Uit het leven van ds. Cornelis van den Oever
Daar moet veel strijds gestreden zijn, Veel kruis en leeds geleden zijn, Daar moeten heil’ge zeden zijn, Een nauwe weg betreden zijn, En veel gebeds gebeden zijn Zolang wij hier beneden zijn. Zo zal ’t hierna in vrede zijn.
(Lezing symposium Oude Paden, 20 september 2014 in de Hervormde kerk te Rijnsaterwoude)
Vergissen we ons nu niet, geachte luisteraars? We zouden het hebben over De paus der kruisgezinden, dominee Cornelis van den Oever! En dan beginnen we met een (overigens bekend) gedicht van de remonstrantse dominee Dirk Raphaëlszoon Camphuysen! Een remonstrant! Als er één kerkelijke groepering ver bij dominee Van den Oever af stond, waren het wel de Remonstranten. Wat hééft hij ze in woord en geschrift op de korrel genomen. En terecht. Maar… even een vraag tussendoor: bent ú al aan de weet gekomen dat u van nature een remonstrants hart hebt? Dat u en ik zo dikwijls remonstrantse gevoelens koesteren? Van den Oever verweet zelfs predikanten die een aanbod van genade aan alle mensen preekten, van remonstrantisme. Zullen we de remonstrant niet alleen in de remonstrantse kerk zoeken? Dan zijn we écht een deur te ver!
Driemaal geroepen
Cornelis van den Oever. Als hij in zijn oude beroep zou zijn gebleven, zou zijn naam vanmiddag hier op deze historische plek niet eens genoemd zijn geworden. Want als eenvoudige beurtschipper op een pakschuit, die dagelijks meermalen op en neer voer over de Schie van Schiedam naar Rotterdam, zou hij nooit van zo’n grote betekenis zijn geweest voor Gods kerk. Het was een wonder van Goddelijke genade dat hij geroepen werd. Tot driemaal toe: eerst uit de duisternis van zijn bestaan tot Gods wonderbaar licht. Voor de tweede maal tot het ambt van Dienaar des Woords. En voor de derde maal tot de bruiloft des Lams.
Dicht bij de dood
Wie hij was? Op 14 februari 1802 wordt hij in Rijnsburg geboren (dus niet in Valkenburg, zoals ons recent onderzoek heeft aangetoond), als ‘zoon des timmermans.’ Vader Cornelis is timmermansknecht, moeder Anna de Wit doet naast haar gezin wat naaiwerk bij gegoede lui. Alleen op die manier kunnen zij de monden van hun kroost vullen.
De jonge Cornelis is een ondernemend joch. Meermalen is hij dicht bij de dood. Als tweejarige kleuter trekt zijn hoogzwangere moeder hem meer dood dan levend uit het water van de Rijn. Hij leert er niets mee. Twee jaar later hetzelfde liedje. Moeder in het kraambed, Cornelis in geen velden of wegen te bekennen. De baker, kraamverzorgster zeggen we nu, gaat hem zoeken. Ze vindt hem, nota bene wéér in het water. Dat had niet veel langer moeten duren: hij houdt krampachtig een stoep vast. Het vel is van zijn knieën geschuurd in de worsteling om z’n hoofdje boven water te houden. Hij ziet geen gevaar, hij zoekt het zelfs op. Tot grote zorg van zijn ouders, die zijn streken méér dan zat worden. Eén dag voor zijn vierde verjaardag brengt zijn vader hem naar school. De leerplicht was toen vanaf zes jaar. Maar Cornelis had een flink postuur en als de meester naar zijn leeftijd vraagt, liegt vader Van den Oever er twee jaartjes bij en zegt met een stalen gezicht dat z’n zoon al zes is. Het wordt grif geloofd. Cornelis is intelligent genoeg: de eerste schooldag leert hij al het abc opzeggen, de dag daarna leert hij woordjes spellen en nog voor zijn vijfde jaar kon hij vlot lezen en was hij al een eind gevorderd in het schrijven.
Nog een paar staaltjes van zijn ondernemende ondeugd: hij is vijf jaar als hij na schooltijd achter een koets aanholt. Op de een of andere manier blijft hij aan de koets haken, wellicht met zijn jas. Hij valt op z’n gezicht en borst. Wordt over de ruwe, hobbelige keien meegesleurd. De koetsier merkt niets. Wel de dorpsmolenaar, die de koets stilhoudt. Later zou Van den Oever hiervan zeggen dat hij daardoor ‘bijna zijn hele gezicht en voorlijf kwijt was’. Men brengt hem als bijna dood thuis. Het jaar daarna opnieuw een aanslag op zijn leven: er is volop water rond het ouderlijk huis en dat blijft hem trekken, ondanks zijn eerdere kennismakingen met het water. Er staat een oude, hoge boom naast een sloot. Cornelis klautert erin. Hoger, steeds hoger. Ineens, bijna in het topje, een onheilspellend gekraak: hij tuimelt naar beneden als de tak afbreekt. Hij valt niet op de grond -dat zou zijn dood geweest kunnen zijnmaar komt in de moddersloot terecht. Niemand die het merkt? Ja toch, het is opnieuw de dorpsmolenaar die het ziet gebeuren. Dank zij het snelle optreden wordt Cornelis uit de modder getrokken, waarin hij bijna gestikt was. Hij is ver heen, bewusteloos wordt hij naar zijn ouderlijk huis gebracht. En niet veel later ontdekt hij een bijennest. Port hij er met een stok in? Wat hij ook deed, hij irriteert het bijenvolk dat massaal uitvliegt en hem steekt waar ze hem raken kunnen. Met als gevolg dat naar eigen zeggen zijn gezicht ‘tweemaal zo dik wordt’ en hij meer dan twee maanden op herstel moet wachten.
Schippersknecht
Cornelis is acht jaar als zijn moeder sterft. Een groot verdriet en een grote zorg. Vader Van den Oever weet niet wat hij met Cornelis moet beginnen. De meester op school ook al niet. Als hij negen jaar is, is hij compleet uitgeleerd. Ten einde raad krijgt hij Franse les en nog voor zijn tiende spreekt hij goed Frans.
Aanvankelijk wil hij onderwijzer worden. Een rijke dorpsgenoot stelt hem financieel in staat daarvoor te leren. Bij nader inzien wil Cornelis dat toch niet. Dat heeft te maken met zijn eigen onderwijzer, die net als diens broer die ook voor de klas staat, een grote spotter is. Daar moet Cornelis niets van hebben. Hij gaat zondags trouw naar de kerk. Spotten met God en Zijn dienst, nee. Hij denkt dat álle leerkrachten zulke spotboeven zijn en wil een baantje zien te krijgen. Géén schoolmeester dus. Maar wat dan?
Cornelis verhuurt zich bij een schipper. Opnieuw het water dat hem trekt. En ook nu gaat het mis, de eerste de beste nacht al slaat hij overboord tijdens het wachtlopen. Hij komt in het ijskoude water terecht, het is de nacht van 13 op 14 december 1812. Als hij later die nacht vermist wordt, gaat de schipper dreggen. En jawel, het lichaam wordt boven water gehaald. “Dood”, constateert de schipper. Toch twijfelt hij bij nader inzien. Cornelis is niet dood, kón niet dood… de Heere had werk voor hem. Zo rond de klok van acht uur slaat Cornelis zijn ogen op. Later zou hij erover schrijven dat hij drie kwartier onder water was geweest. “Ongelogen”, schrijft hij bij de tijdsduur. We hebben onderzoek gedaan naar soortgelijke situaties en inderdaad, volgens diverse bronnen is het mogelijk om zolang levend onder water te blijven. In een luchtzak, of vanwege de extreme koude, is er kans om te overleven. Wordt men nog bijtijds uit het water gehaald, dan kan men in leven blijven. Alles onder de voorzienigheid Gods.
De schipper is in z’n nopjes met zo’n potige knul aan boord. Met zijn bijna elf jaar weet hij van aanpakken en hij beschikt over een grote lichaamskracht. Hij zou z’n schipper trouw blijven totdat hij de militaire dienst in moet.
Geen rozengeur en maneschijn
Na zijn diensttijd zoekt hij opnieuw een baan op het water. Hij wordt, zoals gezegd, beurtschipper te Schiedam. Daar leert hij zijn vrouw kennen. Kaatje van der Bil, nog net geen negentien jaar als ze van de pakschuit in de huwelijksboot stapt. Uit een even eenvoudig milieu als haar man afkomstig. Vader Van der Bil is zakkendrager, pakhuisknecht en zij zelf verdient een karig loon als dienstmeisje. Het huwelijk zou gezegend worden met zeven jongens en zes meisjes. Daarmee is niet gezegd dat het huwelijksleven rozengeur en maneschijn is. Er is veel meer reden om aan te nemen dat het tegendeel waar is. Bijna 54 jaar houdt hun huwelijk stand, tot Cornelis overlijdt. Als hij een Jubel-predicatie houdt bij gelegenheid van zijn 25-jarig predikantschap in 1869, wijdt hij een enkel woord aan zijn gezinsomstandigheden: ‘Van mijn huiselijk geluk zal ik maar zwijgen. Niemand duide mij ten kwade, dat ik dit alles maar met een sluier bedek en voorbij ga; dewijl de meesten uwer weten, dat mijn weg in deze meest met tranen der bedruktheid bezaaid is.’ Dat slaat overigens niet alleen op de verhouding tussen hem en zijn vrouw. Ook de rol van enkele van zijn kinderen droeg aan die tranen bij. En toch, en toch… later schijnt het huwelijk in rustiger vaarwater gekomen te zin. Als Cornelis en Kaatje vijftig jaar getrouwd zijn, wordt er een jubileumcommissie gevormd, verschijnt er een advertentie in een dagblad en wordt er een drukbezochte receptie gegeven.
Welaan, zoiets doet men niet als het hele huwelijk sprake van een kat-en-muis-verhouding is geweest. Over zijn niet al te florissante huwelijksleven gaan allerlei verhalen in omloop, waarvan het waarheidsgehalte op z’n minst onbetrouwbaar genoemd moet worden en die we daarom ook niet willen noemen. Zelfs een puur seculiere, antikerkelijke spotschrijver als Maarten ’t Hart heeft een van die verhalen in een roman verteld. Van den Oever en Maarten ’t Hart – is er groter tegenstelling denkbaar? We moeten bij die tranen van be
We moeten bij die tranen van bedruktheid ook zwaar laten meewegen dat het echtpaar Van den Oever van de dertien kinderen er negen(!) naar het graf heeft moeten brengen, zowel in het prilst van het leven als in de volwassenheid. Van vijf van hen ging echter een getuigenis uit dat hun uit vrije en soevereine genade en vanuit het eeuwig Goddelijk welbehagen een beter lot was bereid en er honing aan de roede voor het ouderhart was.
En de dode zat overeind
We willen nog iets zeggen over zijn bekeringsweg. Als kind heeft Cornelis diepe indrukken van dood en eeuwigheid. Hij is, zoals gezegd, zelf meermalen heel dicht bij de dood geweest. In de tuin achter zijn ouderlijke woning zijn twee kuiltjes in het zand. Daar ligt hij, op een vast plekje, op zijn knietjes om de Heere een nieuw hart af te smeken. Bijna dagelijks. Het sterven van zijn lieve moeder maakt een onuitwisbare indruk op zijn jonge ziel. Sterven! God ontmoeten! Tien jaar is hij als hij in het middernachtelijk uur veel ontroering in zijn hart ervaart. Op catechisatie is hij een van de beste leerlingen. Toch verflauwen de indrukken. Wereldse vrienden. Zondenlust. Tot het de Heere behaagt hem van dood levend te maken. Eerst in een weg van zelfverbetering. Als een Farizeeër. In die weg houdt hij het niet lang uit. Zijn godsdienstig leven ruilt hij weer in voor de wereld. Drie maanden lang leeft hij als een beest over alle vroegere indrukken heen. Het lijkt erop dat hij radicaal met God en Zijn dienst heeft afgerekend. Maar dan grijpt God in. Een preek over de tekstwoorden: ‘Jongeling, Ik zeg u, sta op! En de dode zat overeind’ wordt zaligmakend gebruikt. Hij gaat een oppassend leven lei
Hij gaat een oppassend leven leiden. Volop kerks ook. Een ernstige ziekte overvalt hem als hij 31 jaar is. Tering! De ene bloedspuwing volgt de andere op. In die tijd dodelijk. Hij krijgt Goddelijk onderwijs. Dan houdt hij het bij de deugdenpreken in de Grote Kerk niet meer uit. Na verloop van enige tijd kun je hem zien in de Christelijke Afgescheiden gemeente. Zijn meeste vrienden veranderen in de bitterste vijanden. Ik citeer: ‘Die ontzagen zich niet om de ontdekking Gods aan mijne ziel, duivelswerk te noemen.’ Een handjevol houdt hij er over. Échte vrienden, met wie hij eensgeestes is. Ze zijn hem tot steun. Bovenal ervaart hij dat de Heere met hem is. Na zijn afscheid van de Hervormde Kerk en zijn aansluiting bij de Christelijke Afgescheiden gemeente, kun je hem aantreffen in de huiskamer, achter een oudvader die hij hardop voorleest, terwijl de kerkklokken beieren. Ze bewegen hem niet meer tot het: ‘Kom, ga met ons, en doe als wij.’ Dan komt de vraag van enkele vrienden, die van zijn belezenheid afweten, of hij hen catechisatie wil geven. Hij overweegt zijn onbekwaamheid en ongeschiktheid. Maar daar is wat aan te doen, menselijkerwijs gesproken. Dominee Cors Noorduin uit Noordwijk is bereid hem wat onderwijs te geven. Er ontstaat een band tussen hen die de eeuwigheid verduurt.
Oefenaar en predikant
De prediking in Christelijke Afgescheiden Gemeente is bij nader inzien toch niet naar het hart van Van den Oever. Dat merken zijn vrienden, die er bij hem op aandringen om Gods Woord te gaan verklaren op Gods dag. Eerst weigert hij; later komt hij aan die vraag tegemoet. Op zondag staat de deur van zijn huis aan de Rotte in de Maasstad open voor zijn vrienden. Ze horen een stichtelijke godsdienstoefening. Hier ligt de basis voor de Gereformeerde Gemeenten onder ’t Kruis, die in 1907 met de Ledeboerianen zouden samengroeien tot het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten.
Er komt een vaste groep van 31 personen samen in het huis van oefenaar Van den Oever. Drie bijeenkomsten op zondag. Van 9 tot 12, van 2 tot 4 en ook nog van 6 tot 10 gaat hij voor. Het ontbreekt hem niet aan hemels licht. Op donderdagavond gaat hij eveneens voor, en wel van 8 tot 10 uur. In anderhalf jaar verdubbelt het aantal toehoorders dat inmiddels samenkomt in zijn nieuwe woning aan de Raampoortlaan 17. In 1844 wordt een groep van 64 volwassenen en een onbekend aantal kinderen als gemeente geïnstitueerd door ds. Wolter Wagter Smitt. En nog geen maand later kiest men oefenaar Van den Oever tot predikant, met algemene stemmen. Hij wordt in het stille dorpje Linschoten in het huis van klompenmaker Johannes Gerzie (getrouwd op 12 aug. 1810 met Catharina de With) geëxamineerd tijdens de Algemeene Kerkelijke Vergadering van 4 en 5 juni 1844. Zondag 9 juni wordt Van den Oever door ds. Smitt tot herder en leraar bevestigd. De tekst was: ‘Ontvangt hem dan in den Heere met alle blijdschap en houdt dezulken in waarde’ (Filipp. 2:29). Dat eerste gebeurde, maar wat het tweede deel van deze tekst betreft zou de tijd anders leren… er zouden nog vele stormen over gemeente en predikant heentrekken! Dinsdag 11 juni doet ds. Van den Oever intrede (2 Sam. 7:18b). Aanvankelijk gaat het goed in de gemeente met de predikant. Aanvánkelijk. Hij preekt op de bus en dat brengt aanzienlijk minder op dan het schippersvak. Zeven, soms acht gulden per week. Het gezin telt dan reeds acht kinderen, die soms zelfs zonder eten naar school gaan. Als er een beroep wordt ontvangen waaraan duizend gulden per jaar plus vrij wonen verbonden is, slaat hij aan het rekenen. Als hij toch bedankt, worden de collecten meteen hoger!
Veel geestelijke zegen De royale woning van de predi
De royale woning van de predikant dient als kerkgebouwtje. Als de toeloop aangroeit, wordt een gebouw gerealiseerd in de tuin achter het woonhuis. Moeizaam komt het geld er. Wonderlijk soms. Er zijn gemeenteleden die een flinke pot met geld hebben, maar die volgens de dominee ‘vaster gebonden zitten aan hun rijksdaalders dan aan de waarheid.’ Wat er aan geld ontbreekt, krijgt hij te leen van een roomse buurman. Van den Oever noemt hem ‘Een ram van Nebajoth.’ Op 16 september 1844 worden drie eerste stenen gelegd; op Eerste Kerstdag, drie maanden later dus, wordt de kerk in gebruik genomen.
Er is veel zegen op het werk van Van den Oever. Het gaat goed. Althans, de eerste jaren. Dan komen er problemen binnen kerkenraad en gemeente. Onenigheid onder de broeders kerkenraad, onderlinge ruzies, bedanken, schorsen, censureren… het komt allemaal voor. Nu heeft de predikant ook niet zo’n homogene kerkenraad en sommige broeders maken zich schuldig aan van alles en nog wat. Stelt u zich voor: een kerkmeester die zijn brood verdient door in cafés loten te verkopen, een ander die soms met een ‘tweewielswagentje’, een soort kruiwagen dus, door zijn vrouw over straat moet worden gereden omdat hij zo dronken is dat hij geen stap kan verzetten. Een diaken heeft zijn vader 200 gulden geleend, dacht dit uit zijn eigen zak te betalen maar vergiste zich helaas en haalde het uit de diaconiepot. Weer een andere diaken kreeg op huisbezoek een bankbiljet.
’t Ging in zijn vestjeszak maar hij vergat zogenaamd het er weer uit te halen en af te dragen. Een knap stelletje!
Valse getuigen
Dan gebeurt er iets heftigs. Van den Oever wordt beschuldigd van oplichterij. Lasterpraat alom! Nu kan hij wel tegen een stootje, maar dit is hem toch te gortig. Hij plaatst in februari 1864 zelfs een advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant waarin hij alle lasteraars binnen en buiten Rotterdam en zelfs ‘in den geheelen Wereld’, oproept om zich met naam en toenaam bekend te maken als ze ook maar iets van hem te vorderen zouden hebben. Maar het meest schrijnend is dat de predikant beschuldigd wordt van overspel. Als een huisarts zijn eigen nichtje onderzoekt omdat ze de laatste weken fors in gewicht is toegenomen, blijkt er een zwangerschap in het spel. Ze is niet getrouwd, heeft zelfs geen vriend. Wel geeft ze toe om namen te noemen van diverse gemeente- en zelfs kerkenraadsleden met wie ze té intieme omgang heeft gehad. Het verwachte kind kan van véél mannen zijn… en dan noemt ze ook nog de naam van ds. Van den Oever. Buiten medeweten van de predikant wordt een voor de gehele gemeente toegankelijke vergadering belegd. Dat wordt afgekondigd een avond tevoren, als in de gemeente een voorganger van elders preekt en Van den Oever nietsvermoedend onder diens gehoor zit. Als hij, nota bene als voorzitter van de kerkenraad, naar de achtergronden van die vergadering informeert, zegt men dat hij die in de vergadering wel te horen krijgt. Die vindt dus de volgende avond plaats. Een ouderling opent, haalt een Acte van Beschuldiging uit z’n zak en leest die voor. Ds. Van den Oever hoort dit met klimmende verontwaardiging aan. Hij staat op en wijst erop dat er waarheid en geen leugen moet worden gesproken. Andere mensen springen ook op, de een roept dit, de ander weer wat anders. Het wordt een goddeloos tumult, daar in het kerkgebouw aan de Raampoortlaan. Het betreffende meisje wordt aangesproken; de predikant zegt dat zij een ‘schandelijke leugenaarster’ is. Hij klimt op een bank en roept: “God de Heere heeft mij nu 63 jaren oud laten worden en veertig jaren daarvan heb ik Hem in genade gekend, en wéét dus dat er een God is Die belonen en straffen kan en zal. Indien deze (en dan wijst hij naar zijn beschuldigers) waarheid spreken en ik lieg, dan wensch ik dat Hij mij op het ogenblik in het midden van ulieden dode, en zo ik de waarheid spreek, dan doe God aan hen een teken!” Het tumult wordt na deze woorden nog erger. Allerlei onbetamelijke woorden slingert men naar het hoofd van de dominee. “Weg met hem, kruist hem!” roept er een. Dan draait kerkmeester Van Rhoon de gaskraan dicht zodat de gaslampen uitgaan. De vergadering zit meteen in het donker - dat záten ze trouwens al, in diepe geestelijke duisternis! Men zoekt snel de uitgang, struikelend over kerkstoelen en stoven. Van den Oever heeft duidelijk het oordeel Gods afgeroepen over zijn drie belangrijkste beschuldigers. We moeten eraan voorbijgaan, maar ze zijn op een spraakmakende wijze gruwelijk aan hun eind gekomen, heel kort na deze vergadering.
De beste tijden Zullen we van al die kerkelijke
Zullen we van al die kerkelijke verwikkelingen maar snel afstappen? Niet alle geschiedenissen stichten. Wel is het zeer opmerkelijk hoe de Heere het voor Zijn kind en knecht heeft opgenomen! Van den Oever beschikt over een enorme lichaamskracht. Op een avond lokt een van zijn zoons hem in het lege kerkgebouw in een hinderlaag. De bedoeling is om met twee vrienden zijn vader een aframmeling te geven. Maar Van den Oever grijpt die drie jonge kerels bij hun kladden en slingert ze over de kerkstoelen heen. Ook is hij beweldadigd met een heel sterke geest. Onvermoeibaar trekt hij het hele land door, institueert gemeenten, bevestigt kandidaten, neemt kerken in gebruik, tot in Duitsland toe: Duisburg en Emden zijn plaatsen waar hij Gods Woord verkondigt. Hij is soms vijftien dagen achtereen van huis en preekt avond aan avond, van Edam tot in het Groningse Uithuizermeeden. Daarnaast schrijft hij 118 preken, die tot op Sint Helena toe worden gelezen. Bijzonder gezegend werd zijn prekenserie over Ruth in de wintermaanden van 1850. Er werden elke week mensen door God tot God bekeerd. Velen vroegen of deze preken uitgegeven konden worden. Ds. Van den Oever maakte geen preekschetsen; hij verwachtte het van Gods Geest en had nooit ook maar één letter op papier. Onder deze preken kwam er een opwekking die iets weg had van de Nijkerkse beroerten. Hij schrijft daarover: ‘Somtijds ging het zoover, dat zij zich niet konden inhouden, en zoo vervuld werden met geestelijke werkzaamheden in hunne ziel, dat zij onder het prediken overluid moesten uitbarsten, hoewel zij daarover naderhand beschaamd waren.’
Dit waren de beste tijden in het leven van Van den Oever. Er volgden andere tijden. De predikant moet een weg gaan die met doornen betuind is. Toch zorgt de Heere voor Zijn kind en knecht, dwars door alle moeiten en zorgen en lasteringen heen. Wegen scheiden, gaan uiteen. Vroegere vrienden veranderen in vijanden. Aan de andere kant krijgt hij er vrienden bij. De rust keert terug. Als op 9 juni 1869 zijn 25-jarig ambtsjubileum in een kerkdienst wordt herdacht, is de gemeente verheugd. Veel felicitaties en veel cadeaus. Men heeft de preekstoel en het orgel versierd met zilverpapier en dennengroen. Dat laatste had voor hem niet gehoeven. Het klinkt wat oneerbiedig als we zeggen dat hij ‘recht voor z’n raap’ onomwonden in de preek zegt te hopen dat de Heere de zielen van zijn gemeenteleden ‘eens moge verzieren met dat Hemelsch groen en zilver’.
Remonstrantsch!
Van den Oever beschikt over een grote bibliotheek, waar hij veelvuldig gebruik van maakt. Veel werken van oudvaders staan op de planken. Zijn enorme belezenheid mag niet onvermeld blijven. In theologisch opzicht komt hij er openlijk voor uit dat hij van een welmenend aanbod aan alle mensen niets wil weten. Dat komt duidelijk naar voren als op 28 september 1851 drie gemeenteleden voor de kerkenraad verschijnen: Dirk van Renswoude, H. van der Heul en A. van der Hart. Zij beklagen zich (ik citeer de notulen) ‘dat zij met het voorstel van de Prediking zig niet konde vereenigen, omdat de Leeraar niet aan alle mensche Hoofd voor hoofd de Christus welmeenend aanbood. De Leeraar zeide hun, dat zij dan ophielde Gerefformeerd te zijn. En dus dat zij dan zig zelve bij de Remonstrantse factie moeste vervoegen. Maar dat hij nooit anders wenste te handelen en te preeken dan overeenkomstig Gods Woord, hetwelk hem gebood om het den Godloozen te zegge dat het hem kwalijk zoude gaan en de Regtvaardige dat het hem wel zal gaan. En dus geen parelen voor de zwijnen werpen en het Heilige de honde niet geeven, want een doode zondaar geen behoefte aan een leevendige Jezus heeft, waarom hij bij zijn schuld en daarop volgende straf naar het regt van Gods Wet moet bepaald worden en deze de Weg aan wijzen hoe en op welke hij daar van kan verlost worden. Maar niet aan alle menschen welmeenend aanbieden uit Gods naam. Dit is niet anders dan het bloed van Christus onrein agten. Want dan moest Hij ook in het Avondmaal aan alle menschen worden aangeboden.’ (einde citaat).
De Noorderkerk
Het is voor ds. Van den Oever reden tot grote dankbaarheid dat hij na zeven jaar worstelen en tobben een nieuwe kerk in gebruik kan nemen aan het Weenaplein. Noorderkerk, staat er met statige letters op de voorgevel. De vorige kerk is na de scheuring van deze Kruisgemeente in 1863 aan de groep van ds. Derk Klinkert toegekomen. ‘Beroofd’, noemt van den Oever dat. Bij de opening schijnt ook burge-meester Joost van Vollenhoven aanwezig te zijn geweest. Helemaal zeker is dat niet, aangezien ds. Van den Oever meldt dat het kerkgebouw de hoeveelheid mensen niet kon bevatten en dat zelfs de burgemeester geen plaats kon krijgen. Het is niet aannemelijk dat hij met een staanplaats genoegen heeft willen nemen… De collecte op die dag bedraagt zeventig gulden. ‘Die werden als eerstelingen Geheiligd voor de weduwen en weezen van de verdronken visschers van Katwijk en Noordwijk’, schrijft Van den Oever.
De reisstaf neergelegd
De laatste jaren van zijn leven verlopen zonder noemenswaardige zaken. Voelt hij zijn levenseinde naderen? Feit is dat hij op 8 november 1877, een paar weken voor zijn sterven, het kerkgebouw aan het Weenaplein aan zijn zoon ds. Adrianus van den Oever verkoopt. Voor rond geld: tienduizend gulden. Op 5 december 1877 legt deze
Op 5 december 1877 legt deze onvermoeide strijder zijn reisstaf neer en mag hij ingaan in de vreugde zijns Heeren. Daar is hij verlost van zijn vele lasteraars, van zijn benauwers, zijn beschuldigers, zijn vijanden en… van zichzelf. Hij krijgt een koninklijke begrafenis: als de rouwstoet van zeventig volgkoetsen de lijkbaar volgt, is Rotterdam er getuige van dat een grote in Israël gevallen is. Zijn stof wordt neergelaten in een eersteklas keldergraf op begraafplaats Crooswijk. Helaas is dit begin 1904 reeds geruimd, na amper 25 jaar. Stichting Machpela bestond toen nog niet…
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 2016
Oude Paden | 48 Pagina's