespot hebben.

20 Dat is, ik die tot uw dienst genegen en bereid ben; alzoo in he! volgende vs. vs. 51. Verg. boven, 1, de aanteek.

21 Hebr. een vijftig een vijftig man ; dat is, in een spelonk vijftig, en in een andere vijftig; of elke vijftig in een spelonk. Zie Gen. 7 : 2.


15 En Elia zeide :[Zoo waarachtig als]22 de HEERE der heirscharen leeft, 23 VOor wiens aangezicht ik Sta, 24 ik zal voorzeker mij heden aan hem verfoonen.

16 Toen ging Obadja Achab tegemoet, en 25 zeide het hem aan; en Achab » ging Elia tegemoet.

22 Versta door de heirscharen, alle schepselen, hemelsche en aardsche, zienlijke en onzienlijke, redelijke en redelooze, levende en levenlooze. De redenen om welke zij heiren genoemd worden, zie Gen. 2 : 1. Dezer aller opperste Heere is God; niet alleen, omdat Hij hen allen geschapen heeft en nog onderhoudt, zoodat zij eigenlijk hem alleen toebehooren, maar ook omdat Hij hen zoo regeert, dat zij hem steeds in het uitvoeren van zijn heiligen wil in groote menigte ten dienste staan; en werd deze naam Gode dikwijls toegeschreven gelijk I Sam. 1 : 3, en 4 : 4; 2 Sam. 5 : 10; Ps. 24 : 10; Jes. 1 : 9, enz.

23 Alzoo boven, 17 : 1. Zie Deut. 10:8.

24 Dat is, zoo waar is het dat ik heden voor Achab zal verschijnen, als het waarachtig is dat de Heere leeft.

25 Te weten, dat Elia kwam en begeerde voor hem te verschijnen.

26 Niet om hem met vriendelijke eerbieding, maar met smadige scheldwoorden te onthalen, en te beschuldigen over de langdurige droogte. — a Amos 7 : 10.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1989

Mivo +16 | 36 Pagina's

1. Obadja op vijandelijk grondgebied

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1989

Mivo +16 | 36 Pagina's

PDF Bekijken