Rondom de kansel van Groot-Ammers
Deel 49 van een serie over kerkendienaars en hun spreekplaatsen
Van 1979 tot 1984 heb ik in Groot-Ammers gewoond. Onze vier oudste kinderen zijn in de Hervormde kerk aldaar gedoopt. De eerste twee door de pastor-loci destijds, ds. P. Molenaar; de derde vanwege de vacature ontstaan door het vertrek van deze predikant door ds. C.D. Zonnenberg die naast parttime predikant in Willige-Langerak ook hulppredikant was in Groot-Ammers en de vierde door consulent A.J. Schalkoort, destijds predikant in de buurgemeente Streefkerk. In deze gemeente ben ik ook onderwijzer geweest aan de zondagsschool ‘De Liefde’. Reden voor mij om ook bij de monumentale kerk en moderne kansel van deze gemeente stil te staan.
Groot-Ammers ligt in de Alblasserwaard en is gelegen aan de Lek, niet ver bij Schoonhoven vandaan. De plaats ontleende haar naam aan Ammer, het-welk een waterloop betekent. We komen de naam Ammer ook tegen bij de stad Amersfoort, fort aan de Ammer, alsmede Ammerzoden. Groot-Ammers heet de plaats om onderscheid te maken tussen het schuin tegenover Groot-Ammers gelegen Ammerstol dat vroeger ook wel ‘Klein-Ammers’ werd genoemd. Trouwens ook wel ‘rood-Ammers’ of ‘Moskou aan de Lek’, omdat daar zoveel communisten en socialisten woonden.
In de boeken wordt in 1042 voor het eerst melding gemaakt van Groot-Ammers. Toen werd het slot Liesveldt gebouwd, destijds een van de meest solide kastelen van ons land. De heren van dat slot hadden zeggenschap over de wijde landerijen in de omgeving. Daar behoorde ook het Achterland, Graafland en Groot-Ammers bij. In Groot-Ammers, waar een sluis werd gebouwd om het kasteel met de Lek te verbinden, verrees in ongeveer 1500 een kerk waarvan de toren een van de hoogste is in de Alblasserwaard. De huidige kerk, die tegen de forse rijkversierde Gotische toren aanschurkt, is in 1857 gebouwd ter vervanging van de vorige kerk, die tot een bouwval was geworden. Een gedeelte van het puin werd gebruikt om de Molenkade te beschermen tegen het altijd dreigende water. In het jaar 1892 werd er een galerij in de kerk gebouwd, terwijl zes jaar later de kerk werd uitgebreid met twee zijbeuken, zodat het een kruiskerk werd. Een eeuw later –we schrijven dan 1994-werd de kerk uitgebreid doordat de zijbeuken werden verbreed zodat er 170 extra zitplaatsen werden gerealiseerd.
Terwijl in de buurgemeenten Streefkerk in 1574 en Nieuwpoort in 1578 een predikant aan de gemeente werd verbonden, duurde dat in Groot-Ammers tot 1590. Het was Martinus Bachusius die toen de gereformeerde beginselen mocht verkondigen in het dorp aan de Lek. Bachusius werd geboren in de Paltz in de regio van Heidelberg, waar zijn vader predikant was. Toen Frederik de Vrome – die ooit aan Ursinus en Olevianus de opdracht gaf de Heidelberger Catechismus te schrijven – overleed, werd hij opgevolgd door zijn zoon Lodewijk. Deze wilde niet weten van de gereformeerde beginselen die zijn vader van harte was toegedaan en daarom werden alle gereformeerde predikanten uit Heidelberg en de wijde omgeving verdreven. Daar hoorde ook Johannes Bachusius bij, die vervolgens in Gouda en IJsselstein predikant werd. Van hem was dus de eerste Ammerse predikant een zoon. Over Martinus is behalve het feit dat hij van 1590 tot 1594 Groot-Ammers diende verder niets bekend. Des te meer weten we van zijn opvolger Samuel van den Borre die na vier jaar vacature in 1598 naar Groot-Ammers kwam en aldaar verbleef tot aan zijn vertrek naar Haastrecht in 1621. Samuel van den Borre was een zoon van de uit
Samuel van den Borre was een zoon van de uit Vlaanderen afkomstige Levinus van den Borre, die voordat hij de herdersstaf opnam in Schoonhoven, Geertruidenberg, Brugge en Heusden hagenpreker was. Samuel werd in Geertruidenberg geboren en had ook twee broers die predikant waren, Adriaan en Antipas. Geruime tijd stonden de drie broers heel dicht bij elkaar. Want Antipas diende de gemeenten Ottoland en Bergambacht, terwijl Adrianus zeventien jaar in Schoonhoven stond. Helaas sloot Adrianus zich na zijn vertrek uit Schoonhoven bij de remonstranten aan; Antipas en Samuel waren daarentegen onverdacht gereformeerd. In de periode dat Samuel van den Borre in Groot-Ammers stond, kwamen er sedert 1610 verschillende kerkgangers uit Schoonhoven naar het dorp aan de Lek om daar de oude gereformeerde waarheid te beluisteren, daar zij zich onder de remonstrantse prediking van Daniel Wittius en Johannes Gerardi van Galen niet konden scharen. In de acta van de kerkenraad van Groot-Ammers lezen we dat op de kerkenraadsvergadering van 8 april 1612 Samuel van den Borre een verzoek op tafel legt van enkele Schoonhovenaars die aan het Avondmaal wensten deel te nemen ‘uyt oorsaecke dat Daniel Wittium een vande dienaren tot Schoonhouen dingen leerde en dreeff met die hare noemende remonstranten Godst woordt niet conformich maer tegenstrijdich sijnde’. In november 1614 bleek het aantal gastleden uit Schoonhoven verdubbeld te zijn. Ondertussen was het binnen Schoonhoven een publiek geheim dat er elke zondag zo’n zestig lidmaten zondag aan zondag de Lek overstaken om in Groot-Ammers de gereformeerde waarheid te beluisteren. Opgeschoten jongens wachtten hen op en joelden: ‘Sa Boer, leght u roer, dicht aen u neus, ende schiet die Slijck Geus’. Menigmaal vonden de kerkgangers hun woningen vol modder en vuilnis dat de onverlaten naar binnen geworpen hadden.
Op 24 november 1614 vond ten huize van Joris Janz. Knoop in Schoonhoven een clandestiene bevestiging plaats van vier ouderlingen en twee diakenen door Samuel van den Borre. De bevestigde ouderling Adriaens Jansz., die boekverkoper was, moest zich op het stadhuis verantwoorden nadat aldaar ter ore gekomen was dat zij een ‘scheur-Kercke’ hadden gesticht. Hij werd met schipper Rutger Huygensz., die ook tot ouderling was verkozen, beboet en ‘ontpoort’. Samuel van den Borre werd verboden nog één voet in Schoonhoven te zetten omdat hij de ‘oneenigheyt en scheuringe voedde’. Ook in Gouda –het broeinest van remonstrantisme – kreeg Samuel van den Borre het met de plaatselijke overheid aan de stok omdat hij regelmatig bij iemand in huis preekte. In een dreigbrief werd gesteld dat een zware straf zou volgen wanneer hij weer in Gouda zou komen om daar in huis te preken.
Vermeldenswaard is ook dat eens Pieter Maartensz., schoolmeester te Lekkerkerk, die de gereformeerde leer van harte was toegedaan, in de kerk van Groot-Ammers in bijzijn van ds. Van den Borre en twee ouderlingen van de noodgemeente te Schoonhoven twee liederen voordroeg, die betrekking hadden op de moeilijkheden in kerkelijk Schoonhoven. Uit het 23 strofen bevattend ‘Een troostliet voor alle bedructe ende ware gereformeerde kercken, op de wijse: Van Onse Vader in hemelrijck’ citeren we enkele coupletten die hij voordroeg in de ‘Ammerse’ kerk:
O God die onse Vader bist,
Wy dancken dy door Jesum Christ,
Dat ghy ons soo ghenadelijck Bevrijdet van Pelagi rijck,
Bevrijdet van Pelagi rijck,
Dewelcke zijn nu seere saen, Van nieus wederom opghestaen.
Van nieus wederom opghestaen.
Maer ghij doet Heere dat ten goet,
Opdat men kennen sou met spoet
U wtghelesen volc eerbaer, Twelc gy vercoren hebt voorwaer
Twelc gy vercoren hebt voorwaer
Eer des werelts gront was geleyt
Met uwen Soon van eeuwicheyt
Niet wt wercken maer wt genaed, Gelijcker oock geschreven staed,
Gelijcker oock geschreven staed,
En naer niemants loopen noch wil
Maer na u wel behaghen stil,
Soo dat wij dat gelooven Heer’,
Dat wy heel onnut zijn en teer.
Gelijc ’t Schoonhoven dat is claer
Daer doen sy hun best dat is waer, Om die vromen te verdrucken
Om die vromen te verdrucken
Maer het en sal niet gelucken.
Want ghy draghet sorge voor haer,
Dat hun geen quaet en wedervaer.
Nadat op de Synode van Dordrecht in 1618 de remonstranten waren veroordeeld en verschillende predikanten werden afgezet, onder wie de predikanten van Schoonhoven, reisde Passchier de Fyne uit Jaarsveld – die ook bij de afgezette predikanten behoorde – van Dordt naar Jaarsveld. In Passchiers memoires schrijft hij ook over de Groot-Ammerse predikant Van den Borre, hoewel hij deze verwartmet zijn broer Antipas. De passage is te boeiend om onvermeld te laten: ‘Weder van Dort naar Jaarsvelt reysende, hadde ik my aan eenen voerman besteet om naar Schoonhoven te ryden. Daar komen eenige gereformeerde broeders, onder de welcken was eenen Antipas vander Borre predicant tot Ammers; die maacken daar de beest tegen den voerman, om dat ik op den wagen zat, seggende dat ik niet waardig was om met haar te ryden; wilden op den wagen niet komen, of ik most’er af, alhoewel dat ik eerst besteet was; de voerman excuseerde hem seer; ik seyde hem geen schult te geven, ende ginck om verder moeyte te schouwen van de wagen ende liep te voet. Ondertusschen konde ik en andere de bitterheyt van die calvinisten mercken’.
Een aardig detail over Samuel van den Borre is dat hij tot tweemaal toe een gemeente bewerkte om zijn broer Antipas te beroepen. De eerste keer was in 1610, toen hij op een classisvergadering in Dordrecht verscheen met een brief met een verzoek van zijn vader om Antipas te beroepen in Ottoland wanneer deze van studie afkwam. Samuel bena-drukte op die vergadering dat zijn broer Antipas ‘gesont is in leere’, een vermelding waard in de dagen waarin het remonstrantisme opgeld deed. Bij het examen dat in Rijsoord werd gehouden bleek Antipas nogal zenuwachtig te zijn geweest. Hij werd echter beroepbaar gesteld met onder meer die conditie, dat zijn vader en broer (Samuel dus) hem zouden stimuleren tot de studie van catechismus en Heilige Schrift. In 1619 was het Samuel die bemiddelde in het beroep van Antipas naar Bergambacht, alwaar een predikant was ontslagen vanwege remonstrantse gevoelens.
Na het vertrek van Samuel van den Borre naar Haastrecht werd Groot-Ammers gediend door de predikanten Petrus Mazure en Hendrik de Goy. Laatstgenoemde kreeg op zekere zondag in 1645 -22 mei- de Friese prins Willem Frederik onder zijn gehoor, het was die zondag bediening van het Heilig Avondmaal. Wat de reden geweest is, blijft onbekend, maar enige tijd later ontving de Hervormde Gemeente van de prins twee zilveren avondmaalsbekers met o.a. de inscriptie: 1 Cor. 10: 21 ‘’Ghij en cont niet den drinckbeker des Heeren drincken ende den drinckbeker der duyvelen’’. Een Bijbeltekst waar men niet in de eerste plaats aan zou denken bij een geschenk van hogerhand.
Hendrik de Goy, die van 1643 tot aan zijn overlijden in 1682 in Groot-Ammers stond, werd opgevolgd door Adrianus van Oostrum, die Groot-Ammers diende van 1682 tot 1864, en via Zwijndrecht en vervolgens de Nederlandse gemeente te Londen in de hoofdstad van ons land terechtkwam. Eerst een jaar als predikant van de Engelse gemeente aldaar en vervolgens van 1692 tot aan zijn overlijden in 1716 van ‘gewoon’ gereformeerd Amsterdam. Van hem is bekend dat hij de geschriften van Jacobus Koelman moest onderzoeken omdat deze regelmatig in een conventikel te Amsterdam voorging terwijl hij afgezet was. Welk oordeel van Oostrum over Koelmans boeken heeft gegeven is onbekend. In de pastorie van Groot-Ammers zijn er in ieder geval genoeg predikanten geweest die zich bij deze geschriften thuis voelden, en dat geldt zeker wel voor de gemeenteleden.
Van 1703 tot 1715 werd Groot-Ammers gediend door Gerhardus Perizonius. Hij wordt gerekend onder hen die het gedachtengoed van de Nadere Reformatie verbreidden, zij het met een coccejaanse inslag. Van zijn hand verscheen ten tijde toen hij in Groot-Ammers stond in 1710: ‘De volstrekte Borgtogt van de Soone Gods’ terwijl twee jaar later een preek in druk verscheen naar aanleiding van de dood van Johan Willem Friso over Jesaja 40:22-24. Reden tot deze preek was onder meer dat prins Johan Willem Friso ook baron was van Liesveld.
Van ds. Petrus Lietaert, die van Poederoijen in 1797 naar Groot-Ammers kwam en in 1805 naar Gouderak vertrok, is alleen bekend dat hij behoorde tot de Groninger richting, die we in zekere zin een voorloper kunnen noemen van de midden-orthodoxie.
Groot-Ammers werd van 1810 tot 1820 gediend door Abraham Theodorus Beausar, die in 1785 geboren is in de pastorie van Oosterland, en in 1836 overleden is in zijn laatste gemeente Klundert. Hij kwam van Bleskensgraaf en vertrok naar het Zeeuwse Ritthem. Naast theoloog was hij ook letterkundige. Zo schreef hij een verhandeling over Homerus die naar zijn mening een model was voor de redenaar. Waarschijnlijk was hij vergeten dat Paulus belijdt niet met uitnemendheid van woorden tot de gemeente te komen maar met één voornemen, namelijk om niets anders te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd.
Niemand heeft zo lang in Groot-Ammers gestaan als ds. Jan Philipp Ott. Hij stond er bijna 57 jaar, namelijk van 11 januari 1835 tot 27 september 1891. De notulen over deze lange periode bevatten echter slechts veertien pagina’s. Hij was blijkbaar niet een begeerd predikant, want slechts eenmaal kreeg hij een beroep naar elders, te weten in 1846 naar het stadje Woudrichem, waarvoor hij bedankte. Hoewel hij op twaalftallen en zestallen gestaan heeft van plaatsen als Arnhem, Leiden en Maassluis is het nooit tot een beroep gekomen. Ott had een liberale inslag en heette zeer geleerd te zijn, met name hebraica had zijn grote voorkeur. Degenen die een schriftuurlijk-bevindelijke prediking zochten, keerden na de kerkdiensten teleurgesteld naar huis. Aan het eind van het jaar 1836 bleek dat er een elftal gemeenteleden zich hadden afgescheiden. Men sloot zich aan bij de Afgescheidenen in Langerak. In Groot-Ammers bleef alles bij het oude. In de notulen werd door ds. Ott opgemerkt dat ‘hun uitgang niet als verlies maar als een zuivering is aan te merken’. Vertrek naar elders kwam verder niet veel voor en ook de Doleantie ging aan Groot-Ammers voorbij. Wel was er het gebed on-der de oprechte vromen of de Heere nog aan de Hervormde Kerk te Ammers zou willen gedenken. Ds. Ott maakte deel uit van het Provinciaal Kerkbestuur Zuid Holland vanaf 1851 en vanaf 1854 was hij synodelid. Als bestuurslid van het Provinciaal Kerkbestuur Zuid-Holland was hij betrokken bij problemen die gerezen waren rondom de persoon van ds. A.P.A. du Cloux te Oud-Alblas. In de korte tijd dat Du Cloux Oud-Alblas diende (van 2 juni 1856 tot 19 april 1857) kreeg hij onder meer problemen met ds. G. Boele van Schagen te Nieuw-Lekkerland. Deze beklaagde zich bij het Provinciaal Kerkbestuur dat ds. Du Cloux een aantal kinderen uit Nieuw-Lekkerland had gedoopt, waarvan de ouders om geen toestemming te benodigen een aantal dagen in Oud-Alblas waren gaan wonen om zo in kerkordelijk opzicht gedekt te zijn. De provinciale kerkvergadering besloot – nadat Du Cloux een verklaring van onschuld gegeven had – om de kwestie op z’n beloop te laten en geen sanctie toe te passen. Ds. Du Cloux stond inmiddels al enkele maanden in zijn nieuwe gemeente. Ds. J.P. Ott eiste echter de aantekening, dat hij er volstrekt niet mee instemde. Dit staat zo dan ook zwart op wit te lezen in de Handelingen van het Provinciaal Kerkbestuur 1857-1872.
Twee jaar voor Otts emeritaat werd er een zondagsschool opgericht. Was dat mogelijk een wolkje als eens mans hand? De zondagsscholen vonden immers hun oorsprong in de kringen van het Reveil. Opvallend is daarbij wel dat bij het kerstfeest in de kerk entree werd geheven.
Nadat ds. Ott afscheid nam van Groot-Ammers, vestigde hij zich in een woning die hij naast de pastorie had laten bouwen. Daar overleed hij op 6 oktober 1897 op 87-jarige leeftijd, terwijl hij vier dagen later begraven werd op de algemene begraafplaats. Zijn buurman sprak – nadat drie predikanten het woord hadden gevoerd – als laatste bij zijn begrafenis, terwijl hij ‘s zondags een rouwpreek hield over Prediker 12 vers 5b: “Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers zullen in de straat omgaan.”
Onder de bediening van Otts opvolger Cornelis Bouthoorn vond gedurende de periode dat hij Groot-Ammers diende (van 1892 tot 1897) als het ware een opwekking plaats. Toen hij beroepen was, werd hij door de liberale kerkvoogden gemaand om te bedanken voor het beroep. Hij kreeg toen van Godswege de heilige plicht om dit beroep aan te nemen. Tegenstanders zijn daarna zelfs tot bekering gekomen. Tijdens zijn bediening kwam er een galerij in de kerk vanwege de toename van het aantal hoorders. In het eerste jaar waarin ds. Bouthoorn Groot-Ammers diende, werden er vierenzeventig lidmaten bevestigd. In het notulenboek lezen we: ‘Vermeldenswaardig is het dat de Heere krachtig schijnt te werken onder oud en jong, zodat er roering en beweging werd gezien in de dorre doodsbeenderen en men nu en dan een juichkreet vernam over de verlossing van zielen en men hier en daar hoorde klagen over zijn zonde en ongerechtigheid’. Ook is in de notulen te lezen dat de kastelein bitter klaagde over de financiële schade die hem de prediking des Woord berokkende.
Cornelis Bouthoorn bracht een warme, bevindelijke prediking. Wettisch was hij allerminst. De kermis was hem echter een doorn in het oog, de kerstboom in de kerk stond hem niet in de weg. Die werd pas gedurende de ambtsperiode van zijn opvolger uit de kerk verbannen.
Over de periode dat Bouthoorn Groot-Ammers diende, zei hij bij zijn 25-jarig ambtsjubileum: ‘Heerlijke dagen, gemeente van Groot-Ammers, heb ik in uw midden doorgebracht. Ik ploegde niet op rotsen omdat de Heere de harde harten week, vatbaar en ontvankelijk maakte voor het goede zaad des Woords. Banden van vriendschap, ja broederbanden zijn door de Heere gelegd en deze kunnen niet verbroken worden’.
Ds. E.J. Homoet uit Staphorst volgde ds. Bouthoorn op. Hij werd door zijn voorganger bevestigd. Enkele preken uit de eerste periode dat Homoet Groot-Ammers diende zijn bewaard gebleven, waaronder zijn afscheidspreek op 23 oktober 1898 in verband met zijn vertrek naar Ouderkerk aan den IJssel. Deze preek handelde over 1 Kronieken 16 vs. 15: Gedenkt tot in der eeuwigheid Zijn verbond, het woord dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht’. In het voorwoord zei hij onder meer: ‘Ons verbond wordt in deze ure verbroken. Zo is het met de verbonden der mensen. Zij houden op. Zij binden slechts korte tijd. Deze overweging leidt mij er toe om u bij een beter en vaster verbond te bepalen in deze laatste ure. Het is bij het verbond Gods.’
Homoet werd opgevolgd door ds. W. Bieshaar, tijdens wiens bediening er in 1903 voor het eerst een orgel in de kerk kwam. Na diens vertrek naar Zetten-Andelst werd ds. E.J. Homoet die inmiddels van Ouderkerk aan de IJssel naar Oosterwolde (Gld.) vertrokken was terug beroepen. Hij nam dat beroep aan en diende van 28 juni 1903 tot aan zijn dood op 8 augustus 1905 zijn oude gemeente. Hij ligt begraven op de begraafplaats te Groot-Ammers.
Na ds. Homoets overlijden werd de herdersstaf opgenomen door ds. J. de Bruin. Van hem zijn verschillende preken uitgegeven. In diens vacature werden achtereenvolgens beroepen ds. J.P. Paauwe, ds. D.Th. Keck en ds. C.B. Holland. Alle drie bedankten. Ds. W. Zijlstra uit Bruchem-Kerkwijk nam het beroep aan. Verschillende preken van hem verschenen in de prekenserie Tot de Wet en de Getuigenis.
Ds. H.J. van Schuppen was Zijlstra’s opvolger. Hij kwam als kandidaat vanuit Veenendaal in 1918 naar Groot-Ammers, om in 1925 de gemeente te verwisselen voor Oudewater, nadat hij eerder een beroep naar Maarssen had aangenomen maar dat moest uit hoofde van een kerkordelijke fout weer ongedaan gemaakt worden. Ds. Van Schuppen was een kleinzoon van Grietje van Schuppen-Beijer (1825-1889), die bekend stond als ‘Vrouw Van Schuppen’, die in 1873 een brief schreef waarin ze Gods oordelen over Nederland aankondigde. De rol van het Oranjehuis zou eens zijn uitgespeeld. Geen koning zou meer op de troon zitten. Nederland zou een republiek worden en dan zou er een grote opwekking komen, waarbij de dag des Heeren weer werd geheiligd. Op zondag zou geen trein meer rijden. De brief van deze vrouw heeft een bepaalde status gekregen in bevindelijke kringen, ook al ging de profetie tot op heden niet in vervulling. Hendrik Jan was zes jaar toen zijn grootmoeder overleed. Een interessant detail rondom Van Schuppen is ook dat de oudste zuster van zijn vader gehuwd was met een broer van Jannetje Hootsen, die als ‘zwart Jannetje’ berucht is geworden. De uitwassen daargelaten was Van Schuppen dus afkomstig uit kringen waarin de verborgen omgang met de Heere geen onbekende zaak was.
Ds. Van Schuppen heeft theologisch een bijzondere ontwikkeling doorgemaakt. Toen hij in Groot-Ammers stond, was hij een overtuigd Gereformeerde Bonder en hield er spreekbeurten voor. Hij heeft de stoot gegeven tot het christelijk onderwijs, waardoor hij ook conflicten kreeg. Hij doopte namelijk geen kinderen die de openbare school zouden gaan bezoeken. In die tijd zijn er heel wat weigeringen om te dopen geweest. In de periode dat ds. Molenaar in Groot-Ammers stond, zijn nog mensen die in de ambtsperiode van ds. Van Schuppen geboren waren op volwassen leeftijd gedoopt. Van Schuppens prediking was destijds min of meer gemoedelijk, waarbij hij vooral ook oog had voor de kleintjes in de genade, die de volle zekerheid van het geloof niet hadden. Hij stelde dat niet ieder van Gods volk zich bewust was van de vergeving der zonden. Hij was wel strak in het vragen naar de geestelijke staat, waardoor in Groot-Ammers sommigen weer van hem vervreemdden. Naar eigen zeggen had zijn prediking destijds ook een voorwaardelijk karakter, omdat hij zondebesef en vernedering van het hart als geloofsdaden zag, voortkomende uit Christus. In 1920 deed hij een prekenbundeltje het licht zien, waarin de preken die toonzetting hadden. Later nam hij afstand van deze aard van prediken. Hij stond toen inmiddels – na Oudewater gediend te hebben – in Lunteren. Hij schreef toen een bundel preken waarin hij het vroeger gesprokene zelfs als leugen betitelde. Hij stelde zich in de lijn van ds. J.P. Paauwe, namelijk dat er geen leven is voor de rechtvaardigmaking.
Mocht hij vroeger het voorbereidend werk van de Heilige Geest onder geestelijk leven rekenen, nu leerde hij met Luther dat de rechtvaardigmaking het hart van de kerk is. Hij benadrukte dat dit beleefd wordt in een punt des tijds. De overtuiging rijpte meer en meer dat alleen deze prediking kerkherstel zou brengen en niet allerlei organisatie en activisme, hetwelk hij de Gereformeerde Bond verweet te doen. In 1935 brak hij dan ook met die Bond. Ds. J.J. Timmer, die toen secretaris was van de Gereformeerde Bond, schreef bij Van Schuppens vertrek dat ‘zuivering’ van onze groep ‘allernoodzakelijkst’ was.
Zo populair als Van Schuppen eerder bij het beroepingswerk was, zo impopulair was hij thans geworden. In de tweede helft van de jaren dertig kwam er nog eens een wending in Van Schuppens prediking. Dat was mede onder invloed van een smid, Hendrik van der Mheen, die jarenlang onder ds. J. Fraanje in het naburige Barneveld had gekerkt maar bij het bestuderen van onder meer Calvijn en Kohlbrugge meende dat naast de Bijbel ‘het boek der bevindelijke kennis’ werd gehanteerd, waarbij het laatste het eerste dreigde te verdringen. Van Schuppen benadrukte thans meer het steunen op de beloften tegen de ervaring in. Ook dit gedachtengoed is terug te vinden in twee preken die hij in 1938 schreef en uitgegeven werden bij Van den Tol te Dordrecht. De prediking van de late Van Schuppen had echter niets uit te staan met de huidige prediking die te beluisteren is in de Maranathagemeente te Lunteren, die gesticht werd door zijn sympathisanten. Terecht merkte dr. J. Exalto in het boek Bonders in opmars op dat Van Schuppen – trouw aan de reformatoren en de reformatorische belijdenisgeschriften – allerminst als een hond tot zijn uitbraaksel is weergekeerd.
Ds. Van Schuppen werd opgevolgd door de predikanten J. van Amstel en H.H. van Ameide, die in Hervormd-Gereformeerde kringen begeerde voorgangers waren. Ds. Van Amstel was binnen de twee jaar vertrokken, want in zijn tijd werden er naast hem diensten georganiseerd in een gebouw aan het Fortuynplein, waarin diverse godsdienstonderwijzers voorgingen. Dit uit onvrede met zijn prediking en misschien nog wel meer vanwege zijn politieke voorkeur voor de ARP. Het eerste het beste beroep dat Van Amstel kreeg nam hij aan. Zo vertrok hij op 17 april 1933 naar Voorthuizen. Na het vertrek van ds. H.H. van Ameide naar Elburg werd ds. J.H. Koster uit Montfoort tweemaal achtereen beroepen. Eerder kreeg hij in 1929 een beroep naar Groot-Ammers maar ook reeds in 1917 vanuit ‘s Grevelduin-Capelle. Uit het overzicht van alle beroepen die door Hervormd Groot-Ammers zijn uitgebracht, blijkt dat hij het meest populair was. Toch nam hij nooit een beroep aan naar deze gemeente.
Ds. A. Barendrecht nam wel het beroep aan dat op hem werd uitgebracht. Hij kwam in 1939 als kandidaat vanuit Delft. Hij werd vanwege zijn uitzonderlijke spreektalent wel ‘het wonder van Delft’ genoemd. Zijn schoonvader ds. P. Pras te Katwijk aan Zee – die ook hoge verwachtingen van zijn schoonzoon koesterde – bevestigde hem met Fi-lippenzen 2:29: ‘Ontvangt hem dan in de Heere met alle blijdschap, en houdt dezulken in waarde’. Ontroerend is wat ds. A. Barendrecht schreef in De Zondagsbode over het overlijden van ouderling en voorlezer J. Boesberg die ruim dertig jaar de jeugd op de zondagsschool had onderwezen. ‘10 mei j.l ±11 uur ‘s avonds, nam de Heere onze geliefde broeder tot Zich. Ontroerende gedachten. Den eersten oorlogsdag was zijn eersten vollen vredesdag. Mijn laatste vraag aan hem was: ‘Broeder, is het volle vrede? en teeder klonk zijn stem: Ja dominee, vollen vrede’ en dat terwijl de bommenwerpers boven onze hoofden vlogen. Vrede, al was het oorlog. O, lezers dit kon, omdat Christus zijn Vrede was geworden’.
Boesberg had de jeugd veel gewaarschuwd voor de oordelen die ons land stonden te wachten, hoewel hij geen zwartkijker was. Toen hij op 10 mei 1940 overleed, zeiden de kinderen: ‘Waar hij over gesproken had, heeft hij één dag meegemaakt.’ In 1941 vertrok ds. Barendrecht naar Westbroek.
In 1941 vertrok ds. Barendrecht naar Westbroek.
In die tijd deed hij een brochure het licht zien getiteld De bedreiging onzer Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) kerk waarin hij in het kielzog van ds. I. Kievit op populaire wijze waarschuwde tegen de reorganisatie in de Nederlandse Hervormde kerk n.a.v. Nehemia 13:4 t/m 8. Hij laakte het dat de Gereformeerde Bond wilde samenspreken met modern-ethischen en confessionelen over herziening van de belijdenis. Hij vergeleek het met de priester Eljasib die voor Tobia een kamer in de tempel liet inruimen. Hij schreef in die brochure: ‘Helaas stelt de Gereformeerde Bond in zijn Hoofdbestuur zich achter de Synodale plannen en we kunnen ’t begrijpen dat er blijdschap is in de tenten van de Tobia’s wanneer EEN BOND, DIE TOT DOEL HEEFT DE WAARHEID IN DE HERVORMDE KERK…TE VERBREIDEN, EN…TE VERDE-DIGEN, HAAR BEGINSEL VERLOOCHENT!’ Barendrecht wees een uitnemender weg: ‘Eerst na grondige reformatie begon Nehemia de reorganisatie. Eerst terug tot de Wet en de Getuigenis, en dan de Kerkorde gereorganiseerd.’ Na de oorlog werd hij legerpredikant. Vervolgens kwam hij in Klundert terecht, waar hij voorzitter werd van de commissie van herbouw van de in 1944 verwoeste kerk. Toen de nieuwe kerk aldaar werd geopend, was Barendrecht inmiddels predikant in de rechtzinnige Evangelisatie van Naaldwijk aan de Dijkweg tot medio 1952. Hij scheidde toen van zijn vrouw, kwam buiten het ambt te staan en raakte aan lager wal, terwijl hij zich in België vestigde. Zijn vrouw moest uit armoede in een groentezaak in Den Haag gaan werken. Vanuit de Hervormde Gemeente Groot-Ammers kreeg zij financiële ondersteuning. Van meerdere zijden heb ik horen vermelden dat Barendrecht aan het eind van zijn leven in een zolderkamertje schuldbelijdenis heeft gedaan en tot de Heere mocht wederkeren. Gezien het getuigenis over bijbelheiligen als David en Simson is er verwachting voor de grootste rebellen wanneer ze met de tollenaarsbelijdenis en -bede tot de Heere de toevlucht nemen. Het oordeel betreffende Arie Barendrecht komt alleen aan de Heere toe.
Gedurende de bange oorlogsjaren werd de gemeente gediend door ds. T.H. Oostenbrug die in 1941 uit ‘s Grevelduin-Capelle kwam en in juli 1945 naar Vlaardingen vertrok. Deze predikant was actief betrokken bij het verzet tegen de Duitse overheersing. In de pastorie had hij Duitse inkwartiering, terwijl hij ook Joodse onderduikers had. Hij was lid van de verzetsgroep Binnenlandse Strijdkrachten die in de kerk het illegale blaadje Telex drukten en tevens aldaar wapens en munitie bewaarden. Na de oorlog werd hij onderscheiden met het Yad Vashem - Verzetsherdenkingskruis. Ds. Oostenbrug werd opgevolgd door ds. E.R. Damsté uit Stavenisse. De eerste keer bedankte hij voor het beroep naar Groot-Ammers. Nadat drie bedankjes volgden, bracht de kerkenraad opnieuw een beroep uit op ds. Damsté. Dit beroep nam hij aan en vanaf 1946 tot aan zijn vertrek naar IJsselstein in 1949 beklom hij de kansel van Groot-Ammers. Damsté was ooit in Huisduinen en Julianadorp als vrijzinnig predikant begonnen, maar kwam in zijn volgende gemeente Ransdorp tot bekering, waarna hij zich aansloot bij de Gereformeerde Bond en vervolgens de gemeenten Sluipwijk en Stavenisse diende. Ds. Damsté heeft na zijn emeritaat een boek met preekschetsen over de Dordtse Leerregels getiteld Leer en leven het licht doen zien, waarin ook de verwerpingen van de dwalingen worden behandeld. Schrijver dezes heeft destijds geholpen deze persklaar te maken.
Na ds. Damsté werd de gemeente gediend door de predikanten J. Smit en P. Westland. Na het vertrek van ds. Westland op 30 oktober 1966 naar Uddel werd, nadat veertien maal vergeefs een beroep werd uitgebracht, ds. W.L. Tukker te Zwolle beroepen. Deze had wel eens laten ontvallen dat, wanneer hij nog eenmaal zou moeten vertrekken uit de Overijsselse hoofdstad, de Alblasserwaard hem trok. Van de acht beroepen die hij na vier jaar Zwolle kreeg, was de helft uit de ‘waard’ afkomstig, namelijk Oud-Alblas, Nieuw-Lekkerland, Streefkerk en Groot-Ammers. Het beroep naar Groot-Ammers nam hij aan. Zijn neef dr. C.A. Tukker te Kinderdijk bevestigde hem op 20 april 1969. Ds. Tukker is vooral bekend geworden als voorzitter van de Gereformeerde Bond en medewerker van het Gereformeerd Weekblad. Menig student heeft bij hem vicariaat gelopen. In Groot-Ammers waren dat P. Molenaar, C.A. van der Sluijs en J. Hoek.
Tijdens zijn ambtsperiode vond een restauratie van het kerkinterieur plaats. Daarbij vond een ware metamorfose plaats. Het koor werd bij de kerk getrokken, een nieuw orgel kwam in de kerk, alsmede een nieuwe kansel. De oude kansel is toen terechtgekomen in het kerkgebouw van de Nederlands Hervormde Evangelisatie te Lekkerkerk aan de Kerkweg, niet te verwarren met de Hervormde deelgemeente ‘t Venster. De Evangelisatie ontstond in 1923 vanwege onvrede met de vrijzinnige prediking in de Hervormde Gemeente van Lekkerkerk. In 1955 onttrok zich een gedeelte en men richtte een afdeling van de Gereformeerde Bond op die eigen diensten ging beleggen, waaruit ‘t Venster is ontstaan. Vele malen hebben de Hervormde predikanten P.J. Dorsman, A.J. Wijnmaalen, S. de Jong maar ook de christelijke gereformeerde ds. N. de Jong, de oudgereformeerde predikanten E. du Marchie van Voorthuysen en C. Smits en vele anderen vanaf de oude Ammerse kansel in Lekkerkerk het Woord bediend.
Bij zijn afscheid in verband met het emeritaat zei ds. Tukker in zijn dankwoord aan het slot: `Ik kan alleen maar zeggen dat ik u zeer heb liefgehad.’ Na het emeritaat van ds. Tukker werd de gemeente gediend door ds. P. Molenaar, die voorheen in Groot-Ammers Tukkers leervicaris was. Hij werd achtereenvolgens opgevolgd door ds. F. van Roest (1984-1988), dr. M.A. van den Berg (1989-2000), dr. A.J. Kunz (2002-2007) en ds. A. Bloemendal (2008-2016). Momenteel is de gemeente vacant.
Jaren geleden stond in De Waarheidsvriend de rubriek Torenflitsen-gemeenteflitsen waarbij vele Hervormde Gemeenten de revue passeerden. Dr. M.A. van den Berg schreef destijds over Groot-Ammers en wees ook op het kerkzegel, waarop staat: Psalm 65:10: ‘’De rivier Gods is vol water’’. Hij tekende daarbij aan: ‘Die rivier van levend water mag door Gods genade ook nog stromen door Groot-Ammers. Zo mag het kerkgebouw in dit ‘dorp aan de rivier’ ook voor komende geslachten een plaats zijn waar velen, jong en oud, mogen komen om de wateren des levens te nemen om niet.’
Hoewel vele jaren er geen kerkgenootschap bestond naast de Hervormde Gemeente, werd er in 1951 een Gereformeerde Gemeente gesticht. Het was bij aanvang een kleine gemeente met 84 leden (doop- en belijdende leden). Inmiddels is het ledenaantal verdubbeld. De gemeente was aanvankelijk ressorterend onder de Gereformeerde Gemeente van Alblasserdam. Bij de kerkscheuring van 1953 sloot men zich aan bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. In 1961 nam men vlak bij het Schoonhovenseveer een kerkgebouw in bungalowstijl in gebruik. Spreker bij de opening van het kerkgebouw was dr. C. Steenblok. Een bekende ouderling in die gemeente was schipper Aart Labee. Hij diende de gemeente van 1952 tot aan zijn dood in 1968. Hij en zijn vrouw leefden in grote afhankelijkheid van de Heere. Hun kinderen hielden zij van school vanwege de verplichte inenting. De vrouw van Aart leerde haar kinderen lezen, schrijven en rekenen. Vrouw Labee leefde teer met de Heere, hetwelk in de kleinste dingen openbaar kwam. Wanneer ze de breuken bij het rekenen niet uit kon leggen, vroeg ze de Heere te midden van haar kinderen om haar te helpen, en de Heere verhoorde. Labee was niet kerkistisch, want wanneer de Hervormde eerwaarde heer A. de Redelijkheid in de Evangelisatie van Klein-Ammers (Ammerstol) preekte, was hij menigmaal onder het gehoor. Ds. M. van Beek leidde de begrafenis met: ‘Er blijft dan een rust over voor het volk Gods’. Volgens ds. Van Beek had heel Groot-Ammers achting voor hem. Het is inderdaad een goede zaak om acht te slaan op vromen en oprechten, maar bovenal om acht te slaan op het Woord Gods. Hetzij men kerkt aan het Schoonhovense Veer, hetzij in het dorp of buiten de gevestigde kerken bij een vrije baptistengemeente genaamd ‘de Levensboom’, die sedert enige jaren bijeenkomt in een sportcentrum in Groot-Ammers.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 2016
Oude Paden | 64 Pagina's