Van Middelburg naar Pella
Een brief aan David Janse
‘De schoenendoos van ds. David Janse’ is al jarenlang een begrip. Van de circa 250 brieven die deze schoenendoos bevat, is al meermalen een dankbaar gebruik gemaakt. Daarbij kwamen soms verrassende dingen naar voren. Een grote verrassing is trouwens ook dat de complete inhoud dit jaar in boekvorm is verschenen. Wat een werk is dat geweest! Dat dit een monnikenwerk is geweest, weet ik uit eigen ervaring: ik ben ook bezig geweest met het uitwerken van een van de brieven, een brief van 24 kantjes. Ik was op de helft, toen tot m’n vreugde het boek verscheen. De schrijver van de brief was een emigrant, die in 1880 samen met zijn vrouw vanuit Middelburg geëmigreerd was naar Amerika. Van de bootreis en zijn bevindingen in Amerika gaf hij een uitgebreid verslag. Zijn naam zal hij wel op de envelop geschreven hebben, maar in de brief zelf ontbreekt zijn naam. Bij nadere bestudering bleek de man een oude bekende te zijn. Een geboortedatum en een boek wezen de weg naar hem.
Een geboortedatum
In de brief wordt vermeld dat de echtgenote van de emigrant op 20 mei de dag mocht beleven dat ze 63 jaar geworden was. Haar geboortedatum is dus 20 mei 1817. Zoeken op www.zeeuwengezocht.nl wees uit dat op die dag in Zeeland negen kinderen geboren zijn, zes jongens en drie meisjes. Een meisje in Schoondijke, een meisje in Ouwerkerk en dan Johanna Rens in Vlissingen. Verder zoeken op Johanna Rens had als resultaat dat bleek dat ze op 29 april 1868 getrouwd was met Mattheus Hollebrands. Hollebrands! Zou het? Zou het de vader van Sara Louisa zijn? Snel het boekje opzoeken.
Een boek
In 1991 kwam dr. J.H. van de Bank, toen als universitair docent verbonden aan de Universiteit Utrecht, bij uitgeverij Den Hertog spreken over een heel bijzonder manuscript: dagelijkse meditaties over het gehele jaar 1659 van Jodocus van Lodenstein. Een mevrouw in Ede had het handschrift in bezit, ze had het geërfd van haar vader. Over de herkomst wist ze niet méér te vertellen dan dat het jarenlang in diens bezit was geweest. Of we het in boekvorm wilden uitgeven, zo was de vraag van dr. Van de Bank. Daar hoefden mijn collega Herman Natzijl en ik niet lang over na te denken: ‘Heel graag’. Het resulteerde in een boek van 396 bladzijden.
In 1993 gaf dr. Van de Bank enkele gastcolleges aan het New Brunswick Theological Seminary in New Brunswick (New Jersey). Het bleek dat zich daar in de bibliotheek zeer interessante handschriften bevonden van Dina van den Bergh, namelijk aantekeningen (1746), een dagboek (1747) en brieven. Dina van den Bergh werd later de vrouw van ds. Johannes Frelinghuysen. Na diens overlijden trouwde ze met ds. Jacob Rutsen Hardenbergh. Opnieuw stelde dr. Van de Bank de vraag of we dit wilden uitgeven. Ook nu was het antwoord: ‘Heel graag’. In 1994 is het boek verschenen. ‘Ik heb weer wat! – zo klonk het enkele jaren later. Dr. Van de Bank had van een Amerikaanse predikant gehoord dat er in diens familie een beschrijving van de bekering en het sterven van een jong meisje bewaard werd. Uiteindelijk resulteerde dit in 1997 in de uitgave van De bekering en het sterven van Sara Louisa Hollebrands.
Vader Mattheus Hollebrands had op verzoek van zijn naar Amerika geëmigreerde kinderen de laatste levensjaren, de bekering en zalig afsterven van zijn dochter Sara beschreven. Ook dit geschrift wilden we heel graag in boekvorm uitgeven. Overigens, we zijn in de loop der jaren met veel mensen en manuscripten in aanraking gekomen. Het resulteerde vaak in opmerkelijke boeken. Collega Herman Natzijl en ik, wat hébben we een genoegen beleefd aan zo veel bijzondere uitgaven!
Dr. Van de Bank (op 9 februari 2017 is hij overleden) heeft dus gezorgd voor drie bijzondere boeken. Hij heeft niet alleen de teksten van de handschriften weergegeven, maar ze ook voorzien van toelichtingen. De toelichtingen die hij gaf in het laatstgenoemde boekje – over Sara Hollebrands – wezen de weg naar de schrijver van de brief die David Janse in 1880 ontving uit Pella: Mattheus Hollebrands.
Lief en leed
Mattheus Hollebrands werd op 7 november 1817 in Terneuzen geboren. Zijn ouders waren Johannes Hollebrands (van beroep wagenmakersknecht) en Sara Leijnsen. Kort na de geboorte van Mattheus verhuisde het gezin naar Middelburg. Vader Hollebrands vestigde zich daar als zelfstandig wagenmaker.
Toen Mattheus Hollebrands in 1840 trouwde met Neeltje van Da(a)le, werd in de huwelijksakte als beroep ‘wagenmakersknegt’ vermeld, maar spoedig na zijn huwelijk begon hij een eigen wagenmakerij. Het echtpaar Hollebrands-van Da(a)le kreeg negen kinderen. De oudste zoon is op 23-jarige leeftijd overleden. Sara Louisa was veertien jaar toen ze overleed. Het verslag van haar bekering en sterven heeft haar vader op schrift gesteld, zoals hierboven vermeld. Twee kinderen (een tweeling) zijn kort na de geboorte overleden. Dat was in december 1855. Op 7 februari 1856 is moeder Hollebrands op 39-jarige leeftijd overleden.
Mattheus hertrouwde binnen een jaar met Maria Jacoba Dekker. Het echtpaar kreeg vier kinderen, van wie drie op zeer jonge leeftijd overleden zijn. Een zoon stierf op achttienjarige leeftijd. Moeder Hollebrands-Dekker over leed op 9 mei 1865, oud 39 jaar.
Het derde huwelijk van Mattheus Hollebrands vond plaats op 29 april 1868. Johanna Rens, zo heette de bruid. Ze was vijftig jaar oud.
Emigratie
Tussen 1840 en 1920 zijn 250.000 Nederlanders naar Amerika geëmigreerd. In de jaren na 1840 was de economische toestand slecht. Door onder meer de oorlog met België, de aardappelziekte en de zeer strenge winter van 1844-1845 was ons land volkomen verarmd. In latere jaren speelde ook nog iets merkwaardigs een rol: uit Amerika werden grote hoeveelheden goedkoop graan aangevoerd. Dat had tot gevolg dat de prijzen die de Nederlandse boeren voor hun graan kregen zeer laag waren.
Van de 250.000 mensen die vertrokken zijn, waren er 32.000 afkomstig uit Zeeland. Dat is uitzonderlijk veel, zeker als bedacht wordt dat de Zeeuwse bevolking tussen 1840 en 1920 zo’n 100.000 à 150.000 zielen telde. Als je uitgaat van een gemiddelde van 125.000 en rekening houdt met drie generaties, dan komt het erop neer dat elf procent van de Zeeuwen naar Amerika vertrokken is. Het overgrote deel was afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen (14.000) en Zuid-Beveland (8.000). Uit Walcheren zijn 2.200 mensen naar Amerika vertrokken.
Bidden en schrobben
Er waren ook mensen die niet zozeer om economische redenen emigreerden. Het was vooral ds. H.P. Scholte (1805-1868), een van de voormannen van de Afscheiding, die ervan overtuigd was dat het hoogstnoodzakelijk was om Nederland te verlaten, omdat hij het land beschouwde als een ten ondergang gedoemd Babel. Jarenlang hadden de Afgescheidenen zwaar geleden onder de vervolging door de regering. Men begeerde te vertrekken naar een land waar wél vrijheid van godsdienst was. In mei 1846 repte Scholte in De Reformatie voor het eerst over landverhuizing en in augustus 1846 werd een ‘Christelijke Vereeniging tot bevordering van Landverhuizing’ opgericht. In 1847 telde deze vereniging al 1300 leden. In april van dat jaar stak een groep van ongeveer achthonderd mensen in vier schepen de oceaan over, richting Amerika. Het scheepsvolk was onder de indruk van de passagiers. Vaak waren de logementsverblijven broeinesten van vuilheid en ongerechtigheid, maar deze mensen waren, zo moesten ze erkennen, toonbeelden van reinheid en zindelijkheid. Toen de passagiers behouden in Baltimore arriveerden, heeft het wel vijf dagen geduurd voordat ze aan wal mochten. Eerst moest men zich onderwerpen aan een uitgebreide controle. Een van de kapiteins was daar heel boos over: ‘Ziekte? Die mensen hebben eenvoudig geen tijd gehad om ziek te zijn! Ze hebben niets anders gedaan dan bidden en schrobben.’
Men kwam terecht in een vruchtbare prairiestreek van Iowa. Na grote landaankopen werd daar meteen een stad gesticht, die men Pella noemde. Pella – dat was een herinnering aan de plaats waarheen de discipelen van Jezus gevlucht waren toen Jeruzalem door de Romeinen zou ingenomen en verwoest worden. De grond was zodanig, dat men die niet behoefde te bewerken, er kon meteen gezaaid worden. En de eerste winter was heel zacht. Maar in de volgende winter was het heel koud. De sneeuw lag van november tot mei gemiddeld een meter hoog. Mensen en dieren leden onder het gebrek aan brandstof en voedsel. Bovendien waren er veel mensen die uit een stad afkomstig waren, en niets wisten van landbouw en veeteelt. Begin 1849 zaten bijna alle leden van de kolonie zonder geld, en ontmoedigd begon men aan verhuizen te denken.
Onverwacht kwam er uitkomst. In het najaar van 1849 kwamen er geruchten dat in Californië het goud voor het oprapen lag. De goudkoorts brak los. Velen gingen op weg naar Californië, en een van de wegen daarnaartoe liep door Pella. Een onafzienbaar grote stroom wagens trok door Pella heen. Al die mensen deden hun inkopen bij de bewoners van Pella. Ze keken niet op een dollar. Dat doe je niet als je binnenkort schatrijk bent. De bewoners van Pella verkochten alles wat ze hadden aan de voorbijtrekkende reizigers. Zelf deden ze hun inkopen bij mensen die wat verder van de rijweg woonden. Tussen verkoop en inkoop zat een groot verschil. De goudkoorts heeft vele jaren geduurd, maar nam langzaam maar zeker af.
Op den duur kwamen de dingen meer op orde en werd Pella een welvarende stad. Van groot belang is hierbij geweest dat er goede verbindingswegen gekomen zijn en vooral ook dat er een spoorweg werd aangelegd.
In kerkelijk opzicht zette Scholte het eigenzinnig en eigenmachtig optreden dat hij in Nederland had laten zien in Amerika voort. Eerst was er maar één kerk, de zijne, maar al spoedig ontstonden er twisten rond zijn persoon. Ook week hij steeds meer af van de gereformeerde beginselen. Het gevolg was dat na verloop van tijd zich in Pella een grote verscheidenheid aan kerken bevond.
Scholte was dan wel predikant, maar besteedde steeds minder tijd aan het werk dat dit ambt met zich meebracht. Hij wijdde zich voornamelijk aan zijn veelomvattende taak als economisch en maatschappelijk en politiek leider. Hij bemoeide zich met heel veel verschillende dingen. Hij was herenboer, eigenaar van zaagmolens, steengroeven en kalkovens, landagent, notaris, advocaat, makelaar in vaste goederen, bankier, handelaar in landbouwgereedschappen, drukker, uitgever, eigenaar en redacteur van een weekblad, schoolopziener en postmeester. Hij bemoeide zich tevens met de landspolitiek, eerst als democraat, later als republikein. En later was hij ook nog agent voor een levensverzekeringsmaatschappij. Dat zal met name de mensen van het eerste uur hogelijk verbaasd hebben: men had zich indertijd pertinent tegen alle vorm van verzekering gekeerd.
Ook naar Amerika
We keren terug naar de familie Hollebrands. Een drietal kinderen van Mattheus Hollebrands zijn ook naar Amerika geëmigreerd, Elias, Abraham en Louisa Maria. Ze zijn in Pella gaan wonen. Louisa is later samen met haar man Henry Houtman in Otley gaan wonen, en Abraham is in 1887 verhuisd naar de omgeving van Chicago. Elias is tot zijn overlijden in Pella blijven wonen.
Abraham is in 1870 geëmigreerd en Louisa en Elias in 1873. De beide broers waren evenals hun vader en grootvader wagenmaker van beroep en ook in Amerika hebben ze dit beroep uitgeoefend.
In 1880 nam Mattheus Hollebrands het besluit om ook naar Amerika te vertrekken. Hij was toen 62 jaar oud. Een leven lag achter hem dat gekenmerkt werd door veel sterfgevallen. Twee vrouwen ontvielen hem door de dood en van de dertien kinderen waren er acht overleden. Twee zoons woonden in Nederland, een dochter en twee zoons in Amerika. Wat het echtpaar Hollebrands heeft doen besluiten om te emigreren, is niet duidelijk. In ieder geval waren het geen financiële redenen, want Mattheus werd in de ‘Staat van Landverhuizers 1880’ aangemerkt als ‘welgesteld’. Als reden van vertrek werd vermeld: ‘familie-betrekking in de Verenigde Staten in Noord-Amerika.’ Twee kinderen bleven echter achter in het vaderland …
Van de reis en zijn ervaringen in de eerste maanden van zijn verblijf in Pella heeft Hollebrands uitgebreid verslag gedaan in een brief aan David Janse (1828-1902), oefenaar van de Ledeboeriaanse gemeenten. In 1883 werd Janse tot predikant bevestigd.
Mattheus Hollebrands was overigens geen lid van de Ledeboeri-aanse gemeente in Middelburg, hij was Hervormd.
Hollebrands heeft zijn brief in tussenpozen geschreven, op 4 oktober 1880 legde hij de laatste hand eraan en toen heeft hij de brief ook meteen naar de post gebracht. Hij noteerde het exacte tijdstip waarop hij dit gedaan had boven aan de brief: ‘maandagmiddag 5 uren’. Dat is niet zo’n belangwekkende mededeling, en dergelijke mededelingen komen wel meer voor. Wat niet zo duidelijk is, is zijn geestelijke gesteldheid. Hij schrijft wel over Gods goedheid en Zijn grootheid, maar verder lees je niets over het persoonlijk geestelijk leven. Datzelfde signaleerde dr. Van de Bank toen hij over vader Hollebrands in het boekje over Sara Louisa schreef: ‘Hij geeft zichzelf geestelijk niet bloot.’
Van Middelburg naar New York
We zullen nu een samenvatting geven van de brief, met toevoeging van enkele toelichtingen. Hollebrands begon zijn brief met te zeggen dat hij had beloofd te zullen schrijven aan David Janse, maar door allerlei omstandigheden was het er nog niet van gekomen. Daarvoor verontschuldigde hij zich. ‘Maar nu zal ik tragten het een en ander ter neder te zetten, hoe moejelijk zulks ook voor mij is. Neem alles aan, zoo als het mij voorkomt te schrijven, en overziet al het tekort, al het gebrek in dezelve. Gedenkt wat ik was en nu nog ben. Ik hoop niet hooger te vliegen als dat ik ben, maar te schrijven in waarheidt.’ Zo schreef Hollebrands letterlijk. In het vervolg zullen we vanwege de leesbaarheid de citaten doorgaans weergeven in de huidige spelling.
Op 15 mei 1880 vertrok het stoomschip Amsterdam uit Rotterdam. Enkele dagen tevoren had het echtpaar Hollebrands de reis van Middelburg naar Rotterdam ondernomen. Familie en vrienden hadden hen uitgeleide gedaan.
In Rotterdam logeerde het echtpaar Hollebrands bij zoon Anthonie, die daar met vrouw en kinderen woonde in de Drievriendenstraat. Ook een broer van Johanna Rens en zijn vrouw woonden in Rotterdam. Dat het echtpaar ging emigreren was hun een raadsel. Voortdurend vroegen ze: waarom en waarvoor? Mattheus werd dat vragen zat en hij was blij toen het ogenblik van vertrek gekomen was, zo schreef hij.
Op zaterdag 15 mei stapte het echtpaar aan boord van het stoomschip Amsterdam. Dit schip (een stoomschip met hulpzeilvermogen) was eigendom van de NSAM, voluit: de Noord-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij. Later werd de naam gewijzigd in Holland-Amerika Lijn. Men deed dit om de buitenlanders tegemoet te komen, die vonden de oude naam onuitspreekbaar. De NSAM was opgericht in 1873 en heeft snel haar vleugels uitgeslagen; toen de Amsterdam in 1880 in de vaart kwam, was het al het zevende schip van de maatschappij.
De reis ging eerst naar Hellevoetsluis. De Nieuwe Waterweg was er al wel, maar voor grote schepen was het in verband met de verzanding die er was in de eerste jaren, het nog geen ideale vaarroute. Pas in 1885 was daar de vereiste diepte. Op maandagmorgen wilde de Amsterdam via het Goereese Gat naar de Noordzee varen, maar ook dat bleek problematisch, en daarom moest men terugvaren naar Brouwershaven. Via de Grevelingen ging het richting de Noordzee. Met tranen in de ogen zag het echtpaar algauw de vaderlandse kust uit het oog verdwijnen.
Er waren ruim zevenhonderd mensen aan boord, zeshonderd tussendekspassagiers, 43 tweedeklaspassagiers (onder wie het echtpaar Hollebrands), en dan nog ruim vijftig personen die tot de equipage behoorden (door Hollebrands ‘inpikwazie’ genoemd).
Hollebrands en zijn vrouw maakten kennis met een man die ook naar Pella moest. Een schoonzoon van die man zou hem in New York ophalen en het echtpaar hoopte dat ze van die schoonzoon hulp zouden krijgen.
Hollebrands geeft verder een vrij gedetailleerd verslag, over de weersomstandigheden, over wat ze zoal zagen, bijvoorbeeld ‘een onnoemelijk getal bruinvissen die voorbij en langs het schip zwommen, een groot kwartier lang’, over de snelheid waarmee het schip voer enzovoort. Een bijzondere dag was 20 mei, toen Hollebrands zijn vrouw kon feliciteren met haar verjaardag. Ze was die dag 63 jaar geworden. ‘’Wie had dat ooit kunnen denken, op die grote wateren. Sprakeloos staarden wij op elkander. Het was veel voor ons, die menigvuldige gedachten die er in ons heen gingen. En konden niet anders, hoe gebrekkig ook, als Hem danken voor dat voorrecht dat Hij ons beiden zo onverdiend beliefde te schenken. Dat de Heere haar nog lang believe voor mij te sparen was de wens mijns harten.’
Van godsdienst was niet veel te merken bij het overgrote deel van de passagiers. Bijna niemand bad en dankte voor het eten. Een uitzondering waren negen nonnen die ook aan boord waren.
Die deden hun plicht, schreef Hollebrands. Over een zoon van ds. S. Fierman Kruijt, die predikant in Aagtekerke was geweest, was hij niet bepaald positief: ‘Terwijl hij die was opgevoed van hem die de mens de weg der zaligheid verkondigd had er nauwelijks notitie van nam.’
Met de zondag werd aan boord weinig of geen rekening gehouden. Een aantal tussendekpassagiers wilde psalmen zingen, maar dat zingen werd overstemd door de dansmuziek die andere passagiers ten gehore brachten.
In New York
Op 29 mei ’s avonds om elf uur liet de Amsterdam zijn ankers vallen ‘voor het stalen ijlandt in de baai van Nieuw Jork’. De volgende dag, dat was op een zondag, werd de bagage naar de wal gebracht en een dokter kwam controleren of er sprake was van ziekten. Om vier uur zat het echtpaar dankbaar aan de maaltijd in een logement in New York. ’s Avonds kwam de schoonzoon van de man met wie ze aan boord kennisgemaakt hadden. Hij was al drie jaar in Amerika en sprak vloeiend Engels. En wat het echtpaar Hollebrands al gehoopt had, gebeurde: hij heeft hen met alles geholpen. Er staat over hem wel een merkwaardige opmerking in de brief: ‘Ja, ik merkte al spoedig dat hij uitgeslapen was al kwam hij van Geertruidenberg of uit Noord-Brabant tenminste.’ De man was ook voor zaken naar New York gekomen, maar maandag 31 mei was het Memorial Day. Op die dag werden de overleden Amerikaanse militairen herdacht. Winkels, banken en kantoren, alles was op die dag gesloten, zodat de man er geen zaken kon doen. Vandaar dat men pas op dinsdag naar Pella kon vertrekken. Dat was nog een lange treinreis: vrijdagmorgen 4 juni om negen uur arriveerde men in Pella.
In Pella
Louisa, de dochter van Mattheus Hollebrands, woonde in Otley, een plaats die twaalf kilometer van Pella lag. Toen de trein daar stopte, keek Hollebrands rond of hij zijn dochter zag. Ineens stapte ze met twee kinderen de trein binnen en zei: ‘Wel vader, komt u mij van Otley naar Pella brengen?’ Ze had gedacht dat haar vader en zijn vrouw pas de andere dag in Pella zouden arriveren en wilde op reis gaan om bij het weerzien aanwezig te zijn. ‘Dat was een kort aandoenlijk ogenblik, zo onverwachts, elkander te ontmoeten en te omhelzen.’ Vervolgens ging het naar Pella.
Vervolgens ging het naar Pella. Het was een vreugde elkaar weer te zien.
Voorlopig nam het echtpaar Hollebrands intrek bij zoon Elias, maar vlak bij diens huis stond er een huisje leeg en dat was te koop. Mattheus kocht het en gezamenlijk knapte men het wat op, en op 2 juli konden ze er gaan wonen. Bij het huis hoorde ook een stuk grond.
Vervolgens informeerde Hollebrands David Janse over van alles en nog wat: koeien en varkens, huizen, dat er geen klokken of uurwerken in de torens zijn (‘elk neemt zijn tijd op de zon’), de hoge temperatuur, een onweer dat twintig uur onafgebroken aanhield, de prijzen van levensmiddelen, hij schreef over graangewassen, fruit (met name appels), belastingen (die waren uitzonderlijk laag), enzovoort enzovoort. Ook de kleding van de mensen trok zijn aandacht. ‘En zo leeft men gemakkelijk. En dan boer en burger. Elk is in de week gekleed nog minder gekleed dan een arbeider in Nederland. Ja, men zou rijke boeren een aalmoes geven als men ze niet kent.’ Uit de brief blijkt wel dat Mattheus de dingen goed in zich opgenomen heeft. Zo te zien is er weinig wat aan zijn aandacht ontsnapt is.
Over de zondag schrijft Hollebrands dat die stipt gevierd werd. Alles lag dan stil, zelfs kon het publiek dan geen gebruikmaken van het spoor. ‘Dat gewoel en geschreeuw zoals in Nederland hoort men ook niet. Dat zweren en misbruiken van Gods naam onder elkander hoort men niet. Het woord “verbazend” is al wat men hoort.’ Op vloeken stond een grote boete. Hollebrands zei wel nadrukkelijk dat hij het had over Pella, niet over Amerika.
Kerkelijk leven
Aan het eind van de brief sprak Hollebrands over het godsdienstig leven, eigenlijk meer over het kerkelijk leven. ‘Nu zou ik wel ineens willen afbreken met schrijven, want zie ik op hetgeen ik terneder gezet heb, dan ga ik denken: vriend Janse zal wel blij zijn dat het uit is. Maar ik moet u toch nog het een en ander melden – zoveel mijn verstand het toelaat – wat wij beiden zoal hebben gadeslagen en bijgewoond op godsdienstig gebied, want hiervan niets te melden zou onverantwoord wezen. En ulieden en al de vrienden zouden wel gaan denken dat wij, ik en mijn vrouw, daar geen behoefte meer aan hadden of nu genoeg hadden aan het tevreden leven, aan het goede dat Amerika ons te genieten gaf. Nee, vriend Janse, vanaf ons vertrek lag er een vrees in min of meerdere mate in ons dat wij veel zouden moeten missen of niet zouden vinden wat wij in Nederland gelaten hadden. En in den beginne van ons hierzijn scheen het ook zo te wezen. Godsdienst, o, in overvloed, en godsdienstig genoeg, des zondags tenminste, en vromen, ja, veel. Maar of er van die velen waren of zijn zoals Jozef kon zeggen: ik vrees God? Ach, evenals Middelburg, zal ik maar zeggen, te aanschouwen geeft, zijn er veel prater en betweters. En als men dan hun richting of stelling maar goedkeurt, dan is men zelf ook een goede man of vrouw, ja, als men schijn voor zijn wilde aannemen, was men ook vroom.’
Bedaard en vol eerbied
De eerste zondag ging het echtpaar Hollebrands dan hier, dan daar eens luisteren. Er was keus genoeg, want er waren vier kerken waar in het Hollands gepreekt werd. De verdraagzaamheid van de leden van die kerken onderling was niet groot. Uiteraard was je overal welkom, maar bezocht je de diensten niet meer, dan viel men in ongenade, zo schreef Hollebrands.
Uiteindelijk voelde het echtpaar Hollebrands zich thuis in de Presbyteriaanse gemeente. Deze werd gediend door ds. J.I. Fles. Hij was van joodse afkomst. Hij was in 1842 geboren in Aalten (Gelderland). Zijn vader was rond 1834 tot bekering gekomen en had zich aangesloten bij de Christelijk Afgescheiden Gemeente. Fles junior had in 1872 en 1873 gestudeerd aan de Theologische School in Kampen. Zijn vader had hem al eerder lessen in het Hebreeuws gegeven. In een biografie werd vermeld dat hij in Kampen was afgestudeerd, maar dat is niet waar. Omdat zijn huwelijk met spoed gesloten moest worden, was hij gedwongen de studie af te breken. Van een aantal mensen uit Cedar Grove (Wisconsin) ontving hij het verzoek om predikant in hun gemeente te worden. Fles ging hierop in en vertrok naar Amerika. In 1880 vertrok hij naar Pella. In 1883 zou hij zich met zijn gemeente aansluiten bij de Hollandse Christelijke Gereformeerde Kerk. Hij moest toen wel verklaren dat hij volledig instemde met de Formulieren van enigheid en ook moest hij afstand nemen van wat hij eerder over het duizendjarig rijk geschreven had.
Hollebrands was ingenomen met ds. Fles. ‘Wij kunnen ons goed in en met zijn leer en zijn prediking verenigen. De stoffen die hij verhandelt zijn zo vol diepten dat men verbaasd staat. En hij staat als leraar zo bedaard en vol eerbied uit zijn hoofd het Woord te verkondigen, dan men van alles vervuld is. Hij verhandelt in alles zijn stof krachtig en zuiver.’
Aan het eind van de brief vroeg Hollebrands aan Janse nogmaals het ‘gebrek en tekort te overzien’. ‘Ontvang deze, vriend D. Janse, met uw echtgenote in die welstand zoals wij beiden en onze kinderen allen mogen genieten. Groet van ons de vele vrienden en bekenden uit de gemeente, te veel om allen bij name te noemen. Groet vooral Mietje Braam.’ Mietje Braam was de weduwe van de in 1872 overleden Ledeboeriaanse oefenaar Floris Braam.
Overlijden
Mattheus Hollebrands is na een korte ziekte overleden op 17 februari 1887 in Pella, oud ruim 83 jaar oud. De rouwdienst werd gehouden in de Derde Gereformeerde Kerk en werd geleid door ds. H. Douwstra.
Bronnen
J.A. Wormser, Door goed gerucht en kwaad gerucht. Het leven van Hendrik Peter Scholte, Nijverdal 1915.
Henry Beets, De Christelijke Gereformeerde Kerk in N.A. Zestig jaren van strijd en zegen, Grand Rapids 1916.
M. Hollebrands, De bekering en het sterven van Sara Louisa Hollebrands. Met inleiding en toelichting door dr. J.H. van de Bank, Houten 1997.
Pieter Stokvis, Nederland Emigratieland 1845-1960 (…), Berlicum 2011.
Lillian Dominicus, Zeeuwen in Amerika: verhalen van emigranten door de eeuwen heen, Rotterdam 2011. Kennet Fles, ‘No Without a Struggle: The Life of Reverend J.I. Fles.’ In: Origins, Volume XXXI-II, no. 2, 2015.
Nico Guns, Holland-Amerika Lijn. Geschiedenis van een rederij, Zutphen 2016.
Joh. van Eijzeren e.a., Van ploeg tot kansel. Het leven van ds. David Janse (1828-1902) in woord, beeld en document, Middelburg 2017.
www.zeeuwengezocht.nl
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017
Oude Paden | 64 Pagina's