Cornelia van Reenen-Spelt (1886-1968)
Een leven in de vreze Gods
Ons land herbergt ontelbare brieven van het oude volk des Heeren. De meeste brieven zijn gelezen door de geadresseerden zelf en daarna nog enkele keren door nabestaanden of belangstellenden. Daarna verdwijnen ze in een doos. Toch komen soms op een wonderlijke manier brieven tevoorschijn die écht zeer lezenswaardig zijn. Plotseling krijg je dan ruim zestig brieven onder ogen die je allemaal wel zou willen publiceren. Maar in deze artikelen mag de lezer van Oude Paden kennisnemen van enkele brieven of citaten van Cornelia van Reenen-Spelt, een gekende des Heeren.
Afkomst
In het jaar van de Doleantie wordt op 30 augustus 1886 Cornelia Spelt geboren. In het gezin, waarin uiteindelijk twaalf kinderen geboren worden, is Cornelia het vierde kind. Haar ouders zijn Cornelis Spelt en Albertha Jacoba Jansen, respectievelijk overleden in 1919 en 1934. Een broer van Cornelia is de latere ds. J. Spelt, geboren in 1901 en overleden te Dinteloord in 1960, toen hij kort daarvoor een beroep aannam naar de Hervormde Gemeente van Zoetermeer. Het gezin woont in de statige boerderij, gesierd met de welluidende naam ‘Lockhorst’ in Hamersveld-Bavoort, gehuchten die behoren tot de gemeente Leusden, bij Amersfoort. De kinderen uit het gezin Spelt worden omringd door de zorg van hun ouders. Dat betreft dan met name de zorg voor het tijdelijk leven. Cornelia schrijft er zelf over in een brief aan haar kinderen, op 6 februari 1952):
‘Zodoende heb ik in mijn jeugd de vermaningen van een Godvruchtige vader of moeder moeten missen. Maar, niettegenstaande dat, had ik al heel jong indrukken van dood en eeuwigheid, en besefte ik dat ik niet kon sterven zoals ik geboren was, en dacht soms: als ik nu ging sterven, dan zou ik naar de hel gaan. En dan zat ik soms een ruime tijd te denken over de eeuwigheid, en dacht dan zo: duizendmaal duizend jaren en nog geen einde. En ging dan, hoe jong ik ook was, aan de Heere vragen of ik bekeerd mocht worden. Want ik had al eens gehoord, dat er een volk was, dat bekeerde mensen waren, en die gingen niet naar de hel, maar naar de hemel.
In mijn jeugd heb ik geen onderwijs genoten dat naar den Woorde Gods was. Wij gingen ter lering bij een blinde leraar, die het onderscheid tussen zijn rechter- en linkerhand niet kende. En de waarheid zegt: ‘Hoe zullen de blinden de blinden leiden?
Zullen zij niet samen in de gracht vallen?’ Gods Woord noemt dezulken, huurlingen, honden die niet bassen kunnen.
Er werd in ons gezin nooit in Gods Woord gelezen, dus ben ik opgevoed in alle onkunde. De zondag werd voor alle doeleinden gebruikt, enzovoort. Wij waren met tien kinderen, vijf broers en vijf meisjes, en al leefde ik weleens onder indrukken, maar ik geloof dat ik het ondeugendste van allen was. Maar ik had wel menigmaal berouw van mijn ondeugd, en ging dan aan de Heere vragen, of de Heere mij een nieuw hart wilde geven en mijn stenen hart weg wilde nemen en een vlesen hart wilde geven. Want ik wilde zo graag een braaf meisje wezen, opdat ik mijn lieve moeder, waar ik zoveel van hield, geen verdriet zou doen. Ook ben ik menigmaal alleen gegaan, om Gods Woord te lezen, en dacht dat de Heere dat wel wilde gebruiken opdat ik een deugdzaam kind mocht worden. Zo ben ik opgegroeid tot mijn vijftiende jaar, in ondeugd boven allen uitmuntend, maar ook gedurig vreze des doods hebbend. Als het onweerde, dan greep mij dat altijd aan. Ik zocht dan een eenzaam plaatsje op, en ging dan bidden of de Heere ons met de onzen wilde bewaren.
Na mijn vijftiende jaar gingen alle indrukken weg, en leefde ik mijzelf uit in het genot van het leven.’
Wanneer Cornelia 21 jaar is, trouwt ze op 14 oktober 1907 met de 28-jarige Dirk Aart van Reenen, zoon van Helmert van R(h)eenen en Maartje (Maagje) de Kruijf. Dirk is afkomstig uit Renswoude. Het huwelijk is ‘verplicht’, zoals ze schrijft.
In datzelfde jaar 1907, dat in de kerkhistorie als een belangrijk jaar gezien wordt wegens de ‘Vereniging van de Ledeboeriaanse gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis’, wordt op 14 december een levenloos meisje geboren. Twee dagen later doet de vader aangifte op het gemeentehuis van Woudenberg. Er is groot verdriet bij het jonge echtpaar en Cornelia krijgt door dit sterven haar zonde en schuld in te zien.
Na ruim twee jaar getrouwd te zijn, schenkt de Heere op 27 januari 1910 hun tot grote blijdschap een zoontje, dat ze Helmert noemen. Inmiddels woont het gezin dan in de tuinmanswoning ‘Nooitgedacht’, behorend bij het landgoed ‘Lambalgen’ te Scherpenzeel.
Overtuigingen
Cornelia is ongeveer 25 jaar, als de eerste overtuigingen van haar doemschuldige staat voor God ontstaan. In een brief uit de jaren vijftig schrijft ze:
‘…dat ging soms zo hoog, dat het mij al mijn levenslust benam, en dat ik weleens tegen mijn man zeide: ‘Als wij zo doorleven, zullen we eenmaal samen in de hel vallen.’ Maar mijn arme man begreep daar niets van, hij was ook even onkundig grootgebracht als ik.
In die tijd ging ik naar de Hervormde kerk in Scherpenzeel, daar was toen ook een blinde leidsman. Maar, die overtuigingen gingen door en toen kon ik het onder die leraar (ds. J.G. Harthoorn 1858-1932 cdh) niet meer houden. Ik ben toen na veel strijd en droefenis onder de Gereformeerde Gemeente gekomen, met mijn kinderen. Maar de Heere werkte door, hoewel ik niet verstond dat er wat van de Heere bij was. Ik wist alleen dit maar, dat ik zeer ongelukkig was, want de zonden kwamen mij zo erg voor, daar was geen helen aan.
Toen ik dertig jaar was, liep ik al geruime tijd met de woorden: ‘Waarom hinkt gij op twee gedachten?’ Ik had niet het minste besef, dat het van de Heere was, ik vond mij zulk een slechte vrouw, en was steeds maar erg ongelukkig, want ik kon zo niet sterven, en dan zou ik God moeten ontmoeten. Ik deed niets liever, als er maar over denken, hoe ongelukkig dat ik was, maar kon dat niet veel kwijt. Dat ging zo enige tijd door, totdat het op een keer hopeloos voor mij werd.
Het was op een zondagavond dat ik zo vervuld was met smart, dat ik plat op de vloer ging liggen, om mijn smart eens uit te brullen. Het was zo donker om mij heen, in- en uitwendig, en toen waren van binnen deze woorden: ‘Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen. Ik zal ze op saffieren grondvesten.’ O, daar veranderde mijn hele toestand in. Ik was zo onkundig, dat ik niet wist dat dit in de Bijbel stond, maar er was liefde Gods in mijn hart. Maar ik kon niet vatten, dat de Heere Zich in liefde aan zo’n vuile zondares uit zou laten. Maar al kon ik het niet vatten, toch was het zo, en dat verzoette weer al mijn druk, want ik was door deze veranderingen in een zeer diepe drukweg gekomen.
Na enige tijd ging dat zo weer weg, en kwam ik weer in de ellende. Ik dacht maar: ‘Als er wat van de Heere bij was, dan zou het wel gebleven zijn.’ Toen was het mij, of ik zag dat er niet alleen lieflijkheid aan die dienst, maar ook dat er een drukweg aan verbonden was. Het was mij gedurig, of ik voor mij een lange weg zag vol met doornen en distels, met kuilen en gaten en hindernissen, maar op het einde een lieflijk Licht zag, en werd zo begerig naar dat Licht, maar nu moest ik die donkere weg passeren, wilde ik bij dat Licht komen.
Op een keer, dat ik weer zo ellendig was, kreeg ik die woorden: ‘Kiest u heden wie gij dienen zult, is de Heere God of is Baäl God?’ Toen heb ik uit de grond mijns harten gezegd, o zo welmenend: ‘De Heere is God.’ Het was mij of ik mij met alles wat in mij was, aan de Heere en Zijn dienst ver-bond. Wat mij ook ontmoette, ontmoette me dan maar: die dienst des Heeren scheen mij zoveel voortreffelijker, met al zijn druk en kruis dat er aan verbonden was, dan de ganse aarde, met al zijn schatten.
Maar ook dat ging voorbij, niet begrijpende dat het van de Heere was. Dat duurde enige tijd, toen kreeg ik voor het eerst van mijn leven huisbezoek, van onze voorganger met een ouderling.
O, wat zag ik hoog tegen die mannen op. Dat volk van God had ik zo lief gekregen, ik zag ze met de blindgeborene, als bomen wandelen. Die mannen vroegen mij hoe het met mij ging, maar ik kon niets anders zeggen, dan dat ik zo ongelukkig was. Er was geen ongelukkiger mens op de aarde, dan dat ik mij bevond. Want ik meende dat alle mensen bekeerd konden worden, maar ik niet. Ik was toentertijd in zulk een diepe drukweg. Ik dacht dat het kwam omdat God op mij vertoornd was, omdat ik zulk een vuile zondares was.
Maar die mannen zeiden tegen mij, dat ze het niet klein vonden. Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking der neus brengt bloed voort, en de profeet zegt: ‘Het is goed, als men het juk in zijn jeugd draagt.’ Die mannen gingen weer weg, na mij aan de troon der genade te hebben opgedragen.
Het was mij toch of ik getroost was door hun woorden, en overdacht het bij mijzelf, als bij zo’n weg nog wat kon zijn van de Heere, dan zou het ook voortgang hebben. Want de Heere zou toch niet verlaten, wat Zijn hand begon. Bij ogenblikken mocht ik geloven dat het van de Heere was, en kon dan alles verdragen.
Maar ik kwam ook veel in de strijd, dat er een uitverkoren volk was, maar daar was ik niet bij. Dus was het voor mij hopeloos, want die daar niet tussen is, kan er niet tussen, en wie er bij is, kan er niet tussen uit.
De voorganger die in de bovenstaande brief wordt genoemd is Bart Roest. Toen deze nog woonde in Neerlangbroek, kreeg hij in 1920 het verzoek om ouderling G. van den Bosch, die de kudde te Scherpenzeel onder zijn hoede had, te gaan helpen. Zijn hart werd ertoe overgebogen en in november werd hij door de predikant van Veenendaal, ds. H. Kieviet, als ouderling van de gemeente te Scherpenzeel bevestigd. En zo begon de zorg voor Scherpenzeel. Ook Scherpenzeel heeft gezorgd voor Roest: ‘Leden die iets voor het levensonderhoud van Roest wilden afzonderen, konden hun gave deponeren in twee busjes die bij de uitgang werden opgehangen. Dat is tot de dood van Roest zo gebleven.’ (Ds. J. Schipper, RD, 10-1-2007).
Licht en duister
In een brief uit 1950 schrijft Cornelia met minder woorden aan ‘een vriend’, waarschijnlijk ouderling Herman Bas van de Gereformeerde Gemeente van Alblasserdam, dan de brief aan haar kinderen van 6 februari 1952 waaruit de cursieve tekst van dit artikel is geciteerd.
Het leven van ontdekking, ontbloting en ontgronding gaat verder. Toch mag ze ook soms troost putten uit Gods Woord. Met haar opgroeiende kinderen om haar heen, brengt de Heere haar in de diepten van haar verlorenheid. Gods volk heeft ze van harte lief, maar ze staat er in eigen waarneming buiten. Ze voelt zich thuis in hun midden, om zo maar even te luisteren en dan weer afscheid te nemen.
Dan maakt de Zaligmaker Zich bekend aan haar ziel. Ze zegt: ‘Zoals ik u schreef, was ik zeer lange tijd in een zeer bekommerde toestand. Het was rondom donker. Toen gebeurde het eens, dat ik zo gaarne een poosje alleen was, en ging alleen in het bos waar niemand mij zag dan God alleen, om mijn zielensmart eens uit te wenen. Het was toen in het voorjaar, en de natuur was zeer mooi. Daar werd ik naar het Paradijs geleid, en toen was het: ‘En de Heere bezag het, en het was zeer goed.’ Daar zag ik dat er geen gebrek was in de schepping. En in het midden van het Paradijs de mens, geschapen naar den beelde Gods en Zijn gelijkenis: ‘en de Heere zag het en ziet het was zeer goed.’ En toen was het: ‘Maar de aarde zij vervloekt om uwentwil.’ O, wat heb ik daar op dat plekje bitterlijk geweend. De Heere naar kroon en troon gestaan, daar ligt de oorzaak van alle ellende, en heeft de aarde doen veranderen in een tranendal. Want de bezoldiging der zonde is de dood. Vandaar alle rampen en oordelen. O, mijn ziel vloeide weg van smart, en toen was het: ‘Maar er zal zijn een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal.’
Maar dat nam mijn smart niet weg, en ik zeide: ‘Ach Heere, dat is voor degenen die hun ziele gewassen hebben in het bloed des Lams, maar voor mij niet.’ Want dat miste ik, en het deed mij steeds ellendiger worden. Twee dagen bleef ik daarmee lopen en sprak haast niets meer en inwendig was het maar: ‘Onrein, onrein.’ Zo zag ik mijzelf, gans melaats; ‘vol van striemen en etterbuilen.’
Maar daar ontsloot Christus Zich voor mijn bedrukt gemoed, met deze woorden: ‘Ik wil, worde gereinigd. Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, Ik zal u uithelpen, en gij zult Mij eren.’
O, ik wist niet wat er gebeurde. Want die liefde, van Die dierbare Heere Jezus vloeide door mijn ziele, en ik zei in eenvoudigheid: ‘O, dierbare Heere Jezus, ik ben vermoeid en belast vanwege mijne zonden.’ O, daar zag ik mijn zonde niet meer, maar zag dat ze bedekt was en dat de gerechtigheid van Christus hoger stond dan mijne zonden. Ik was toen weer zo graag alleen, en zocht de eenzaamheid weer in het bos. En toen ik daar was, kreeg ik deze woorden: ‘Ik zal hem geven te eten van den Boom des levens,’ en: ‘Ik zal hem geven te eten van het Manna Dat verborgen is.’ O, ik was geen mens meer, mijn ziel was vol van de liefde Christi.
Maar ik ben zo dom en onkundig, en een ‘weet-niet’, want ik ging vragen: ‘Och Heere, hoe moet ik het nu verstaan, die liefde Christi in mijn ziel.’ Ik kon het maar niet vatten en toen kreeg ik deze woorden: ‘Zijn linkerhand ondersteune mij, en Zijn rechterhand omhelze mij, Hij kusse mij met de kussen Zijns monds.’
O, kinderen, of wie dit leest, mijn ziel was verslonden in de liefde van die beminnelijke Heere Jezus. Veertien dagen mocht ik daarin delen. De nachtelijke uren waren mij veelal de beste. Ik doornatte wel eens mijn bedstede met mijn tranen van ootmoed.
Ik dacht weer dat mijn ziel verlost was, maar toen die vrucht werd ingehouden, toen kwam ik weer zo verlegen te staan en werd zo gewaar, dat de zonden nog de zonden waren, maar er was toch enig onderwijs van uitgegaan, dat ik nu onder de belofte lag, en dan was er een hoop, dat de Heere op Zijn tijd, het werk volbrengen zou, want de Heere verlaat niet wat Zijn hand begon. Die Levensbron zál bijstand zenden. Deze regels waren mij soms tot vertroosting, want ik kwam telkens maar weer in het nauw, dat al het voorgaande tekort was voor de eeuwigheid.’
Zo gingen mijn jaren door, de één na de andere, dán eens bedroefd, dán eens getroost, maar veelal omdragende de noodzakelijkheid, om mijn ziel geborgen te krijgen in die Arke der behoudenis. Dan was het weleens: ‘Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.’ En dan was het weleens: ‘Ulieden daarentegen die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan,’ Of:
Al laagt g’ o Isrel als weleer,
Gebukt bij tichelstenen neer,
Toen gij uw juk moest dragen,
En zwart waart door uw dienstbaarheid,
U is een beter lot bereid.
Uw heilzon is aan ‘t dagen.
Zo werd ik wel eens getroost uit de beloften en toezeggingen, maar het gemis werd niet vervuld. Soms vaak terneergeslagen vanwege de breuk die in mijn ziel geslagen was en dan was het wel eens:
Die hier bedrukt met tranen zaait,
Zal juichen als hij vruchten maait.
En veelal in een verborgen verdrukking.
Maar de Heere keurde die roede voor mij nuttig, om mij maar te louteren en te reinigen en plaats te maken voor Zijn weldaden.
Zo gingen mijn dagen en jaren heen tot mijn 59e jaar.’ Daarna was het: ‘Wat Ik gebouwd heb breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land.’ O, ik begreep niet wat het betekende, en waar het op zag.
Toen ging de Heere een weg met mij in, waar ik niets van verstond. Het voorgaande werd weer bedekt en verborgen en ik kon daar niet meer uit leven en de schuld ging hoe langer hoe meer open. Dus ik kwam in een heel drukkende toestand voor mijn ziele leven. Ik sprak zeer weinig in die tijd en ging zondagavond wel altijd naar het gezelschap. Maar werd mij wat gevraagd, dan had ik geen ander antwoord als:
Een bange kerker doet mij zuchten,
Ik kan de banden niet ontvluchten.
Zo gingen de tijd voort, een halfjaar lang. Ik was weleens bemoedigd maar het was zo ras weer voorbij. Mijn schuld werd steeds groter en mijn banden nauwer, zodat ik er niets meer van vatten kon hoe het met mij af zou lopen. Toen was het eens: ‘Wat Ik nu doe, weet gij niet, maar gij zult het na dezen verstaan.’ En nog enkele waarheden meer, zoals: ‘Hij die te komen staat, zal gewisselijk komen en niet achter blijven.’ En op een andere keer, ‘Ik heb gedachte des vredes over u en niet des kwaads.’ En dat gaf weleens enige verlichting, maar heel kort, en de schuld werd steeds groter en de banden zwaarder.
Dat duurde zo voort, denk ik, een halfjaar en toen kwamen deze woorden: ‘Schik u om uw God te ontmoeten.’ Och, ik vatte er niets meer van, wat het beduidde, want mijn banden werden steeds zwaarder en zag mij zo klaar buiten de Goddelijke Personen liggen. Ik wist maar niet meer wat het worden moest. In die tijd werd mijn ziel dag en nacht met deze toestand vervuld. Werd ik ‘s nachts wakker dan was het veelal: ‘O, mijn ziel, wat buigt gij u neder.’ En dat vloeide voort uit dat grote gemis dat ik omdroeg en die openstaande schuld.
Toen was het eens: ‘Vat de hoornen van het altaar.’ O, geliefde kinderen, of vrienden, wie dit ooit leest, ik verstond er niets van. Ik was zo krachteloos en machteloos in mijzelf, en zei: ‘Och Heere, ik heb geen handen meer om te vatten, en geen voeten meer om te gaan.’ O, wat zag ik klaar, dat wij alles in het Paradijs verloren hebben, en niets meer hebben overgehouden dan vijandschap tegen God. We kunnen niet meer willen, en willen niet meer wat van kennen God is. O, wat een vreselijke beroeringen soms van binnen, ik zal ze maar niet beschrijven.
Zo ging het weer enige weken, al banger en benauwder, en toen was het op een zondagavond, dat mijn nood zo hoog ging tegenover een rechtvaardig God, dat het in mijn ziel barensweeën werden. Ik werd door nood op nood bedreigd. Ik sliep die nacht niet, het was maar: ‘O, mijn ziel; wat buigt gij u neder.’
Des maandags was het: ‘Moet deze dochter Abrahams niet verlost worden, die al zoveel jaren de satan gebonden heeft.’ Maar de nood bleef tot dinsdagmorgen omstreeks vijf uur. En daar straalden de deugden Gods in mijn ziel af en daar kreeg ik een welgevallen aan de straffen mijner ongerechtigheid en daar ontsloot Christus Zich met deze woorden: ‘Ik gedenk uwe zonden niet meer.’ O, daar was ik buiten mijzelf en ik zag mijn zonden niet meer. Ik zeide in mijn verlegenheid: ‘Zijn mijn zonden nu waarlijk weg, waar zijn ze dan?’ En toen was het: ‘In de zee van eeuwige vergetelheid.’
O, de liefde uit de Heere Jezus doorvloeide mijn ziel. Ik was een gewaterde hof. Hij vernachtte als een bundeltje mirre, tussen mijn borsten. De verandering was zo groot, dat ik dacht dat mijn ziel geheel uitgeholpen was.
Maar de ervaring heeft mij geleerd dat men in de vrucht weleens te ver gaat, en dat deed mij weer uitdrijven naar de troon der genade, hoe ik die gangen moest verstaan. En toen kwam mij zo voor: ‘Ik zal u grotere dingen tonen dan deze.’ Dat deed mij verstaan dat de Heere, Zijn werk verder verheerlijken zou, en dat bewaarde mij voor doorvloeien, want wij zijn nergens te goed voor, hoor. Wij moeten overal op alle gebied bewaard blijven.
Maar geruime tijd mocht ik in die vrucht delen. Maar van lieverlee werd die vrucht wat ingehouden en kwam er weer een gemis naar voren en ik kon tóch Christus als mijn Borg nog maar niet omhelzen. O, dat gemis van die Christus deed mijn ziel soms wenen van heimwee. O, die het geleerd heeft verstaat het, anders kan men het niet vatten. Dat duurde zo ongeveer twee jaar. Christus ging Zich verbergen en mijn ziel werd zo ledig. Toen kwam die schuld weer terug en kreeg ik zo te zien, dat de schuld nog openstond, en dat God nog mijn Rechter was. O, dat ging zeer hoog zodat ik met Jona zeide: ‘Het wier is aan mijn hoofd gebonden.’ Dat kwam tot een hoogtepunt en ik schatte, mij met al wat geweest was, geheel verloren. Maar daar openbaarde Christus Zich weer, maar nu als Borg en toonde Zijn doorboorde handen en voeten en toen was het: ‘Deze zal in het verderf niet nederdalen.’
Toen ontwaarde ik Christus als dat koperen Wasvat dat vol was van Goddelijk verzoenend bloed en ik toen werd ik daar ingedompeld en rein gewassen van al mijn zonden. Daarna was het: ‘Doet haar uit de wasstede opkomen en doet haar wisselklederen aan, en zet haar een reine hoed op.’ En zo werd ik als een reine maagd voorgesteld.
O, geliefde kinderen, ik kan het niet beschrijven hoe ik gesteld was, vol van de lof en de liefde die uit Christus vloeide. Toen was het: ‘Onze Koning is van Israëls God gegeven.’ En: ‘Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.’
Lange tijd ging ik mijn weg met blijdschap, levende van de vrucht die daarvan afstraalde. Maar toen kreeg ik onderscheid te leren in de Goddelijke personen. En Die dierbare Borg ging mij weleens onderwijzen met deze woorden: ‘Ik en de Vader zijn Eén en die Mij gezien heeft die heeft de Vader gezien enz.’ Ik werd toen van lieverlee gewaar dat ik God als verzoend God nog miste. Want die vrijspraak uit de Goddelijke mond had ik nog niet ontvangen. Toen kwam ik weer in een gemis, en dat werd een Godsgemis. Dat heeft weer vele weken geduurd. Soms ging het zó hoog, dat het inwendig maar weende uit de onwaardigheid, maar ook wegens de noodzakelijkheid. Toch kreeg ik toen wel eens een belofte uit Psalm 20, deze woorden: ‘De God van vader Jacob beure u in een hoog vertrek.’ En ook eens uit Psalm 50, deze woorden: ‘Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.’ Mijn ziel was dan weer getroost en ik geloofde dat op Zijn tijd dat gemis vervuld zou worden, tot Zijn eer, want het was Zijns Zelfs werk. Zo ging het weer enige tijd, en toen werd Johannes 17 eens voor mij ontsloten met zulk een toepassing en persoonlijk voor mijn eigen ziel. Het was of Christus over mij sprak tot Zijn heilige Vader. O, wie deze letteren ooit leest, leest het toch oplettend en met teerheid, want het was zulk een tere zaak. Ik moest het maar zo verstaan: ‘Vader verheerlijk Uw Zoon, opdat Uw Zoon U verheerlijke.’ Het was mij, of ik het zó mocht verstaan alsof Christus wilde zeggen: ‘Verheerlijkt Mijn werk in haar, opdat zij uit Mij, U verheerlijke.’ O, het was zo eenvoudig, ik kan de eenvoudigheid er niet van beschrijven. Het was; ‘Zij heeft Mijn Woord bewaard, zij heeft geloofd dat Ik van U ben uitgegaan, en het Mijne is Uwe en het Uwe is Mijne.’
O, kinderen, mijn ziel was een gewaterde hof. Lange tijd heb ik uit de vrucht mogen leven. O, Hij was de mijne, en ik de Zijne.
Geruime tijd mocht ik bezig zijn in de dingen die Boven zijn. Maar van lieverlee werd die vrucht wat ingehouden en ontdekte zich weer een gemis. Ik kreeg zulk een onderscheidend licht in de Goddelijke personen. Ik kreeg te zien dat ik Christus wel tot mijn deel had, maar dat ik de verzoening met God nog miste. O, dat gemis ging soms zo hoog, mijn ziel ging soms uit naar dat Vaderlijke; dat ik God als mijn Vader nog miste en nog dat Hij nog Rechter was. O, dat gemis deed mij bij dagen en bij nachten wenen, in diepe vernedering en onwaardigheid. Het voorgaande werd weer bedekt en het werd een paradox.
Het werd een afsnijding tot een zeker punt en toen ontdekte die eerste Persoon Zich uit Jesaja 6 als Rechter op een verheven troon. En toen heb ik gezegd: ‘Ik verga daar ik een vrouw van onreine lippen ben.’ En o, kinderen, toen zag ik mezelf verdwijnen. Maar toen ging die hoge God mij, nietig stof, toespreken en Hij sprak mij vrij met deze woorden: ‘Ik, Ik ben Het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uwer zonden niet.’ Jesaja 43:29. En uit Jeremia 3:4: ‘Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd?’
O, kinderen, toen was de Schepper van hemel en aarde geen Rechter meer, maar voor mij een verzoend Vader in Christus Jezus, onze Heere. O, eeuwig, onbegrijpelijk wonder, zulk een nietige zondares mocht God als mijn Vader omhelzen. O, dat wonder is niet te vatten. Dat: Abba Vader, de Vader van onze Heere Jezus Christus, mijn Vader. O, die vernedering, van die hoge God kan door niemand ver-staan worden, dan alleen door degenen die het geleerd heeft.
Uit die vrucht mocht ik weer enige tijd leven. Mijn ziel was boven het stof. Mijn aardse bezigheden nam ik waar, zonder dat mijn gedachten er in bezig waren. En na enige tijd openbaarde zich wéér een gemis, en dat was een gemis naar de Persoon des Geestes. O, die dierbare werkingen des Geestes, hadden mij tot hiertoe geleid, maar Die Geest als Persoon miste ik en daar vloeiden zulke tere werkzaamheden uit voort, dat ik niet in staat ben deze te beschrijven zoals het is.
Dat ging zo een korte tijd en toen kwam Die Geest Zich weg te schenken als een Goddelijk Persoon om al de voorgaande zaken te verzegelen. ‘Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.’ En toen was het opgelost in een Drieënige Verbonds-God.
O, geliefde kinderen toen werd ik ingeleid in de heilgeheimen en Goddelijke verborgenheden in de stilte der eeuwigheid, in de Vrederaad. O, kinderen of wie dit ooit leest, dat laat zich niet verklaren of beschrijven wat dat is. O, die onbegrijpelijke liefde Gods kan niet begrepen worden. O, kinderen toen heb ik dagen gehad, die niet beschreven kunnen worden. O, die gemeenschap met dat Goddelijke Wezen laat zich niet verklaren, ook niet voor mij. Het was eens op een avond dat ik de ganse dag boven het stof was en dat ik ‘s avonds aan de Heere vroeg: ‘O Heere, wat is dit nu?’ En toen kreeg ik deze waarheid: ‘Zijn zomen vervullende de tempel.’
Kinderen, nu heb ik in het kort en met veel gebrek het één en ander maar even aangestipt, opdat ulieden nog wat van mij zou weten, als ik er niet meer ben. Geliefde kinderen, nu weet u op welke gronden uw moeder de eeuwigheid kon ingaan. Maar kinderen, wat de Heere mij geschonken en geleerd heeft, kunt ulieden niet missen voor de eeuwigheid. Het is nog het heden der genade. Och, loop de Heere toch veel aan over deze enige nodige zaak. De wereld geeft u niets dan klatergoud. Het is alles maar schijn dat bedriegt. Het is maar een klein poosje en dan laat u de wereld niet los, maar de wereld laat u los.
O, geliefde kinderen gebruik toch de tijd wél, die u nog op deze aarde bent! En zoek die Schat die Boven is, waar de roest het niet verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. O, houdt u met de kinderen toch onder de Waarheid.
O, kinderen nu wil ik het hierbij laten en u toewensen, dat de Heere uw ziel bearbeide door Zijn Goddelijke Geest en dat ulieden geen rust mocht vinden aleer u een Borg mag deelachtig zijn voor uw schuld. Want u moet allen eenmaal sterven. En sterven is God ontmoeten en dat kan maar alleen in het bloed des Lams. Daarbuiten is de Heere een vertoornd Rechter en een eeuwige gloed. Zo zij het.
Er was nog eens een toestand, die wil ik nog even schrijven, want ik vond het zo dierbaar. Het was de moeite waard het even op te schrijven. Het is geschied, zo ongeveer tussen mijn 55e en 56e jaar, dat ik lange tijd zeer bekommerd was over mijn zielenstaat. Want, dát was nog steeds niet opgelost, en ik ging in het zwart, sprak weinig en weende veel.
Het was op een zaterdagvóórmiddag, dat onze voorganger Roest ons kwam opzoeken, daar er een van onze kinderen ziek was. Hij vroeg mij hoe het met mij ging, maar ik kon er niets van zeggen, dat maakte mijn toestand uit. Toen hij weg was, werd ik nog benauwder. ’s Middags na het eten zouden wij een hoofdstuk lezen, (ik weet niet meer welk hoofdstuk het was), maar het was dat Mozes het volk Israël bestrafte en hun de weerspannigheid en zonden voor ogen hield. En dat ging open. En o, wat werd ik de zonden en schuld gewaar. Het werd na de middag en ik ging even rusten. Toen kwamen deze woorden: ‘Ik werk een werk in uwe dagen, dat al wie het horen zal, die zullen zijn beide oren klinken.’ Ik verstond daar niets van, wist ook niet dat het in het Woord stond. Want ik was erg onkundig en heb verzuimd alles op te schrijven, hetwelk mij ook gespeten heeft. Maar daar volgde op: ‘Ik, verkondig u grote blijdschap die al den volken wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teken zijn, gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.’ Geliefden, dat werd voor mij ontsloten.
Geliefden, dat werd voor mij ontsloten. Wat mocht ik toch blikken door die bewindselen heen. O, wat heb ik toen gehoord met die herders, het ‘vrede op aarde’, die vrede, die door een mens van de aarde was weggenomen. Waarin nu het ganse menselijke geslacht verdoemelijk was voor God. En nu die vrede op aarde, God heeft in die diep gevallen mens, een welbehagen. O, dat wonder, dat eeuwige wonder kan ik niet verwerken. O, mijn ziel was vol van de uitlatingen van die dierbare Christus. Mijn schuld en zonde zag ik niet meer, en ik vroeg maar: ‘O lieve Heere, wat is dat nu?’ Want ik wist het geen naam te geven, want Zijn liefde doorvloeide mijn ziel.
Toen kreeg ik deze woorden uit het Hooglied: ‘Zijn hoofd is dauw, Zijn haarlokken zijn nachtdruppen.’ O, daar mocht ik weer uit leven.
De volgende morgen was het zondag en ging ik naar de kerk en onderweg zag ik dóór de tijd heen, want ik mocht zeker geloven, dat de Heere de zaak in zijn geheel zou opklaren en deze Psalm was in mijn ziel:
Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de bron van vreugd;
Dan zal ik juichend, stem en snaren
Ten roem van Zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt,
Mij eindeloos verheugt.’
Zalig, die deze door Cornelia genoemde zaken, niet alleen bespreken mag, maar ze als onmisbare weldaden ook mag doorleven. Zo laat zij voor ons allen nog een ernstige, maar welgemeende boodschap achter.
In het volgende artikel D.V. zal iets verteld worden over de vriendenkring van Cornelia en haar zorg over de kerkelijke verwikkelingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 2017
Oude Paden | 48 Pagina's