Cornelia van Reenen-Spelt II
Een leven in de vreze Gods
In het vorige artikel over Cornelia van Reenen-Spelt werd zij vooral zelf aan het woord gelaten. Een voordeel is dat de schrijver er dan niet tussen zit met zijn gevoelens en gedachten. Ik heb eens een boekje gelezen over een geacht predikant die reeds lang geleden is overleden. Hetgeen geschreven werd óver hem was zó mooi, bijna volmaakt. Toch stond het me eigenlijk tegen, totdat ik een aantal van zijn meditaties las, achter in hetzelfde boekje. Toen keek je hem in zijn hart en dan kom je er achter wie die man eigenlijk was. Gelukkig dat er meditaties in stonden, anders was mijn oordeel negatief gebleven. Cornelia schrijft in haar brieven vanuit haar hart. En dat deed ze niet omdat ze zo trots was op zichzelf, maar ze laat vooral zien Wie de Heere wilde zijn voor zo’n ellendig schepsel.
Brieven
In dit tweede en laatste artikel gaan we eens na wie de vrienden en vriendinnen waren van Cornelia, maar ook hoe haar levensomstandigheden waren, kerkelijk en huiselijk. Uit een grote hoeveelheid brieven blijkt haar betrokkenheid op persoonlijk en kerkelijk vlak.
De eerste brief uit de nalatenschap van Cornelia dateert van januari 1948. Er zijn brieven van en aan Herman Bas, ouderling van de Gereformeerde Gemeente van Alblasserdam. Enkele brieven aan ds. M. van de Ketterij, die van 1950 tot 1959 predikant was te Alblasserdam. Er zijn veel brieven aan Betje Vercouterenvan der Beek en één brief aan Johanna Bardelmeijer-van Soest. Enkele brieven beginnen met ‘Geachte Vriend’. Onduidelijk blijft het soms wie die betreffende ‘Vriend’ is; vermoedelijk ook een predikant. Ook zijn er brieven aan mijn ‘vriendje Piet v.d. Beek’, die nog in leven is en in Alblasserdam woont. Betje Vercouteren- van der Beek was zijn tante.
Kerkelijke zorg
Het is gevaarlijk om verkeerde conclusies te trekken wie de ‘Geachte Vriend’ is, aan wie Cornelia op 10 februari 1950 een wel héél lange brief schrijft. Deze geadresseerde is op dat moment voor haar (nog) onbekend, maar ze voelt zich gedrongen om te schrijven. Waarover? Allereerst stelt ze zichzelf voor en zegt ze wie ze is. In grote lijnen beschrijft ze haar eigen leven en de weldaden die ze van de Heere door soevereine genade heeft mogen ontvangen. Daarnaast uit ze haar grote zorg over de ontwikkelingen binnen het kerkelijk leven van de Gereformeerde Gemeenten. Ten zuiden van haar woonplaats spelen zich zaken af die in die tijd alle aandacht vragen. Ze mag haar nood voor de Heere neerleggen en Hij geeft onderwijs, maar daarmee zijn de zorgen niet weggenomen.
‘O, vriend, ik kon het niet verwerken, ik heb gevast en geweend. O, Ikabod, Ikabod, de ere is weggevoerd van Israël. O, dat toch alle leraren weenden en weeklagen ophieven tot de God des Hemels.’
Uit de brief blijkt dat ze een bijzondere band had met de predikant van Alblasserdam, ds. Van de Ketterij. Ze beleeft haar smart als een eenzame mus op het dak. Ze ziet nog een lichtpuntje, wanneer de gemeenten en de leraren én zijzelf, in de schuld komen voor Gods aangezicht. Misschien is er dan nog verwachting.
Het past niet om deze brief in zijn geheel te citeren, wegens het zo persoonlijke karakter ervan. Het noemen van allerlei namen kan boeiend zijn, maar is ook weer niet altijd stichtelijk.
Brieven aan Betje Vercouteren
De in ons bezit zijnde brieven aan Betje dateren uit de periode van maart 1950. Over Betje is weinig bekend. Ze werd geboren in Waardhuizen, bij Almkerk in Noord-Brabant, op 10 mei 1895 en overleed te Nieuw-Lekkerland op 18 augustus 1965. Uit de brieven die zij aan Cornelia schrijft, kun je opmaken dat Betje een zwak, ziekelijk lichaam had. Zij huwde op 20 mei 1934 met Lambertus Vercouteren, die een stuk ouder was dan Betje. Hij was sinds 1916 weduwnaar van de Nieuw-Lekkerlandse Sijgje Stam en trouwde met haar in 1907. Lambertus kwam van Tholen en was visser van beroep.
Hij overleed in 1942. Betje was dus al jong weduwe. Het echtpaar woonde op Lekdijk 384 te Nieuw-Lekkerland.
Omdat ouderling Herman Bas jarenlang vanuit Alblasserdam in Scherpenzeel catechiseerde en daar wellicht Cornelia heeft leren kennen, zijn mogelijk de contacten ontstaan met Betje, die op haar beurt bevriend was met Herman Bas. Cornelia vraagt regelmatig aan het eind van haar brieven of Betje de groeten wil doen aan de ouderling en tevens aan de predikant.
Nu volgt een volledige brief aan Betje.
Een andere brief uit datzelfde jaar beëindigt Cornelia als volgt – soms benut ze alle lege plekjes op het briefpapier – ‘Doe ook vooral de H.G. aan mijn geliefde Vriend Herman, en als u hem soms ontmoet, ook vooral Ds. en allen die Sion beminnen. En Betje, als u eens weer kunt, krijg ik dan eens een briefje terug. Ik ben het niet waard, maar had nog gaarne een paar lettertjes terug.
Onderling worden preken en andere boekjes aan elkaar uitgeleend, die Herman Bas meebrengt en weer – na lezing – terugneemt naar Alblasserdam. Dikwijls worden ook pakjes overen-weer verzonden met de post. In een brief van juli 1950 beveelt Bas een boekje aan: …Ik wenste wel dat u tot uw zielssterkte eens las dat kostelijke werkje van Huntington ‘Philomela in het koningsdal’. Daar wordt dat alles in verhandeld. Dat Rom. 7 wordt wel in pijnlijke wegen geleerd, maar daardoor worden de gangen vaster van Sions burgers. De Heere zal op Zijn tijd weer een overvloedige geschudde en overlopende maat geven, want de vastigheden van het eeuwig verbond liggen niet in uw handen, maar in het bloed en de gerechtigheid van Uwe dierbare Verlosser.’
Cornelia schrijft erover: 25.12.1950
… O, geliefde Betje, ik heb in gemeenschap en stichting voor mijn ziel mogen lezen. Betje, het boekje van Huntington, heb ik veel in gelezen en goed bewaard hoor. Als vriend Bas eens weer bij mij komt zal ik het weer meegeven. O Betje, ik heb het met vrucht en zegen voor mijn ziel mogen lezen. Ik dank u er hartelijk voor. Als u het weer terug hebt, lees er maar veel in. U zal misschien zeggen: ik versta het niet goed. Ja Betje, dat kan wel zijn, maar lees het dan maar met een jaloerse en begerige ziel, want het is hemels onderwijs. Want o, Vriendin, er staan zulke hemelse zaken in, die toch ook voor u zo nodig en nuttig zijn, voor dit leven en voor de eeuwigheid. Wij zijn nooit te onkundig, om door de Heere geleerd te worden. Och, dat u er maar veel behoefte aan mocht hebben. Dat uw ziel maar geen rust mocht vinden aleer u bent opgelost in de volle Zaligmaker. O lieve Vriendin, dat uw geld eens op mocht raken, zoals bij die bloedvloeiende vrouw.
Betje, ik hoop dat uw kwaal maar ongeneselijk is en niet genezen kan worden, alleen door het bloed van Jezus Christus. O, die lieve Zaligmaker wijst niemand af, als wij maar waarlijk krank zijn….
Droevige scheuring van 1953
Er zijn weinig brieven uit dit tijdsbestek voorhanden. Te midden van alle zorgen schrijft ze in april van 1953: …’vanmiddag overviel mij een droefheid en (ik) werd zo gewaar dat het scheiden van mijn lieve vrienden mij zwaar zal vallen. Want alle kommer en zorgen van de laatste jaren op kerkelijk terrein, hebben de banden steeds hechter doen worden. (…)
…O, mijn ziele is angstig onder dit alles. Maar de Heere zal voor de Zijnen zorgen, ziet maar op het einde van ’s Heeren wegen. Maar stil afwachten met verzuchtingen en uitzien wat God zal doen. Maar de Heere zal opstaan tot de strijd. Laat ons alle zaken maar in Zijn handen leggen, maar mijn ziel is in ons ontroerd. Och, geliefde, die dierbare, beminnelijke Heere Jezus wordt in zulke wegen aan het kruis genageld en Zijn weldaden met voeten getreden. Och, dat mijn hoofd water ware en mocht bewenen de breuke der dochteren mijns volks…
Geestelijke band met Herman Bas
Herman Bas werd geboren in 1900 te Alblasserdam, en overleed aldaar, na een moeilijke levensavond, op de hoge leeftijd van 94 jaar. Hij huwde in 1928 met de weduwe Geertje den Beste(n), geboren in 1894. Ze was een Godvrezende vrouw, die overleed in 1937. Hij huwde opnieuw in 1940 met Huigje Bas, geboren in 1898 en overleden in 1947. Zo werd hij voor de tweede maal weduwnaar. In 1950 huwde hij met een tante van Betje, Lijntje van der Beek, geboren in 1919 en overleden in 2001.
Zo heeft Bas in zijn leven veel verdriet gehad. Zijn brieven ge-tuigen van veel geestelijke strijd over zijn aandeel aan Christus, maar ook had hij een zwakke gezondheid. Ondanks dat nam hij in het kerkelijk leven een grote plaats in. Hij verzette heel veel werk en ging ernstig en getrouw om met de zielen van zijn medereizigers. Van 1947 tot 1959 was hij lid van het curatorium en van 1928 tot 1960 ouderling van de gemeente te Alblasserdam. In Israëls Wachter sluimert niet – herinneringen van Ds. F. Mallan, samengesteld door J. Mastenbroek, zegt ds. Mallan het volgende: ‘Later heb ik Herman Bas steeds nog bezocht. De herinneringen komen bij me boven. Altijd is de band van hartelijke verbondenheid aan hem gebleven en dat was wederzijds. Als ik bij hem een gebed deed, sprak hij ‘Ja, ja’, onder het bidden. Ik heb Bas ook nog begraven (op zijn verjaardag 29 september cdh) Ik herinner me nog dat ik als student eens op een bid- of dankdag in Alblasserdam was. Ds. Fraanje ging daar voor, het was al aan het einde van zijn leven. Tussen de diensten waren we bij Bas; Marigje Mellegers was daar ook. Ik weet nog wat we daar gezongen hebben: Psalm 138, ‘Als ik, omringd door tegenspoed, bezwijken moet, schenkt Gij mij leven.’ Ik heb nog nooit zó horen zingen, zó uit het hart van de strijdende Kerk vandaan. Ds. Fraanje kon niet meezingen.’
Van zijn hand verschenen o.a. Ons isolement bewaard uitgegeven op last van de vergadering van ouderlingen der Geref. Gemeenten, gehouden te Utrecht in februari 1951. Afbakening, een brochure, geschreven door Dr. C. Steenblok en H. Bas en Om de oude waarheid of Het leergeschil aangetoond, eveneens samengesteld door Dr. C. Steenblok en H. Bas.
Om te proeven hoe Herman Bas de nood van zijn bestaan en het verlangen van zijn ziel verwoordt, volgt van hem de onderstaande brief:
Buigen onder God
De geestelijke diepten en de lichamelijke omstandigheden, waarin Herman Bas heeft verkeerd, duurden kennelijk lange tijd. Cornelia mag door genade haar vriend opdragen aan die grote Ontfermer, voor Wie geen mens te ellendig en te schuldig is. Dat gebeurt op een ingrijpende wijze:
…Daar ik gedrongen word u te schrijven, zet ik mij neder. Gans onbekwaam om te schrijven. Met de hulpe des Heeren wil ik trachten het te doen. Het was de 29 e juli (1954 cdh) dat ik voor u was zuchtende, in uw noden, en ik kreeg even opening en kreeg deze woorden: Indien Hij vertoeft, verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven. U begrijpt, dat gaf enige bemoediging, maar het nam de nood niet weg. Mijn ziel bleef zuchten tot zaterdagavond, 31 juli. Als naar gewoonte boog ik mijn knieën en (beval) alweer uw noden. Het lag mij zwaar, maar (ik) raakte het niet kwijt. (Ik) ging ter ruste; heb rustig geslapen tot des nachts. Zo ongeveer om twee uur werd ik wakker met uw noden in mijn ziel. Het werd een worsteling, zo lang, dat ik afgemat was. Toen openbaarde de Heere Jezus voor mijn ziel en ik mocht tot Hem met u naderen. Het was mij of u op mij arm lag, net zo hulpbehoevend, alsof u een pasgeboren kind waart. En ik zeg:’ o, lieve, dierbare Bloedbruidegom, ik kom tot U met mijn vriend. Hij is zeer krank en van alle hulp ontbloot, tot stervens toe. Niemand is bij machte hem te helpen en hij is mij dierbaar. O, lieve, grote Geneesmeester, U hebt toen U op aarde was, nooit Uw hulp ontzegd. Er kwam een grote schare, blinden, doven, stommen, geraakten, bezetenen, bloedvloeienden; een moeder voor haar dochter, een vader voor zijn zoon. enz. enz. Zij kwamen allen tot U en U hebt ze allen uitgeholpen, en zo nader ik tot U met mijn zeer kranke vriend.’ O, geliefde vriend, ik mocht u aan Zijn voeten nederleggen en mocht al mijn noden op Hem leggen. Maar, o vriend, daar ontsloot zich voor mijn geestesoog God de Vader als Richter. O, wat zag ik toen dat u, uzelf in uw Verbondshoofd Adam de eeuwige verdoemenis had waardig gemaakt. O, geliefde vriend, toen waren de deugden Gods mij liever dan uw zaligheid. Toen heb ik wel 5 á 6 maal plechtig gezegd: ‘Rechtvaardig kunt U hem in de eeuwige verdoemenis doen wegzinken.’ Maar de Rechter zag op het offer Zijns Zoons en sprak:’ deze zal in het verderf niet neerdalen, Ik heb verzoening gevonden’. O vriend, toen heb ik een half uur geweend van ootmoed en van dat eeuwige wonder, en werd toen bepaald bij Jesaja 61:1,2,3. O vriend, toen werd ik bedroefd omdat ik geen mond had om God te loven. Toen kwamen mij deze regels voor:
De lofzang klimt uit Sions zalen, tot U met stil ontzag. Daar zal men U, o God, betalen, geloften dag bij dag.
O vriend, dat ziet op de heerlijkheid. Daar is blijdschap over één zondaar die zich bekeert. O geliefde vriend, zo ben ik u in God kwijtgeraakt. Mijn zoete Heere Jezus heeft mijn noden op Zich genomen. O vriend, ik weet niet of het goed is dit te sturen, maar ik word ertoe gedrongen. Nu moet het nog in uw ziel worden uitgewerkt. U kunt het met het mijne niet doen (gebrekvol aangestipt). Zeer hartelijk gegroet, met uw vrouw en de vrienden,
Uw zeer onwaardige, maar liefhebbende vriendin, Vr.v.R.
Lieve vriend, nogmaals z.h. gegroet, O, vriend, gebrekvol even er iets van aangestipt. Ik hoop zeer dat wij elkanders aangezicht nog eens mogen wederzien, en dat ik het mondeling mag vertellen.
Het handschrift van Cornelia wordt in de loop der jaren steeds moeilijker leesbaar. De letters worden kleiner en ze beeft kennelijk. De brieven worden ook korter, maar niet leger van inhoud. In de jaren na 1957 blikt ze ook steeds vaker terug in haar leven. Ze is dan helder van geest en weet goed uit welke nood en dood ze verlost is. Voordat Christus Zich steeds opnieuw aan haar ziel openbaarde, herinnert ze zich duidelijk wat daaraan voorafging.
‘Toen had God verzoening voor mij gevonden in Christus. ‘Nu heb ik geen statelijke schuld vanuit het welbehagen des Heeren. O, mijn pen kan er maar iets van aanstippen. O, lieve Betje, wat zou ik u dat graag gunnen, dat de Heere uw ziel ook eens uitleiden mocht in een vaste stad. Dan gaat men met zichzelf ten onder, maar dat hindert niet, want dan leeft men uit God Drieënig’.
Brief van ds. Joh. van der Poel uit 1949, met een zinspeling op de naam van het huis waarin Cornelia met haar man woonde: Aan mijn zuster Nooitgedacht,
Ook dat had ik Nooitgedacht, dat u aan mij uw geschonken juweeltje zou laten zien. En nog minder zal u ooit gedacht hebben dat een Drieënig God u, zondares, als een juweel aan Christus gegeven had, waar Hij de Goudklomp is voor Zijn verroest volk in haarzelven.
En Gij met dit verkiezingsgoud overdekt en hier in de tijd van een slang een duif, met goud overdekt, Zijn Borggerechtigheid u, Nooitgedacht, weer een lust in de ogen van een Rechtvaardig God in Christus.
En ook Nooitgedacht, dat er in het hart van de Vader zulk een eeuwige liefde, ja de oudste en beproefdste liefde Zijn Lieveling al uw toornvloek der wet, zonde en schuld voor u, Nooitgedacht, op Zich te laden. En u, Nooitgedacht, tot Zijn bruid, door een wettig recht, tot Zijn Eeuwige bruid, door dat zoete bloed gemaakt heeft.
En u door kruis en kastijding, aanvallen en veel strijd en armoede, bij uw wettige Man te houden. De kruizen en de noden zijn toegift voor deze kant, om u te bewaren, geen andere Minnaar na te hoereren.
En u aan alles te kruis(ig)en als vrucht van Zijn kruis, om dan in dat Kruis te roemen. Christus kwam na Zijn dood van het Kruis, zo zal het ook met u gaan. Laat dan uw kruis u hier dienen. Straks zal u een Drieënig God dienen, zonder Kruis. Uw vriend onder kruis.
Een brief van Betje
Tussen de tientallen brieven van Cornelia aan Betje bevindt zich slechts één brief van Betje aan Cornelia.
Het einde nadert
In de map met brieven bevindt zich nog een aantal niet gedateerde brieven, maar gezien de leesbaarheid zou de laatste uit eind 1962 kunnen zijn. Als laatste is er nog een brief aan Johanna Bardelmeijer-van Soest. Ze beschrijft daarin hoe de Heere haar geleid heeft tot haar vernedering en tot heerlijkheid Gods. Inhoudelijk vergelijkbaar met de brief uit het vorige artikel. Betje Vercouteren overleed in 1965 op de leeftijd van 70 jaar. In 1959/60 hebben de brieven vaak een droevige toon. De kwestie rond ds. Van de Ketterij geeft veel smart en vertwijfeling. De zaak ligt té teer en te persoonlijk om uit de brieven te citeren. Op 18 januari 1968 mag Cornelia de tijd met de eeuwige zaligheid verwisselen. De begrafenis werd geleid door ouderling D. van Mourik uit Geldermalsen. Wat zal dat geweest zijn, om nu die God te ontmoeten Die Zich in haar leven zo wonderlijk in Zijn Zoon heeft willen openbaren en verklaren. Geen verdriet meer, geen ellende meer, geen zwak lichaam meer. Maar volmaakt Hem te dienen Die Zich ook voor haar overgaf tot in de dood, maar tot haar rechtvaardigmaking is opgestaan en eeuwig haar Koning mag zijn. Om met al de Zijnen Hem eeuwig te prijzen. Omdat Hij ’t heeft gedaan!
Zalig zijn de doden die in den Heere sterven, van nu aan.
Nooitgedacht, 12 juni 1950
Geliefde vriendin Betje,
Uw briefje verleden zaterdag in goede orde ontvangen en wil u er nu even voor bedanken en was blij dat ik wist hoe het was. Het zal wel heel wat voor u geweest zijn zo plotseling een zieke in huis te hebben en op te moeten passen. Maar Betje, liefdewerk is niet zo zwaar. Onze lieve Zaligmaker zegt: Al wat gij aan een van deze mijn minsten gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan. De Heere zegt: wie een van deze kleinen te drinken geeft een beker koud water in Mijn Naam, het zal hem vergolden worden. O, Betje, ik vind het een voorrecht, waar ik jaloers op ben, om een van deze kleinen verzorgd te mogen hebben. De Heere zal het u vergelden.
O Betje, ik ben er u dankbaar voor, want Herman is uw, maar ook mijn zielenvriend. Het is mij altijd nog zo’n wonder, hoe wij elkander hebben leren kennen. Uit uw briefje heb ik wel opgemerkt dat u de moeiten des levens kent, want ik heb begrepen dat u weduwe bent en bij een ander in moet wonen. Dat is in onze dagen zoveel, o Betje. Alles gevolgen van de zonden.
Ik heb ook wel van vriend Bas begrepen dat u ook een huis zocht, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen, Wiens Bouwmeester en Kunstenaar God is. O, Betje, dat u door dat bloed van Jezus Christus, die God mocht deelachtig zijn. O, dat is zo’n profijtelijk leven! Dan ligt de grondslag vast. Dan wankelt dat gebouw niet meer. Dan zijn wij in een onbewegelijk koninkrijk. U zegt die zaken nog te missen, maar uw ziel legert daarin. O vriendin, ik wens u niets anders, dat des Heeren Geest u meer en meer ontdekt en blijft twisten, tot u als een hulpeloos duifje komt gevlogen tot die Ark des behoudenis. O, dan strekt die geestelijke Noach Zijn hand uit en haalt u, omzwervende ziel, binnen. Betje, ik kan u niet ten volle schrijven wat dat is, als het anker vast mag liggen in het bloed van Jezus Christus. Dan is al het ongeloof geweken en dan heerst de Banier der liefde over u. O, te mogen weten, op een rechte grond: Hij de mijne en ik de Zijne, Die onder de leliën weidt.
De Heere lere het u uit vrije genade. Houd maar moed. Die het goede werk begonnen heeft, zal het ook voleindigen op de dag Zijner heirkracht.
Vandaag was ik op een begrafenis van een oude, bekommerde vriend van 89 jaar. Maar ik was er niet gemakkelijk voor mijzelf en dan spreek ik niet. O, er is zo weinig weerklank der bergen en dan is het spreken zo moeilijk. Er is zo weinig bekommering in de bekommering. En als het dan niet anders is dan godsdienst, dan geeft dat zo’n stuiting. Als ik maar een waarlijk bekommerde ziel mag ontmoeten, o Betje, dan gaat mijn hart leven. En dat vind ik in mijn vriend Bas. Och vriendin, waar die Geest werkt, werkt dat vernedering. Want armen worden met goederen vervuld en rijken worden ledig weggezonden.
Ik ga eindigen, en heb begrepen dat vriend Bas weer vooruitgaande is en weer naar huis gaat. Ik was zo benieuwd hoe het ging en toen heeft een kennis opgebeld naar zijn huis.
Nu, ik eindig met vele hartelijke groeten.
Uw toegenegen vriendin, Vrouw Van Reenen.
Alblasserdam, 29 december 1953
Zeer geliefde vriendin,
Vanmorgen mocht ik Uw briefje ontvangen en was er zeer mee verblijd en zeg er U nevens de Heere hartelijk dank voor. U schreef dat U zulk een armelijk briefje geschreven had. Maar, vriendin, overal waar liefde in is, is het niet arm, want daar is wat van de Heere in, want de liefde is uit God. En dat het arm is, dat is maar een bewijs dat U behoort tot degenen waarvan de Heere zegt: Ik zal Mij doen overhouden een ellendig en arm volk, en die zullen op de Naam des Heeren betrouwen. U bent wel arm in Uzelven, maar U kunt toch schrijven dat het Kerstmis, Pasen en Pinksteren bij U geweest was, wat maar weinigen kunnen zeggen. Is dat dan niet de grootste rijkdom? Uw Maker is Uw Man, Heere der Heirscharen is Zijn Naam. Ik kan geen grotere rijkdom uitdenken dan ledig en ontledigd te zijn in Uzelven, want dan bent U de Heere het meest aangenaam en het beste opgeborgen tegen datgene ’t welk de Heere het meeste haat, nl. de hoogmoed.
Ja Vriendin, voor u heb ik wel raad, maar voor mijzelven zie ik maar zeer weinig mogelijkheid hoe er ooit door te komen. Sinds enkele dagen zit ik op een heel erge wijze opgesloten in de zeer nare gevangenis van het rampzalig ongeloof. Daarbij kou in mijn hoofd gevat, zodat ik weinig anders gewaar word dan toorn en ongenoegen en ik dag en nacht de nare gevolgen van mijn ellendige staat ondervind.
Vannacht van 2 tot 5 uur zeer in de greep van ’t ongeloof, dat het er toch slecht met mij zou aflopen, en ik geen heil bij God heb. En dan ook onder de wrede vuistslagen van satan, ’t welk mij zeer benauwd doet zijn. O, hoe menig keer hebt U al dergelijke klachten van mij vernomen, zonder dat mijn banden weggenomen op zulk een wijze dat er oplossing van zaken gekomen is. ‘k Heb nu 6 jaar in deze gevangenis gezucht en ben vaak twijfelmoedig. Ben zo verblijd als ik weer wat hope op de Heere gevoel, maar het is van korte duur. Ik ben ook wel eens erg bang voor mijn hoofd, waar ik al zoveel aan geleden heb. Ik denk zo dikwijls aan die uitdrukking die U eens schreef in één van Uw briefjes, dat bij Uw eerste kennisneming van de verlossing door het bloed, dat toen het geloof vloeide uit de Persoon des Middelaars. O, wat is dat toch groot, als men er zo geheel buiten staat en het zuivere Godswerk zo maar geopenbaard wordt. Maar, Vriendin, ik zoek te verdragen, want ’t zijn mijn eigen zonden. Maar soms is het zo onhoudbaar dat het een wonder zal zijn als ik uit de hel blijf. Te weten dat ik zoveel zonde doe door dat ongeloof en er niet van los te kunnen komen. En toch van tijd tot tijd mijn klachten uit die nood nog proberen op te zenden. ‘k Heb nog lang enige hoop gehad, nog eens uit zulk een staat verlost te worden, maar begin er nu aan te twijfelen. De Heere verbergt Zichzelf voor mij, maar dat is zo erg, dat ik Zijn toorn zo gevoel en Hij mij als een wrede is. En dan zulke veranderlijke gemoedsgesteldheden.’t Was gisterenavond dat ik al die hoogmoed zo gevoelde en al de ellende van mijn hart. Toen was het dat ik een ogenblik, net alsof ik wegzonk. Toen kon ik het de Heere niet kwalijk nemen en was de nood groot. Toen kreeg ik liefde in mijn hart tot het Goddelijke recht. Maar, Vriendin, er gebeurde niets meer. En naderhand kreeg de vijand er zó vat op, dat het alles maar nabijkomend werk was bij mij en heb ik heel de nacht weinig geslapen en onder de vuistslagen des ongeloofs doorgebracht. Geloof mij, Vriendin, dat er ter wereld geen groter zondaar is dan ik. Maar ik kan er niet op laten volgen: maar mij is barmhartigheid geschied. Ik zal ophouden met deze dingen, want u wordt daar ook niet mee gesticht. En ik zou er zeker niet over geschreven hebben, als ik niet wist dat u een Vriendin was die in de omstandigheden meeleefde. Ik hoop dat U na de lezing ervan hem maar in de kachel stopt. Ik geloof dat dat een grote les is, als je niks ziet als toorn en ongenoegen, om dan te zeggen dat de Heere nochtans komen zal. Ik probeer soms met de toezeggingen die de Heere gedaan heeft, te werken, maar het ongeloof is zó verschrikkelijk erg, dat het zelfs Hem Die alle macht heeft, als krachteloos voorstelt. O Vriendin, het is schrikkelijk wat ik neerschrijf, ja zeer erg, maar het is de wezenlijke inhoud van dat hels gedrocht. Nu, dat de Heere, Die alles vermag, en meer doen kan dan alles wat wij bidden of vragen, nog eens neer mocht willen zien en uit Zijn Verbond mocht tevoorschijn komen. O, dat zou wat zijn! Indien U van zulk een vriend afscheid nam, zou ik het U niet kwalijk kunnen nemen. Laat mij hierover echter niet in het onzekere, maar schrijf dit met een enkel woord terug. U zult onze leraar misschien gehoord hebben. Hij heeft nogal eens goede gedachten van de Heere, hetwelk ik zeer op prijs stel. Hij heeft het hard nodig in al zijn drukwegen. Verder wens ik U hartelijk toe, dat de Heere U ook met de jaarwisseling moge gedenken. Hij zij U goed en nabij, en moge Hij U die lijdzaamheid der heiligen schenken in alle druk en kruis en die ontmoetingen die Uw ziel lief zijn van Uw Bloedbruidegom. Hij zal toch nooit Zijn trouw aan Israël krenken. Ik las vanmiddag nog even dat het de weg van alle heiligen geweest is om al strijdende en worstelende het einddoel te bereiken. Dat zal ook Uw deel zijn en Hij geve U niet te vertragen, maar in nederigheid en zachtmoedigheid Uwe weg voort te zetten. Genade, genade alleen, zal alles goedmaken.
Zijt nu hartelijk gegroet en gedenk mijner in mijn diepe schuld en grote ellende.
Uw onwaardige en ellendige vriend H. Bas
Ook de groeten aan Alie en haar man. ‘k Zou haar ook willen schrijven, maar zie er niet overheen.
24 juni 1959, Nieuw-Lekkerland
Zeer geliefde zielsvriendin,
het pakje met preken en verdere inhoud in zeer hartelijke dank mogen ontvangen. Wel, wel wat een goedheid nog van Boven. Ja, die trouwe zorgen, ik kan het soms niet op en dan al zovele jaren en dat voor een rebellerend schepseltje. Waar zal ik er mee blijven? Mijn lichaam is wel wat vooruitgaand, maar nog erg zwak. Ben verleden week woensdag even buiten geweest, doch dat ging niet. Weer dezelfde angsten aan m’n hart. Ik heb het erg slecht gehad, ook die nacht. Nu wacht ik nog maar wat af. Ik lig nog veel te bed en heb veel meegemaakt van de winter. Op ’t laatst kon ik niet meer; m’n hart was overbezet, zei de dokter. En dat duurt altijd erg lang, als het nog beteren mag. Want ik heb al zoveel genadetijd gehad. Eenmaal komt er toch een einde aan, nietwaar? Toen ik pas opgekeerd was, heb ‘k zó voor dat recht mogen buigen, want ik had rechtvaardig verdiend verloren te moeten gaan. En nu zijn er zoveel jaren overheen gegaan en de zonde zoveel meer. En nu die waarde in mijzelf, om niet goed te keuren om voor dat recht te vallen. Och, ik weet niet hoe het moet. Ik kan en wil daar niet komen. O, ik klaag het veel aan de Heere of Hij er mij uit genade brengen wil, waar ik niet komen kan. O, zucht daar ook nog voor mij mee, want ik weet het niet. Ik zucht ook dagelijks met u mee. U bent zoveel in mijn gedachten bij u: ‘och, help ze ook nog door, Heere! Ze heeft ook alles van U nodig in dit tranendal, om der zonde wil.’ Vader Smytegelt zegt zo: ‘over het lijden van Christus hoor je nog wel mensen spreken, maar over Zijn vernederd leven op aarde, hoor je haast niet meer.’
Ik merkte het op, omdat ik daar zelf zo’n oog op heb gehad, met deze woorden erbij: ‘Om den beelde Zijns Zoons gelijkvormig gemaakt te worden.’ O, wat zag ik toen hoe een hoogmoedig bestaan ik omdroeg. En zo wens ik ook u, hoor, dat u dagelijks daar maar een oog op mag krijgen. Het is hier ook het land der ruste niet voor u, maar eenmaal gaat u in, daar waar alle tranen van uw ogen afgewist zullen worden. Maar op des Heeren tijd. O geliefde vriendin, wat hoop ik dat u uw verstand en geheugen mag blijven behouden. En dat u nog wat mee mag strijden. Wij gedenken u allen in liefde en leven met u mee. Nog hartelijk dank voor de briefkaart. Ik kan ’t nog wel lezen hoor! Wees van allen hartelijk gegroet en ook van mij een liefdekus erbij. Dag, dag lieve vriendin, dag. Ook Ali.
U bewaart toch de brieven niet van mij? Niet doen hoor!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017
Oude Paden | 64 Pagina's