“Halt!” klinkt het voor het kerkje
Worsteling om gereformeerde prediking in naoorlogs Arnhem
‘Cor, er ligt een taak voor jou in Arnhem,’ zei ds. J. van den Berg tegen de bruidegom van wie hij in 1946 in Utrecht het huwelijk bevestigde. Cornelis den Hertog vestigde zich na zijn trouwdag in de Gelderse hoofdstad. Dertig jaar geleden was daar geprobeerd een Gereformeerde Gemeente te stichten, zei de predikant. Het was niet gelukt. ‘Nu wordt het jouw taak het nogmaals te proberen.’
Over de poging van dertig jaar eerder is nog niets bekend. Nog tien jaar verder terug wilde D. Driessen (1879-1961) uit Arnhem zich bij het pas ontstane kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten aansluiten en er predikant worden. In 1906 had hij bij de Ledeboerianen enige opleiding ontvangen van ds. N.H. Beversluis, en hij preekte ook weleens in dat kerkverband. Kennelijk was hij geen lid (meer), want de classis Barneveld besloot op 4 december 1907 dat hij lid mocht worden, waarbij de vergadering eraan toevoegde dat hem ‘niet de minste toezegging gedaan werd om oefenaar of Predicant te worden.’
Driessen werd in 1910 student aan de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerk, waarna hij in 1917 in ’s-Gravenzande tot predikant werd bevestigd.
Achtergesteld
Arnhem werd tijdens het laatste oorlogsjaar zwaar geteisterd. De bevolking verbleef elders, als evacué. Na de bevrijding werd de wederopbouw ter hand genomen. Ook het kerkelijk leven kwam weer op gang.
In de Nederlandse Hervormde Kerk vroegen leden die zich tot de Gereformeerde Bond rekenden tevergeefs om een prediking waaronder ze zich thuis voelden. Zij hadden alleen ’s zondagsmiddags soms een dienst in de Klarendalse Kapel in het noorden van de stad. Een van de –aanvankelijk zes, later wel twaalf– predikantsplaatsen werd overigens van 1940 tot zijn overlijden in 1967 vervuld door ds. J.H. van Grieken. Hij was een zoon van ds. M. van Grieken, die tot zijn emeritaat in 1940 voorzitter van de Gereformeerde Bond was geweest en zich toen in Arnhem, dicht bij zijn zoon, had gevestigd.
Eind 1948 publiceerde het Hervormd (Gereformeerd) Comité de brochure ‘Dictatuur in de Ned. Herv. Gemeente te Arnhem.’ ‘Daaruit blijkt,’ schreef De Waarheidsvriend (het orgaan van de Gereformeerde Bond), ‘dat te Arnhem een gereformeerde groep is, welke door de kerkeraad slechts stiefmoederlijk wordt bedeeld, zodat zij een enkele middagdienst in de ‘Kapel’ mag hebben. Op een verzoek van het genoemd comité om in de toekomst één der predikantsplaatsen te doen bezetten door een predikant van gereformeerde richting, werd volgens de brochure herhaaldelijk geen antwoord ontvangen. Ook het advies van de Noodraad, door het comité te hulp geroepen, heeft geen ander resultaat gehad dan dat te Arnhem van de tien gewone predikantsplaatsen geen enkele voor deze gereformeerde groep kan worden bestemd. (...) Dat komt meer voor, dat men de gereformeerde richting weinig ter wille is en zo mogelijk de voet dwars zet.’
In reactie op de brochure vroeg ds. Groenewoud zich in De Gereformeerde Kerk, orgaan van de Confessionele Vereniging, af of gereformeerdebonders in gemeenten waar zij in de meerderheid waren, confessionele minderheden wel de voorrechten gunden die ze in Arnhem voor zichzelf vroegen. ‘Als men over dictatuur te Arnhem meent te moeten spreken, dan toch zeker ook te Hoogeveen. Precies zo staan de zaken te Ede, Veenendaal, Harderwijk, Nijkerk, Wierden. In al deze plaatsen, met meer dan één predikantsplaats, zijn grote confessionele minderheden, die ondanks herhaald aandringen geen confessionele predikant beroepen kunnen krijgen.’
In De Waarheidsvriend reageerde prof. dr. J. Severijn: ‘Als ds. G. een onderzoek instelde naar het confessioneel gehalte van al die minderheden, welke hij in verschillende plaatsen noemt, zou het wel eens kunnen zijn, dat de Confessionele Vereniging toch bezwaar moest maken, om daarvoor als pleitbezorger op te komen.’ Severijns reactie werd overgenomen in het Gereformeerd Weekblad.
Aanleiding tot afscheiding De brochure ‘Dictatuur in de Ned.
De brochure ‘Dictatuur in de Ned. Herv. Gemeente te Arnhem’ had niet de gewenste uitwerking, en de reacties in de landelijke kerkbladen evenmin. ‘De kerkeraad te Arnhem blijkt niet genegen te zijn tegemoet te komen aan de geestelijke belangen, door dit Comité verdedigd en weigert naar ’t schijnt het recht op een gereformeerde prediking, waarvoor deze mensen opkomen, te erkennen,’ schreef prof. Severijn in september 1949 in De Waarheidsvriend. Het Hervormd (Gereformeerd)
Het Hervormd (Gereformeerd) Comité wilde nu zelf zondagse diensten beleggen. ‘Het is een droevige ervaring, dat kerkeraden als die te Arnhem op deze wijze aanleiding geven tot scheuring en afscheiding van de gemeente, en dat tegenover een groep mensen, die niet anders vragen dan een prediking naar de belijdenis, waarop toch de gemeente het volste recht heeft,’ schreef Severijn. ‘De toeneming van de Gereformeerde Gemeenten en in het algemeen de stand van de gereformeerde kerken, volgens de laatste volkstelling, ontlokt aan ‘De Hervormde Kerk’ de opmerking, dat dit wellicht op een tekort in de prediking der Hervormde Kerk wijst. Hij ziet n.l. in, dat de groei van Gereformeerde Gemeenten en van de Christelijke Gereformeerde Kerk althans ten dele door overgang uit de Hervormde Kerk moet verklaard. De betrokken kerkeraden weten dat trouwens wel, maar het is voor hen, zoals wij nu weer in Arnhem zien, geen aanleiding om daarin verbetering te brengen en op die wijze de opbloei van de Hervormde Kerk te bevorderen.
Nu het Comité besloten heeft des Zondags georganiseerde diensten te gaan houden, zal het een beroep doen op onze predikanten. In de gegeven situatie, en gelet ook op de opheffing van de Kapel-middagdiensten, waardoor deze mensen geheel verstoken zijn, zullen de predikanten hun medewerking niet onthouden.
Het is echter gewenst, dat de kerkeraad maatregelen neemt om officieel in de prediking te voorzien, waarop de gemeente recht heeft.’
Weekdiensten
Intussen hield een evangelisatie in Arnhem weekdiensten waarin met name behoudende hervormde voorgangers als D. Dekker, G.J. Edelman, A. de Redelijkheid, J. Vroegindeweij en ds. D. van der Ent Braat spraken. Er kwamen ook oud gereformeerde en vrije predikers als ds. M.A. Mieras, ds. G. van de Breevaart en ds. J. van Welzen. De diensten hadden plaats in een zaaltje aan de Kortestraat nummer 5. Het was eigendom van Red Uw Kameraden (RUK), een stichting die zich over alcoholverslaafden ontfermde.
Het pasgetrouwde echtpaar Den Hertog ging er nogal eens luisteren. Het bestuur vroeg Den Hertog of hij ds. J. van den Berg niet eens kon verzoeken voor te gaan. De Utrechtse predikant kwam op 6 januari 1948, en het was nog niet eerder zo druk geweest als die avond. Een tweede verzoek willigde ds.
Een tweede verzoek willigde ds. Van den Berg ook nog in, maar hij zei erbij dat hij zijn tijd verder voor de vele vacante gemeenten in zijn kerkverband nodig had. Hij spoorde Den Hertog wel aan om te proberen geestverwanten bij elkaar te krijgen: ze zouden ook ’s zondags rond de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking bijeen moeten komen, en wellicht zou er een gemeente kunnen ontstaan.
Gemeentevorming
Den Hertog besloot een advertentie te plaatsen, en daarop reageerden de families Arends, Van Binsbergen, Van de Kraats, Noels en Van de Pol. Na de tweede dienst van ds. Van den Berg, op 2 februari 1948, vergaderden ze onder leiding van de predikant. Er waren zeven leden van de Gereformeerde Gemeenten en zes belangstellenden aanwezig. Sommigen van hen kwamen van buiten de stad: K. Noels woonde in Ellecom, A. Arends in Oosterbeek, A. van de Pol in Velp. en W. de Vos was erbij omdat hij als militair in Arnhem gelegerd was.
De heren Van Hees, Den Hertog en Remijn zegden toe op zoek te gaan naar een lokaliteit waar diensten gehouden konden worden. Dat zou misschien nog niet meevallen in een stad waar zoveel verwoest was. Slechts vijf kwartier duurde de oprichtingsvergadering; om kwart voor elf ging ds. Van den Berg voor in dankgebed. Van Hees kende Arnhem goed en kwam al spoedig bij Den Hertog vertellen dat het groepje terechtkon in hetzelfde zaaltje als waar de evangelisatie weekdiensten hield: het RUK-gebouw in de Kortestraat. ‘Met algemene stemmen goedgekeurd om te huren,’ noteerde scriba Den Hertog na de tweede vergadering, die op 23 februari in de woning van A.F.L. van Binsbergen aan de Rijnstraat werd gehouden, opnieuw onder leiding van ds. Van den Berg.
De Utrechtse predikant hielp het groepje op gang, maar voor kerkelijk onderdak moesten ze dichter bij huis zijn. Alle mannelijke leden gingen daarom op zaterdag 28 februari naar Wageningen om de kerkenraad te vragen of de groep in Arnhem een afdeling van die gemeente mocht worden. K. Noels kreeg het verzoek de leesdiensten te leiden. Daar had hij ervaring mee: in het Zeeuwse Colijnsplaat was hij ouderling in de Gereformeerde Gemeente geweest, tot hij begin 1947 naar Ellecom was verhuisd. Samen met C. den Hertog en A. van de Pol werd hij nu in een commissie benoemd.
Spanning
Op zondag 7 maart 1948 werd de eerste dienst gehouden. Daarover werd Gods zegen afgesmeekt, schreef mevrouw J. den Hertog-van Doleweerd later. Vol spanning werd de dienst tegemoetgezien: volgens berekeningen zouden er 22 mensen kunnen komen, maar zou dat ook gebeuren? Tot ieders verwondering waren er 29. ‘Degenen die dit niet meebeleefd hebben, kunnen niet aanvoelen welk een ontroering daar was,’ noteerde mevrouw Den Hertog. ‘Alles genade van de Heere. Evenwel zat men meer dan een half jaar letterlijk voor iedere dienst, hetzij ’s zondags of doordeweeks, met het zweet in de handen of er mensen zouden komen.’
Doordeweeks waren er vaak maar tien of elf. Dat weerhield de predikanten en studenten er niet van naar Arnhem te komen; ‘er kwamen er echt veel preken en de meesten deden dat nog gratis ook. Wat dat betreft werden we grotelijks geholpen.’ Op zondag waren er leesdiensten, maar er werden tal van weekbeurten in de agenda’s genoteerd: 8 april 1948 ds. R. Kok, 13 april ds. T. Dorresteijn, 19 april ds. M. Blok, 26 april ds. J. van den Berg, 7 mei ds. R. Kok, 10 mei ds. A. Verhagen, 18 mei en 7 juni ds. M. Blok, 14 juni ds. J. van den Berg, 25 juni ds. J. Fraanje, 28 juni kand. J.W. Kersten.
Meerdere voorgangers merkten op dat er onder de prediking afname was. Ds. Dorresteijn zal zijn preekbeurt ook om een andere reden niet snel vergeten zijn. De eigenaar van de zaal had de crèmekleurige katheder van een nieuwe verflaag voorzien, maar daar niets van gezegd. Ds. Dorresteijn leunde op de lessenaar, maar toen hij zijn arm weer optilde, klonk een hevig gekraak. Boos zei de predikant dat hij nooit meer terugkwam. En hij hield woord.
In de notulen van de classisvergaderingen van 1 en 24 juni 1948 werd het ontstaan van de afdeling Arnhem niet vermeld: alle aandacht ging uit naar de discussie over publicaties van ds. R. Kok uit Veenendaal.
‘Er was in dat kleine kerkje met maar weinig leden een hechte band,’ noteerde mevrouw Den Hertog. De Arnhemse notulen spreken echter ook van allerlei onderling geharrewar.
Enkele maanden nadat de diensten begonnen, werd de oudste dochter van commissielid Van de Pol ernstig ziek. ‘Nu, er is door ieder geworsteld, gebeden en gezucht of ze niet hoefde te sterven. Alles bezocht elkaar en er was een fijne band onder elkaar; dat kan ook in zo’n kleine gemeenschap.’
Na vijf maanden kreeg de afde-ling ambtsdragers. Op 26 juli werd Noels met 9 van de 10 stemmen tot ouderling gekozen, terwijl de beide andere commissieleden diaken werden. Ze werden in Wageningen bevestigd. Juist in die tijd kreeg die gemeente in de persoon van kandidaat M. Heerschap zijn eerste predikant. Bij de bevestigings- en intredediensten kregen de eigen leden van de Wageningse gemeente een gereserveerde plaats; de Arnhemmers dus ook.
Noels was ruim drie jaar de enige ouderling. In september 1948 vroeg de kerkenraad woonruimte in Arnhem voor hem aan. Dat ging echter niet zo vlot; na de oorlog was er grote woningnood. Daarom kreeg Noels in december 1949 een officiële benoeming tot voorganger van de Gereformeerde Gemeenten met standplaats Arnhem. In februari 1950 verhuisde hij naar de Gelderse hoofdstad.
Improviseren
Er stonden 96 stoelen in de kerkzaal aan de Kortestraat, en daarvan waren er haast geen twee hetzelfde. Een ratjetoe. Op het podium stonden een katheder en een piano. De diakenen zaten met hun rug naar de piano, de ouderling had een stoel schuin achter de katheder. Er stond ook een orgel voorin. Aan de muur hing een prijzenkast met bekers en bokalen. Daar werd tijdens de diensten een kleed over gehangen, en later werd de kerstversiering weggehaald.
Er moesten ook collectezakken komen. Diaken Den Hertog kocht twee bezemstelen, die werden geschuurd en gelakt. Een smid vervaardigde twee ijzeren pijpjes met daaraan een ring. Nel Noels, dochter van de ouderling, naaide twee fluwelen zakken, één met een D en de ander met een K erop.
Clara Arends uit Oosterbeek was in 1948 het eerste kind dat werd gedoopt. Joop Deen en Nita de Kleuver vormden (in 1949) het eerste bruidspaar. Ds. Van den Berg leidde hun trouwdienst. De familie Van Binsbergen woonde dicht bij het kerkje en had daarom een sleutel. Diaken Van de Pol uit Velp kwam die ’s zondagsmorgens al vroeg ophalen, zodat hij de kolenkachel kon gaan aansteken. Op een morgen versliep Van Binsbergen zich. Van de Pol kreeg hem niet wakker, dus ging hij de sleutel bij diaken Den Hertog halen. Daardoor kwam hij veel later bij de kerk. Toen de kerkgangers die morgen arriveerden, stond de zaal vol rook en was het er nog steeds koud.
Het gebouw kon al snel worden aangekocht. De weekdiensten waarin hervormde en andere voorgangers preekten, konden er nu niet meer gehouden worden. Die werden verplaatst naar de villa Parkstraat 50, op de hoek van de Prins Hendrikstraat.
In de kerk aan de Kortestraat paste winkelbetimmeringsbedrijf Van Ginkel uit Bennekom het interieur aan en plaatste er kerkbanken. Van de gemeente in Utrecht kregen de Arnhemmers het doopschaaltje dat daar door een verbouwing overbodig werd. Gemeentelid Arends was ‘fijnmeubelmaker’ en maakte er een doopvont omheen. Daarvoor gebruikte hij het buffetdressoir dat de familie J.A. Hilkemeijer na de bevrijding via de Nationale Hulpactie Rode Kruis (HARK) had gekregen, omdat het gezin door het oorlogsgeweld bijna alle meubilair was kwijtgeraakt. Vanwege ruimtegebrek stond de doopvont in de consistoriekamer en werd hij voor doopdiensten naar binnen gesjouwd.
‘Een Avondmaalsstel was ook kostbaar, hoewel het een kleine tafel was,’ schreef de vrouw van scriba C. den Hertog. ‘Dus werd bij de familie Van Binsbergen een tinnen eikelkan geleend. Een zilveren vleeswarenschaaltje bij de scriba vandaan diende als broodschaal. Er hoefde toen alleen nog maar een tinnen beker en potje met deksel gekocht te worden; toen was alles compleet.’
Snel zelfstandig
Ouderling K. Noels en de diakenen C. den Hertog en A. van de Pol maakten deel uit van de kerkenraad van Wageningen totdat de predikant van die gemeente, ds. Heerschap, op 7 maart 1949 naar Arnhem kwam om de gemeente te institueren. De classis Barneveld had daar op 27 januari toestemming voor gegeven: ‘Er zijn 18 manslidmaten en 16 vrouwelijken en 33 Dooplidmaten. Zij hebben aangekocht een geschikt kerkgebouw voor f 12.000,-. Er zijn 1 Ouderling en 2 Diakenen. De Classis merkt op, dat deze dochter nog jong is, doch gezien de goede gang van zaken werd geadviseerd tot instituering, met toevoeging als consulent Ds. Heerschap.’
Sommigen vonden dat Arnhem wat snel op eigen benen kwam te staan, maar ds. J. Fraanje zei: ‘Het kind is voldragen met negen maanden.’ De meer dan twee keer zo grote afdeling in Elst (Utr.) kreeg tegelijkertijd toestemming om zelfstandig te worden.
Op 3 mei waren afgevaardigden van de twee nieuwe gemeenten voor het eerst op de classis, maar net als bij het ontstaan van de afdeling Arnhem werd dat niet vermeld, want tijdens deze vervroegde vergadering stonden opnieuw de problemen in Veenen-daal centraal. Ds. Fraanje kon er wegens ziekte niet meer bij zijn. Voor ds. Heerschap was het ‘voor het eerst in zijn leven’ dat hij een classisvergadering leidde, en dat was niet eenvoudig. Vanuit Arnhem waren ouderling Noels en diaken Den Hertog naar de bijeenkomst in Barneveld gekomen.
Hilkemeijer
In het voorjaar van 1949 deden acht personen openbare belijdenis. Noels had hun catechisatie gegeven. Tot deze groep behoorde Andries Hilkemeijer. Zijn moeder, Anna de Zeeuw, overleed in 1954. Vader Jan Andries Hilkemeijer, leraar aan een ulo, stierf op 6 juli 1961 plotseling. Hij was op straat doodgebleven, werd in de notulen opgetekend. ‘Daar de kinderen in Nieuw-Guinea vertoeven, was de kerkeraad door de politie ingelicht, en heeft deze de eerste handeling gedaan, welke nodig waren tot begrafenis. De begrafenis is geleid door Dhr. B. Roest uit Scherpenzeel. Aanwezig waren namens de Kerk Dhr. Mol en den Hertog.’
Hilkemeijers vrouw en hun dochter Ans hadden lesgegeven op de lagere school van de Gereformeerde Gemeente in Barneveld. Later was Ans onderwijzeres op Nieuw-Guinea. Zoon Andries (ir. A.M. Hilkemeijer) zette zich daar als bestuursambtenaar in voor de bevolking. Hij kwam naar Nederland voor de begrafenis van zijn vader, en het werd zijn laatste bezoek. Vier maanden later, op 16 november 1961, is hij door de inheemse bevolking vermoord (zie het boek ‘Op de bres voor Nieuw-Guinea’).
Scheuring
A. van de Pol was slechts ruim een jaar diaken. In december 1949 legde hij zijn ambt neer. J.J. van de Vooren werd zijn opvolger. Later diende Van de Pol de Arnhemse gemeente opnieuw.
Op 12 januari 1950 werd ds. R. Kok door de Generale Synode geschorst, waarna hij zich aan de Gereformeerde Gemeenten onttrok. In 1951 schreef ouderling Noels een brochure over de perikelen. Daarin laakte hij de schorsing van ds. Kok, het optreden van dr. C. Steenblok en de kerkrechtelijke fouten die er volgens hem waren gemaakt. De classis kwam op 3 augustus in een vervroegde vergadering bijeen en besloot dat Noels zou worden afgezet en gecensureerd. Dat gebeurde nog diezelfde dag.
Na verscheidene roerige ledenvergaderingen scheidde Noels zich begin 1952 van de gemeente af. Hij stichtte een vrije gemeente, waar eerst ds. G. Salomons preekte en later Noels zelf.
In de Gereformeerde Gemeente kreeg Noels pas na vierenhalf jaar een opvolger. Ouderlingen uit de classisgemeenten kwamen de leesdiensten leiden. Ze logeerden van zaterdag tot maandag in Arnhem. De twee (later drie) diakenen deden het overige werk. De consulent, ds. H. van Gilst uit Elspeet, leidde de kerkenraadsvergaderingen, en in 1955 kwam ouderling A. van Schothorst uit Wageningen catechisatie geven.
Noels’ Statenbijbel had in de Gereformeerde Gemeente dienst gedaan als kanselbijbel. Toen hij vertrok, nam hij zijn Bijbel mee. Bij een antiquair op de Jansbinnensingel vond diaken Den Hertog een andere kanselbijbel, en die doet anno 2017 nog steeds dienst. Er werd ingebroken in het kerkje, waarbij 135 psalmen uit de Bijbel werden gescheurd en door de kerk gegooid. Den Hertog arriveerde die morgen om 7 uur om de kachel aan te steken. Hij zag nog net een paar schimmen verdwijnen: de inbrekers vluchtten, en ze namen het busje met catechisatiegeld mee. Den Hertog en een militair die bij hem thuiskwam, lijmden de psalmen weer in de kanselbijbel. J. van Lier was in 1949 koster geworden, maar ging in 1952 met Noels mee. A. Arends werd de nieuwe koster. Hij werd op 1 mei 1954 opgevolgd door de heer Tiecke.
Eind 1954 nam de familie W. Remijn afscheid wegens emigratie naar Australië, waar een broer van Remijn woonde. Daar lazen ze met twee andere gezinnen ’s zondags thuis. Het ene gezin keerde terug naar Nederland, het andere vertrok eerst naar het eiland Tasmanië en kwam vervolgens in het Canadese Chilliwack terecht. Daardoor bleef de familie Remijn alleen achter. Ze kregen vanuit Amerika prekenbandjes van ds. W.C. Lamain toegestuurd. Matthijs Remijn emigreerde in 1969 naar de Verenigde Staten, een jaar later gevolgd door zijn ouders en broer Bert. Die laatste diende de Gereformeerde Gemeente van Grand Rapids-Covell Avenue in de jaren 1995-2016 als diaken.
Hereniging
In Arnhem kwamen oefenaar Noels en zijn gemeenteleden begin februari 1955 weer in de Gereformeerde Gemeente kerken. Na een proefperiode werden de meesten van hen in augustus weer lid. Noels verhuisde in maart 1956 naar Alkmaar, waar hij later nog ouderling is geweest op de evangelisatiepost van de Gereformeerde Gemeenten, bij evangelist J. Kwantes.
De Arnhemse gemeente zat van 1951 tot 1956 zonder ouder-ling, maar toen kon J. Mol worden bevestigd, die twee jaar eerder met vrouw en twee kinderen vanuit Rhenen naar de Gelderse hoofdstad was verhuisd. Hij nam het voorzitterschap van de kerkenraad van diaken J.J. van de Vooren over. Mol gaf catechisatie in de consistoriekamer, boven het fietsenhok. De Arnhemse tijd werd onvergetelijk voor hem: hij ontving er geestelijk onderwijs en werd er geroepen tot het predikambt.
In die tijd kwam er meer ruimte doordat het keukentje dat als consistoriekamer dienstdeed, bij de kerkzaal werd getrokken, zodat de kansel een paar meter naar achteren kon worden verplaatst. Er was een kamer boven bijgekocht en daar zat de kerkenraad voortaan voor en na de dienst. Van de vroegere Gereformeerde Gemeente in Mijdrecht, die inmiddels tot de Christelijke Gereformeerde Kerken behoorde, werd een orgel overgenomen.
Eind 1961 verhuisde ouderling Mol naar Haarlem. ‘Dit is voor de gemeente een grote slag, daar er niet zo makkelijk in voorzien kan worden. Als bergen valt het op ons’, noteerde scriba C. den Hertog. Ruim vijf jaar had Mol de vergaderingen geleid. ‘Er zijn weleens heftige geweest, maar hij hoopte dat alles wat niet goed geweest is, vergeven mocht worden.’ Later had Mol een groentewinkel in Rotterdam, waar hij in 1965 nog even ouderling is geweest voordat hij werd toegelaten tot de Theologische School.
Opnieuw zat Arnhem zonder ouderling en kwamen ouderlingen van elders preeklezen, maar deze keer duurde dat niet zo lang: de diakenen Den Hertog en Van de Pol gingen de diensten leiden en werden vervolgens op 16 juli 1962 tot ouderling bevestigd.
Klappen bij de toepassing
Twee vroegere gemeenteleden, P.C. Beeke (Middelburg) en J. van ’t Hul (Lieren), gingen eind 2012 nog eens terug naar Arnhem, naar het kerkje aan de Kortestraat, en Van ’t Hul schreef in Terdege: ‘Beeke weet het nog nauwkeurig. ‘Op de vloer lagen rode cocoslopers. Er stonden donkerbruine, vurenhouten banken. En dáár zaten wij. En achter ons zat meneer Arends. Die zong als een bazuin. En op díe plaats zat de familie Den Breejen en Van Binsbergen, dáár Den Hertog, Van de Pol, Witvliet, Van Toor. Er werd in sommige banken nog wel eens wat geklierd door de jeugd. Als een van de vaders dat zat was, werden er aan het begin van de toepassing wat klappen uitgedeeld, waarna het weer even rustig was.’
Op de achterste bank zat koster Tiecke. ‘Die man was gehandicapt, hij had maar één arm. De andere arm was hij in de oorlog kwijtgeraakt. Zijn vrouw leed aan Parkinson, ze zat almaar met haar hoofd te schudden.’ En: ‘Meneer L. Fraanje was onze organist. Later werd Fraanje ouderling.’’
Van ’t Hul woonde in Elden. Zijn vader, R. van ’t Hul, bedankte begin 1965 in Arnhem voor een verkiezing tot diaken, maar diende in de jaren 1980-1991 wel de gemeente in Wageningen als ambtsdrager. Diens broer, ook R. van ’t Hul, werd in 1969 koster in Arnhem.
Dertig soldaten erbij
Arnhem was en is een streekgemeente. Naast de eigen leden kwamen ook schippers naar de diensten die hun vaartuig in de omgeving hadden afgemeerd. En militairen, die tussen de diensten in verschillende gezinnen werden opgevangen. Een van de soldaten was J. Driessen, die later als Doetinchems predikant nog even consulent in Arnhem was.
Op een zondagmorgen kwam het geluid van marcherende militairen dichterbij. ‘Halt!’ klonk het pal voor het kerkje. Een sergeant stapte binnen en vroeg aan diaken Den Hertog, die deze morgen voorlezer was, of er dertig man kon worden toegelaten. Hij zou hen om half twaalf weer ophalen. Dat kon; er was ruimte genoeg. De sergeant salueerde en verdween.
Oud-koster Arends stalde vóór de diensten altijd de fietsen in een hokje achter de consistoriekamer. Allemaal met de trappers in gelijke stand, zodat er zoveel mogelijk fietsen konden staan.
Samen verder
De Arnhemse gemeente kocht een leegstaande kerk in de Parkstraat aan. Ds. G. Schipaanboord nam die na renovatie op 24 juni 1965 in gebruik.
Hier kwam de gemeente echter slechts vier jaar bijeen. In 1969 kwam ds. J.C. van Ravenswaay met de ouderlingen B. Crum en A. Jongkind, de diakenen M. Clements, G. de Stigter, J. Stoter en D. Terlouw en 200 van de 330 leden van de Christelijke Gereformeerde Kerk over naar de Gereformeerde Gemeenten. Ook kinderen van de genoemde ambtsdragers kwamen zo in de Gereformeerde Gemeenten terecht, en zowel een zoon van diaken Clements als een zoon van diaken Terlouw werd daar later predikant.
De beide Gereformeerde Gemeenten gingen al snel samen. Op 17 juni 1969 leidde ds. Van Ravenswaay de ‘eerste kerkeraadsvergadering van de saamgesmolten gemeenten’ en op 22 juni werden de eerste gezamenlijke diensten gehouden.
De gefuseerde gemeente kwam bijeen in het kerkgebouw van Van Ravenswaays gemeente, omdat dat het grootst was. De kleine kerk van de Gereformeerde Gemeente werd overgedragen aan degenen die christelijk gereformeerd bleven (onder wie de kerkenraadsleden A. van de Beek en D. van de Bos en koster A. den Bok).
Aantrekkingskracht
Sindsdien komt de Gereformeerde Gemeente aan de Groen van Prinstererstraat bijeen. De kosterswoning zit aan de kerk vast. Aan de andere kant is het huis via een tuinpoort verbonden met het kerkgebouw van een Chinese gemeente.
Nadat ds. Van Ravenswaay in 1973 naar Terneuzen vertrok, werd de Arnhemse gemeente bediend door ds. K. de Gier (1975-1980), die uit ’s-Gravenhage-Centrum kwam en er ook weer naar terugging, en ds. R. Kattenberg (1987-1995 en 2000-2005), die naar Vlissingen vertrok en ook uit die plaats terugkwam. Ds. Kattenberg, die Arnhem ruim veertien jaar diende, ging later nog regelmatig in de gemeente voor, zeker nadat hij als emerituspredikant van Lelystad naar Ede verhuisde.
Mevrouw D.L. de Gier-Segers noemde de Arnhemse periode ‘een fijne tijd. Er woonden nogal wat gemeenteleden in Velp, waar de pastorie stond. Daardoor had ik er vrij snel contacten. Mijn man was opgegroeid bij de Waal. De rivier heeft altijd aantrekkingskracht op hem gehouden. In Velp fietste hij nogal eens naar de IJssel. ’k Vond het heel erg dat we in 1980 terug moesten naar Den Haag, en ook voor de jongste kinderen is dat moeilijk geweest.’ In de vacante periode die volgde, kwam de hervormde emerituspredikant ds. Jac. van Dijk (zwager van eerdergenoemde ds. J.H. van Grieken, hervormd predikant in Arnhem) nogal eens naar de diensten. Enkele dagen voor zijn overlijden beluisterde hij er ds. A. Hofman. Ds. Van Dijk was zeer bewogen onder de prediking. Op 14 april 1984 overleed hij plotseling.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017
Oude Paden | 64 Pagina's