Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom de kansel van Utrecht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom de kansel van Utrecht

Deel 52 van een serie over kerkendienaars en hun spreekplaatsen

32 minuten leestijd

De geboorteplaats van de schrijver van dit artikel is Utrecht. Slechts enkele dagen verbleef hij er als zuigeling, daar zijn moeder van hem beviel in de Emmakliniek, een kraamkliniek die onderdeel was van het Diakonessenziekenhuis. De Emmakliniek is in de jaren zeventig van de vorige eeuw met de grond gelijk gemaakt. De Domkerk –het oudste bedehuisstaat er nog steeds. Schrijver dezes placht in zijn prille kinderjaren op de vraag van de melkboer: ‘Wat moet je worden?’ te antwoorden: ‘Dominee van de Domtoren’. Dominee heet hij inderdaad te zijn. Maar predikant van de Dom is hij nooit geworden. Zelfs stond hij er nooit op de kansel. Dat is geen reden om over die kansel te zwijgen, want daar is genoeg over te vertellen.

De geschiedenis van Utrecht – in het verre verleden Ultrajectum genaamd – gaat terug tot het begin van onze christelijke jaartelling. Al in het jaar 50 hadden de Romeinen er een vesting van hout en aarde. Later kwam daar een stenen burcht voor in de plaats. Na het vertrek van de Romeinen werd de ommuurde burcht bewoond door de Friezen en de Franken. In het jaar 690 stichtte bisschop Willibrord er een eerste kerk, de Maartenskerk, die later zou uitgroeien tot de imposante Domkerk.

Ter herinnering aan de komst van Willibrord staat er op het Sint Jansplein een standbeeld met Willibrord te paard. Toen prof. dr. A.A. van Ruler hoogleraar was aan de theologische faculteit te Utrecht, placht hij in het voorbijgaan van dat beeld zijn hoed af te nemen, uit respect voor de geloofsmoed van deze bisschop. Willibrord had namelijk met veel levensbedreigende tegenstand te kampen. Toch werd er de kruisvlag geplant. Overigens is de eerste kerk die Willibrord stichtte in het jaar 857 door de Noormannen verwoest.

De kerken die daarna op de plaats van de eerste kerk gebouwd werden, zijn bij diverse stadsbranden geheel verwoest. De laatste stadsbrand was in 1253. Daarna is de Domkerk gebouwd. Eeuwenlang is er aan de kerk gewerkt en toen de kerk bijna gereed was, werd door de bekende tornado van 1674 het schip van de kerk tot een ruïne. De toren overleefde wonderwel dat onweder. Het is met zijn 112 meter lengte en 465 traptreden de hoogste kerktoren van Nederland.

Geert Groote – die we een soort voorloper van de Reformatie mogen noemen en van 1371 tot 1374 een kerkelijk ambt bekleedde in de Domkerk – hekelde destijds de torenbouw van de kerk in een geschrift getiteld Contra turrim Traiectensem (tegen de Utrechtse toren), waarom hij een spreekverbod van de bisschop van Utrecht kreeg opgelegd. Geert Groote vond de toren geldverspilling, het geld had beter aan de armen besteed kunnen worden. Hij noemde het een tweede torenbouw van Babel en waarschuwde de geestelijkheid dat de toren eerlang zou instorten. Echter, hij staat er nog steeds. Zelfs toen in 1674 de zojuist genoemde tornado over Utrecht woedde en vele godshuizen tot een puinhoop maakte, bleef de toren fier overeind staan. Met het oog op de eeuwigheid moeten we inderdaad toegeven dat de Domtoren niet altijd zal blijven staan. Dat zal het ook geweest zijn waarom een broer van dr. J.J. Buskes – die in Utrecht geboren en getogen was – een ansicht van de Domtoren aan hem stuurde toen deze in St. Michelsgestel gedurende de Tweede Wereldoorlog daar achter slot en grendel verbleef met daarop: ‘Gods beloften zijn sterker dan de Dom’. In ieder geval domineert de Dom tot op heden nog de skyline van Utrecht. Een bijzondere gebeurtenis vond daar plaats in 1492. De bekende humanist Erasmus werd er toen tot priester gewijd.

In tegenstelling tot andere plaatsen in ons land lag het bestuur van de stad Utrecht in handen van de bisschop, die tevens bewindvoerder was over het Sticht. Deze trachtte de Reformatie met strenge hand te beteugelen. Nadat Luther door de paus in de ban was gedaan, werd in augustus 1521 een groot aantal werken van Luther in Utrecht in het openbaar verbrand. In diezelfde tijd werd Hinne Rode – leermeester van Jan de Bakker – ontslagen als rector van de school van de Broeders des Gemenen Levens omdat hij van ‘lutherij’ werd verdacht. In de Jacobikerk preekte onderpastoor Herman Gerrits de reformatorische beginselen, maar toen men hem in 1522 veroordeelde tot de doodstraf, herriep hij hetgeen hij gepredikt had. Al ging het gezag van de bisschop in 1529 over in de handen van keizer Karel V, dat veranderde nauwelijks iets aan het verzet tegen alles wat naar lutheranisme of calvinisme riekte. In 1540 herriep Dirk van Abcoude, de pastoor van de Geertekerk, (voor een Leidse drukker hield hij zich bezig met correctie van werken van Luther) uit vrees voor de verbrandingsdood de reformatorische beginselen die hij gepreekt had.

In 1566 werd Jan Cornelisz. Winter in Utrecht gevangengenomen en onthoofd. Hij was eerder pastoor in Hoorn en was al in een vroeg stadium voor de reformatorische leer gewonnen en daarom meerdere malen gevangengezet. Ondanks deze gruwelijke terechtstelling was het doorwerken van de leer der Reformatie niet te stuiten. Het bloed der martelaren bleek ook hier een zaad te zijn. In datzelfde jaar, ook wel het ‘wonderjaar’ genaamd, werden namelijk hagenpreken georganiseerd rondom Utrecht, waarbij Jan Arentsz. en Petrus Gabriël voorgingen. Er kwamen hoorders uit de wijde omtrek op af. Juffrouw Van Diemen, die een van de hagenprekers onderdak verleende, moest dit met de dood bekopen. Ook vond op 24 augustus van datzelfde jaar een beeldenstorm plaats, waarvan in de Dom de sporen nog zichtbaar zijn. Gedurende slechts tien dagen is toen de Jacobikerk aan de gereformeerden toegewezen geweest, maar Margaretha van Parma vernietigde dit besluit. Toen Alva in 1568 naar Utrecht kwam, werden er van de beeldenstormers 65 personen geëxecuteerd. Ondanks de toenemende anti-Spaanse houding onder de Utrechters bleef Utrecht in 1572 achter toen de ene na de andere stad zich voor de prins verklaarde. Dat zat hem vooral daarin dat Utrecht en het Sticht als bisdom eeuwenlang zelfstandig naast Holland was geweest.

Toen Utrecht in 1577 Willem van Oranje als stadhouder erkende, kwamen de gereformeerden nog in een schuur buiten de stad samen. Dit veranderde toen Petrus Datheen op 16 augustus 1578 naar Utrecht kwam en met een delegatie van de gereformeerden bij de stadsraad pleitte voor een kerkgebouw. Door zijn toedoen was het dat de kerk van het Minderbroederklooster, die niet meer gebruikt werd, voor de gereformeerde eredienst werd ingericht. Overigens werd het bouwwerk in 1581 gesloopt, omdat inmiddels meerdere kerken ter beschikking waren gekomen van de gereformeerden.

De eerste predikant die Utrecht diende was Hubert Duifhuis (1515-1581). Hij was in 1574 als priester vanuit Rotterdam naar Utrecht gekomen en kreeg de wijk rondom de Jacobikerk als standplaats. Hij ging een heel eigenzinnige weg. Als pastoor reeds. Hij preekte op erasmiaanse wijze en was in het geheim met zijn huishoudster getrouwd geweest. Bij zijn komst naar Utrecht was hij inmiddels weduwnaar. In 1578 vroeg hij aan de stedelijke overheid of hij op protestantse wijze zijn ambtelijk werk mocht gaan vervullen. Na enige tijd van onzekerheid dienaangaande kreeg hij toestemming. Aanvankelijk werden de diensten in de Jacobikerk zelfs gewisseld met de roomskatholieken. Duifhuis stelde zich niet onder een kerkenraad en wilde van geen synodebesluiten weten. Hij zag daar als het ware een ‘pauselijke’ inmenging in. Aan catechismusprediking begon hij niet. Hij zei dat de Bijbel zijn catechismus was. Tuchtoefening zag hij ook als een erfenis van Rome. Trouwens, Judas nam toch ook deel aan het eerste avondmaal? Het straffen van misdadigers achtte hij een kwestie voor de overheid. Dat gold ook de armenzorg.

De stedelijke overheid stond aan zijn kant. Zij die onder de gereformeerde kerkorde wensten te staan, noemden Duifhuis ‘een bedorven papist, libertijn of regten Swenfeldianer’. (Schwenckfeld was een geestverwant van de dopersen, zoals Thomas Müntzer en Andreas Karlstadt). We zouden hem – met name vanwege zijn kritiek op de calvinistische interpretatie van het leerstuk der verkiezing – een voorloper van de remonstranten kunnen noemen. In ieder geval heeft hij op de bekende vertegenwoordiger van de remonstranten Johannes Uytenbogaert, die in Utrecht geboren en getogen was en er zelfs predikant werd, een groot stempel gedrukt.

Naast Duifhuis – wiens aanhangers duifhuisianen werden genoemd – beriep het consistorie, dat verbonden wenste te zijn met het gereformeerde kerkverband, in 1579 een tweede predikant in de persoon van Wernerus Helmichius. Deze groep werd ‘consistorialen’ genoemd. Ze kregen de Janskerk en de Nicolaaskerk tot hun beschikking, twee jaar later gevolgd door de Geertekerk en in 1583 door de Domkerk. Helmichius heeft de eerste gereformeerde preek in de Dom gehouden. Hij heeft herhaaldelijk tevergeefs geprobeerd om Duifhuis en diens gemeente met de ‘consistorialen’ te verenigen. Dit veranderde toen na de gewelddadige dood van Willem van Oranje in 1584 de toevlucht werd genomen tot de Engelsen en de graaf van Leicester in Utrecht de scepter ging zwaaien. Dat er twee soorten protestantse kerken waren, was hem, die voor centralisme ging, een doorn in het oog. In 1586 werd de gemeente met ‘Duifhuisianen’ ontbonden en kwam zij onder de gereformeerde kerkenraad en kerkorde te staan. De belangrijkste predikant die daaraan werkte was de bekende Herman Moded, die van 1580 tot 1587 Utrecht diende, en gedurende het ‘wonderjaar 1566’ in de Zuidelijke Nederlanden een van de bekendste hagenprekers was, op wiens hoofd Margaretha van Parma een hoge prijs had gezet. Overigens was het gedachtegoed van Duifhuis daarmee geen verleden tijd. Juist bij de stedelijke elite was het populair. Toen de stedelijke overheid na de dood van Leicester in 1588 de macht terug kreeg, en de aanhang van de ‘consistorialen’ uit de stadsraad verdween, besloot men meer toezicht te gaan houden op de kerkelijke aangelegenheden. Moded moest het veld ruimen.

Zelfs met het benoemen van kerkenraadsleden bemoeide het stadsbestuur zich. Ze namen afstand van de kerkorde. Men behoefde zich niet te conformeren met de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus. Door die opstelling kwam er een predikantencorps dat we bepaald niet tot de rechtzinnigheid kunnen rekenen. Utrecht en het Sticht werden op den duur een bolwerk van remonstranten. De ‘consistorialen’ gingen in IJsselstein kerken, totdat ook daar in 1615 een remonstrants predikant beroepen werd. Toen in 1617 de scherpe resolutie werd aangenomen door Van Oldenbarnevelt, waarbij vastgesteld werd dat soldaten mochten worden ingehuurd (waardgelders) om de orde te handhaven waar dat nodig was tegen opstandige contraremonstranten, greep prins Maurits in. Op 31 juli 1618 werden de waardgelders te Utrecht door hem in eigen persoon op de Neude afgedankt en kregen de contraremonstranten de Buurkerk tot vergaderplaats en toen deze enige tijd daarna te klein bleek, kregen ze de Domkerk.

Toen in 1619 na de Synode van Dordrecht de remonstrantse predikanten moesten worden ontheven uit het ambt, waren er uit de stad Utrecht zes van de zeven predikanten die het ambt moesten neerleggen. Eerder was in 1618 Jacobus Taurinus al gevlucht, een van de leidende figuren van de remonstranten in Utrecht en het Sticht. Hij was medeverantwoordelijk voor het vervaardigen van een kerkorde die in 1612 van kracht werd voor Utrecht en het Sticht, waarbij op principiële punten afgeweken werd van de voorgeschreven kerkorde. Tevens bezorgde hij op aandrang van de Utrechtse Synode in 1615, met medewerking van onder anderen de bekende remonstrant Dirck Camphuysen uit De Meern, een gezangenbundel met 58 gezangen, getiteld Hymne ofte Loff-sangen. Overigens is die bundel nooit in gebruik genomen. Taurinus was er voor dat de overheid in kerkelijke zaken het heft in handen moest hebben, zoals dat bij de remonstranten in het algemeen het geval was. Hij zei het gevaarlijk te vinden dat een gereformeerde ouderling in de magistraat zat. Berucht zijn de volgende laatdunkende woorden uit zijn mond: ‘Zij rijden op de wagen der zuivere kerk met op de schoot een gesloten Bijbel en in de hand menselijke geschriften’. Toen prins Maurits in 1618 naar Utrecht kwam om de waardgelders te ontslaan, zag Taurinus de bui al hangen en nam hij de wijk naar Antwerpen waar hij in datzelfde jaar stierf in de armen van de eveneens uitgeweken remonstrant Johannes Uytenbogaert.

Utrecht kon met een schone lei beginnen. Een zekere bloeitijd voor de gereformeerden brak aan, zeker toen in 1636 de universiteit werd geopend, waarvan Gisbertus Voetius de rector werd. De universiteitsbibliotheek werd gevestigd in het koor van de Janskerk. Aan de universiteit werden theologie, filosofie, rechten en medicijnen gedoceerd. Voetius hield op zondag voor de opening van de universiteit een rede over Lukas 2 in de Domkerk. De preek handelde over de twaalfjarige Jezus in de tempel. Thema van de preek was het nut van wetenschappelijk onderwijs. Zijn rede kwam hier op neer: Jongeren moeten naar het voorbeeld van Christus ijverig studeren. Scholen en academiën dienen tot behoud van kerk en staat. Het is verkeerd om studie te verachten. Kennis kan heel goed samengaan met godsvrucht.

Anna Maria van Schurman werd door Voetius gevraagd een gedicht te maken naar aanleiding van deze gebeurtenis. Zij schreef toen een gedicht waarin ze ook een warm pleidooi voerde voor de vrouw in de collegebanken. Voetius zorgde ervoor dat zij als eerste vrouwelijke studente toegelaten werd, zij het dat ze door middel van een gordijn uit het zicht van de mannelijke studenten moest blijven.

Naast hoogleraar werd Voetius ook stadspredikant in Utrecht. Andere bekende hoogleraren in de bloeitijd van de theologische faculteit waren Johannes Hoornbeeck, die er van 1653 tot 1663 rector magnificus was. Van 1680 tot 1698 bekleedde Herman Witsius deze functie. Ook deze professoren waren daarnaast gemeentepredikant in de Domstad.

In Utrecht hebben naast de genoemde personen vele andere predikanten gestaan die we tot de stroming van de Nadere Reformatie mogen rekenen. We lichten de bekendsten eruit. Allereerst noemen we Abraham van de Velde, die de gemeente diende van 1651 tot 1660. Van hem is bekend geworden De wonderen des Allerhoogsten, een boek waarin hij duidelijk laat zien dat Gods vinger de geschiedenis schrijft. Helaas is hij met grote problemen uit Utrecht vertrokken, niet zozeer vanwege problemen met de kerkenraad, maar met de stadsraad. Vanaf de kansel had hij in 1659 heftig geprotesteerd tegen het feit dat de financiële opbrengsten van voorheen rooms-katholieke kerkelijke goederen, die bestemd waren voor de verbreiding der waarheid, door de stedelijke overheid, niet op de juiste wijze werden besteed. De gelden kwamen in handen van voorname families. Van de Velde noemde het publiekelijk kerkroof dat de inkomsten van de dienst des Heeren daardoor werden bekort. Daardoor ontstond in de gemeente wantrouwen tegen de stedelijke overheid met alle gevolgen van dien. Met grote tegenwerking van de kerkenraad werd door de stadsraad – die voor de kosten van de kerk en de predikant verantwoordelijk was – de onbuigzame Van de Velde uit de stad verbannen. Niet alleen hij, maar ook zijn geestverwant en ‘medeschuldige’ collega Johannes Teellinck, zoon van de bekende Willem Teellinck, moest de stad verlaten. Recentelijk verscheen van Johannes Teellinck nog een hertaald werkje getiteld De levendmakende kracht van Gods beloften. Beide predikanten vonden een nieuw werkterrein in Arnemuiden. Bekend is het verhaal dat toen Van de Velde en Teellinck binnen 24 uur Utrecht moesten verlaten, een zoontje van Johannes Teellinck boven aarde stond, dat kort te voren was overleden. Teellinck kreeg geen toestemming langer te blijven om het kind te begraven. Een van de burgemeesters zou gezegd hebben: ‘Ge kunt mijn mestkar krijgen om het lijkje weg te brengen’. Toen hij stond te kijken hoe de predikanten met hun gezinnen de stad verlieten, werd de burgemeester onwel en werd zelf met een mestkar naar de stad vervoerd om daar te sterven. Er zijn overigens historici die deze feitelijkheden weerspreken. In ieder geval is het feit van verbanning genoeg om te tonen dat de stadsoverheid niet in alles gediend was van het optreden van nadere reformatoren. Wonderlijk is het dat Jodocus van Lodensteyn, die in die tijd ook Utrecht diende (dat was van 1653 tot 1677), de dans ontsprong. Deze dichtte immers over de stadsraad:

Maar nu zien wij helaas! de wilde zwijnen

Uw wijnberg wroeten en sijn stam doen qwijnen;

als sij vervult met draff van ’s werelds genuchten,

hier eten spruyt en blad.

En wort’len op haar sat.

En ons doen suchten.

Terwijl hij over Teellinck en Van de Velde dichtte:

Sij die ons in de nood als vrienden plachten

te stutten en met troost ons quell te sachten

staan nu van verr’ en stellen ’t op een swijgen.

Gedurende de lange periode die Van Lodensteyn Utrecht diende, vond ook het rampjaar plaats. Dat was in 1672, toen de Fransen een inval deden in ons land. De Domkerk kwam toen tijdelijk in handen van de rooms-katholieken. Na het vertrek van de Fransen hield Gisbertus Voetius op 84-jarige leeftijd een preek over Psalm 126:1-2 in de gezuiverde Domkerk.

Toen op zaterdag 2 augustus 1674 de Oprechte Haerlemse Saterdaegse Courant verscheen stond daarin het volgende bericht te lezen: ‘Uytrecht den 2 Augusti. Gisteren avont ten half achten ontstont hier een schrickelick onweer, dat tot half negen toe duurde; doch het slimste was gedaen in een quartier-uurs: den hemel stont gedurigh in licht en vlam, en ‘t was schrickelick den donder en vreesselycke winden te hooren, dat verselt wierdt met het nederstorten van schoorsteenen, daecken, gevels ende toornen, dat ieder een ongemeene verbaestheyt aenbracht, en dat heeft veele van een aertbevingh doen spreecken: de kerck van den Dom tot het choor toe lagh met pylaren en al ten half achten al onder de voet als een puynhoop, sonder dat de Domtoorn eenigsints beschadigt is [...].’

Bij die tornado stortte ook een van de twee torens van de Nicolaikerk in elkaar, terwijl ook de spits van de Jacobikerk naar beneden kwam. Van de Buurkerk bleef een puinhoop over, al werd de kerk weer herbouwd. Naar aanleiding van die gebeurtenis hield Van Lodensteyn een preek over de eerste drie verzen van Psalm 29. Hij zei onder meer met het oog op de ingestorte Dom: ‘De Heere heeft onze onaandachtigheid gezien en een van die plaatsen der godsdienst aan de Fransen gegeven voor de afgod. Deze stelden daar stenen beelden in om ons te overtuigen dat wij zo dikwijls als stenen beelden daar gezeten hebben. Wij riepen tot de Heere en Hij nam die sprinkhanen weg. Maar wat gebeurde? Stonden de kerken niet ledig, als men tweemaal ter week bijeen kwam om de Heere statig te bidden? Alsdan was daar slechts een handvol volks, daar men dat wel tweemaal daags had moeten doen, maar neen, het aardse werk moest voorgaan (…) Is het vreemd dat de Heere die plaats wegneemt? De Heere gaf ons die kerk uit de hand van onze vijand en zag of wij daarmee vrucht zouden doen. Maar nu neemt Hij die weg, en nog is het tijd om daaruit te leren dat Zijn wegen gerichten zijn en rechtvaardig.’

Het duurde pas tot 1826 voordat de puinhopen werden weggehaald en het huidige Domplein ontstond. Ondertussen werd tussen de puinhopen de zonde van Sodom bedreven, waarover de koster van de Dom in 1730 een boekje open deed, hetwelk de aanleiding vormde tot een ware vervolging van homoseksuelen.

Van 1691 tot aan zijn dood in 1695 had Utrecht nog een bekende vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie binnen haar poorten. Dat was Jacobus Koelman (1632-1695), wiens wieg trouwens ook in Utrecht had gestaan. Koelman kreeg het in zijn gemeente Sluis aan de stok met de stedelijke overheid omdat hij hun inmenging met kerkelijke zaken hekelde, alsook waarschuwde tegen publieke zonden zoals dronkenschap van een van de bewindslieden. Ook het feit dat hij – hoewel de kerkenraad erin bewilligde – geen formulieren gebruikte omdat dit volgens Koelman geestelijke luiheid in de hand werkte, alsmede het niet houden van de christelijke feestdagen, omdat deze hoger werden geacht dan de dag des Heeren, waren redenen voor de stadsraad van Sluis om Koelman op non-actief te zetten. Hij reisde van stad naar stad, maar hij was nergens welkom. Wanneer men de kansel aan hem afstond, kwam het op een boete te staan. Uiteindelijk kwam hij in Utrecht terecht. Hij mocht daar de kansel niet beklimmen, maar het werd hem wel toegelaten om bijbellezingen en conventikels te houden in eigen huis, en ook wel daar buiten. Koelman kerkte overigens gewoon bij zijn plaatselijke collega’s. Hij leidde ook een gezelschap in het huis van de grootmoeder van Justus Vermeer. Daarmee noemen we de naam van een bekende vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie die weliswaar geen predikant was, maar als ouderling binnen de stad Utrecht vrij mandaat had om in huiselijke kring oefeningen te houden ter uitleg van de Heidelbergse Catechismus, rondom de bediening van het Heilig Avondmaal en met bid- en dankdagen. De geschriften van Vermeer (1696-1745), die rechtskundige was, worden tot de dag van vandaag nog gelezen.

Een man die weliswaar geen ambtsdrager in Utrecht is geweest – dat was hij wel voorheen in zijn vorige woonplaats De Bilt – was Theodorus Avinck (1740-1782), een vriend van Alexander Comrie, van wie hij diens catechismusverklaring van de eerste zeven zondagen in de tweede druk van een voorwoord voorzag. Hij oefende op gezelschappen, van welke oefeningen een heel aantal is uitgegeven. Hij was ook een pleitbezorger van de nieuwe psalmberijming van 1773.

De Afscheiding ging aan Utrecht niet voorbij. Deze had niet zozeer te maken met het Algemeen Reglement dat in 1816 was ingevoerd als wel met de prediking die volgens menigeen te voorwerpelijk was. Toen de remonstrantse hoogleraar Des Amorie van der Hoeven voor mocht gaan in een van de Utrechtse kerken, was de maat vol bij diaken Ludwig, goud- en zilversmid op de Ganzenmarkt. Met anderen organiseerde hij gezelschappen, waaronder zich ook Hermann Friedrich Kohlbrugge bevond die, als voormalig Hersteld Evangelisch Luthers student, het lidmaatschap van de Hervormde Kerk werd onthouden omdat hij geen verklaring van goed gedrag kon tonen van de Lutherse gemeente waar hij om reden van de waarheid was buiten komen te staan. Als zodanig was hij in oktober 1832 ook betrokken bij de onlusten in de boerenwoning van Johannes Keja, even buiten de Catharijnepoort. Ongeveer vijftig studenten hebben toen de diensten ernstig verstoord door ramen kapot te slaan, deuren te forceren en meubilair kort en klein te slaan. Kohlbrugge heeft toen de secretaris van de koning, Groen van Prinsterer, daarover geïnformeerd. Toen in 1833 Kohlbrugges eerste vrouw overleed waren er drie leden die de verstoorde oefening hadden bijgewoond, die de slippen van het lijkkleed droegen. Straatjongens moeten toen geroepen hebben: ‘Daar zijn ze, die dominees in de afgescheiden kerk moeten worden’. Dat was echter een vergissing. Want dat was niet bij elk bezoeker van de verboden oefeningen de doelstelling. In ieder geval niet van Ludwig en Kohlbrugge. Hoewel Kohlbrugge pas in 1848 een gemeente kreeg in het Duitse Elberfeld, wenste hij toch niet met de Afgescheidenen mee te gaan, hoewel de Hervormde Kerk zijn lidmaatschap op willekeurige wijze onthield… In die periode kende Utrecht ook een evangelist, de bekende J.L. Bernhardi (1811-1873). Toen bleek dat hij met Kohlbrugge sympathiseerde, werd hij ontslagen uit die dienst.

Vlak voor de verhuizing naar Elberfeld sloot Kohlbrugge vriendschap met de bankier Everard Henry Kol. Deze was diaken en heeft ervoor gezorgd dat Kohlbrugge tweemaal de kansel van de Dom mocht beklimmen en eenmaal die van de Janskerk (respectievelijk in 1863 en in 1864) om een dienst te leiden. Zelfs zette hij alles op alles om hem in 1866 in Utrecht beroepen te krijgen. Hij zette zich in financieel opzicht zelfs garant wanneer het tot een beroep zou komen. Helaas is het er niet van gekomen. Kohlbrugge wist niet de vereiste meerderheid van stemmen in de kerkenraad te krijgen.

Op 18 december 1835 institueerde ds. H.P. Scholte een Afgescheiden Gemeente uit de zojuist genoemde groep mensen, waarbij aanvankelijk Kohlbrugge hoorde. Menigmaal werd de bijeenkomst uit elkaar gejaagd. Zo lezen we bijvoorbeeld bij een dienst op 10 december 1837: ‘in het midden der predikatie uiteengedreven door de politie, doch ’s avonds vervolgd…’. Dit veranderde toen in 1839 per Koninklijk Besluit de Afgescheiden Gemeente van Utrecht toegelaten werd in de burgerlijke maatschappij. De Afgescheiden Gemeente van Utrecht was daarbij de eerste. De aanvraag aan de koning is wel eens vergeleken met het verkopen van het eerstgeboorterecht. Het bracht onder de Afgescheidenen verdeeldheid. Vooral de Kruisgezinden en de Ledeboerianen wensten geen gunst van de koning te vragen in kerkelijk opzicht. Na tevergeefs een beroep uitgebracht te hebben op H.J. Budding, A.C. van Raalte en H.P. Scholte, predikanten van het eerste uur, werd de Afgescheiden Gemeente gediend door de piepjonge Pieter Jan Oggel (hij werd een dag voor zijn twintigste verjaardag aan Utrecht verbonden). Hij was in Utrecht predikant van 1849 tot aan zijn vertrek naar Amerika in 1855. Men kwam samen in de inmiddels afgebroken Begijnekerk in de Breedstraat, nadat men eerder op diverse locaties was samengekomen. In 1869 veranderde de naam Christelijke Afgescheiden Kerk in Christelijke Gereformeerde Kerk. Dat was in de periode dat Abraham Kuyper in Utrecht stond (van 1867 tot 1870).

Toen Kuyper naar Utrecht kwam, was het merendeel van zijn ambtsbroeders rechtzinnig. We denken daarbij aan Nicolaas Beets, de dichter van Daar is uit ’s wereld duistere wolken, maar vooral ook aan ds. J.W. Felix, die nauwe omgang had met Wulfert Floor en een voorwoord schreef in diens Nagelaten Oefeningen. Verder ook aan ds. D. Gildemeester, ds. H.C.G. Schijvliet (ook deze had nauwe omgang met Wulfert Floor en doopte diens twee jongste kinderen) en ds. J.C. Verhoeff (broer van J.G. en H.W.A). Eventuele afscheiding was bij hen geen optie. Zodoende was het niet Utrecht, maar Amsterdam waar Kuyper met een groot deel ambtsdragers in 1886 brak met het synodale juk. Utrecht bleef echter niet achter, zij het dat de Doleantie hier een beperkter omvang had dan in de hoofdstad van ons land. Van de elf predikanten waren het ds. G. Ringnalda en ds. H. Hoekstra – van wie tal van preken bewaard zijn gebleven die het lezen meer dan de moeite waard zijn – die meegingen. De vergadering van 23 maart 1887 waarop het tot een breuk kwam tussen de genoemde predikanten en de anderen werd door ouderling Calissendorff – die ook met de Doleantie meeging – aldus beschreven: ‘Wij verlieten, 16 in getal, de Domkamer, onder gesis, geraas en beschimpingen, ja ook dreigementen met stok, en scheldwoorden. Ds. Schouten moest door twee man met geweld tegengehouden worden; als een haas zo vlug wilde hij op de groene tafel springen om ds. Hoekstra te lijf te gaan, wat ook ds. Koningsberger door om de tafel heen te lopen, wilde beproeven, doch hij werd daarin nog juist intijds door enige onzer wakkere broederen belet; en toen ook ds. Schouten in zijn sprong verhinderd werd en zijn stok in de hand hield, sloeg hij, nog door twee zijner buren vastgehouden, met een onstuimige en razende woede op de groene tafel. Een van die buren was Bronsveld die, al zijn krachten moest aanwenden om ds. Schouten in zijn grote woede met beide zijn handen vast te houden’.

Ds. L. Schouten – die in de ruimte achter zijn pastorie in de Lange Nieuwstraat zijn maquette van de tabernakel liet zien en daarbij zijn bekend geworden ‘tabernakelpreken’ hield – was aanvankelijk Kuyper goedgezind. Toen het op scheiden uitliep, verzette hij zich er – zoals bleek – tot het uiterste tegen. Ook de predikanten J.C. Verhoeff, E.F.H. Wolf, V.J. Koningsberger en de eerdergenoemde J.W. Felix en de ethisch-irenische A.W. Bronsveld wilden niet van doleren weten. Zelfs ds. E.E. Gewin, die in zijn eerste gemeente Abcoude een geestelijke omkeer ondergaan had en aan de wieg gestaan heeft van de Gereformeerde Bond, kon dit niet meemaken. Overigens heeft de laatstgenoemde aan het eind van zijn leven nog in dubio gestaan of hij mogelijk toch niet gereformeerd zou worden. H.H. Kuyper – zoon van Abraham – overtuigde hem ervan dat het beter was om toch maar in de Hervormde Kerk te blijven. De gereformeerden namen nog in hetzelfde jaar de Oosterkerk aan de Maliebaan in gebruik, die inmiddels is afgebroken. Enkele jaren later betrokken ze de Westerkerk aan de Catharijnekade, tot op de dag van vandaag het bedehuis van de Gereformeerde Gemeente te Utrecht.

Bij de vereniging van de Dolerenden met de christelijke gereformeerden was niet iedereen van de oorspronkelijk Afgescheidenen in Utrecht daar enthousiast over. Vandaar dat in 1892 de Christelijke Gereformeerde Kerk werd geïnstitueerd, waarvan ds. J. Schotel de eerste predikant werd. De gemeente kwam vanaf 1893 samen in de nieuwgebouwde kerk aan de Wittevrouwensingel, de Singelkerk. De gefuseerde gemeente (Afgescheidenen en Dolerenden) ging verder in de Begijnekerk. Opvolgers van ds. Schotel waren onder anderen ds. A. M. Berkhoff, de latere hoogleraren prof. G. Wisse, B. J. Oosterhoff en W. van ‘t Spijker. Wisse, die van 1925 tot 1928 aan de Christelijke Gereformeerde Kerk verbonden was, schreef over die periode in zijn Memoires: ‘Het kerkgebouw, dat desnoods ongeveer duizend mensen kon bevatten, liep zondag op zondag tweemaal per dag overlopend vol. Wat een heerlijke uren zijn daar doorleefd. Als ik ooit bevestigd ben in mijn overtuiging dat een Schriftuurlijkbevindelijke prediking het geheim is, zo is het daar geweest. Ik wil het hier nog eens onderstrepen: daar waar die prediking mag worden gebracht, heeft men in de regel nooit te klagen over opkomst, niet te worstelen met financiële nood en niet te vrezen van ingrijpende onenigheden.’

In de oorlogsjaren kwam mede vanwege de afstand voor de noordelijke Utrechtenaren bij Zuilen een deel van de gemeente samen dat uiteindelijk in 1948 leidde tot de vorming van een nieuwe gemeente. Aan die gemeente zijn onder anderen de predikanten P. de Smit, B. de Graaf, P. Roos en J. Westerink verbonden geweest. Na diverse kerkgebouwen te hebben gehad, komen ze nu samen in de Mattheüskerk.

In 1878 institueerde ds. E. Fransen in Utrecht een Kruisgemeente. Deze gemeente werd tot zijn overlijden in 1884 gediend door oefenaar G. Mansveld. Omstreeks 1890 is deze gemeente tenietgegaan.

In 1897 vestigde Jacob van Leeuwen uit Aalsmeer zich in Utrecht. Deze predikant bediende een zevental gemeenten. Hij was de enige predikant die in die zeven gemeenten voorging. De gemeente in Utrecht kwam samen in een als kerkzaal ingericht gebouw aan de Zandhofsestraat. Na het overlijden van Van Leeuwen in 1913 ging de gemeente ter ziele. Uit een restant van die gemeente is de huidige Gereformeerde Gemeente ontstaan, die begon met vergaderen in het gebouw aan de Zandhofsestraat, dat eigendom was van de familie Rijksen. Men kwam bijeen als afdeling van de Gereformeerde Gemeente te Zeist. Tijdens weekdiensten kon het gebouwtje de schare mensen niet bevatten en werd uitgeweken naar diverse grotere zalen in de stad. Op 25 mei 1925 institueerde ds. H. Roelofsen de gemeente, terwijl in 1929 kandidaat M. Heikoop zich als predikant aan de gemeente verbond. Zijn levensgeschiedenis is kort na zijn dood geboekstaafd door de heer Joh. Fama. Wonderlijk is dat hij na ruim vijftien jaar Utrecht gediend te hebben –en voor 109 beroepen bedankt had– het beroep naar Zeist meende te moeten aannemen daar hij zich los voelde komen van Utrecht. In die periode zei hij tegen z’n vrouw: ‘Nu vrouw, het zal een van beiden worden: of inpakken voor ons vertrek naar Zeist of gij zult mij naar het kerkhof brengen’. Het werd het laatste. Ds. Heikoop zou op 6 november 1944 in verband met toenemende duizelingen in het hoofd een bezoek brengen aan een neuroloog in de neurologische kliniek van het Academisch Ziekenhuis in de Nicolaas Beetsstraat. Terwijl ds. Heikoop in de wachtkamer zat, voltrok zich een abusievelijk bombardement van de geallieerden op het gedeelte van het ziekenhuis waar hij zich bevond. Het kostte aan 21 personen het leven, onder wie ds. Heikoop. Ds. J.R. Immink, verbonden aan de Leeuwenberghkerk, waar destijds de Nederlandse Protestantenbond kerkte, behoorde mede tot de slachtoffers. Over deze gebeurtenis zei ds. Jac. van Dijk eens in een preek over Lukas 13:4-5, waarbij hij hekelde dat mensen de voorzienigheid Gods menen te kunnen doorgronden: ‘Het is helemaal niet erg als u geen tien voor dogmatiek hebt en geen negen voor kerkgeschiedenis. Wij zullen allen nullen moeten leren schrijven op ons rapport en we zullen moeten erkennen dat we het niet weten. Laten we dan afrekenen met hen, die het zo goed weten. Mag ik in dat verband nog een frappant voorbeeld geven? Op maandag 6 november 1944 vielen er bommen in Utrecht bij de neurologische kliniek in de Nicolaas Beetsstraat. Ze waren bedoeld voor het station natuurlijk. En bij dat bombardement zijn onder anderen omgekomen: de meest linkse en de meest rechtse dominee van Utrecht (…) Beiden werden onder het puin vandaan gehaald. Het wil zeggen, dat ik met mijn vingers overal af moet blijven en dat ik God God moet laten.’

Kort na de komst van ds. Heikoop werd de gemeente eigenaar van het kerkgebouw van de Nederlandse Protestantenbond aan de Boothstraat. Vanwege de groei die de gemeente doormaakte, verhuisde de gemeente in 1967 naar de voormalige Gereformeerde Kerk aan de Catharijnesingel. Na het overlijden van ds. Heikoop werd de gemeente gediend door de predikanten J. van den Berg, A. Elshout, C. Harinck, J.S. van der Net, M. Golverdingen, A.B. van der Heiden en A.J. de Waard. Nu is L. Terlouw haar predikant. Mede vanwege de parkeermoeilijkheden en het feit dat de meeste leden buiten de binnenstad wonen, is besloten de kerk te verkopen en elders nieuw te bouwen. Daarmee zal de lange traditie doorbroken worden dat de synode van de Gereformeerde Gemeenten vergadert in Utrecht, eerst in de Boothstraat en later aan de Catharijnesingel.

De kerkscheuring van 1953 ging aan Utrecht niet voorbij. Het uitgetreden gedeelte kwam bijeen in het Bogermanhuis aan de Van Asch van Wijkkade en in 1955 vertrok men naar het gebouw in de Zandhofsestraat, waar ooit de Gereformeerde Gemeente de eerste diensten hield. Deze gemeente heeft slechts eenmaal een predikant gehad in de persoon van ds. H. Ligtenberg (1887-1965), van 1961 tot aan diens overlijden. In die periode leerde hij de christelijke gereformeerde ds. F. Bakker uit Driebergen kennen, die hij voor het eerst ontmoette in het St. Antoniusziekenhuis, dat toen nog te Utrecht gevestigd was. Bakker had Ligtenberg gevraagd om op zijn begrafenis het woord te voeren. Toen het zo ver was, kon Ligtenberg het niet doen, want hij was in het ziekenhuis opgenomen. In 2005 betrok de Gereformeerde Gemeente in Nederland een nieuw gebouw – mede in verband met de bereikbaarheid – aan de Planetenbaan te De Bilt.

Sinds 1918 is er ook een Oud Gereformeerde Gemeente, die aanvankelijk op zichzelf stond, maar zich in 1924 aansloot bij het verband van de Oud Gereformeerde Gemeenten, de zogenoemde Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten. Men kwam bijeen in een danszaal in de Ambachtstraat, die omgebouwd werd tot kerk. Deze gemeente is gediend door Martinus Overduin die vanaf 1923 als lerend ouderling en vanaf 1926 als predikant Utrecht diende tot 1928. In 1925 werd nog een Oud Gereformeerde Gemeente geïnstitueerd. Dit was een zogenoemde Boonegemeente. Deze gemeente kwam sinds 1930 bijeen in de Zandhofsestraat, nadat de Gereformeerde Gemeente verhuisd was naar de Boothstraat. Na de fusie in 1948 van de Federatiegemeenten en de Boonegemeenten leefden de beide Utrechtse gemeenten afzonderlijk naast elkaar verder. In 1955 werd de gemeente aan de Zandhofsestraat opgeheven. Het gebouw werd zoals gezegd verkocht aan de Gereformeerde Gemeente in Nederland. De leden vertrokken naar de gemeente in de Ambachtstraat. Ds. W. Kamp was daar sinds 1952 lerend ouderling. In 1964 werd hij tot predikant bevestigd. In 1969 vertrok hij naar Grafhorst. Tegenwoordig wordt de gemeente, na een ruim veertigjarige vacature, gediend door ds. A.F.R. van de Veen, die ook enige tijd de gemeente als lerend ouderling gediend heeft.

Inmiddels bleef de Bijbelse prediking in Utrechts grote kerken ook klinken. We denken daarbij aan ds. J.H. Gunning, die bekend is geworden als dichter van het lied Ga niet alleen door ’t leven. Wat had hij het er in 1913 moeilijk mee om Utrecht te verlaten, nadat hij een beroep had aangenomen naar Haarlem om daar ziekenhuispredikant te worden. Hij schreef in Herinneringen uit mijn leven: ‘Ik herinner mij nog levendig dat ik, met mijn lieve vrouw naar de Domkerk wandelde, waar ik mijn afscheidswoord ging uitspreken, evenals een bliksemflits de gedachte door mijn moede hoofd voelde heengaan: ‘Trotseer de algemene verbazing, de spot, de smaad, die er op volgen zal, maar zeg eerlijk zodra gij op de kansel staat: ‘Gemeente, ik heb gedwaald, ik kan en ik mag niet van u weggaan, ik blijf en ik schrijf morgen Haarlem af!’ Maar ik had er de moed en de kracht niet voor’.

Ook willen we ds. E. van Meer (1891-1954) niet onvermeld laten. In zijn jeugd woonde hij gedurende 1894-1904 in de Domstad omdat zijn vader aldaar predikant was. Dat was dr. B. van Meer, die tal van jaren voorzitter was van de Confessionele Vereniging. Zoon Egbert volgde het voetspoor van zijn vader, maar hing meer naar de midden-orthodoxie. Van 1930 tot aan zijn invaliditeitsemeritaat in 1945 diende hij Utrecht. In het begin van de oorlogsjaren maakte hij een geestelijke ommekeer mee. Een eenvoudige vrouw in de gemeente die werkzaam was in een van de wijkgebouwen was het middel daartoe. Van Meer schreef: ‘Pijlen van haar boog raakten hart en geweten en het einde was dat ik als een overwonnene neerzonk aan de voeten van de Heere, Die haar vingers tot de krijg toebereid had’ (…) Het is een dankzegging waard als het Gode belieft een vader in Christus of een moeder in Israël op onze weg te zenden; hun onderwijs kan onder ’s Heeren zegen zeer bevorderlijk wezen aan ons toenemen in de zaken des geloofs’.

Nadien heeft hij gepubliceerd in het Gereformeerd Weekblad en Om Sions Wil. In het laatstgenoemde blad schreef hij een verhandeling over de Openbaring, die later gebundeld werd onder de titel Alpha en Omega. Ook zagen enkele dagboeken van zijn hand het licht. Toen ds. Van Meer tot bekering kwam, werd dit op de kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente ook ter sprake gebracht. Men vroeg zich af of het wel mogelijk was dat een dominee in de Hervormde Kerk bekeerd kon worden. Ds. Heikoop vertelde daarop dat hij hem bezocht had en maar een paar woorden nodig had om te weten dat het bij die man echt en waar was.

Ten slotte noemen we ds. S. van Dorp die in 1921 intrede deed in de Domkerk, terwijl hij in 1925 afscheid nam in de Buurkerk. Jarenlang zat hij in de redactie van het Gereformeerd Weekblad; vele bevindelijke meditaties deed hij het licht zien. Toen dit geluid in de Hervormde Kerk van Utrecht dreigde te verstommen, werd er kort na zijn vertrek in 1925 een vereniging opgericht genaamd ‘Tot de Wet en tot de Getuigenis’, waar op doordeweekse avonden diverse predikanten uit de rechterflank van de Hervormde Kerk voorgingen. Jarenlang gebeurde dat in de Marnixzaal, gelegen in de schaduw van de Dom. De belangstelling ging echter meer en meer tanen. Na de vorming van de PKN in 2004 is geprobeerd deze diensten voort te zetten door predikanten van de Hersteld Hervormde Kerk en hervormden binnen de PKN uit te nodigen. Ook deze lofwaardige formule mocht helaas niet baten en de vereniging ‘Tot de wet en de getuigenis’ zag zich genoodzaakt ermee te stoppen. Ds. W. Pieters leidde op 23 juni 2009 de laatste dienst voor die vereniging. De benaming ‘Tot de Wet en tot de Getuigenis’ is ontleend aan Jesaja 8:20. Dat woord houdt ondanks het tanend kerkelijk leven in de Domstad kracht tot in het late nageslacht. Dat woord staat vaster dan de Dom…

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 2017

Oude Paden | 48 Pagina's

Rondom de kansel van Utrecht

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 2017

Oude Paden | 48 Pagina's