Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijk onderwijs van Arie Turfboer

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijk onderwijs van Arie Turfboer

Uit de brieven van een pelgrim

25 minuten leestijd

‘En Naomi, haar schoon-zeide tot haar: ‘Emoeder, Mijn dochter, zou ik u geen rust zoeken, dat het u welga?’ (Ruth 3:1). De geestelijke strekking van deze tekst was in vroeger jaren bij velen van Gods oude volk praktijk. Hoe mochten zij hun medereizigers aanspreken, onderwijzen en vermanen op hun levensweg. En dat niet vanuit de hoogte, maar vanuit een waarachtige liefde tot hun medemens, op weg en reis naar de eeuwigheid. Maar vooral ook vanuit de liefde tot een goeddoend en een dienenswaardig God. Bij hen mocht het ‘God liefhebben boven alles en de naaste als zichzelven’ bij tijden praktijk zijn, al moesten zij zichzelf vaak veroordelen om hun ongevoeligheid.

Briefwisseling

In dit artikel willen we vanuit een jarenlange briefwisseling laten zien hoe vóór alle dingen het zielenheil van medereizigers naar de eeuwigheid gebonden was op het hart van Arie Turfboer Arie Turfboer werd geboren op 21 februari 1842 in Scheveningen en daar is hij overleden op 14 juli 1922. Uit een vissersgeslacht gesproten, was ook hij van beroep visser (stuurman) op een bomschuit. Een bomschuit was een vissersschip met een platte bodem, zonder kiel. Scheveningen had geen haven en daarom waren de bomschuiten zo gebouwd, dat ze op het strand konden landen.

Op 30 maart 1876 huwde hij met Martina de Niet, geboren 7 september 1845, overleden 24 maart 1936. Zij woonden aanvankelijk in de Loggerstraat en zijn later verhuisd naar de Zeezwaluwstraat in Scheveningen.

In kerkelijk opzicht leefden zij niet mee met een plaatselijke gemeente, maar ze verkeerden met dat verachte en onedele groepje, dat wel leed droeg om de breuk.

De meeste brieven zijn geschreven aan Willem Oudijn, geboren 27 maart 1881 te Slikkerveer als derde zoon in het gezin – zijn twee oudere broertjes waren toen reeds overleden, nauwelijks één maand oud. Hij is overleden op 10 augustus 1960 te Delft. Aanvankelijk kerkte het gezin Oudijn in de Nederlandse Hervormde Kerk te Ridderkerk, maar omdat vader Oudijn in de prediking miste wat hij voor zijn ziel begeerde, las men ‘s zondags de oude schrijvers. Ze kwamen in contact met onder meer Leen Capelle uit Maassluis, Teunis en Klaas van Drimmelen uit Slikkerveer en Koos Vrolijk uit Bolnes. Hun namen zijn onder ons nog wel bekend. Ze bezochten de gezelschappen. Ook kregen ze kennis aan Arie Turfboer.

‘De Heere zij ervoor gedankt’

Arie Turfboer behoorde tot de vriendenkring van Leen Capelle. Menigmaal mocht Capelle tot onderwijs zijn van Turfboer. Op 2 januari 1893 schreef hij hem: ‘O, mijn vriend, ik mocht een rijke zegen uit uw brief genieten, waardoor de band van vereniging nog sterker werd’ en besluit hij met: ‘Schrijf een lettertje terug, want ze zijn mij aangenaam, of gij slaat of niet. Want zo lang ik u gekend heb, heb ik slagen van u gehad. De Heere zij er voor gedankt.’

In 1904 schrijft Turfboer aan Capelle: ‘En nu, geliefde vriend, wat zal ik verder schrijven? Ik heb al veel brieven van u gehad en altijd heb ik er wat uit mogen wegdragen, maar nu heb ik deze brief al wel vijfmaal gelezen. ‘t Is net of ik mij nog meer aan u gebonden voel. O, wat heeft God bewogen om mij, die niet anders waardig ben dan om Zijn toorn eeuwig te ondervinden, nog in kennis te stellen met Zijn volk, dat nog onder alle oordelen verwaardigd wordt Hem in alles en tot alles te benodigen. En dat in voorbijgaan van zovelen, die met de tijdgeest worden om- en meegevoerd. Eeuwig wonder! Looft den Heere, mijne ziel, want de Heere is goed, al zou ik ook Zijn gunst nooit verwerven.’

In het maatschappelijk leven.

De jonge Willem werd timmerman, eerst op de werf van Piet Smit in IJsselmonde en later in een ‘timmerwinkel’ aan de Oranjeboomstraat in Rotterdam. In 1911 huwde hij met Marrigje de Zanger, geboren 26 augustus 1884 te Capelle aan den IJssel en overleden 28 april 1954 te Delft. Het jonge echtpaar ging wonen op het Noordereiland te Rotterdam. De briefwisseling en ook de wederzijdse bezoeken werden, zoals hieronder blijkt, ook na hun huwelijk voortgezet. Na enige tijd verhuisde het gezin Oudijn naar Delft, waar Willem op de scheepswerf van H. Boot & Zonen aan de Rotterdamseweg als scheepstimmerman ging werken en daar na enige tijd de timmerwerkplaats overnam van Dirk Verschoor, de echtgenoot van Grietje Verschoor-Dekker, van wie een zeer lezenswaardige levensschets is nagelaten.

De eerste brief dateert van rond 1900 en de laatste van 1921, kort voor het overlijden van Turfboer.

Hoewel er in de brieven over de tijdelijke wederwaardigheden en geestelijke oefeningen veel staat dat het memoreren meer dan waard is en dat tot onderwijs kan dienen, juist ook in deze tijd, valt dit buiten het bestek en de bedoeling van dit artikel. We willen uit de brieven vooral een aantal fragmenten aanhalen die iets laten zien en voelen van een in zichzelf ellendig en arm, afhankelijk mensenkind met betrekking tot zijn medereiziger, die met hem op weg is naar de eeuwigheid.

Een onberouwelijke keus

Willem was nog ongehuwd toen de briefwisseling met Arie Turfboer ontstond. Omdat Turfboer zichzelf kende en een toegankelijk persoon was, was het voor Willem niet zo’n grote stap met zijn vragen naar hem te gaan. Op een van zijn vragen antwoordde Turfboer:

‘Wij hebben uw briefje mogen ontvangen en nu schrijft gij: kon of wilde ik eens geloven wat ik weet. Och Willem, ik heb, als ik het zeggen mag, tegen mijn zin en wil ondervonden, dat mijn kennis en wetenschap mij niet kunnen baten om er de eeuwigheid op in te wachten. Nochtans is de kennis nodig en nuttig, nietwaar, maar de Heere zal er aan te pas moeten komen, anders maakt zij ons opgeblazen en dan worden wij zulke hoge christenen. Och, dat gij en ik maar verwaardigd mogen worden om te leren naar de Heere en Zijne sterkte te vragen, want er is goddelijke kracht nodig om die banden waarmee wij geboeid en geketend zijn te verbreken. En omdat wij dat nu weten, staan wij verantwoordelijk. Och Willem, de dienst van de Heere is zo een zalige dienst. Ik kan dezelve niet genoeg aan u presenteren, want als ik Hem maar in de verte in het oog mag krijgen, dan valt alles weg. Nu, Hij kan de ijzeren grendels en die koperen deuren van ons hart wel verbreken. Och, dat wij Hem eens moeilijk mogen krijgen te vallen. Hij mocht onze onwil komen overwinnen en ons gewillig maken om Hem in Zijn eigen weg te leren kennen. En verder behoef ik u niet te schrijven, want gij weet het, en meer dan ik u zeggen kan. Maar dit mag ik u zeggen, dat ik van mijn keus geen berouw heb, hoor. Gisteren ging het zo hoog uit, dat ik moest roepen onder een vloed van tranen: Kom Heere! En ik had Hem wel zo willen omhelzen. En nu zit ik weer met een droge ziel, waardoor mijn ogen weer naar Hem uitzien. En daarom Willem, wij gaan de eeuwigheid tegemoet. Denk er om!’

Een overvloed in de Heere

Toen Willem kort omgang met zijn toekomstige vrouw had, schreef Turfboer:

‘En nu, geliefde vriend en vriendin, wat moet ik verder schrijven, die zelf de weg niet weet. Gijlieden hebt van uw vroege jeugd al veel grote voorrechten genoten, daar gij onder de zuivere waarheid zijt opgevoed. Een voorrecht, waar duizenden van verstoken zijn geweest. Hoe maakt gij het daarmee? Kunt gij daar zo gemakkelijk onder leven? Gijlieden weet het en daarom ligt en rust er meer voor uw rekening, hoor. Hebt gij al eens aan de Heere gevraagd waarom gij tezamen verenigd zijt? O, de Heere wacht om genadig te zijn. O Willem, dat ik u dit schrijf vloeit niet voort omdat ik het bezit, o neen, maar omdat ik het ook (en daar ik al zo oud ben) nog mis, zo zou ik het u zo gunnen, want de dienst van God is zo zalig, zo aangenaam en zo begeerlijk.’ Kort na hun huwelijk schreef hij:

‘Hoe maakt gijlieden het nu, want gij hebt beiden een voorrecht dat duizenden missen. Schrijf eens een lettertje en daar gij nu het ouderlijk huis verlaten hebt, o, dat gij nu dat hemelse onderwijs mocht krijgen te begeren, waar gij door hen in zijt opgevoed. O, de tijd is gevaarvol, wat zou het niet groot zijn als gij beiden de Heere mocht nodig krijgen om in alles Hem te mogen bedoelen. Nu, vriend en vriendin, geen opzien voor mensen, hoor! Wij zijn allen even diep gevallen en allen even diep afhankelijk. Ik heb ook niets in mijzelve, maar er is een overvloed in de Heere. Ik hoop, dat gij de lessen uwer ouders maar gedurig in gedachtenis mag houden, want de Heere zegt: Gedenkt uw voorgangers, die u het Woord Gods verkondigd hebben.’

’Nu rust er wat op u’

Bij de geboorte van hun oudste kindje schreef Turfboer:

‘Wat ik aan u schrijven moet weet ik niet. Ik zou u beiden gunnen, wat ik niet missen kan, noch voor de tijd, noch voor de eeuwigheid. Willem, gij zijt vader, Marrigje, gij zijt moeder geworden. O, dat gij beiden het gewicht daarvan op ulieder hart gedrukt moge krijgen, om daarmee naar de Heere te vluchten. Want o, Hij zegt: Ken Mij in al uw wegen en Ik zal uw paden recht maken. Want nu komt gij in een andere omgeving, nu rust er wat op u, waar gij de Heere in nodig hebt. Versta mij wel, hoor, want het is wat kinderen voort en op te brengen tot Gods eer. O Willem, daar ben ik zo schuldig uitgekomen. En nu schrijf ik u uit mijn eigen ervaring, tot waarschuwing, niet dat ik wat heb of ben, o neen, maar daar zoudt gij voor uzelve profijt van kunnen hebben en dat hoge Wezen zou er Zijn goedkeuring over willen geven, want dat zou Zijn eigen werk zijn. Ik behoef ulieden niets voor te schrijven – gij beiden weet het. En nu is weten niet genoeg, dat weet gij ook wel. Schrijf mij ook eens een lettertje, hoe gij het met die kennis maakt. Gij zijt nog jong en in een verleidende wereld, alles vraagt om uw hart, maar ook de Heere. Naar wien zult gij nu horen? God neige en buige uw harten, Hij opene uw oren voor Zijn stem en make u gewillig om Hem te mogen kiezen met alles, wat aan Zijn dienst en weg verbonden is, opdat gij de Heere moge leren kennen. Dan zal Hij u ook van alles wat gij nodig hebt om uw kroost in Zijn vreze op te voeden, schenken. De Heere schenke u dat uit vrije ontferming om Zijns Zelfs en om Zijn groten Naams wille.’

Toevlucht

Ook in tijdelijke omstandigheden leefde hij mee, maar steeds steeg het eeuwigheidsbelang boven het tijdelijke uit:

‘Gij schreef – en wij hebben het van Leen gehoord – dat gij in uw been gehakt hebt. O, Willem, wat is het toch een gunst maar bij de gedurigheid de toevlucht tot de Heere te mogen nemen, Die ons zo van alles komt te verzorgen. Ik denk nogal eens aan u, Willem. Hoe wonderlijk dat wij met elkander in kennis zijn gekomen.’

Roepstemmen

Een aantal jaren later schreef Turfboer:‘ Wij hebben uit uw schrijven vernomen het ongeval, dat u overkomen is. Och, zo zien we hoe dat wij ieder ogenblik en overal in gevaar zijn. En, och, hoe weinig besef dragen we daarvan om, tenminste ik, hoor. […] O, wij mogen deze dag nog beleven, maar waarom en waartoe? Vraagt het uzelf eens af. Och, Hij is ons nog niet moede – toont Hij dat niet aan ons? Och Willem, waarom zijn het maar uw vingers en waarom niet uw gehele lichaam? Het zijn roepstemmen van de Heere en daarom zegt Hij: Heden, terwijl gij Mijn stemme hoort, verhardt toch uwe harten niet. O, wij wachten en hopen maar op beterschap en zien of horen de roede niet, noch wie ze besteld heeft. Nu, ik wens ulieden van harte het nodige en dat de Heere het nog zegenen moge tot genezing niet alleen voor de tijd, maar voor uw ziele voor die grote, gewichtvolle en nimmer eindigende eeuwigheid.’

Het ene nodige

Vaak deelde hij iets mee van de tijdelijk wederwaardigheden (die vele waren), die hem en de zijnen toevielen: ziekten van vrouw en kinderen, geen werk – dus geen inkomsten, maar ook de weldaden, die ze mochten ontvangen en steeds waren dat redenen om het ene nodige weer te onderstrepen Zo schreef hij na het voorspoedig herstel van dochter Antje in 1902:

‘Wie is toch de Heere! Ik heb geen tong of mond om de Naam des Heeren te verheerlijken. Hoe gaat het zo al, Willem, met u? Schrijf ons eens, want weten is niet genoeg. Ik heb een zuster dood, die al veertig jaar dood is, die riep mij aan haar sterfbed. Toen zeide zij tot mij: Zoek Jezus vroeg. Dat viel mij daar zo onverwacht in. Waarom, dat weet ik niet. En dat wens ik u van harte toe, dat gij daartoe eens door de Heere verwaardigd mocht worden, want de dienst van Jezus is een zalige dienst. Och Willem, denk erom, we zijn op reis naar de eeuwigheid en zullen God moeten ontmoeten.’

Bemoeienissen

Dat vóór alle dingen één ding nodig is voor hem en zijn medereizigers, blijkt uit elke brief. Dat dit uit liefde en zorg voor het heil van onsterfelijke zielen voortkwam, voel je in elk schrijven; een liefde, die niet zichzelf bedoelde, maar de eer van een goeddoend en dienenswaardig God. Dat was de reden waarom hij steeds weer op het ene nodige wees. Want met Paulus mocht hij zeggen: Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet verdrietig en het is u zeker (Fil. 3 vers 7).

‘Ja lieve vrienden, wie zijn wij, dat God nog aan ons wil gedenken, dat Hij ons nog draagt en spaart in het voorbijgaan van zoveel van onze mede-natuurgenoten. Want er sterven bij ons veel mensen, jong en oud, en wij zijn nog gespaard. Waarom? Er is geen reden of oorzaak bij ons, o neen, maar omdat de Heere nog bemoeienissen met ons maakt om nog te bedenken wat tot onze vrede dient. Hij staat nog te kloppen aan de deuren van onze harten om voor Hem, Die Zich vrijwillig heeft opgeofferd en Zich nu zo vriendelijk komt aanpresenteren, toch open te doen, om als die rechte Eigenaar in onze harten in te komen om daar Zijn koninklijke Majesteit en Heerschappij uit te voeren. Want dat betaamt ons immers om voor Hem te buigen en Hem in al onze wegen te erkennen. Maar o, moest het nu van onze kant komen, dan was het afgedaan. Maar nu komt Hij Zelf kloppen; gelukkig, die Zijn stem mag krijgen te horen. Of roept de Heere ulieden niet door Zijn dierbaar Woord? Zijn de bemoeienissen van Hem niet groot en veel, die Hij met u en met ons komt te houden? Waarom heeft Hij ulieden onder Zijn lieve Woord van uw lieve ouders laten opvoeden? Gaat dat alles bij ulieden zo maar ongemerkt voorbij? Wij zullen er rekenschap van moeten geven. En daarom, haast en spoedt u om uws levens wil. De dood wenkt ieder uur en sterven moeten wij. O, de tijd vliegt voorbij en waar leeft gij zoal met uw harten? Van nature zitten wij gebonden aan de wereld. Is de wereld en al het zichtbare ons element, dan zullen wij ook met de wereld omkomen. Dat weet gij wel. Maar ik ben nieuwsgierig hoe gij het daaronder maakt. Schrijf het mij eens, alsjeblieft. Als ik u schrijven moest hoe het met mij is, dan zoudt gij wel verbaasd opzien en zeggen: Dat had ik niet gedacht van Arie. Niet in uitbrekende daden, neen, daar mag ik, onwaardige, Zijn lieve opzoekende, trouw houdende liefde onder al mijn ontrouwe afwijking en verlatingen nog gedurig ondervinden. O ja, Hij is Dezelfde tot in der eeuwigheid en nu wens ik het op Hem te wagen voor tijd en eeuwigheid en dat zou ik u nu ook zo gunnen!’

De nood hem opgelegd

‘De nood is mij opgelegd’, zo lezen we in 1 Korinthe 9 vers 16. Het was daarom dat Turfboer zich gedrongen voelde te schrijven. ‘Wie is toch de Heere, Willem, Hij heeft mij ertoe verwaardigd om de vervulling van Zijn dierbare belofte te mogen ondervinden, daar Hij mij vóór twee jaren bepaalde bij deze woorden uit Jesaja: Gij zijt Mijn getuige dat Ik God ben. En al zijn wij er in die tijd er blind voor, o, wat Ik doe dat weet gij nu niet, maar gij zult het na deze verstaan, zegt die getrouwe Waarmaker van Zijn Woord. Hoewel een pijnlijke en dodende weg voor onze hoogmoedige natuur. Maar Hij blijft getrouw. O ja hoor, en al moeten wij er nu onder door, zo is het toch zalig, hoor. En zo mag ik dan, ja, moet ik getuigen dat de Heere God is. O, wat een wonder van genade; en dat is het toch immers, om in voorbijgaan van zovelen tot een getuige gemaakt te worden, dat de Heere God is. Is dat niet groot, Willem? En al is het nu ongenoegzaam voor ons met betrekking voor die grote eeuwigheid, zo is het toch een onverdiende gunst, waarvoor wij dat hoge Wezen toch verschuldigd zijn te erkennen. O, dat wij allen er toe verwaardigd mogen worden. En al gaat het dan door een weg en pad, waar wij niet door kunnen zien en dat vlees en bloed er geen zin in heeft en ons ongelovig hart gedurig vraagt, waarom dit en waarom dat, omdat wij de Heere niet kennen, toch gaat Hij in Zijn eeuwige en vrije liefde door en zegt wel eens: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen, waaronder hij gewillig gemaakt wordt om op het einde van Zijn aanbiddelijke weg te mogen wachten en uit te roepen: Hij heeft alles wel gemaakt! Eeuwig wonder, nietwaar? Wie kan dat nu vatten? Schrijf mij eens hoe het ulieden zoal gaat. Kunt gij het zo nog al stellen met elkander; heb je daar genoeg aan? Ken Mij in al uw wegen, zegt de Heere. Het gaat op een grote eeuwigheid aan, hoor. In ons is er niets, maar in Hem is alles wat we nodig hebben. […] En nu, Willem en Marrigje, de Heere zij u beiden genadig en heilige de kennis, die gij uit kracht van het onderwijs van uw lieve ouders hebt mogen opdoen, aan uw harten en make u tot een sieraad in Zijn kerk, die Hij door Zijn bloed gekocht heeft.’

Sterven om te leven

Turfboer was in zijn schrijven niet hard, maar wel scherp, bevreesd om ‘kussens te naaien voor alle oksels der armen’ (Ez. 13 vers 18). Daarom wees hij van alles, in het bijzonder van zichzelf, af, wat buiten Christus en Zijn aangebrachte gerechtigheid was. Alleen daarin ligt de vaste grond en daarbuiten is alles stro.

‘Ik ben verlangend hoe het met u en uw vader en ulieder betrekkingen gesteld is, ook met de vrienden. Maar hoe maakt gij het? Schrijf mij eens een lettertje alsjeblieft, want kunt gijlieden het zo nogal stellen zonder de Heere? Hebt gij genoeg aan het zichtbare, zijt gij daarmee voldaan? Gijlieden hebt zoveel kennis mogen ontvangen van uw geliefde ouders. Ach, wie weet hoeveel zuchten er voor u zijn opgegaan. Of denkt gij daar niet aan? Wij zijn op reis naar de eeuwigheid en zullen God moeten ontmoeten. Wat mij betreft, de Heere komt het zo met mij te maken, dat ik Hem mag nodig hebben in alles, wat voor mij zo groot is, want als wij niets meer hebben of kunnen wordt Jezus ons dierbaar en onmisbaar. Hij is toch zulk een grote Leraar. Niemand kan ons die lessen leren omdat Hij is de opperste Wijsheid. Zijn wegen zijn lieflijkheid, goedheid en weldadigheid, maar in strijd met onze natuur. Die heeft er geen zin in. Maar sterven om te leven, wie kan het vatten, dan degenen die door Hen daartoe bewerkt mogen worden. In uw laatste briefje schreef gij, dat gij het overal zoekt. Maar, Willem, wat zoekt gij? De engel vroeg aan Maria: Vrouw, wat weent gij, Wien zoekt gij? Zijn wij ook wenende om ons gemis omdat wij God kwijt zijn en zijn wij daaruit zoekende gemaakt? Maria ging niet ongezegend van de plaats waar Hij niet meer was. Het was haar om Jezus te doen, nietwaar? Zijt gij ook zoekende gemaakt? Och, dat uw ogen daarvoor geopend mogen worden. Teleurstelling is voor ons, arme schepseltjes, zo nodig, omdat wij het zoeken waar het niet te vinden is. De Heere is een jaloers Wezen. Hij duldt geen mededinger. Geef Mij uw hart. Of hebt gij dat al aan Hem gegeven? Dan zult gij er in eeuwigheid geen berouw van hebben. Ik zou het u zo gunnen Hem te leren kennen. Het is voor ons onmisbaar, zowel voor de tijd als voor de eeuwigheid en vooral in een tijd zoals wij nu beleven. De ganse wereld is godsdienstig en wil wat doen om Jezus, Die ze niet kennen, met haar doen te bewegen alsof Hij een mens was als wij. Maar Hij is immers ook waarachtig God. En hierin wordt hun blindheid openbaar. Want Hijzelf zegt: Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Wat zijn zij nu gelukkig aan wie dit geopenbaard mag worden en daartoe door de Heere in de wegen en oefeningen gebracht mogen worden om daarin en daardoor in een bevindelijke weg kennis te mogen ontvangen, die Borg te leren kennen om alles in Zijn handen te geven en om nu op Zijn verdiensten en aangebrachte gerechtigheid uit vrije genade zich te verlaten. O, wat krijgt hij in Hem te zien waarom en waartoe Hij gekomen is. Maar, och, mijn pen weigert om de grootheid uit te drukken. Hij is die Gift, Die om niet geschonken wordt en dat aan vijanden, o, onuitsprekelijk wonder, die zichzelven liever dood werken dan uit genade zalig te worden. En waarom of ik dit nu aan u moet schrijven weet ik niet, maar de Heere weet het wel.’

Heimwee en toch een uitgaan

Turfboer bleef onder alles een ellendig en arm en missend mens in zichzelf, die in alle dingen zich geheel van de Heere afhankelijk wist. In zijn brieven geeft hij hier ook blijk van en liet de lezer ook wel een blik in eigen hart slaan: ‘Och Willem, wat zal ik u schrijven?

‘Och Willem, wat zal ik u schrijven? Ik ben uit en van mijzelve zo onbekwaam tot enig goed, dat ik er zo tegenop zie om aan ulieden een woordje te schrijven zonder eigen bedoelingen. O, wat zou het dan niet groot zijn als wij een besefje mogen gewaar worden van die woordjes van de Heere, daar Hij zegt: Zonder Mij kunt gij niets doen! (namelijk wat goed is). Anders kunnen wij maar al te veel doen. Och Willem en Marrigje, ik weet waarlijk niet wat ik moet schrijven, omdat ik mij zo ledig gevoel. En daar ik zelf de weg niet weet, hoe zou ik dan een ander kunnen onderrichten. Maar mag ik eens een oog naar Boven krijgen te slaan, o, dan is er een overvloed. Maar wij moeten er vatbaar en ontvangbaar voor gemaakt worden – en dat ligt nu alles buiten ons, en dat weet gij ook wel. Maar hoe maakt gijlieden het daarmede? Kunt gijlieden het zo nogal stellen met die kennis en wetenschap zonder de Heere nodig te hebben? […] O, vriend en vriendin, wij zijn op weg en op reis naar de eeuwigheid en wij kunnen niet met vrede leven of sterven zonder Jezus als Borg en Middelaar te kennen en te bezitten. Nu hebt gij het volste recht om mij te vragen, hoe het dan met mij in die weg gesteld is. […]

Och Willem, ik ben even onbekwaam en ongelukkig als gij, want ik zie het wel, maar ik kan er niet komen. Krijg ik eens een oog naar Boven en van mijzelf af te zien, dan is er heimwee in mijn hart vanwege mijn gemis en toch een uitgaan naar Hem, Die de banier draagt boven tienduizenden, om Hem toch eens recht te mogen leren kennen. Om uit kracht van die kennis, onder opzien tot en afhanging van Hem eens tot Zijn eer te mogen leven. Want, och, wat is ons leven, wat is mijn leven? […] De weg naar Sion is voor onze natuur dodend, zichzelve verloochenend kruis dragen en Jezus volgen, Die geen gestalte of heerlijkheid bezat. En toch rust de heerschappij op Zijn schouders. Nu, Willem, ik wens u van harte toe dat gij dat moogt leren. Dat gun ik u, hoor, dat gij bevindelijk moogt leren kennen, dat er buiten Jezus geen rust te vinden is voor u. Dan zal de Heere er ons wel aan ontdekken, dat wij rustzoekende mensen zijn in een verkeerde weg.’

Hemels onderwijs

Maar stamelend mocht hij David wel eens nazeggen: Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij:

‘Och Willem, dan moet ik mij weg schamen voor dat goeddoende Wezen. En omdat ik bij tijden mijn ongelukkige staat nog wel eens gewaar mag worden, verbindt mij dat dan ook aan de Heere om Hem te vragen. Hij mocht Zich mijner, om Zijn dierbare Zoons wil nog gedenken en mij beschikken, wat ik nodig heb voor de tijd en voor de eeuwigheid. En dan mag ik zeggen, Willem, dat de Heere Zich nog niet onbetuigd heeft gelaten tot op heden toe, Zodat Hij Zijn lieve Woord nog komt te vervullen aan mij, ellendige. En kon ik nu Zijn lieve goedheid maar roemen en erkennen. Maar in plaats daarvan word ik zo aangevochten en bestreden, dat ik mij weg schamen moet. Dus weer ellende, Willem. Hoe kom ik het nog ooit te boven. Aan onze (mijn) kant nooit, hoor. Alleen vrije genade zal het zijn.[...] O, Willem en Marrigje, wat zijn ze toch gelukkig, die dat hemels onderwijs mogen ontvangen, om alles wat hier beneden is als voorbijgaande te leren achten, wier harten losgemaakt mogen worden van alles, wat geen Jezus is. O, ik kan het u zo aanraden, ik zou het u zo gunnen. Maar niets kan ons helpen, baten dan Jezus alleen. En daar hebben we genoeg aan.’

Bij Hem alleen is raad, hulp en verberging

De inhoud van de laatste brieven (1920 en 1921) is in wezen gelijk aan de eerste brieven en geven blijk van zijn oprechte liefde en zorg:

‘O, wat houdt u toch van Hem terug? Hij, Die zo vriendelijk, genadig, barmhartig en vol mede lijden is. Of hebt ge aan het zichtbare genoeg? O, dat ge verwaardigd mocht worden om voor die bemoeienissen van de Heere eens stil te mogen staan en eens naar het waarom te mogen leren vragen. Of het Hem behagen mocht uw ogen daarvoor te openen en gij het daarom mocht krijgen te verstaan. Dan zult gij wel aan Zijn voeten in ootmoed willen erkennen, dat Hij alleen de roem, lof en eer daarvan toekomt. Want Hij alleen kan die knopen maar ontbinden. Dat schenke u de Heere uit vrije genade. O, Willem, ik zou het u zo gunnen.’

In een van zijn laatste brieven schreef Turfboer:

‘Nu, vriend en vriendin, vergeet nooit één van Zijn weldadigheden, want het is God, Die ze u bewees. Ik wens u van harte dat het u gegeven mag worden met uw kroost te vluchten tot die God, Die Zijn weldadigheden bewezen heeft. Hij is de enige en eeuwige Rotssteen. Bij Hem alleen is raad, hulp en verberging en wens u van harte het nodige.’ De laatste zin uit de laatste brief luidt: Het is mij alles maar een wonder.’


Bronnen:

Brieven van een pelgrim, 1959, in stencilvorm, vervaardigd door Romijn en Van der Hoff te Gorinchem.

Delftse Kerkbode april 1954

Diverse familiegegevens.


Bedroefden Om Der Bijeenkomst Wil

Na het overlijden van Marrigje Oudijn-de Zanger schreef ds. W.L. Tukker, die toen in Delft stond, in april 1954 in de Delftse kerkbode:

‘Wederom ging een heen van degenen, die tot de Hervormde Kerk behoren, maar die in besloten kring thuis preeklezen. Zij behoorde nog tot de weinige gezelschapsmensen, gezelschapsmensen, die er in Delft vroeger veel waren. Vooral in de vorige eeuw kwamen zij veel voor, overal in het land. In die tijd, toen de Gereformeerde religie al meer week uit de kerk, trokken zij zich al meer terug, w zich al meer terug, wars als zij waren van alle kerkelijke strijd. Men zag daar geen heil in en meende, dat de Heere geheel met Zijn Geest van de kerk geweken was. Stil en bescheiden gingen zij hun weg, zich houdende voornamelijk aan de geschriften uit de Nadere Reformatie.

Ook onder hen was er verschil. De strikt onkerkelijken hadden geen hoop meer voor de kerk en misten de sacramenten en de ambten niet. De meesten echter bewaarden diep in hun hart liefde en hoop en geloof voor de oude Hervormde Kerk. Zij verwachten dat er voor de kerk nog weer eens goede dagen zouden aanbreken. Merkwaardigerwijs keurden zij alle gescheiden kerken af. Als het ergens goed zou worden, dan zou het in de grote kerk zijn. Vandaar dat zij lid zijn. Vandaar dat zij lid bleven, hun kerkelijke belasting betaalden en als be droefden om der bijeenkomst wil ble ven uitzien naar en bidden voor het herstel der kerk. Velen van hen hebben wij zien weder keren, zodra zij in de kerk Gods Woord konden horen. Al hebben zij in de strijd niet meegestreden, wat wij wel verkeerd vinden, zij hebben wel mede Gods Woord bewaard en de noden van Sion gedragen in het gebed. En er staat ook nog in Gods Woord dat zij, die thuis bleven, deelden in de buit. De Heere nu trooste de man en de kinderen van de overledene met Zijn gunst uit Sion.’

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 2017

Oude Paden | 48 Pagina's

Geestelijk onderwijs van Arie Turfboer

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 2017

Oude Paden | 48 Pagina's