Eeuwig erfgenaam
Een korte levensschets van Johanna Boeder
In de oude stadswijk Presikhaaf in Arnhem komt veel volk van God samen in de woning van weduwe Van der Pot-Boeder. Zij mag voor vele bezoekers zijn tot bemoediging en onderwijzing. Wie er voor de eerste keer komt, wordt begroet met de opmerkelijke woorden: ‘Ik ken je wel. Ik ken mij zelf’.
Een rijke boerendochter Op 3 februari 1891 wordt Johan
Op 3 februari 1891 wordt Johanna Boeder geboren in Andijk. Zij is het derde kind van Klaas Boeder en zijn vrouw Trijntje Boeder-Boeder. Ze wonen op een van de mooiste boerderijen van het Noord-Hollandse dorp Andijk.
Na de lagere school gaat Johanna, die thuis Anna wordt genoemd, werken op de boerderij van haar ouders. Haar vader is ouderling in de Vrije Gereformeerde Kerk onder het kruis van Enkhuizen. Op zeventienjarige leeftijd bekeert de Heere Anna krachtdadig. Anna’s vader wil niets weten van de bekering van zijn dochter. Het ware werk van de Heere in het hart van zijn dochter geeft hem een hart vol haat. Hij mist hetgeen zijn dochter ontvangen heeft. Bij hem is het van binnen niet echt. Aan de buitenkant lijkt het heel wat. Vaak voelt Anna zich eenzaam.
Vaak voelt Anna zich eenzaam. Haar vader negeert haar volledig. Maar de Heere vergeet haar niet. In haar hart openbaart de Heere een ontsluiting in de Middelaar. Haar hart is verheugd. Onder het harde werken op de boerderij zingt haar hart: ‘‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.’
Een arme schooier
De ouders van Anna zijn niet blij als zij verkering krijgt met bakkersknecht Johannes Brouwer. Deze jongen wordt schamper ‘schooier’ genoemd, omdat hij arm is en wil trouwen met de dochter van een rijke herenboer. Anna’s ouders hebben een rijke boerenzoon op het oog en niet de zoon van een arme tuinder. Maar Anna gelooft dat Johannes voor haar bestemd is. Ze luistert niet naar haar ouders. Haar vader onterft haar. Uit armoede trouwt de achttienjarige bruid op klompen. Haar ouders zijn zelfs niet van plan om op de bruiloft te komen.
Voor de laatste maal gaat Anna in de vroege morgen van 21 oktober 1909, haar trouwdag, mee om te melken. Het is drie uur. Met een karbonade uit het vet stapt zij in de melkschuit. Geslapen heeft Anna niet. Ze heeft gehuild en haar nood geklaagd aan haar Leidsman. Troost mag ze ontvangen uit 2 Timótheüs 1 vers 16: ‘De Heere geve het huis van Onesíforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikmaals verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.’
Haar moeder krijgt medelijden met haar dochter. Ze vindt haar kussen en laken nat van de tranen. Als de melkschuit weer aanmeert, spreekt zij Anna liefdevol aan: ‘Kind, moet je nu zo gaan trouwen? Ik kan je lakens wel wringen.’ ‘Ja moeder’, antwoordt Anna, ‘mijn vader en moeder hebben mij verlaten maar nou waag ik het met mijn God.’ De oprechtheid waarmee Anna
De oprechtheid waarmee Anna dit uitspreekt, overtuigt haar van de ware liefde van haar dochter voor de arme bruidegom. Op het laatste moment besluiten Anna’s ouders om toch mee te gaan naar het stadhuis.
Tijdens de trouwdienst krijgt Anna een bevestiging van de Heere. Ds. G.J. Wolbers bevestigt het huwelijk met 2 Timótheüs 1 vers 16a: ‘De Heere geve het huis van Onesíforus barmhartigheid’. In haar hart is ze dankbaar. De Heere zal met haar zijn.
Met haar God
Zonder geld als onterfde dochter van de rijkste herenboer van Andijk gaat zij het huwelijk in. Zij waagt het met haar God. Anna’s broers ontvangen van hun vader bij het verlaten van het ouderlijk huis elk een boerderij.
De bakker bij wie Johannes in dienst is, heeft geen kinderen. Aan Johannes stelt hij voor om de bakkerij over te nemen. Dit is voor Johannes en Anna onmogelijk. Ze kunnen nauwelijks rondkomen. De bakker stelt voor om zijn vermogen in de zaak te laten, dan kan van de winst de bakkerij afbetaald worden. De Heere geeft Zijn zegen op dit voornemen. In korte tijd is de bakkerij afbetaald. Enkele jaren later bezit Johannes meerdere bakkerswinkels. Op 1 augustus 1910 wordt het
Op 1 augustus 1910 wordt het huwelijk gezegend met een dochter. De blijde ouders vernoemen hun dochter naar de moeder van Johannes: Geertruida Wilhelmina. Een jaar later, op 9 oktober 1911, wordt een zoon geboren. Zij noemen hem Klaas.
Verhuisd naar Arnhem
Lang blijven Johannes en Anna met hun twee kinderen Mien en Klaas niet in Enkhuizen wonen. Johannes wordt directeur bij de broodfabriek Ceres in Arnhem. Op 1 december 1921 verhuist de familie naar Arnhem. Het jonge gezin wordt lid van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Arnhem.
Op 28 december 1921 overlijdt Anna’s moeder. In Enkhuizen logeert ze niet in het ouderlijk huis maar bij haar vriendin Jo Wolbers. De vriendschap met Jo is altijd gebleven. Jo is een dochter van ds. Wolbers. Acht jaar later overlijdt haar vader. In haar hart is het: ‘Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ Ze wist het wel. Voor haar trouwen had ze het gezien. Alles van het uiterlijke vertoon van haar vader zou als een zeepbel uit elkaar spatten.
Op 6 augustus 1930 trouwt Anna’s dochter Mien met Teun van Dijk. Jaren later kerkt Mien trouw in de Gereformeerde Gemeente van Arnhem. Anna mag geloven dat er een beginsel van het genadewerk in het hart van haar dochter ligt. Twee jaar later, op 31 augustus 1932, trouwt haar zoon Klaas met Alide de Haart.
Ze gaan wonen in Veenendaal. Klaas heeft daar een bakkerij.
De belofte van de Heere
Kort voor de Tweede Wereldoorlog wordt Anna ernstig ziek. Ze raakt zelfs in coma. Haar kinderen waken bij haar. Als zij wakker wordt, vertellen zij hun moeder dat zij op sterven ligt. ‘Ga maar naar huis,’ zegt Anna.
‘De Heere heeft mij beloofd dat ik in grijze ouderdom zal sterven.’ Niet lang daarna overlijdt haar man op 62-jarige leeftijd in de wachtkamer van de dokter aan een hartinfarct. Alleen blijft Anna achter. Ze mag haar verdriet en nood voor de Heere neerleggen.
Haar vertrouwen op de beloften Gods is groot tijdens het bombardement van de Rijnbrug in 1944. Een verontruste buurvrouw stelt ze gerust. ‘Laat ze maar vechten. Maak je niet druk. Het is straks allemaal voorbij.’
Aan de bediening
Als er bediening is van het Heilig Avondmaal, gebeurt er iets wonderlijks in de gemeente van Arnhem. Anna’s vriendin is een be-kommerde vrouw. Haar dochter gaat trouw aan het Avondmaal. Tussen moeder en dochter ligt het niet vlak. Ze botsen geregeld met elkaar. Maar toch mag Anna’s vriendin deze zondagmorgen geloven dat zij aan mag gaan. Tijdens de dienst loopt de dochter naar haar moeder en zegt: ‘Ik ben de schuldige. Ja, wilt u mij alles vergeven?’ Nu kan Anna’s vriendin deelnemen aan het Heilig Avondmaal, dat bediend wordt door ds. M. Heerschap. Wat is zij verblijd. Helaas voor een korte tijd. Bij de buitendeur staat haar dochter te wachten en geeft aan dat ze zich vergist heeft.
Naar de Pansierstraat
Een grote verandering in het leven van Anna komt als zij voor de tweede keer in het huwelijk treedt. Op 10 september 1952 trouwt zij met Jan Pieter van der Pot. Hij is een weduwnaar uit Scheveningen met vijf kinderen. Naast zijn drukke bestaan in zijn expeditiebedrijf en de zorg voor zijn gezin heeft Jan altijd voor zijn moeder gezorgd. Zijn moeder mocht al langere tijd geloven dat de Heere hem ook in zijn laatste jaren nog een vrouw zal geven. Samen gaan zij wonen in de Pansierstraat 15 in Scheveningen. Veel liefde mag zij geven aan haar man en zijn kinderen. Met haar Bijbel binnen handbereik wijst zij de kinderen en kleinkinderen op het ene nodige: ‘Kind, wat voor mij kan, kan voor jou ook.’ Wat is zij gunnend naar een ieder. Nooit verheven boven een ander en altijd behulpzaam. Haar nauwe omgang met de Heere is ook tot grote steun voor haar familie. Als op 47-jarige leeftijd de vrouw van haar neef Klaas Boeder in het kraambed overlijdt, reist zij zo snel mogelijk naar Enkhuizen om te helpen. Klaas vertelt haar wat er de afgelopen nacht is gebeurd. De kinderen heeft hij uit bed geroepen: ‘Kinderen, kom maar uit je bed. Je moeder gaat sterven.’ De stem van de Heere klinkt in zijn hart: ‘En het geschiedde als haar ziel uitging, want zij stierf.’ In zijn hart kreeg hij de woorden uit Genesis 35 vers 17: ‘Vrees niet, want dezen zoon zult gij ook hebben’. Maar zijn vrouw Jannetje Verhoef moest hij verliezen. Toch heeft de Heere Klaas niet ongetroost alleen achtergelaten. Zijn stem klonk nogmaals: ‘Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.’
Als Anna dit alles heeft gehoord, krijgt zij werkzaamheden met deze tekst. Ze krijgt te geloven dat deze belofte voor het jonggeboren kind is. Wat een troost. De Heere geeft een belofte. Hij weet van de nood.
Terug naar Arnhem
Op 24 oktober 1964 overlijdt Anna’s tweede man Jan van der Pot op 75-jarige leeftijd. Twaalf jaar lang heeft zij met hem het leven mogen delen. Na het overlijden van haar man verhuist Anna terug naar Arnhem. In vreugde en verdriet leeft ze in de jaren die volgen met de kinderen van haar tweede man mee. Als op 23 oktober 1969 haar 21-jarige kleindochter Anneke Sala-Bijlsma overlijdt, probeert zij zoveel mogelijk te vertroosten. Brieven schrijven doet zij niet graag, maar soms kan het niet anders.
Hartelijk verbonden
In Arnhem kerkt Anna in de Gereformeerde Gemeente. Ds. J. C. van Ravenswaay bezoekt haar iedere maandagmorgen. ‘Had je er gisteren nog wat aan?’ Wat heeft zij zijn scherpe, afsnijdende prediking lief. Samen spreken zij na de zondag zo uit de zekerheid van het geloof. Soms krijgt de predikant ook weleens een vermaning. Op de zondag van het Heilig Avondmaal moet hij niet tussendoor nog ergens gaan preken. Het Avondmaal is zo heilig.
Als Anna op een zaterdag in Enk huizen aankomt, vertelt haar nicht dat morgen het Avondmaal bediend zal worden. Nu begrijpt Anna waar ze de hele week mee gelopen heeft: ‘De Meester is daar en Hij roept u.’ Haar vriendin Sietke Smit rijdt
Haar vriendin Sietke Smit rijdt Anna, waar de reis ook naar toe is. Deze vrouw is een aantal jaren jonger en is Anna tot grote steun. Zo bezoeken zij regelmatig de gezelschappen op de Borkeld in Rijssen. Een van hen vertelt over een kind van God in Rotterdam, dat werkeloos is geworden. ‘Dat kan niet,’ reageert Anna direct, ‘Gods volk is nooit werkeloos.’ Als in 1973 een zware storm over Nederland raast, ligt een jong gemeentelid in het kraambed in het ziekenhuis. Op deze avond heeft niemand in het ziekenhuis bezoek. Maar Anna trotseert de storm en loopt samen met haar chauffeuse het ziekenhuis binnen om de blijde moeder te bezoeken.
Een toevluchtsoord voor bekommerden
Het was niet de gewoonte van Anna om ’s avonds de gordijnen te sluiten. Maar de buren hadden haar bang gemaakt voor inbrekers. Eén avond heeft zij de gordijnen gesloten. Het was ook gelijk de laatste keer. ‘Zou ik wantrouwen? De Heere heeft mij al jaren beschermd.’
Velen van Gods volk weten de aanleunwoning in Presikhaaf te vinden. Haar nauwe leven met de Heere maakt velen jaloers. Als zij van de Heere en Zijn wegen spreekt, lijkt het net of ze niet meer op aarde is. Ze kijkt dan omhoog, met haar gezicht spreekt zij tegen de Heere. Grote gezelschappen bezoekt ze liever niet. Als er slechts enkelen zijn, wil de Heere haar vaak opening geven. Haar oefeningen en vaste vertrouwen drijven menig luisteraar in het verborgene naar de troon der genade. Op een dag kwamen er bezoekers die haar willen keuren. Het werd een langzaam voorbijkruipend uur. Er kwam geen opening en wat voelde ze duidelijk aan wat die mensen kwamen doen.
Wonderlijke leiding
Het lopen naar de kerk gaat bij het klimmen der jaren moeizamer. Voor de Heere legt ze haar nood neer. Als ze er weer over aan het tobben is, denkt ze aan anderen. ‘Die doet het en die.’ Als ze haar ophalen, dan ga ik mee, besluit ze. Maar dan klinkt in haar ziel: ‘Sta vast, het is de wil des Heeren.’ Een ander mag met de auto. Zij zal niemand veroordelen. Zij kan het niet, want de Heere heeft gesproken.
Als haar achternicht in Enkhuizen met haar gezin en het agrarische bedrijf moet verhuizen, zegt zij vaak tegen haar man: ‘Kind, achter de Heere aan. Het komt goed. Je krijgt een grote boerderij met veel land.’ Een jaar voor haar overlijden bezoekt ze samen met haar vriendin Janny Kortleven de nieuwe boerderij in Oudemirdum. ‘Nu ben ik net als Abraham,’ zegt Anna, ‘Hij heeft mij alles laten zien wat Hij beloofd heeft.’
Groot spreken van de Heere Anna spreekt altijd goed van
Anna spreekt altijd goed van de Heere. Als een jonge vriend vraagt of zij geen bestrijdingen kent, zegt ze: ‘Ja, ik ken veel bestrijdingen, maar die hou ik voor mijzelf.’ Aan deze jonge man vraagt ze vaak: ‘Hoe is het in de binnenlanden?’ Veel onderwijs mag hij van haar ontvangen. Als hij ouderling G. van de Bospoort van de Gereformeerde Gemeente De Valk-Wekerom meeneemt naar Anna, is deze zeer verblijd. Als het naar zijn zin is wat hij hoort, is dat duidelijk aan zijn gezicht te zien. Met een lach op zijn gezicht zit hij te luisteren naar de ontdekkende weg die de Heere gegaan is in het leven van deze vrouw. Wat mogen de harten samensmelten als zij beiden mogen spreken over de vrijspraak van hun zonden en het Borgwerk van hun Middelaar. Op de terugweg zegt Van de Bospoort: ‘Ik heb nog nooit een vrouw ontmoet die zo’n dagelijkse omgang heeft. Het is een zegen voor Arnhem.’ Op een van de volgende bezoeken wordt door Van de Bospoort een radiotoestel in de woonkamer ontdekt. Dat kan hij niet begrijpen. Een vrouw met zo’n nabij leven en dan toch een radiotoestel. Als Anna in de gaten krijgt dat hij steeds naar de radio kijkt, maakt zij hem duidelijk dat de radio gebruikt wordt als versterker van de kerktelefoon.
Als ouderling H. J. Nieuwenhuis uit Rijssen in de put zit, bezoekt hij graag met zijn vrouw en de familie Scheppink, Anna van der Pot. Daar knapt hij van op. Ook mevrouw Lasse uit Voorthuizen en ouderling De Jong uit Leerdam behoren tot de vaste bezoekers. De familie Karels uit Rotterdam bezoekt haar als zij bij hun zoon in Arnhem komen.
Een vrouw zonder kiesrecht
‘Bent u ook wezen stemmen?’ vraagt een van de jongere bezoekers. Ze wijst naar de keuken. ‘Daar onder de tafel heb ik gezucht, gebeden voor land en volk.’ Ze is niet gaan stemmen, maar ze heeft wel haar plicht gedaan. ‘Jongen, het gaat niet goed met Nederland.’
Vol gunning en liefde
Anna spreekt de onbekeerde medemens altijd ernstig aan. Eigenlijk heeft zij voor iedereen een woord. Zelfs de duif in de kooi boven haar kamerdeur krijgt iedere morgen en avond een begroeting. De nachten zijn vaak vol worstelingen aan de troon der genade. Het moet vlak zijn tussen de Heere en haar ziel anders kan zij niet gaan slapen. Als zij 90 jaar oud is, schrijft ze een brief vol gunning en liefde aan de stiefkinderen.
Onverwachte wegen
Op 9 oktober 1981 overlijdt haar zoon Klaas tijdens een operatie. Wat was zij een korte tijd geleden blij dat zij ontdekte dat haar zoon weer uit de Bijbel las. Van Boven ontvangt zij een bevestiging uit Jeremia 31 vers 20: ‘Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind?’ De Heere werkte in hem aan het einde van zijn leven dat genadewerk dat zij als moeder niet geven kon. Een gebedszaak wordt het dan ook voor Anna dat haar zoon begraven zal worden in plaats van gecremeerd. ‘Heere, wat zult U met Uwe grote Naam doen. Hij is toch van U. Moet hij dan verbrand worden?’
De Heere zorgt voor Zijn eigen eer. Als haar schoondochter vraagt of er nog een plekje in het graf van haar eerste man is, dan is zij verblijd. De Heere weet ook in deze worsteling van haar af.
Een beloofd herstel
Met veel pijn ligt Anna op de vloer van het toilet. Later blijkt dat zij haar heup heeft gebroken. De duivel valt haar aan met een eenzaam sterven. De oplettendheid van de melkboer zorgt er-voor dat de politie haar bevrijdt. De dokter in het ziekenhuis wil haar niet opereren. De heup is verbrijzeld en de botten groeien niet meer aan elkaar. ‘Wilt u mij niet opereren, dan vraag ik het aan een andere dokter.’ De Heere heeft haar beloofd dat zij met zes weken weer naar huis mag. De dokter opereert haar toch. In het revalidatiecentrum oefent zij langs de leuningen in de gangen. De zusters vragen zich af wat zij steeds zegt. Stil gaan ze achter haar lopen en horen dat zij bidt: ‘Heere, wilt U mij beter maken?’ In de gemeenschapsruimte plaatsen zij haar expres voor de televisie. Maar ze draait haar stoel om, zodat zij met haar rug naar de televisie zit. De zusters die Anna meemaken, krijgen bewondering voor de oprechtheid van deze oude vrouw. ‘Volgende week is het Sinterklaas, dat moet u echt meemaken. Vóór Sinterklaas wil Anna weg uit het revalidatiecentrum. Wat is de arts die haar heup bekijkt verwonderd. Zij mag naar huis. Groot maakt ze de Heere voor Zijn ontvangen weldaden. De arts die de operatie heeft uitgevoerd, begroet ze voordat ze naar huis gaat. ‘De Heere heeft mij beter gemaakt.’ Dit valt niet in goede aarde. Boos zegt hij: ‘Wie heeft u beter gemaakt? Ik heb u geopereerd.’
Doof maar toch horende
Haar eigen huisarts begrijpt haar beter. De rooms-katholieke man zoekt haar op en vertelt dat zijn vrouw kanker heeft gekregen. ‘Wil je voor haar bidden?’ Anna komt met deze zaak in het verborgene terecht. ‘Wat zult Gij met Uw grote Naam doen, Heere? De dokter verwacht dat zijn vrouw geneest als ik voor haar bid.’ De doktersvrouw mag genezen van de gevreesde ziekte. Als Anna doof wordt, vraagt zij aan de arts of hij daar wat voor heeft. ‘Voor jou niet. Voor de wereld ben je toch doof en Gods stem hoor je wel.’ Vaak zegt ze het: ‘Met mijn God spring ik over een muur.’ Als een ander zijn innerlijke nood vertelt, zegt ze meestal: ‘Is het waar of leugen?’
Het einde van de reis
Op 28 februari 1985 overlijdt Anna’s dochter Mien. De maanden die volgen zijn echt in de avond van het leven. Ze moet in het ziekenhuis worden opgenomen. Ze denken dat ze kinds wordt. Het zijn echter de bestrijdingen van de satan die haar benauwen. Als haar nicht uit Oudemirdum haar opzoekt, roept ze het uit: ‘O, maak de Heere met mij groot!’ Tegen haar vrienden vertelt zij
Tegen haar vrienden vertelt zij dat ze voor de Kerst thuis zal komen. Maar Gods gedachten zijn hoger dan onze gedachten. Op 26 december 1986 mag zij op 95-jarige leeftijd het tijdelijke leven verwisselen met het eeuwige leven. Velen van Gods volk komen op oudejaarsdag naar Arnhem om hun vriendin te begraven. Ds. Van Ravenswaay leidt de rouwdienst. Op de begraafplaats Moscowa aan de Waterbergseweg klinkt Psalm 72 vers 11: ‘Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen.’
‘Arnhem 16 maart 1970
Lieve Ab en Ina Bouke,
Hier dan even een lettertje van mij en bedankt voor je briefje. Vrijdag op zaterdagnacht bracht de Heere mij terug bij de nooit begonnen eeuwigheid. Dat wij daar goed geschapen zijn. Ja, al wat Hij gemaakt had, was zeer goed. De sluitsteen was de mens. En wat zal dat geweest zijn. Hij met Adam als een vriend met een vriend. Ja, maar het duurde niet lang of de mens had de leugen liever dan de waarheid en de dood liever dan het leven. (…) En nu was ’t aan onze kant voor eeuwig afgesloten. Maar nu het Goddelijke Wezen in Zich Zelve bewogen. En kwam op de aarde. En nu zijn wij rechten kwijt, naam kwijt en God kwijt. Maar nu heeft de Heere nog een weg gebaand waar geen weg was. En nu kan ieder nog zalig worden, want verloren liggen wij en hebben niets te verspillen. Wij kunnen door Zijn dierbaar bloed behouden worden. O, nu beleven wij weer de lijdensweek en wat heeft Hij geleden vrijwillig gehoorzaam aan Zijn Vader. Dat offer kan alleen verzoening aanbrengen voor schuldige doemwaardige. En Ina als je daar veel naar toe mag gaan naar ’t Kruis. (…) En ik voel het mee hoor, maar de Heere zegt zoo liefelijk: kind ben je boos op Mij dat Ik goed ben. Want ben Ik niet veel meer dan zeven zonen. En kijk eens om je heen. Heb Ik je nog niet veel laten houden. En nu is zij van Mij en heb Ik haar gehaald. Want zij had genoeg gestreden en wat is de wereld? En ben Ik niet de Pottenbakker en jullie allemaal leem. En Ik kan toch het ene vat eren en het andere vat onteren. Kom laat ons samen rechten. Al waren uw zonden als scharlaken. Ik kan ze maken als witte wol. Ja, al waren ze karmozijn dan zullen ze worden als witte sneeuw. Jullie krijgen het maar te leen hoor. Want Ik had de mens toch geschapen dat hij niet hoeft te sterven. (…) En nu hebben wij de Vader in Zijn trekkende liefde, de Zoon in Zijn verlossende liefde en de Heilige Geest in Zijn toepassende liefde. Moet Ik nog meer doen aan Mijn wijngaard? Het is toch alles gegeven en alles gedaan ten eerste om de deugden Mijns Vaders en dan om de gegevenen van Mijn Vader. En hebt ze voor eeuwig gekocht en betaald gaan ze van kribbe naar ’t kruis. Heb jij Ina nog wat te zeggen. Moest je deze brief nu niet met verwondering lezen? Zij van onreine ouders een reine gewassen in dat dierbare bloed. Nu de Heere zegene het nog aan ons aller harten. (…) De groeten van jullie lieve Oma.’
Arnhem 11-10-1980
Lieve Ina en Ab,
Hier hoop deze een klein lettertje te schrijven. Hoop dat de Heere de pen bestuurt en mijn hart neigen wil. Ja, lieve kind, de Heere zegt zo, Mijne wegen zijn niet uwe wegen, en Mijne gedachten niet uw gedachten. Dat moeten wij nu inleven en beleven, maar mag de Heere het nu leren en doen beleven. Dan zegt men ja en amen daarop, en dat hoopt oma erg. (…) Dat je leren mag af te sterven van jezelf en inleven in Hem Drie-enig. Want dan komt de mens niet anders te staan als zondaar. Ja, wat is dat een goed plekje, voor het vlees niet aangenaam hoor. Maar dat hindert niet. En nu is Hij gekomen om zo’n doemschuldige, doemwaardige. Nu is de mens nooit slecht genoeg of daar is vergeving.
En nu lieve kind we hebben niets mee te brengen dan zonden. Och, geef je maar over en zeg maar, hier hebt U mij. Dat zegt Hij zelf in Zijn dierbaar Woord: Geef Mij je hart. Ja, dat eeuwig wonder wat Hij gedaan heeft. God verzoend in het volbrachte werk van Zijn lieve Zoon en de Heilige Geest toegepast. (...) De Heere geve je maar in te leven wat wij geworden zijn door eigen schuld. En dan kan God geen kwaad doen. Hij geve Zijn onmisbare Zegen. En hoe het ook mag lopen, Hij is nabij die op Hem hopen.
Hartelijk gegroet en de zegenbede van je liefhebbende Moe.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 2016
Oude Paden | 64 Pagina's