Rondom de kansel van Dordrecht
Deel 53 van een serie over kerkendienaars en hun spreekplaatsen
Wie in kerkelijk Nederland geen vreemdeling is, denkt onwillekeurig bij het horen van de plaatsnaam Dordrecht aan de Dordtse Leerregels, een van onze drie belijdenisgeschriften. In 1619 werden ze daar voor het eerst gelezen in de Grote Kerk. In Dordrecht kwam in datzelfde jaar ook een kerkorde tot stand en in 1574 had daar zelfs al de eerste gereformeerde synode in ons land vergaderd. Het in Turkije gelegen Nicea was vroeger ook een toonaangevende plaats betreffende het ordelijk kerkelijk leven. Denk alleen maar aan de geloofsbelijdenis van Nicea, in 325 opgesteld. De moskee nam daar echter de plaats van de kerk in. Dat mag in Dordrecht Gode zij dank nog anders zijn. Vandaar dat we bij de kansel van die stad stilstaan.
Dordrecht is afgeleid van Thuredrith, zoals de plaats voor het jaar 1049 heette. Thuredrith zou betekenen ‘doortocht’ of ‘trekvaart’. Het zou dan gaan om een riviertje tussen de Dubbel en de Merwede. Daaraan werd aanvankelijk een dorpje gebouwd dat fungeerde als een nederzetting van zoetwatervissers. De Noormannen verwoestten in 837 het plaatsje, maar het werd weer opgebouwd en graaf Dirk III stichtte er in de elfde eeuw een tol, terwijl hij er ook een kasteel bouwde. Tijdens de regering van Graaf Willem I kreeg het plaatsje, dat steeds groter werd, in 1220 stadsrechten. Aan het eind van de dertiende eeuw woonden er circa vijfduizend mensen. Heden ten dage wonen er vijfentwintig maal meer mensen.
In 1046 werd al melding gemaakt van een kapel. Het is echter niet zeker of de Dordtse Dom of de Nieuwkerk op die plaats zijn verrezen. Feit is dat een bewaard gebleven bron vermeldt dat de Nicolaaskapel (de Nieuwkerk was aan Nicolaas gewijd) in 1175 is ingewijd door de bisschop van Utrecht. Jan de Vries werd toen benoemd tot de eerste pastoor. Volgens datzelfde document was men op dat tijdstip druk aan het werk in het kerkgebouw dat we thans kennen als de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk.
In 1275 werd in Dordrecht een Augustijnenklooster gesticht, de kloosterkerk volgde in 1293. De bekende Hendrik van Zutphen (1498-1524) is daar prior geweest. Hij had van 1508 tot 1514 in Wittenberg gestudeerd en heeft daar ook kennis gemaakt met Luther. Toen Luther zijn zogenaamde ‘Turmerlebnis’ had, was Hendrik onderprior in Keulen en van 1516 tot 1519 was hij prior in Dordrecht. Over de onrust in het klooster in die tijd bestaat verschil van mening onder de historici. Het feit dat Hendrik na zijn vertrek uit Dordt, voordat hij in 1522 prior werd te Antwerpen, theologie ging studeren in Wittenberg, geeft aan dat er bij hem belangstelling is geweest voor het lutheranisme. Zou hij dat als prior voor zichzelf hebben gehouden? Zou het gerucht van 31 oktober 1517 buiten de kloostermuren zijn gebleven? Dat hij uiteindelijk voor de reformatorische leer is ingewonnen, is wel gebleken uit het vervolg van zijn leven. Hendrik rondde een onderdeel van zijn studie af met het verdedigen van stellingen over de rechtvaardiging door het geloof. Vervolgens werd hij prior in het Augustijnenklooster te Antwerpen en daar predikte hij openlijk in de kerk en op de straat het Evangelie. Al na enkele maanden werd hij in hechtenis genomen maar hij ontkwam doordat een volksmenigte die op zijn hand was hem bevrijdde. Hij trok naar Bremen, waar onder zijn bezielende prediking het aantal hervormingsgezinden groeide. Hij is dan ook wel ‘de hervormer van Bremen’ genoemd. Na Bremen kwam hij in Meldorf terecht, dat destijds nog aan Denemarken behoorde. Hier zette de geestelijkheid een menigte dronken gevoerde boeren tegen Van Zutphen op. Aan handen en voeten gebonden sleepte men hem, vastgebonden aan de staart van een paard, naar het dorp Heide, waar hij op 10 december 1524 gruwelijk werd gemarteld en ten slotte op de brandstapel stierf. Luther heeft daarop een troostbrief aan de gemeente van Bremen geschreven met een verklaring van Psalm 9.
Wie al vroeg een reformatorisch geluid in Dordrecht en directe omgeving deed horen, was Cornelis Woutersz. Toen hij echter voor de inquisitie moest komen, herriep hij alles, uit vrees voor de doodstraf. Daarna vertrok hij naar Kampen en Bremen, waar hij als schoenmaker en handelaar niet onfortuinlijk was. Toen hij terugkeerde naar Dordt om te trachten zijn vrouw in te winnen voor de reformatorische beginselen - wat hem helaas niet gelukte - werd hij opnieuw ingerekend. Hij kwam in de Gevangenpoort te Den Haag terecht, alwaar hij in 1529 werd geradbraakt.
Alle vorm van ‘ketterij’ werd in Dordt de kop ingedrukt. Met name door schout Johan van Drenckwaert, die alles wat hij verdacht vond de kop indrukte. Over zijn optreden heeft P. de Zeeuw JGzn. de jeugdboekjes Jacht zonder buit en Niet een van de vijf geschreven. De schout werd gesteund door de eveneens onbuigzame burgemeester Van der Mijle. Zodoende ging de Beeldenstorm en een geplande hagenpreek door Jan Arentsz in 1566 aan Dordrecht voorbij. Hoewel Margaretha van Parma de burgemeester vanwege diens optreden in de adelstand verhief, bleef Dordrecht in de Tachtigjarige Oorlog niet buiten schot. Ook daar kwam Spaanse inkwartiering. Toen in juni 1572 de Geuzen Dordrecht wilden innemen, bleek echter dat de meerderheid van de stadsraad niets meer voelde voor een Spaanse overheersing. Dordrecht kwam toen in handen van de prins van Oranje.
De eerste predikant van Dordrecht was Johannes Lippius. Hij werd geboren in Nieuwpoort (gelegen in de Zuidelijke Nederlanden) en in het wonderjaar 1566 was hij burgemeester in het Vlaamse Eeklo. Hij bevorderde de zaak van de Reformatie en herbergde predikanten die verboden samenkomsten leidden. In 1567, het jaar waarin Alva met zijn leger naar de Nederlanden kwam, stond hij als predikant in Breda en kwam hij met vijftig anderen op de zwarte lijst van de Bloedraad te staan. In 1568, het jaar waarin de Tachtigjarige Oorlog een aanvang nam, werd hij ook voorganger van de gevluchte Nederlanders in Wezel en in dat jaar tekende hij ook het convent van Wezel. Hij was dus vanaf het prilste begin bij de organisatie van de gereformeerde kerk betrokken. Gezien zijn verleden als burgemeester was hij daar een geschikt persoon voor. Ook op de Synode van Emden in 1571 was hij aanwezig. Hij kreeg toen onder meer opdracht om in vacante gemeenten bijstand te verlenen. Zo leidde zijn weg in 1572 naar Dordrecht, waar hij aanvankelijk in de open lucht, maar al spoedig, in de maand juli, in de Augustijnenkerk het Woord van God bediende, nadat die kerk van beelden en altaren was ontdaan. De weg daartoe was gebaand doordat enkele dagen daarvoor de eerste vrije Statenvergadering werd gehouden in – naar men meent – een van de gebouwen van het Augustijnenklooster. Op die vergadering besloot men tot organisatie van de opstand tegen Alva’s optreden. Naast Willem van Oranje en Lumey was daar ook Marnix van St. Aldegonde aanwezig. Laatstgenoemde was ook aanwezig in de dienst die Lippius leidde. Lippius schreef in 1573 de Dordtse consistorieregels en was ook tegenwoordig bij de eerste synodevergadering van de gereformeerde kerken uit bevrijde steden uit Zeeland en Holland, die in 1574 te Dordrecht werd gehouden. Hij keerde in 1575 naar Wezel terug en heeft rond 1578 de Zeeuwse gemeente Hulst gediend.
Twee maanden na de komst van Lippius naar Dordrecht kwam er al een tweede predikant in de persoon van Bartholdus Wilhelmi, terwijl een jaar later nog eens twee predikantsplaatsen gesticht werden. Willem van Oranje heeft in 1573 bij Bartholdus Wilhelmi belijdenis van het geloof gedaan, zodat hij nu lidmaat was van de gereformeerde kerk in de Nederlanden. We lezen in het consistorieboek dat op 31 maart 1574 voor de derde keer het Heilig Avondmaal gehouden werd. De eerste maal wa-ren er 368 mensen die deelnamen, de tweede keer 463, en de derde keer zaten maar liefst 536 communicanten aan. Daarbij lezen we de opmerking: ‘Ten selvigen dage heeft die Princelicke Exellencie met ons het broodt gebroken’.
Van grote betekenis voor het kerkelijk leven van Dordrecht en de hele gereformeerde gezindte is Hendrik van den Corput (1536-1601) geweest. Deze man had rechten gestudeerd in Leuven en was advocaat in Breda. In de dagen van de Hervorming werd hij voor de gereformeerde beginselen ingewonnen. Hij was ouderling in Breda. Toen de vervolgingen kwamen, vertrok hij naar Heidelberg, waar hij theologie studeerde onder leiding van de opstellers van onze Heidelbergse Catechismus, Ursinus en Olevianus. In 1578 werd hij predikant te Dordrecht en hij bleef dat tot aan zijn dood in 1601, hoewel hij ondertussen werd uitgeleend aan Breda en Hoorn. Op synodaal vlak heeft hij veel werk verzet, onder meer betreffende het regelen van de armenzorg, maar niet in het minst door het onderzoeken en bestrijden van allerlei ketterijen die her en der in de gemeenten opkwamen. Zo had hij veel te stellen met Hermannus Herberts, die ooit in Dordrecht zijn collega was, maar zich in zijn volgende gemeente Gouda meer en meer ontwikkelde als voorloper van wat later de remonstranten genoemd werden. Met zijn collega Jeremias Bastingius, die van 1586 tot 1593 zijn collega in Dordt was, had Van den Corput betere banden. Hij vertaalde diens catechismusverklaring vanuit het Latijn in het Nederlands. Bastingius was afkomstig uit het Zuid-Nederlandse Ieper en studeerde te Genève en Heidelberg. In de laatstgenoemde plaats promoveerde hij bij Hieronymus Zanchius. Daarna stond hij te Antwerpen totdat de Spaanse troepen deze stad innamen en hij moest uitwijken naar elders. Dat werd dus Dordrecht.
Hij heeft als eerste een catechismusverklaring in het Nederlands het licht doen zien, op aandrang van de Synode van Middelburg in 1581. In 1588 kwam deze in Dordrecht van de pers. Opvallend is dat hij in zijn catechismusverklaring aandacht vraagt voor een grote opwekking onder Israël. Dat heeft hij ongetwijfeld zittend aan de voeten van Zanchius meegekregen en meegenomen. Op een enkeling na waren de predikanten van het eerste uur in Dordrecht rechtzinnig. Zo ook toen de beroemde Synode van Dordrecht in 1618-1619 plaatsvond en Dordrecht vijf predikantsplaatsen telde. Zowel Johannes Becius als Balthasar Lydius waren als afgevaardigde aanwezig op die Synode.
Lydius hield zowel bij de aanvang als bij de sluiting van die Synode een preek in de ‘Dordtse Dom’. Ook gedurende de dagen waarin de Nadere Reformatie van zich liet horen, bleef Dordrecht niet achter. Naast Jacobus Lydius (zoon van Balthazar) noemen we Jacobus Borstius, die van 1644 tot 1654 in Dordrecht stond, en vooral bekend is geweest vanwege de ‘harige oorlog’. Hij protesteerde tegen het in zwang komen van het dragen van lang haar door mannen in een preek die hij in 1640 hield over 1 Korinthe 11:14: ‘Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?’’
Andere predikanten in Dordrecht die we tot deze beweging mogen rekenen waren Johannes d’ Outrein, Salomon van Til en Johannes Barueth, zij het dat de eerste twee tot de ernstige coccejanen behoorden.
Vermeldenswaard is ook dat Rutger Schutte predikant was in Dordrecht, van 1742 tot 1745. Met onder anderen de Dordtse arts Johannes Eusebius Voet (1706-1778) behoorde hij tot degenen die een belangrijk aandeel hadden in de totstandkoming van de psalmberijming van 1773.
Johannes Eusebius Voet ligt begraven in de Nieuwkerk, die heden ten dage functioneert als winkel van Pieters Keuken, Koken en Wonen. Het geeft toch wel stof tot nadenken als men bij bezoek aan de kerkwinkel over de zerk loopt van de man die dichtte:
Welzalig hij die in der bozen raad niet wandelt, noch op ’t pad der zondaars staat,
niet wandelt, noch op ’t pad der zondaars staat,
Noch nederzit waar zulken samenrotten
Die roekeloos met God en godsdienst spotten;
Maar ’s Heeren wet blijmoedig dag en nacht
Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
Medeberijmer Rutger Schutte heeft zich niet alleen ingezet voor de nieuwe psalmberijming maar ook ijverde hij voor het gebruik van de Evangelische Gezangen in de eredienst. Daarover schreef hij eens: ‘Mochten wij in onze tempelen nog eens zingen niet meer van ’t schaduwachtig, maar van ’t waarachtige en nu volbrachte zoenoffer des Heilands, en op onze feesten van Christus’ geboorte, dood, opstanding en hemelvaart, en van den Heiligen Geest’. Hij heeft de invoering van de Evangelische Gezangen niet meer meegemaakt. Het enige gezang dat van hem nog gezongen wordt is ‘Middelpunt van ons verlangen’, te zingen op de wijs van ‘Uren, dagen, maanden jaren’.
Toen de Afscheiding in 1834 plaatsvond, was dat in Dordrecht heel kleinschalig, want in 1835 ging het om slechts zeventien personen, over wie de kerkenraad van de ‘grote’ kerk schreef: ‘Alle deze personen zijn voorts mensen van zeer gebrekkige kennis; met eene uitzondering, van lagen stand en van geringe invloed; zoodat wij over dit verschijnsel onder ons geene groote bekommering hebben’. Een jaar later werd er een gemeente geïnstitueerd. Aan de Lange Kromhout bevond zich vroeger een leegstaande manege van de marechaussee. Daar kwamen de Afgescheidenen aanvankelijk samen. De burgemeester schreef: ‘Voor het soort van menschen, waaruit de Afgescheidenen bestaan, kan het een geschikt lokaal zijn’. De eerste predikanten die de Christelijke Afgescheiden Gemeente dienden waren achtereenvolgens Pieter Meindert Dijksterhuis (van 1841 tot 1848) en in 1849 kwam de bekeerde Jood Salomon Mozes Flesch. Hij raakte al spoedig in conflict met de kerkenraad, reeds na een jaar kwam hij buiten het kerkverband te staan. Met een gedeelte van de gemeente sloot hij zich in 1852 aan bij de Gereformeerde Kerk onder het kruis. Hij werd door de legendarische Cornelis van den Oever bevestigd. De gemeente kocht het kerkgebouw van de Oud Katholieken aan de Kuipershaven en daar nam zij intrek. Overigens vertrok Flesch al in 1853, na een fikse botsing met Van den Oever. Na zijn vertrek is onder anderen Abraham Verheij daar voorganger geweest. Aanvankelijk in het verband van Gereformeerde Gemeenten onder het kruis, later zelfstandig en nog later in de Christelijk Afgescheiden Gemeenten. Vervolgens diende hij vrije gemeenten in Delft en Vlaardingen. Zijn levensavond heeft hij in Dordrecht en Schoonhoven doorgebracht.
Tot aan het jaar 1869 waren er twee afgescheiden gemeenten in Dordrecht die naast elkaar bestonden. Inmiddels had de Christelijk Afgescheiden Gemeente, die aan de Lange Kromhout vergaderde, in 1866 op de plaats van de manege een kerk gebouwd die heden ten dage eigendom is van de vereniging ‘Calvijn’.
Toen in 1869 landelijk de Gereformeerde Kerk onder het kruis een fusie aanging met de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de naam Christelijk Gereformeerde Kerk werd aangenomen, kreeg dat in Dordrecht ook gestalte. Hoewel behorend tot hetzelfde kerkverband, bleven de gemeenten hun eigen leven leiden. Een teken dat men deel uitmaakte van één kerkverband was echter het feit dat op 18 augustus 1872 ds. Eichhorn in de kerk aan de Kuipershaven bevestigd werd door ds. C. van Proosdij, die in de nieuwe kerk aan de Lange Kromhout stond.
In 1885 verliet de zustergemeente de kerk aan de Kuipershaven omdat deze te klein werd. Men betrok een nieuw kerkgebouw aan de Lindengracht, heden ten dage Museumstraat genoemd. Ds. D.J. van Brummen, die de predikanten W. Eichhorn en J. Wisse opvolgde, was toen predikant van die gemeente. De gemeente aan de Lange Kromhout werd in die tijd gediend door ds. H.G. de Jonge. In 1887 vond in Dordrecht de Doleantie plaats.
Driehonderd gemeenteleden wendden zich tot de kerkenraad met het verzoek de ‘reformatie van de kerk’ ter hand te nemen. Bij niemand van de predikanten kreeg men gehoor. De dolerende gemeente kwam samen in een houten noodkerk – de Westerkerk genaamd – die op 11 maart 1888 in gebruik werd genomen. In 1890 kreeg men een eigen predikant in de persoon van ds. K. Fernhout. Twee jaar later, toen de synoden van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde kerken (de dolerenden) besloten zich te verenigen tot de Gereformeerde Kerken in Nederland stuitte dat in Dordrecht op bezwaren. Een kleine honderd personen kwamen vanaf die tijd op zondag bij elkaar in het gebouw van de Dordrechtse Schildersbond aan de Cornelis de Wittstraat. Er werden leesdiensten gehouden, terwijl op donderdagavond oud-predikant ds. J. Wisse uit Den Haag voorging. Een ander gedeelte van de bezwaarden, afkomstig uit zowel de gemeente in de Museumstraat als uit de gemeente aan de Lange Kromhout, vormde een Vrije Gereformeerde Vereniging, die doordeweeks eveneens samenkwam in het gebouw van de Dordrechtse Schildersbond. Een van de voorgangers in die gemeente was Abraham Verheij, die zich na zijn emeritaat in Dordrecht gevestigd had. Nadat hij het preken moest opgeven werd de groep geleid door A.W. de Rover, die predikanten uit allerlei kerkverbanden uitnodigde. Omdat een gedeelte van hen een toch een meer kerkelijke weg wenste te gaan, sloot men zich aan bij de Gereformeerde Gemeenten. Men kwam bijeen in gebouw Patrimonium in de Lange Breestraat. Men vormde een afdeling van de Gereformeerde Gemeente te Ridderkerk en betrok in 1921 het kerkgebouw van de Christelijke Gereformeerden in de Museumstraat, dat leeg was komen te staan. Het viel niet altijd mee om predikanten te krijgen. Toen men aan ds. G. van Reenen vroeg een vrije zondag aan Dordt te geven, antwoordde hij op de hem eigen wijze dat hij reeds naast zijn eigen vrouw (de gemeente Gouda) vier bijwijven (vier vacante gemeenten in de classis Rotterdam) had te verzorgen. In 1922 bracht men een beroep uit op oefenaar J. van Vliet te Boskoop. Omdat deze niet tot de Gereformeerde Gemeenten behoorde, ging de gemeente over tot de Federatie van Oud Gereformeerde Gemeenten. Ds. Van Vliet diende de gemeente tot aan zijn overlijden in 1928. Hij werd opgevolgd door ds. M. Overduin. In die periode wensten verschillende gemeenteleden weer aansluiting bij de Gereformeerde Gemeenten. Toen dat niet overgenomen werd, belegde men diensten in Patrimonium, waar men vroeger ook reeds bij elkaar kwam. Op 29 januari 1930 werd de eerste dienst werd geleid door ds. W.C. Lamain. Langzamerhand nam het aantal leden toe. Al in november 1930 werd een gemeente geïnstitueerd. Na enige tijd in een school gekerkt te hebben, kreeg men in 1935 in de persoon van ds. J.D. Barth de eerste predikant. In zijn tijd is ook de nieuwe kerk aan het Kasperspad gebouwd, die 650 mensen kon herbergen. In 1946 kwam ds. D.L. Aangeenbrug. Toen in 1953, drie jaar na het vertrek van ds. Aangeenbrug, een scheiding plaatsvond binnen de Gereformeerde Gemeenten, ging dit ook Dordrecht niet voorbij. Ongeveer tweehonderd leden zijn toen uitgetreden. Zij kerkten sindsdien in de Waalse kerk op de hoek van de Voorstraat en de Visstraat. Na ongeveer twintig jaar betrokken ze een nieuw kerkgebouw aan de Neptunuslaan. De Gereformeerde Gemeente in Nederland in Dordt heeft nooit een eigen predikant gehad.
Ondanks de breuk van 1953 kwam er langzamerhand weer groei in het ledenaantal van de Gereformeerde Gemeente. Tijdens de ambtsbediening van ds. D. Hakkenberg (1964-1973) nam het ledenaantal toe van 700 tot 1150. Ook daarna groeide de gemeente gestaag. Men zag uit naar een ruimer kerkgebouw. In 1976 werd de voormalige gereformeerde Julianakerk aangekocht, waar de gemeente tot op heden samenkomt. Ds. C. Harinck, die toen in Dordrecht stond, bediende het Woord bij de ingebruikname naar aanleiding van Haggai 2:10a: ‘De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan van het eerste, zegt de Heere der heirscharen’.
Hoe verliep het verder met de Oud Gereformeerde Gemeente van ds. M. Overduin sedert de instituering van de Gereformeerde Gemeente? In 1942 besloot ds. Overduin christelijk gereformeerd te worden en werd de gemeente vacant, terwijl een flink deel ds. Overduin volgde in diens overgang. Hoewel de kerkenraad hem gevraagd had afscheid te preken, deed hij dat niet. Overduin is kort na zijn overgang naar de Christelijke Gereformeerde Kerk predikant in Werkendam geworden. Na Overduins vertrek werd ds. Joh. van der Poel consulent. Na tweemaal tevergeefs een beroep op ds. B. Hennephof uit Scheveningen gedaan te hebben nam hij een derde beroep op hem uitgebracht aan. Hij diende de gemeente van 1945 tot aan zijn emeritaat in 1968. Gedurende deze periode kwam de gemeente vanwege een leergeschil over de orde des heils los te staan van de Federeratie van Oud Gereformeerde Gemeenten. De gemeente is later gediend door ds. B. Jongejan. Na diens overlijden werd de gemeente ontbonden. De meeste leden sloten zich aan bij de Nederlandse Hervormde kerk. Momenteel functioneert de kerk in de Museumstraat als ‘kunstkerk’.
Ds. D.J. van Brummen was in 1892 met zijn gemeente in de Museumstraat meegegaan met de vereniging, zodat men deel uitmaakte van de Gereformeerde Kerken in Nederland. In 1896 ging hij echter alsnog met een groot gedeelte van de gemeente over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk, mede met het oog op de leer van de veronderstelde wedergeboorte, die bij de Gereformeerden steeds meer naar voren kwam. De gemeente groeide gedurig en ten tijde van ds. L.H. van der Meiden bleek het noodzakelijk een nieuwe kerk te bouwen. Deze werd gebouwd aan de Dubbeldamseweg en werd op 7 april 1921 in gebruik genomen. Na het vertrek van ds. Van der Meiden naar Den Haag werd de gemeente gediend door de predikanten H. Visser, C. Smits en M. Baan. Na het vertrek van ds. Baan werd de gemeente – mede door onderling verschillen over de prediking – gesplitst in Dordrecht-Centrum en Dordrecht-Zuid. De laatstgenoemde gemeente bouwde de Zuidhovenkerk, een verbouwde boerderij. De eerste predikant werd ds. H. van der Schaaf. In Dordrecht-Centrum kwam ds. D. Slagboom, die opgevolgd werd door ds. M. Pronk. Ds. Pronk trad in 1977 met een flink aantal kerkenraadsleden en gemeenteleden uit en sloot zich aan bij de Oud Gereformeerde Gemeenten. Aanvankelijk kwam men bijeen in de aula van het Christelijk Lyceum.
Vervolgens werd aan de Markettenweg een nieuwe kerk gebouwd. Na het vertrek van ds. Pronk werd ds. A.D. Muilwijk zijn opvolger, eerst als lerend ouderling, later als predikant. Nadat ds.
Nadat ds. Pronk zijn ambt in de Christelijke Gereformeerde Kerk had neergelegd, werd de gemeente Dordrecht-Centrum achtereenvolgens gediend door de predikanten H.C. van der Ent, A. van de Weerd en J.M.J. Kieviet. Sinds 23 januari 2016 is ds. A. van der Zwan de predikant van de gemeente. Een van de zeven Hervormde predikanten die Abraham Kuyper in diens ‘reformatie van de kerk’ niet volgden, was Jacob Eigeman die van 1878 tot aan zijn emeritaat in 1902 in Dordrecht stond. In 1884 verscheen van zijn hand een geschriftje over zijn jeugdherinneringen aan ds. L.G.C. Ledeboer. Ledeboer behoorde namelijk tot de huisvrienden van zijn ouders, hoewel ze zijn kerkelijk standpunt niet deelden. Eigeman schrijft onder meer dat Ledeboer voor hem op diens verjaardag het bekende rijmpje maakte: ‘Jacob moet worden Israël; Dan gaat het met zijn ziele wel; Maar als hij blijft, zoals hij is, dan daalt hij ter verdoemenis’. Hij eindigt de herinneringen aan Ledeboer met de woorden: ‘Al was Ledeboer een mens, wie derhalve niets menselijks vreemd was, hij was een waarachtig kind Gods, wiens zedelijk leven ieder tot voorbeeld strekken kon. Evenals al ’s Heeren kinderen is hij uit ‘vrije genade’ gezaligd. En thans is hij sedert jaren reeds ten leven ingegaan, met allen die hij voor de zaak Gods won; ook met mijn verheerlijkte ouders, die nu nog veel beter met hem spreken, bidden en zingen kunnen dan ze ’t in de beste ogenblikken hier op aarde met hem deden. Heere God! Breng ons allen door Uw genade in die he-mel waarheen Uw knecht ging. Bekeer ons, gelijk Gij hem bekeerd hebt en die zalige morgen der eeuwige heerlijkheid zal, reeds aan deze zijde van het graf, iets van zijn verrassend licht ook in onze donkere ziel doen nederdalen.’
Rond de eeuwwisseling was het in Hervormd Dordrecht een rumoerige periode. Ds. A.M. van der Sluis richtte in 1906 de vereniging Calvijn op, in samenwerking met de gereformeerde kiesvereniging ‘Onze hulp is van de Heere’. De kiesvereniging had als doel invloed te krijgen bij het benoemen van kerkenraadsleden of het beroepen van predikanten. Ook de vrijzinnigen en de confessionelen hadden hun kiesverenigingen. De bedoeling van ‘Calvijn’ was om extra samenkomsten te beleggen tot verbreiding van de kennis van de waarheid. Dat was nodig vanwege de verscheidenheid van leer in de Hervormde Kerk. Het waren aanvankelijk lezingen, later werden het kerkdiensten. Ds. Van der Sluis hield zelfs ook op zondag diensten, wanneer er maar één hervormd-gereformeerde dienst was gehouden, echter alleen dan wanneer de gewone kerkdiensten voorbij waren. Men kerkte op diverse locaties, totdat men in 1910 het kerkgebouw aan de Lange Kromhout kon huren. In 1914 kon men het zelfs kopen. Dit gebouw was namelijk overbodig geraakt omdat de Gereformeerde Kerk aan de Lange Kromhout een nieuw kerkgebouw had gebouwd: de huidige Wilhelminakerk aan de Blekersdijk, door ds. H.G. de Jonge op 23 november 1899 in gebruik genomen. Na het vertrek van ds. Van der Sluis naar Huizen werd hij opgevolgd door ds. J. Keller. Deze predikant stond erom bekend dat hij niets en niemand spaarde wanneer het om de waarheid ging. Keller hield zelfs diensten in ‘Calvijn’ tijdens de gewone kerktijden wanneer hij niet behoefde te preken in de kerk. Hij werd onder meer vanwege dergelijke acties beticht van scheurmakerij. Samenwerken met anderen, ook met gelijkgezinden, ging hem moeilijk af. Velen keerden zich van hem af. De kiesvereniging ‘Onze hulp is van de Heere’ raakte meer en meer invloed kwijt. Op een predikant die met ‘Calvijn’ zou samenwerken was geen zicht. Na Kellers vertrek naar Sint-Maartensdijk is dr. J. Severijn naar Dordrecht gekomen. Hij heeft gezorgd voor een nieuwe kiesvereniging van hervormd-gereformeerden, genaamd ‘Waarheid en vrede’. Velen die onvrede hadden met de oude kiesvereniging en met ‘Calvijn’ sloten zich hierbij aan. ‘Calvijn’ bleef een eigen koers varen en nodigde ook op zondag predikanten uit, die niet naar de zin waren van onder anderen dr. Severijn. Daarnaast benoemde ‘Calvijn’ een eigen voorganger in de persoon van de heer W. van Leeuwen, die Dordrecht diende van 1922 tot 1927. Na het vertrek van dr. Severijn in 1929 werd door de vereniging geprobeerd om met de hervormd-gereformeerde kiesverenigingen een predikant in Dordrecht te krijgen die tweemaal zou voorgaan en die in de prediking aansloot bij wat men in ‘Calvijn’ voorstond. Men wilde dan ’s zondags zelfs met kerkdiensten in ‘Calvijn’ stoppen. De besprekingen verliepen niet tot bevrediging van de “Calvijn-gangers’. Men bleef doorgaan met zondagse diensten, waarin predikanten als J.H. Koster, D.Th. Keck, T. Lekkerkerker, P. Zandt en ook wel J.P. Paauwe voorgingen. In 1949 kreeg men een vaste voorganger in de persoon van de heer G.J. Edelman, die de gemeente diende tot aan zijn overlijden in 1990. Nadat de kerkorde van 1951 werd aangenomen, werden door de heer Edelman ook kinderen gedoopt. Voor die tijd liet men de kinderen nog in de Hervormde Kerk dopen. In 1998 werd de heer B. van den Boogaard benoemd als vaste voorganger, die daarnaast een groentezaak runt. De laatste jaren worden daar in weekdiensten predikanten uit de Hersteld Hervormde Kerk, de Hervormde Gemeenten (PKN) en de Christelijke Gereformeerde Kerken uitgenodigd om voor te gaan.
Uniek in Dordrecht is het zogenaamde Klein Convent, waarin predikanten deelnemen uit de plaatselijke Christelijke Gereformeerde kerk, de Gereformeerde Gemeente, de PKN (Gereformeerde Bond), de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt en de voorganger van ‘Calvijn’ elkaar regelmatig ontmoeten. Ds. G. van Wijk, predikant van de wijkgemeente 2 van de Hervormde Gemeente, zei daarover in het familieblad Terdege: ‘Een heel gevoelig onderwerp voor predikanten is grensverkeer. Ook op dat punt is er hier grote collegialiteit. We zijn geen kruideniers die op elkaars klanten azen. Als mensen van de Gereformeerde Gemeente naar ons over willen komen, hebben ze wat uit te leggen. Dan is het niet: “Kom maar binnen met je knecht”. De pijn door grensverkeer wordt door de goede contacten op z’n minst verzacht.’ Eens stond ds. Van Wijk zelfs op zondag op de kansel van ‘Calvijn’. Op een vrije zondag wilde hij bij Van den Boogaard kerken. Deze kon vanwege ziekte echter niet voorgaan en er zou een preek gelezen worden. Toen de koster kwam melden dat ds. Van Wijk in de kerk was, werd hij gevraagd de preek te houden, en hij deed het.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2017
Oude Paden | 64 Pagina's