Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

28 minuten leestijd

Kerkje aan de dijk

75 jaar Gereformeerde Gemeente te Goudswaard

Een boek lezen alleen maar uit interesse of ook om er een recensie over te schrijven, dat maakt nogal een verschil. In het eerste geval hoef je er geen waardeoordeel over te geven. Of je kunt volstaan met een enkel woord, als iemand ernaar vraagt. Bijvoorbeeld: ‘mooi’, ‘gaat wel’, of ‘viel tegen’.

De eerste indruk bij het vluchtig doorbladeren van Kerkje aan de dijk. 75 jaar Gereformeerde Gemeente te Goudswaard was: geeft dit boek wel een helder beeld van de geschiedenis van deze gemeente? Over het hele boek verspreid zijn namelijk negen interviews opgenomen (circa veertig bladzijden), aan Goudswaard in lang vervlogen dagen worden twaalf bladzijden gewijd, dan ‘tussendoor’ nog drie preken. Het boek telt 121 bladzijden. Wat blijft er dan nog over voor het weergeven van de eigenlijke geschiedenis van de gemeente?

Al spoedig gingen de reserves verdwijnen en bij het dichtslaan van het boek bleef over: een mooi boek, dat kort en krachtig (dat past bij de Hoeksche Waard) een mooi beeld geeft van de ontwikkeling en het voortbestaan van de Gereformeerde Gemeente Goudswaard, en vooral ook van het geestelijk leven. Een stichtelijk boek.

Rond 1900 waren er in Goudswaard vier groepen die buiten de Hervormde Gemeente kerkelijk onderdak hadden gezocht: een gezelschap dat bij Rochus Schelling bijeenkwam, een Bakkeriaanse groep, mensen die in de Oud Gereformeerde Gemeente van Nieuw-Beijerland kerkten en ook de diensten bijwoonden ten huize van ouderling W.H. Blaak, en mensen die behoorden tot de Gereformeerde Kerk in Zuid-Beijerland.

Op 13 januari 1913 werd in de Gereformeerde Gemeente in Nieuw-Beijerland ledenvergadering gehouden. Ds. D.C. Overduin, de toenmalig predikant van die gemeente, stelde voor om Pleun Schelling uit Goudswaard tot ouderling te benoemen. Met dat voorstel stemde iedereen in. Twee dagen later belegde Schelling zonder overleg met de kerkenraad van Nieuw-Beijerland een eerste kerkdienst in Goudswaard, in de christelijke school. Later werden diensten gehouden op de zolder van zijn ouderlijk huis. Eigenzinnig optreden? Niets is minder waar: Schelling gaf er later een helder getuigenis van hoe hij daartoe gekomen was.

Kort hierna kregen de samenkomsten een meer kerkelijk karakter: Goudswaard werd afdeling van de gemeente Nieuw-Beijerland. Ds. A. Verhagen was de eerste predikant die er voorging. Verhagen was een vurig prediker. In het vuur van zijn rede zette hij soms zijn woorden kracht bij door met zijn houten been op de grond te stampen. Dat dreunde natuurlijk door op de houten zolder. Eens zei hij: ‘Wat heb ik toch weer een leven gemaakt, maar ik kan geen mens levend maken.’

Op 25 december 1925 ging de 21-jarige W.C. Lamain in Goudswaard voor in een dienst op de zolder. Jaren later wist hij het zich nog goed te herinneren. ‘Het was geen kathedraal, alles even primitief naar een goed plekje. Het ging er zeer gemoedelijk aan toe. De ouderlingen waren Pleun Schelling en Dirk Andeweg. Wat waren zij nauw aan elkander verbonden door de band des Geestes en der liefde. Waarlijk, in die dagen was daar nog iets van in de beoefening, dat de een de ander uitnemender achtte dan zichzelf. Het was daar niet om kerkje te spelen, maar de liefde voor de Waarheid die naar de godzaligheid is, bond hen samen. Vooral in de week kwamen er uit de verschillende plaatsen van de Hoekse Waard van Gods kinderen, met hongerige zielen. Doch we zullen verder gaan. Toen Schelling daar ’s avonds voor dat eenvoudige lessenaartje kwam, vroeg hij aan een oude bekeerde man, die daar vlak bij hem zat, of hij een psalm had om te beginnen. Die oude man zei: “Laten we dan maar zingen: Des Heeren vrees is rein, zij opent een fontein van heil dat nooit vergaat.” De dienst begon om half zeven en ongeveer half negen was het beëindigd. Gewoonlijk keert dan een ieder huiswaarts, doch dat was die avond niet zo. De meeste vrienden bleven, voor zover het mogelijk was. De mensen kwamen in een kring zitten, en er werd over het gehoorde met elkander gesproken. Ook werd er onder elkander gesproken over het leven Gods, en wat er op weg naar de hemel beleefd wordt. Het was daar nog kerk na de kerk.’

In 1928 werd de zolder verlaten en men nam een kerkgebouw in gebruik. Ouderling Schelling stelde hiervoor een stuk grond beschikbaar, dat zich bevond tegenover zijn ouderlijk huis.

Op 13 juli 1937 werd de afdeling Goudswaard als een zelfstandige gemeente geïnstitueerd door de consulent, ds. J.D. Barth uit Dordrecht. Een dag eerder was door dezelfde predikant de gemeente Oud-Beijerland geïnstitueerd.

In de loop van de jaren werden niet minder dan ruim 150 beroepen uitgebracht. In 1972 nam kandidaat H. Hofman het op hem uitgebrachte beroep aan. Slechts korte tijd heeft ds. Hofman de gemeente gediend: na tweeënhalf vertrok hij naar Rotterdam-Zuid.

Onlosmakelijk is de naam van Pleun Schelling (1868-1941) aan de geschiedenis van de gemeente verbonden. Zijn naam is al een paar keer genoemd. Hij was een man met grote gaven van hoofd en hart. Veel heeft hij betekend voor de school en de kerk. Ook in het brede kerkelijke leven nam hij een grote plaats in. Van 1934 tot zijn overlijden in 1941 maakte hij deel uit van het Curatorium. Ook in de burgerlijke gemeente was hij een man van gezag. Jarenlang was hij wethouder. Een andere wethouder was W.H. Blaak, de latere predikant. Hij zei van Schelling dat deze bezat ‘vaardigheid en bekwaamheid om gemeentelijke problemen op te lossen.’ Een broer was Cees Schelling, die naar Amerika was geëmigreerd. Deze schreef eens een lange brief aan ds. J. Fraanje, overigens een brief met inhoud! Zelf vond hij dat kennelijk niet, want hij schreef: ‘Gij merkt mijn gebrek, ik heb altijd zeer veel woorden nodig om weinig te zeggen. Ik ben daarin geheel onderscheiden van mijn broeder Pleun, die is altijd zo veelzeggend met weinig woorden.’ Veel zeggen met weinig woorden, een treffend voorbeeld hiervan vinden we op bladzijde 59: ‘Wij lezen veel de preken van Floor voor de vergadering. Die zijn niet rijk aan de oefening in ’t geloof maar ze zijn eenvoudig en vervuld met de ernst der eeuwige dingen.’

De verleiding is groot om veel uit dit boek te citeren, maar dat laat de ruimte niet toe. Slechts enkele dingen. We lezen over vrouw Heistek, een bekeerde vrouw, maar naar de natuur viel ze niet mee. W.H. Blaak wilde haar eens samen met nog iemand anders een bezoek brengen, maar ze waren niet welkom, ze was aan het werk, het kwam niet gelegen. ‘Nou, dan gaan we een deurtje verder.’ Na een poosje zei Blaak: ‘Het zal nu wel gezakt zijn. We gaan weer terug.’ Het was nu anders. ‘Ik ga wel liggen’, zei vrouw Heistek. ‘Veeg je voeten maar aan me af. Twee kinderen van God heb ik buiten gehouden.’

We lezen ook van Arie Hagestein, een oude vrijgezel, die sober leefde. Hij is op oudere leeftijd bekeerd en is altijd in de eerste liefde gebleven. Hij kende geen benauwdheid. Als hij een psalm opgaf, was dat altijd Psalm 36: ‘Uw goedheid, Heer’, is hemelhoog.’

De oplage van een gedenkboek van een kleine gemeente is meestal niet zo groot. Dus: wees er snel bij!

Corien Visser, Kerkje aan de dijk. 75 jaar Gereformeerde Gemeente te Goudswaard.

Bestelmogelijkheden: T.C. van Kralingen, Dorsvlegel 1, 3267 BG Goudswaard. Tel. 0186-693057. E-mail: kralingentc@kliksafe.nl Prijs: 10 euro exclusief verzendkosten. (A.B.)

Ook dat was rotterdam

Het was alsof ik zestig jaar teruggeplaatst werd in de tijd, toen ik onlangs kennis nam een boek dat onder bovenstaande titel is verschenen. Het leven van bevindelijk gereformeerden (1945-1970), zo luidt de ondertitel van dit door de heer W.B. Kranendonk geschreven boek over bloei en teloorgang van veel kerkelijk goeds in de Maasstad. Als geboren Kralingenaar zag ik de kraters in sommige delen van de aantrekkelijke, deels chique wijk Kralingen. Geslagen door het verraderlijke, laffe bombardement van 14 mei 1940. We speelden als schoolkinderen in die kraters, waar het grondwater in winterse dagen in ijs was veranderd en waarop je heerlijk kon spelen – in die tijd onbekend met het leed, de dood en het verderf dat daaraan ten grondslag lag. Eveneens in mijn kinderjaren hoorde ik de cadans van de heimachines, die voor nieuwbouw zorgden. Zag ik de noodwinkels als paddenstoelen uit de grond verrijzen, omdat hele winkelstraten waren weggevaagd. Hoorde ik spaarzamelijk verhalen over hoe erg het allemaal was, zo kort na de oorlog. Verslond ik jeugdboeken die het oorlogsgebeuren beschreven.

Dat wat Kralingen en Centrum betrof. Maar er was méér. Het boek gaat ook over andere wijken in Rotterdam. Over West, over Zuid. Met de klemtoon op wat (grotendeels) is verdwenen: de kerkelijke betrokkenheid van veel Rotterdammers. Geert Mak schreef zijn Hoe God verdween uit Jorwerd, Kranendonk kan gelukkig niet analogiseren. Want God is niet verdwenen uit Rotterdam, zeker niet. Maar wel veel, héél veel kerkgangers. Kerkgebouwen zijn met de grond gelijk gemaakt door het neerwaartse kerkbezoek, dat in de jaren zeventig, tachtig voor kerkelijke kaalslag zorgde. Kranendonk heeft het zorgvuldig en tegelijk ook boeiend beschreven. Zodanig, dat elke rechtgeaarde Rotterdammer met een zekere weemoed terugdenkt aan wat eens was en nooit meer terugkomt.

Eerst komen de jaren van kort na de oorlog aan de orde. De wederopbouw kwam langzaam op gang. De onvoorstelbare woningschaarste, het tekort aan vele goederen. Ook de in 1946 geboren kinderen -waaronder schrijver van deze recensie-kregen een distributiestamkaart omdat sommige levensbehoeften ‘op de bon’ waren. Alsof de oorlog nog woedde.

Soldaten die hunkerden naar de bevrijding, naar een huwelijk, konden kort na het wisselen van de ringen inschepen naar de Oost. De ene week getrouwd, de week daarop Indiëganger. Niet voor zes maanden, soms voor enkele jaren. Met alle gevaren van dien. Veilig terugkeren was niet voor iedereen weggelegd. Garanties daarop werden niet afgegeven. Zoals Koos Kik, die een week na zijn huwelijk met Sara Salij onder de wapenen moest. En drie jaar door de oceanen van zijn vrouw gescheiden was voor hij weer voet op Hollands bodem kon zetten.

Begin jaren vijftig was zondag nog zondag. Dat betekent niet dat er geen voetbalwedstrijden op Gods dag werden gehouden. Maar een groot deel van de Rotterdammers wist de weg naar de kerk beter te vinden dan de weg naar het stadion of voetbalveld. De kerken zaten vol. Mudvol. Drommen kerkgangers. In de stad, in Kralingen, op Zuid, in West en Noord. In nieuwe woonwijken kwamen nieuwe kerkgebouwen. En ook die vulden zich. Kranendonk tekent ons een scherp beeld van wat er was. Interkerkelijk, gelukkig. De Nederlandse Hervormde Kerk in de Maasstad telde veel predikanten. Ds. H.G. Abma, die in West stond, had vaak zoveel kerkgangers dat hij halverwege de dienst een psalm liet zingen om mensen die gestaan hadden, te laten wisselen met mensen die gezeten hadden. Christelijke Gereformeerden konden terecht in West, in Kralingen, op Zuid en in Centrum-Noord. Er is een tijd geweest dat de Gereformeerde Gemeenten rond 1975 gelijktijdig vijf predikanten telden, een unicum voor dit kerkverband. Maar in 1980 trokken er drie naar elders. En vanaf die tijd gaven de jaarboekjes van jaar tot jaar een somberder beeld te zien. Foto’s als op blz. 76, waar de gereformeerde Pniëlkerk uitging, konden al lang zo niet meer gemaakt worden.

Gereformeerden, ‘gebonden of vrijgemaakt’, roomsen, baptisten, luthersen, remonstranten en doopsgezinden, de secularisatie sloeg meedogenloos toe. Bevindelijke groepjes die in zaaltjes samenkwamen werden successievelijk opgeheven. En dat ging snel. Daarmee verdween ook een zekere stijl. Ook burgerlijk en maatschappelijk. Waren de burgemeesters mr. P.J. Oud en mr. G.E. van Walsum (we hebben ze vaak genoeg zien lopen) steevast in het donker of zelfs zwart gekleed -beiden droegen zelfs een zwarte gleufhoed!-, opvolgers als Thomassen en Van der Louw braken met tradities. Laatstgenoemde zag je vaker in een ribbroek of, erger nog, soms in spijkerbroek.

Velen voelden zich in Rotterdam steeds minder thuis. Velen trokken weg naar de dorpen rond de stad. Emigratie kwam op gang, deed er nog een schepje bovenop. Zeker kort na de oorlog. families werden soms onder psalmgezang uitgeleide gedaan aan de Wilhelminakade, waar ze inscheepten.

De tijd waarin het gezelschapsleven nog functioneerde, werd eveneens uitgeleide gedaan. Ouderen vielen weg, jongeren namen de opengevallen plaatsen ook niet meer in. Over radio, verzekeren en vaccineren werd genuanceerd gedacht. Ook dat komt aan de orde in dit boek. Met de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten, inclusief foto’s van docenten en studenten, het evangelisatiewerk, de watersnoodramp van 1953, de nijpende woningnood.

Verhalen over het gezin Reinders en de familie Kok, behorend tot de Christelijke Gereformeerde kerk van West, over grote gezinnen zoals de families Kalis -met z’n veertienen in drie kamertjes- en Karels -met z’n twaalven aan tafel-, middenstanders als boekhandelaar K.C. Lindenberg en drogist J. Fraanje, zang en orgelspel, Feike Asma, ds. W.L. Tukker, Billy Graham, koster J.H. Schollaart, trouwen in het wit en met koetsjes, militairen en diaconieën, ziekenhuis en bejaardenreisjes, de sloop van de schitterende Koninginnekerk, gefiatteerd door dwaze drammers als, hoe kan het ook anders, linkse wethouders. Kortom – een brede stroom Rotterdam met boeiende uitlopers. En dat alles in een boek van 247 bladzijden met een schat aan fotomateriaal. Wie denkt dat zo’n boek uitsluitend voor Rotterdammers interessant is, doet aan opzet en inhoud tekort. Ook niet-Maasstedelingen halen zeker weten hun hart eraan op.

Eén opmerking. De grote foto op het omslag suggereert het uitgaan van de Boezemsingelkerk. Deze foto geeft géén zondagsbeeld. Hoge hoeden, nee. Zo waren de mannen niet gekleed in hun kerkgang. Ongetwijfeld is de foto ter gelegenheid van een bruiloft van beter-gesitueerden gemaakt. Niettemin een fraaie opname!

W.B. Kranendonk, Ook dat was Rotterdam. Het leven van bevindelijk gereformeerden (1945-1970). B.V. Uitgeverij De Banier, Apeldoorn. Prijs € 24,95. ISBN 978 94 6278 5946, NUR 693-000. (J.M.)

Dorp aan de dijk

Ongelooflijk speurwerk. Achter deze twee woorden gaat een zee van inspanningen, doorzettingsvermogen, onderzoek, gegevens rubriceren en schrijven schuil. Het is ook niet niks, om 400 jaar lokale kerkgeschiedenis te boek te stellen. Jo Molenaar, oud-rector van de scholengemeenschap Guido de Brès en ouderling in de Nieuw-Lekkerlandse gemeente, weet er alles van. Hij is de auteur van dit kloeke boek, in groot formaat vormgegeven en verlucht met een groot aantal illustraties. Bijgestaan door de ‘commissie jubileumboek’ konden 528 pagina’s kerkgeschiedenis aan de vergetelheid worden ontrukt. Een ongelooflijke prestatie. Om stil van te worden! Helaas moeten wij in vogelvlucht erdoorheen …

De weleerwaarde heren, eerwaarde kerkenraadsleden, ambachtsheren, gemeenteleden – Molenaar laat hen langs de ogen van de lezer voorbijtrekken. Vier eeuwen lang. En al die tijd stroomde het water door de Lek, zonder de kerk te laten verdrinken. Hoewel, de strijd tegen overstromingen moest nogal eens worden gestreden in de Alblasserwaard.

In d’ allervroegste jaren was er sprake van een roomse parochie. Langzaamaan verdreef het reformatielicht het duister van Rome. Toezicht van hogerhand bracht misstanden aan het licht. Zo ook wat pastoor Jan Jansz. betrof. Zijn dienstmeisje moest op gezag van kerkvisitator Van Rennenborch het veld ruimen. Daar zal gegronde reden voor zijn gevonden. Tegen het knellend celibaatsjuk werd op ruime schaal gezondigd. En ook slopen hier en daar gereformeerde nieuwigheden en reformatorische opvattingen de kerkgebouwen binnen. Niet veel later, in 1616, krijgt Nieuw-Lekkerland de eerste predikant. Gerardus Verstegen voert de predikantenlijst aan, die achterin het boek is opgenomen. Een lijst die zelfs, voor zover kon worden achterhaald, bestaat uit vermelding van namen en dienstjaren, intrede- en afscheidsteksten en overlijdensdata. Een indrukwekkende lijst, die afgesloten wordt met de op 10 april 2016(!) bevestigde ds. A. de Lange. Actueler kan niet!

Om te verhoeden dat predikanten in de eerste tijd van het kerkelijk leven weer snel zouden wegzweven als de arenden, verbond Verstegen zich om zeven jaren in deze gemeente te blijven. Zijn het zeven vette jaren geweest? Te oordelen naar zijn voluit gereformeerde opvattingen plus het feit dat hij diverse malen classisscriba was, kan het haast niet anders.

De derde predikant kreeg eveneens bekendheid. Jacobus van Oudenhoven, die bij Voetius in huis heeft gewoond. Een boeteprediker, hoewel niet geheel onbesproken. Hij werd zelfs, al dan niet terecht, beschuldigd van een handgemeen. Van al de Lekkerlandse predikanten is een biografische schets opgenomen. Als het mogelijk was compleet met portret of foto én hun handtekening.

Hoe was het geestelijk gesteld onder de Lekkerlanders? ‘Een goddeloos dorp en de inwoners zeer onkundig.’ Dat wordt mede op het conto geschreven van een predikant over wie geschreven werd dat hij ‘een vijand was geweest van waare Godzaligheid.’ Niet bepaald een loffelijk getuigenis! Met de komst van de bekende ds. Petrus van der Velden, wiens naam nog altijd een goede klank heeft en verbonden is aan een school van reformatorische snit, wordt het allemaal anders. En beter! Hoofdstuk 5 heeft dan ook een veelzeggende titel: Een rijk gezegende bediening. Maar ook van deze gemeente geldt zoals van elke gemeente: ze ligt buiten het Paradijs.

Heden ten dage is het boekje over Van der Velden: Merkwaardigste lotgevallen, dat vele herdrukken beleefde, nog steeds verkrijgbaar. Niet iedereen was overigens gelukkig met hem. Men stond de predikant met vorken en pieken en ander scherp gereedschap naar het leven. Die opzet mislukte, Gods onzichtbare hand hield hen op wonderlijke wijze tegen. Ondertussen ging men door met hem naar het leven te staan. Er was een vrouw die onder ede zich voornam om de predikant van het leven te beroven. Geen ouderling wilde deze getrouwe dienaar in de voorbereidingsweek op het Heilig Avondmaal vergezellen op huisbezoek. De schout van het dorp wilde de ont-dekkende prediking niet langer aanhoren en trachtte door schoppen en trappen tegen de bank zoveel geluid te produceren dat hij de preek niet zou horen. Desondanks ging de dominee door met vermanen en met zachtmoedigheid zijn tegenstanders te bezoeken. Op boeiende wijze worden deze voorvallen verhaald. Trouwens, het hele boek is in een boeiende stijl verhaald. Daartoe draagt zeker bij dat het in de tegenwoordige tijd geschreven is. Van der Velden diende slechts één gemeente; hij bleef 42 jaar aan het dijkdorp verbonden.

Ook in de achttiende eeuw was er sprake van zegen en vloek. Er waren problemen met een catechiseermeester, die in 1776 in een overspelsituatie terechtkwam met een getrouwde vrouw, waardoor hij onder censuur werd gezet. Deze man kwam evenwel na vier jaar tot hartelijk schuldbelijden. De toenmalige ds. H.G. Bakker toonde zich een zachtmoedig en met het zielenheil van deze overtreder bewogen pastor. Verkiezingen van ambtsdragers verliepen niet altijd vlekkeloos. In 1846 werd ene Arie Voorsluis tot diaken gekozen. Reglementair werd bedanken gestraft met een geldboete. Echter niet voor Voorsluis, omdat hij als reden opgaf niet te kunnen schrijven. In zijn plaats werd Gerrit Bongers gekozen. Die kon wél schrijven, maar ook hij bedankte. Waarom? Hij weigerde een kerkelijk ambt te bekleden zolang de predikant volhardde in zijn -te intieme-omgang met zijn dienstbode. Koren op de molen van Afgescheidenen! Die goede, oude tijd toch… Toch kreeg de Afscheiding van 1834 nauwelijks voet aan de grond. In 1846 behoorden ‘op slechts enkelen na allen tot de Hervormde Kerk.’ Daardoor was nieuwbouw van de kerk onafwendbaar. Via aandelenemissie van vijftig gulden tegen 4% kwam het benodigde geld binnen. Presidentkerkvoogd T. Hagendijk viel de eer te beurt op 26 mei 1847 de eerste steen te leggen. Veertig jaar na dato schonk hij driehonderd gulden aan de kerk. Voor dat geld werd een zilveren avondmaalservies aangeschaft, zij het met tegenstem van Wouter Bongers, die gemoedsbezwaard was ‘op grond van enige Bijbelplaatsen.’ Ambachtsheer Jan Smit de Vijfde vulde later dit servies royaal aan, hoewel geen lid van de gemeente en bepaald ook geen trouw kerkganger. Onrust ontstond toen twee Lekkerlandse kinderen door ds. A.P.A. du Cloux in het aangrenzende Oud-Alblas werden gedoopt. Ds. G. Boele van Schagen, Lekkerlands prediker, liet namelijk bepaalde passages uit het doopformulier achterwege. Ook werd verteld dat hij lid was van een Dordrechtse Vrijmetselaarsloge. Dat tartte de rechtzinnigheid. Kindersterfte ging ook Nieuw-Lekkerland niet voorbij. Van 1845 tot 1863 werden op het kerkhof 768 personen begraven, 43,5% was onder één jaar! Van 1-5 jaar 16,4% en van 6-18 jaar 6,5%. Ruim 66% van alle overlijdensgevallen betrof dus jongeren onder de achttien.

Aan de Doleantie gaan we voorbij, alsook aan een rij voorgangers. Waarom? Als we al te uitgebreid worden, zou een lezer van deze recensie wellicht kunnen denken al heel veel over dit Lekdorp te hebben gelezen, met het gevaar dat daardoor dit boek niet wordt aangeschaft.

In 1920 deed ambachtsheer L.J. Smit afstand van zijn privilege op het recht van approbatie inzake beroepingswerk. Voortaan kon de kerkenraad beroepen naar eigen inzicht. Vanaf die tijd worden bijna uitsluitend rechtzinnige predikanten beroepen, mannen die de gereformeerde waarheid zijn toegedaan. De rechtzinnige ds. G. Alers kreeg een gezelschapsman als Jan Geense echter niet onder zijn gehoor, hoewel deze vroegere schipper jaarlijks een gift aan de gemeente schonk. De opvolger van ds. Alers was uit een ander hout gesneden. Ds. J. van Dorssen zag met lede ogen weekdiensten belegd worden, waarbij mannen als ds. P. Zandt, ds. H.A. Leenmans en de godsdienstonderwijzers W. van Leeuwen en H.J. Schoonderbeek wel zo’n 300 mensen trokken. ‘Dat waren allemaal van die hokeldebokelmannetjes met een bekering van drie eeuwen geleden’, schamperde hij, zoals we buiten dit boek om uit betrouwbare bron vernamen. Toch was hij wel een man met duidelijke principes, die wereldgelijkvormigheid buiten de deur wist te houden. Een aardige woordspeling: ‘Ds. Van Dorssen is nog maar koud twee maanden in Lekkerland of hij brengt met kracht de wenselijkheid van elektrische centrale verwarming naar voren.’ In 1924 werd in de wijk Kinderdijk een Hervormd kerkgebouw betrokken. Terwijl de spanningen in het wereldgebeuren oplopen, was dat ook het geval tussen de Dorpskerk en de kerk op Kinderdijk. Het boterde niet en ds. Van Dorssen was bepaald geen bruggenbouwer.

De betrokkenheid bij de zondagsschool, de kerkenraad, verenigingen, ze komen allemaal aan de beurt, bijzonder in het full color katern middenin het boek. We herinneren ons van 45 jaar geleden, een paar weken in Nieuw-Lekkerland bivakkerende, diensten in de oude dorpskerk te hebben bijgewoond. Velen zijn in al die jaren de weg van alle vlees gegaan, maar het Woord is gebleven.

We moeten deze recensie afronden. Daarbij voelen we dat we dit boek én Molenaar te kort doen, maar de recensie wordt te lang. Bekende namen van bekende predikers met levensbijzonderheden komen verder nog aan de orde. Om maar enkele namen te noemen: de predikanten Haverkamp en Hovius, met wie we lange tijd in een bepaald bestuur hebben omgegaan, Tj. de Jong, de broers C. en J.A. van den Berg, Belder, Volk, Zuijderduijn en de huidige predikanten Gouda en De Lange. Ieder met eigen gaven en talenten hebben zij het goede voor Nieuw-Lekkerland gezocht.

Dit boek is op voortreffelijke wijze en met hoge kwaliteit gedrukt door de Vanderperkgroep te Groot-Ammers, zoals we dat al jaren van deze drukker gewend zijn.

Jo Molenaar, Gods akkerwerk, Gods gebouw. Vier eeuwen kerk langs de dijk in Nieuw-Lekkerland. 528 bladzijden, gebonden, royaal geïllustreerd. ISBN 978-90-825282-0-6.

Prijs € 34,90 excl. verzendkosten. Te koop bij Stichting Chr. boekwinkel De Parel, Kleyburgplein 27 te 2957 AT Nieuw-Lekkerland, telefoon 0184-68 67 14. (J.M.)

Bonders in opmars

Bij Labarum Academic (onderdeel van uitgeverij De Banier) verscheen vorig jaar het boek ‘Bonders in opmars’, een verzamelbundel van kerkhistorische artikelen onder redactie van John Exalto en Fred van Lieburg over de ontwikkeling van de beweging van Hervormd-Gereformeerden in de periode 1890-1960. Strikt genomen ontstond deze beweging in de eerste helft van de twintigste eeuw, zo wordt in het openingsartikel van de redactieleden de ontstaansgeschiedenis weergegeven. De opkomst van de Gereformeerde Bond is vooral te interpreteren in het licht van de Doleantie van 1886, stellen de schrijvers. Een organisatie die gereformeerden die in de Nederlandse Hervormde Kerk gebleven waren bij elkaar wilde brengen. De opkomst van de bonders wordt geïllustreerd in de bijdrage van Bas van der Wulp over de gereformeerde richting in de Hervormde Gemeente van Delft, met de komst van Hugo Visscher in 1896. Deze predikant bedankte in dat jaar voor de Confessionele Vereniging en liet al snel geen gezang meer zingen in de eredienst. Het kwam tot de stichting van een eigen wijkgebouw en de oprichting van een Gereformeerde Kiesverenging. Doel: In ontstane vacatures werden hervormd-gereformeerde predikanten beroepen. Dat lukte pas in 1900, toen een tweede predikant van gereformeerde richting kwam en in 1910 een derde (van de vijf predikanten). Meer is het ook niet geworden. In 1917 richtte ds. M. van Grieken – een van de oprichters van de Gereformeerde Bond – een tweede kiesvereniging op, met als doel ook confessionelen te binden. Deze kiesvereniging werd meer confessioneel van aard. Het leidde tot stemmenstrijd bij verkiezingen voor de afgevaardigden. Het eindresultaat was dat er in 1926 geen enkel kerkenraadslid meer was van hervormd-gereformeerde richting. Aangezien veel hervormd-gereformeerde vrouwen, toen in 1925 het vrouwenkiesrecht werd ingevoerd, uit principe niet gingen stemmen, verkregen de confessionelen en ethischen een meerderheid. In mei 1927 stichtten de hervormd-gereformeerden een eigen evangelisatie, waarin ds. Zandt (met emeritaat) en de predikanten Leenmans en Lekkerkerker voorgingen. Pas in 1944 werd deze controverse in de gemeente beslecht door een akkoord tussen ds. De Voogd en ds. Zandt. Delft is een voorbeeld waarin twee stromingen binnen de Gereformeerde Bond niet samenwerkten maar tegenover elkaar stonden, maar ook waar na een aanvankelijke opkomst de invloed van de Gereformeerde Bond verminderde.

Interessant is de opkomst van de bonders in Veenendaal, waar ook drie kiesverenigingen strijd leverden om de hegemonie in de gemeente. Ook hier weer verschil in ligging. Het artikel volgt de lijn van de ‘grote’ drie predikanten van Veenendaal: Ph.J. Hoedemaker, M. Jongebreur en A. Vroegindeweij. Laatstgenoemde wist met zijn preekstijl de jeugd te boeien en wist ook andersdenkenden aan de gemeente te binden.

Veel onderwerpen passeren de revue: de bijzondere leerstoel van de Gereformeerde Bond, hervormdgereformeerde theologiebeoefening aan de academie, het studiefonds en een hoofdstuk over vader en zoon Kievit in het licht van de verschuivingen in de hervormdgereformeerde beweging na 1960. De auteur, dr. B.J. Spruyt trekt de conclusie dat er geen sprake was van een theologische breuk tussen vader en zoon Kievit. Zelf zei ds. Leendert Kievit: ‘De jonge is de oude niet’. Er bleef volgens eigen zeggen altijd voeling met zijn vader, meer dan de band tussen vader en zoon.

Toch zijn er ook personen die aanvankelijk zich bij de Bond rekenden, maar daar los van kwamen. Hendrik Jan van Schuppen polemiseerde zelfs met het hoofdbestuur, omdat hij niet kon zeggen of hij de reglementaire kerk trouw zou blijven. Preekte hij aanvankelijk het eisend recht der bekering, met aandacht voor de bevindelijke gangen, hij kwam daarna tot de overtuiging dat de rechtvaardiging in een punt des tijds geschiedt. De ontwikkeling ging verder: het sterven in het gericht Gods verdween, daarvoor in de plaats kwam het aangrijpen van de belofte in de doop geschonken. De confessionele minderheid stond achter hun dominee in Lunteren, terwijl het hervormd-gereformeerde gedeelte door diverse uitspraken over orthodoxie door ds. Van Schuppen in de prediking, van hem vervreemd raakte.

Voor wie meer wil weten over de sterker wordende hervormd-gereformeerde beweging, is dit boek een aanrader. Het in paperback uitgevoerde boek, dat voorzien is van fraai illustratiemateriaal, geeft een evenwichtig beeld van hervormdgereformeerd leven uit deze periode. Het was inderdaad een meerstromenland met kuyperiaanse, bevindelijke en verbondsmatige invloeden, zoals op de achterkant van het boek te lezen is.

John Exalto en Fred van Lieburg (red), Bonders in opmars. 400 pagina’s, pb. Prijs: € 26,95 (J.P.N.)

Sara nevius een aandachtige leerling van de heere jezus

Voor mij ligt een ‘oude schrijfster’. Dat klinkt natuurlijk vreemd, want we zijn veel meer vertrouwd met het woord ‘oude schrijvers’. Maar het boek dat we op het oog hebben is voor het eerst uitgegeven aan het begin van de achttiende eeuw en geschreven door Sara Nevius, de vrouw van de bekende dominee Wilhelmus à Brakel.

Wie was Sara Nevius? Zij is geboren in Zoelen op 16 oktober 1632. Al op jonge leeftijd kon ze lezen en schrijven en hield ze zich bezig met geestelijke zaken. Haar eerste huwelijk duurde maar kort, omdat haar man na ongeveer twee jaar het tijdelijke met het eeuwige moest verwisselen. Later verhuisde zij naar Utrecht en leerde daar Theodorus à Brakel (de vader van Wilhelmus) kennen via de Utrechtse kring. Theodorus gaf een wijze raad aan zijn zoon, die toen nog vrijgezel was en predikant in Exmorra, namelijk om haar hand te vragen. En dat advies heeft hij opgevolgd met het gevolg dat zij op 29 maart 1664 in Utrecht trouwden. Sara was ernstig ten opzichte van de staat van haar ziel, soms stormde het en dan was er wel eens het suizen van een zachte stilte. Ze was in zichzelf ellendig, maar in Hem gelukkig. Maar… steeds die worsteling en die twijfel. Met die ‘knoop in haar ziel’ ging ze eens naar dominee Witsius, waarschijnlijk met de hoop dat hij haar wat meer zekerheid zou kunnen verschaffen over de staat van haar ziel. Maar nú kreeg Sara een wijze raad, want toen zij bij dominee Witsius kwam en haar zielenroerselen bekend maakte, sprak hij: Waarom vraagt gij mij? Vraagt het aan de Heere Jezus zelf! En die raad nam zij ter harte en begon vanaf dat moment met het opschrijven van haar meditaties die je, als je ze leest, ervaart als een alleenspraak tot haar ziel.

Sara Nevius schreef haar meditaties hoofdzakelijk voor eigen stichting. Wilhelmus à Brakel nam er pas kennis van na haar sterven en nam het besluit de meditaties voor de drukpers gereed te maken. Er zit een prachtige lijn in het boek wat betreft de leerling en de juiste wijze om het onderwijs te ontvangen. Ze schrijft: U moet uzelf er daarom terdege op beginnen te richten om van Hem onderwijs te ontvangen. Dat betekent dat er een verlangen, een hartelijke begeerte moet zijn om van Hem te leren. Geen mens kan dat werken zonder Hem. Daar wil de Heere ernstig om gebeden worden, maar… wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot.

Vervolgens handelt ze over het tijdstip. Kies dan de tijd om het onderwijs of de raad van uw Heere te vragen als u tot uzelf inkeert. Dan geeft ze het advies de vroege morgen te kiezen, als het overal nog stil is. God woont in de donkerheid en openbaart Zich in de stilte.

Als derde spreekt ze over de gesteldheid van het hart. Bid uw Heere om overtuigend licht. Tracht een hart te krijgen dat zichzelf verloochent. Een mens is zo ‘ik’ gericht, dat die al gauw van haar eigen zin een troetelpopje maakt waarover ze een antwoord van God wil krijgen. In plaats dat zo’n ziel Gods raad zoekt om die na te volgen, probeert ze God haar eigen raad te laten uitvoeren. Maar die vertrouwt op eigen benen, die wil God geen gunst verlenen.

Iedere keer opnieuw komt het eropuit dat het doel Gods eer moet zijn, maar dat dat ook een eenzijdig Gods-werk is. Eigen wil en eigen eer zal een afgesneden zaak moeten worden, want alles wat de Heere werkt, werkt Hij tot Zijn eer. En zo wordt er door Sara Nevius wat afgebedeld, zoals ze onder andere schrijft: Ik wilde zo graag door ondervinding weten wat het is om één met Christus te zijn; dat niet ik meer leef, maar Hij in mij. Ach Heere, dat het U moge behagen op dit verlangen van mij acht te slaan en te vervullen. Zult U het doen, Heere? U bent zo goed. Zult U het doen?

Het wordt teveel om alles te noemen van dit kostelijke boekje. Zo is er een meditatie voor het Avondmaal en een overdenking na het Avondmaal. Zijn er waarschuwingen voor de gevaren van de satan, die zich vertoont in de gedaante van een engel des lichts. Zijn er passages waarin geproefd wordt dat een weinigje van Zijn genade heerlijker is dan alle werelds vermaak en rijkdommen bij elkaar. Menig keer merk je dat de gesteldheid van haar ziel er een is die net als de vader van de maanzieke knaap in Markus 9 onder tranen uitroept: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. Toch is het onderwijs voor Sara als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.

Sara Nevius is niet meer. Eind januari 1706 blies zij de laatste adem uit en mocht zij vanuit het strijdperk van dit leven overgaan tot de eeuwige heerlijkheid die weggelegd is voor het volk van God. Maar door dit boek spreekt zij nog tot op de dag van vandaag, tot eer van Hem, Die zondaren zaligt. Haar man, Wilhelmus à Brakel, deelde mee dat zijn vrouw geleefd had door een verzekerd geloof en in liefde tot de Heere Jezus, tot Zijn kerk en tot Zijn Woord. Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen! Neem en lees.

Voor deze uitgave is de tekst hertaald door drs. P.A. Zevenbergen en C. Bregman. Woorden die wij niet meer gebruiken zijn vervangen, maar worden onderaan de bladzijde verantwoord. Bij het hertalen is het streven steeds geweest de voor Sara Nevius kenmerkende stijl vast te houden. Het boek heeft 48 korte hoofdstukken en leest prettig. Het is een prachtig boek om zelf ter hand te nemen én om cadeau te doen.

Sara Nevius – Een aandachtige leerling van de Heere Jezus. Het boek is door uitgeverij Den Hertog keurig verzorgd, is gebonden en telt 227 pagina’s. Uiteraard ook verkrijgbaar bij de onder ons bekende boekhandels. De prijs is het alleszins waard € 19,90. (J.H.R.)

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2016

Oude Paden | 48 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2016

Oude Paden | 48 Pagina's