Herdersjongen op Flakkee (deel 2a)
Teunis Vetter (1884-1965)
In Uwen Naam, in Uwe kracht, onder afbidding van Uw onvolprezen Naam zij onze opgang (in de avonddienst: hernieuwde opgang) in het huis des gebeds. Bestraal ons met Uw Goddelijk licht, verkwik ons door Uw heil, vervul ons met Uwen Geest, opdat Uw onvolprezen Naam verheerlijkt worde, van U, o Vader, Die formeert, van U, o Zoon, Die ons verlost, van U, o Heilige Geest, Die wederbaart. Amen.’ Zonder enige hapering en met verheven stem komen deze woorden uit de mond van de 96-jarige P. in ’t Veld, gewezen manufacturier te Ooltgensplaat. Wij zijn bij hem en zijn één jaar jongere zus op bezoek om informatie in te winnen over de eerwaarde heer T. Vetter, destijds hulpprediker in Langstraat, een buurtschap gelegen tussen Ooltgensplaat en Oude-Tonge op het voormalige eiland Goeree-Overflakkee. ‘
In ’t Veld heeft vaak bij genoemde godsdienstonderwijzer gekerkt. Er zijn trouwens nog talloze Flakkeeënaars, die zich de eerwaarde heer Vetter heel goed herinneren. Zo weet een andere ‘Plaetenaar’ zich nog te herinneren: ‘De heer Vetter was destijds een geliefd prediker. Met name onder hen die een meer ‘bevindelijke’ prediking zochten. De kerk in Langstraat bevatte soms wel meer dan honderd mensen. Uit de wijde omgeving kwamen uit de arbeidershuisjes mensen naar Langstraat om de heer Vetter te horen. Voor onze begrippen hield hij de kerk erg lang aan. Vaak ruim twee uur. Hij had voor de preek altijd een ‘voorafspraak’. Hij deelde de preek in drie punten in. Bijzonder was dat hij zelfs zijn lange voorafspraak in drie punten verdeelde. Hij begon dan: Onze voorafspraak zal zijn: ten eerste..., ten tweede..., ten derde...’
In gesprekken over hem wordt praktisch altijd positief over hem gesproken. Men noemt hem dan soms ‘het oude Vettertje’ of kortweg ‘Vettertje’. Dit verkleinwoord moet geenszins negatief geduid worden, want hoewel het met zijn korte gestalte te maken heeft, geeft het meer dan dat aan. Het zegt iets over de verhouding van de heer Vetter tot de eilanders, het heeft iets ‘eigens’, iets ongedwongens.
Wie was deze herdersjongen, die zijn sporen trok op Flakkee?
Jeugd en huwelijk
In de namiddag van zondag 23 maart 1884, precies om 5 uur, wordt in het huisje Korte Nieuwstraat C1070 te Dordrecht een jongetje geboren. Vader Johannes Hermanus Martinus Vetter, borstelmaker van beroep, en zijn vrouw Aaltje den Hartog kijken met vertederde, maar ook bezorgde blikken naar hun achtste kindje. In hun hart klimt de bange vraag op: ‘Hoe lang zullen we dit jongetje mogen houden?’ Immers, van de acht kinderen, die die tot nu toe geboren zijn, hebben ze er al vier op zeer jonge leeftijd naar het graf moeten brengen. Het ventje krijgt de naam Teunis. Na hem worden nog twee kinderen in het gezin Vetter geboren, waarvan één levenloos.
Als de kleine Teunis nauwelijks vier jaar oud is, overlijdt zijn moeder. Een zware slag voor vader Vetter, die achterblijft met vijf kinderen. De oudste is dan negen jaar en de jongste drie jaar. Waarschijnlijk is vader Vetter niet in staat geweest zijn kinderen te onderhouden en zijn zij daarom noodgedwongen in het stedelijke weeshuis opgenomen. Op 21 april 1902 overlijdt ook vader Vetter. Teun is dan achttien jaar en leert in het weeshuis voor het beroep van steenhouwer. Ook moet hij zijn militaire dienstplicht nog vervullen. Hij krijgt kennis aan een meisje, met wie hij op 3 september 1908 te Dordrecht in het huwelijk treedt. Zij heet Maria Hendrika Wünsch en is geboren in Dubbeldam, een dorp op het Eiland van Dordrecht. Het jonge paar vestigt zich in Dordrecht.
Op 25 juni 1909 wordt een dochtertje geboren, dat de namen Aleida Maria krijgt, met als roepnaam Ali. 17 mei 1913 wordt het gezin Vetter uitgebreid met een zoontje, Hendrik genaamd.
Drie jaar later, op 8 oktober 1916, wordt nog een zoontje en broertje geboren, dat de namen Johannis Hermanus Marinus krijgt. 1 mei 1919 vindt er weer gezinsuitbreiding plaats door de komst van Jan Lodewijk. De hekkensluitster is Hendrika Cornelia Maria, die op 1 november 1922 het levenslicht ziet. Er hebben zich dan al grote veranderingen in het leven van Teun Vetter voorgedaan, die grote invloed zullen hebben op het hele gezin.
Van steenhouwer tot prediker
Omdat Teun de kost verdient in de steenhouwerij, moet hij soms ver van huis, tot in België toe. Verscheidene ornamenten aan patriciërshuizen in Antwerpen, Brussel en andere steden in het land van onze zuiderburen zijn door hem vervaardigd. Hoewel hij een bekwaam vakman is op zijn gebied, ligt toch niet zijn hart in de steenhouwerij. Zijn hart gaat uit naar hogere zaken. God heeft in het hart van de jonge Teun Zijn Woord gezaaid. Dat zaad van het Woord viel door de werking van de Heilige Geest in zijn hart als in een wel toebereide aarde, waarin het nederwaarts wortelde en opwaarts vruchten droeg van bekering en geloof. Hoe dit alles in zijn werk gegaan is, is niet precies meer na te gaan, maar het kwam in de vrucht openbaar. Hij had door genade de Parel van grote waarde mogen vinden, Jezus Christus, de Zaligmaker van zondaren. Hierdoor groeide in Teuns hart het verlangen om ook anderen op te wekken de Heiland der wereld te zoeken ter verkrijging van vergeving van de zonden en vrede in het hart door het geloof, dat een gave Gods is.
Naast zijn dagelijkse arbeid als steenhouwer ging Teun, gedreven door dit verlangen, de opleiding volgen tot godsdienstonderwijzer. Na jarenlange studie behaalde hij op 24 maart 1915 de akte godsdienstonderwijzer bij het Classicaal bestuur van Dordrecht. Algauw kreeg hij verzoeken tot hulp in het pastoraat in de omgeving van zijn woonplaats, met name in de Hervormde Gemeente te Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk, waar hij een benoeming kreeg als catechiseermeester. Daar hij ook preekbevoegdheid had, ging hij iedere zondag tweemaal voor in een dienst des Woords. In de Schoonhovense Courant bijvoorbeeld komen we in de rubriek ‘predikbeurten’ regelmatig zijn naam tegen, onder meer in het nummer van vrijdag 7 november 1919: Wijngaarden, v.m. 10 uur en ’s av. 7 uur de heer Vetter, godsd. ond. te Dordrecht. Preken was zijn liefste werk.
Langstraat
In maart 1921 wordt de heer Vetter door de kerkenraad van de Hervormde Gemeente te Oolt-gensplaat aangezocht om voorganger te worden in Langstraat. Het betreft een zogenoemde tweede predikantsplaats. In diezelfde maand houdt hij daar een proefpreek, tot volle tevredenheid van de leden van het kleine kerkje van Langstraat. In mei 1921 begint hij zijn pastoraal werk in Langstraat, terwijl hij op zondag 24 juli daaropvolgend als voorganger van Hervormd Langstraat bevestigd wordt door ds. J. Polhuis van Stad aan ‘t Haringvliet.
De heer Vetter is de derde voorganger van Hervormd Langstraat sinds de stichting in januari 1900.
In december 1899 namen enkele ingezetenen van Langstraat het initiatief in hun eigen buurtschap godsdienstoefeningen (kerkdiensten) te gaan houden. Dit omdat de afstanden tussen Den Bommel, Ooltgensplaat en Oude-Tonge te groot waren voor de inwoners die zich te voet moesten verplaatsen. De allerlaatste maand van de negentiende eeuw wordt daarom aangeduid als het geboorte-uur van de Evangelisatie in Langstraat, een van de twee buurtschappen van de gemeente Oostflakkee.
Op 10 januari van het jaar 1900 werd de eerste samenkomst van heilbegerigen in Langstraat gehouden. Deze dienst werd geleid door de heer J.C. Wielhouwer, afkomstig uit Nieuwe-Tonge, in een huisje aan de dijk. Het was daar erg behelpen; als preekgestoelte deed dienst een afgehouwen boomstam. Er waren enkele banken maar verder brachten de bezoekers van de samenkomst zelf stoelen mee. Door de toenemende belangstelling zag men zich genoodzaakt een gaanderij te bouwen, dit deed men door de zolder wat te laten zakken.
In maart 1903 werd een vergunning aangevraagd voor de bouw van een eigen kerkje. De vergunning werd verleend en al op 1 mei van datzelfde jaar kon de eerste steen gelegd worden door de tienjarige Cor Maris Azn. uit Den Bommel (een jongen die de inmiddels opgerichte zondagsschool bezocht). Op zondag 21 juni werd deze kerk in gebruik genomen door de heer Wielhouwer waarbij deze een feestrede uitsprak, die, samen met de toespraken van die dag, ook in druk is uitgegeven, onder de titel: Het juichende volk Israëls.
Op de morgen van 1 juli 1906 nam oefenaar Wielhouwer, die een roeping vanuit Paterson in Amerika had aangenomen, afscheid van zijn gemeente Langstraat. ’s Middags hield hij een dienst in de kerk van de moedergemeente Ooltgensplaat. Na eerst predikant van een vrije gemeente in Paterson-Peoples Park te zijn geweest, vertrok hij in 1915 naar een zelfstandige gemeente in Grand Rapids. In 1918 sloot hij zich met de gemeente aan bij de Gereformeerde Gemeenten.
Door zijn vertrek was Langstraat nu zonder voorganger. Men ging op zoek naar een opvolger van de heer Wielhouwer. Die werd gevonden in de persoon van evangelist P.M. Hack, die als zodanig werkzaam was in Zuidland. Hij nam de roeping aan en werd daardoor de tweede voorganger. In zijn tijd werd de eerste pastorie gebouwd. Op zondag 19 december 1920 nam hij afscheid van Langstraat wegens vertrek naar Vriezenveen.
De kleine gemeente blijft niet lang zonder voorganger, want zoals we gezien hebben is ruim een half jaar na het vertrek van evangelist Hack diens plaats ingenomen door godsdienstonderwijzer T. Vetter.
Al snel groeit het aantal kerkbezoekers in Langstraat. Er gaat een goed gerucht uit van de nieuwe voorganger. Hij brengt een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking, die jong en oud aanspreekt. Dat hij de kerk soms langer dan twee uur aanhoudt, vindt men geen bezwaar. Het toenemende kerkbezoek noopt de kerkenraad om over uitbreiding of vernieuwing van het kerkgebouw na te denken. Besloten wordt om een geheel nieuw kerkgebouw te realiseren. Op dinsdag 8 augustus 1922 wordt met de bouw begonnen en na een voorspoedige bouwperiode kan de heer Vetter op vrijdag 22 december van hetzelfde jaar het nieuwe kerkgebouw plechtig inwijden.
Het zou nog acht jaar duren voordat er naast de kerk een pastorie gebouwd kon worden. Eind 1930 werd dit een feit.
De pastorale werkzaamheden en het prediken van het Evangelie door godsdienstonderwijzer Vetter bleven niet beperkt tot Langstraat. Algauw werd hij gevraagd om preekbeurten te vervullen van Ooltgensplaat tot Ouddorp.
Hervormd Langstraat was in de praktijk min of meer een zelfstandig onderdeel van de Hervormde Gemeente te Ooltgensplaat. Met name in de tijden dat Hervormd Ooltgensplaat vacant was werd door de heer Vetter veel pastoraal werk verzet in die gemeente. Tijdens zijn ambtsperiode in Langstraat (1921–1945) heeft hij met verschillende predikanten in Ooltgensplaat samengewerkt. Dat zijn de volgende vijf: ds. J.J. van de Pol (1918-1922), ds. J. Japchen (1925-1928), ds. J.D. Kleyne (1933-1936), ds. H. Hiensch (1937-1942) en ds. A.H. Sonnenberg (1943-1951). Dit kleine stukje van de predikantenlijst van Ooltgensplaat laat ons zien dat bij elkaar opgeteld een kleine tien jaar vacaturetijd onderdeel van dit tijdperk was. Extra arbeid dus voor de heer Vetter! Telkens mocht hij daarbij op huisbezoeken en aan ziek- en sterfbedden het Woord openen en een onderwijzend, vermanend of vertroostend woord spreken.
Het kan niet anders of al de vreugde en het verdriet van zoveel zielen hebben ook de heer Vetter niet onberoerd gelaten. In de 23 jaren die hij in Langstraat stond, zijn er veel ups en downs door hem meegemaakt. In 1938 werd hij ernstig ziek. Hij werd getroffen door hevige hartkrampen. Er werd toen voor zijn leven gevreesd. De Heere heeft hem echter weer willen oprichten om zijn ambtelijk werk te kunnen vervullen. Dat ambtelijk werk heeft hem telkens weer tot het gebed gedreven om met de moede een woord te rechter tijd te spreken en blij te zijn met de blijden. Bepaalde gebeurtenissen hebben een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. We noemen er enkele.
In de nacht van 22 op 23 oktober 1921 woedde er een grote storm in zuidwest Nederland. Het vrachtzeilschip ‘Maria’, geladen met maïs, was op het vaarwater Krammer onderweg naar Middelburg. Voor de kust van Oude-Tonge zonk het schip in de golven. De schipper (34 jaar) en zijn vrouw (27 jaar) met hun drie kinderen (resp. 1, 2 en 8 jaar) alsmede de schippersknecht (15 jaar - broer van de schippersvrouw) waren in de sloep gegaan. Deze was echter omgeslagen, waardoor de opvarenden allen jammerlijk in de golven omkwamen. Het duurde enkele dagen voordat de lichamen van allen geborgen waren. Donderdag 27 oktober vond in tegenwoordigheid van honderden aanwezigen de begrafenis plaats van de slachtoffers. Na een toespraak van de burgemeester van Oude-Tonge hield de heer Vetter een ernstige grafrede. Na afloop verzocht hij te zingen Psalm 103 vers 8.
In het Eilanden-Nieuws van 1 augustus 1934 lezen we van een tragisch verdrinkingsgeval te Oude-Tonge. Onder het kopje: ‘Jongetje van 11 jaar in de haven, bij het zwemmen verdronken’, vervolgt het blad: Maandagmiddag ging het zoontje van dhr. Brinkman met enkele speelmakkertjes in de haven zwemmen. Toen zij enkele malen de haven overgestoken hadden en weer terug wilden keren, bleek dat voor het zoontje van Brinkman door de snel opkomende vloed ondoenlijk te zijn. Nochtans werd het gewaagd en wel met het noodlottig gevolg, dat het ventje plotseling in de diepte wegzonk.
Een van de kinderen is toen enkele arbeiders gaan waarschuwen, die het gelukten het jongetje op het droge te krijgen. Door verschillende personen is toen gepoogd de levensgeesten op te wekken, doch het leven scheen reeds geweken te zijn. De inmiddels ontboden geneesheer Dr. H.W. Parree kon niet anders doen dan de dood constateren. Per auto is het lijkje naar de ouderlijke woning vervoerd.’
De ‘Maas- en Scheldebode’ van 8 augustus 1934 schrijft over de begrafenis als volgt:
‘Vrijdagmorgen is onder grote belangstelling het stoffelijk overschot van de zo tragisch om het leven gekomen 11-jarige Pieter Brinkman ter aarde besteld. Op treffende wijze bleek dan ook uit die belangstelling, hoezeer het gehele dorp medeleefde met de familie Brinkman.
Onder diepe stilte werd aan de open groeve het woord gevoerd door den heer Vetter, godsdienstleraar in de Langstraat en door het hoofd der Bijz. School, den heer K. van Asperen, die namens het schoolbestuur, het overige onderwijzend personeel en de leerlingen enige troostwoorden tot de familieleden van de overledene richtte. Zeer onder de indruk verlieten allen na afloop der droevige plechtigheid de dodenakker.’
Kerkgang in Langstraat (jeugdherinnering)
In het Streekarchief te Middelharnis vonden we een heel mooie beschrijving van een eerste kerkgang van een vijfjarig meisje. Het is van de hand van de in 2014 overleden mevrouw Heun-Kreeft. 1) We krijgen hierdoor een indruk hoe het in de tijd van de eerwaarde heer Vetter in Langstraats kerkje toeging. Wij geven dit in alle eenvoud geschreven verhaal in z’n geheel door.
‘Sommige boeken die men leest beginnen weleens met een inleiding. Het leek me een goed idee om het verhaal - zo noem ik het maar - dat ik op verzoek over de Langstraat zal schrijven, ook even van een korte inleiding voorzie. Men moet zich realiseren dat je als volwassene met een heel stuk levenservaring dingen gaat beschrijven die je met kinderogen hebt waargenomen. Daar kun je onmogelijk iets meer van maken om het puur te houden. Nu lijkt het me goed als ik er één of andere opmerking aan toe wil voegen dat ik dat tussen haakjes zet. Men mag wel aannemen dat bij de meeste mensen hun moeder de hoofdrol gespeeld heeft in hun allerprilste herinneringen. Zelf heb ik dat ook altijd zo ervaren. Ik was de oudste van een gezin van zes kinderen. Tot mijn elfde jaar waren dat er vier en later zijn er nog twee bijgekomen. Ik was dus al vroeg bij m’n moeder in dienst als een soort kindermeisje, en dat viel vaak niet mee, want onbewust werd me te veel verantwoordelijkheid op de schouders gelegd, waartoe dat kan leiden daar zou ik op zich al een verhaal over kunnen schrijven. Dat zou me echter te ver voeren.
Maar aan de andere kant voelde ik me ook vaak bevoorrecht, want als ik samen met moeder in huis aan het werk was, dan besprak ze alles met me over plannen die ze had en zo, dan voelde ik me echt al een beetje groot. En moeder was een heel gezellig mens; ze kon heel goed onthouden en onder het werk vertelde ze dan verhalen die ze ooit op scheurkalenderblaadjes had gelezen. Ik weet ze nu nog allemaal. Ze hebben dus een diepe indruk op me achtergelaten. Zo vertelde ze o.a. ook over een zekere meneer Hack, die was godsdienstleraar in de Langstraat. Wat ze toen vertelde weet ik niet meer maar ze sprak altijd vol eerbied over hem, en ik merkte wel dat ze van hem over het geloofsleven veel opgestoken had. En ik meen dat na meneer Hack meneer Vetter toen gekomen is.
Onder zijn bediening heb ik als kind van ongeveer vijf jaar mijn eerste kerkgang gemaakt. Het is een heel evenement geweest. Er was me van te voren al heel wat verteld hoe het in de kerk toeging enz. Je hebt er dan als kind al een hele voorstelling van, die maar ten dele klopt, blijkt later. De dienst begon in de zomer ‘s morgens om negen uur al. Ik zou met mijn vader achter op de fiets gaan. De meeste mensen gingen toen nog lopen al was het ook een half uur gaans. Maar pa moest elke morgen vier uur opstaan voor zijn werk als boerenknecht, en dan kon hij zodoende een half uur langer slapen. En zoiets werd door de goegemeente oogluikend toegestaan. Moeder bleef bij de kinderen thuis en ging ‘s middags met een oude buurvrouw lopend naar de kerk. Dit even terzijde.
Toen pa en ik aankwamen in de Langstraat (dat was in mijn ogen bij onze buurtschap vergeleken een groot dorp. Ik kwam er bijna nooit want een kleuterschool was daar niet) zette pa zijn fiets bij de voorlezer van de kerk, Kees van Eck was zijn naam. Hij en zijn vrouw Stina waren goede kennissen van ons. Wij als kinderen mochten ook altijd Stina tegen haar zeggen. “Zo”, zei pa, “als we nu de kerk ingaan ga jij maar bij Stina in de bank zitten” (mannen en vrouwen zaten toen nog gescheiden).
Dat vond ik niet erg, want Stina was een moederlijke vrouw. Ik was thuis de pin al op de neus gezet dat ik goed stil moest zitten en Stina drukte daar nog eens een stempel op. Maar dat kostte me helemaal geen moeite want ik had zoveel te verwerken. Toen ik het kerkje binnenkwam imponeerde me alles zo. Ik was nog nooit in een openbare ruimte geweest. Eigentijds uitgedrukt: het was voor mij een kathedraal. Er zaten al een heleboel mensen en toen Stina en ik de vierde bank van achteren inschoven zag ik aan de andere kant mijn vader staan met gevouwen handen en gesloten ogen; dat deden meer mannen zag ik. Dat was bidden, begreep ik. Alles was letterlijk nieuw voor me. Ik viel van de ene verbazing in de andere. Maar toen moest de grootste verrassing nog komen, want wie zag ik dat er achter een katheder ging staan... Ik kon mijn ogen niet geloven (dat hadden ze me dus niet verteld): Kees van Eck, met een stemvork in de hand (hij was ook voorzanger, en toen hoorde ik het nog niet goed, maar toen ik groter werd, dan nam hij al neuriënd een aanloopje ut-remi; nu zingen we do-re-mi, en dan zette hij in). Nu had moeder ons thuis al een paar bekende psalmen leren zingen zoals 81, 42 en 25, maar ja, het zou heel toevallig zijn als ze die nu zouden zingen. Maar wat een verrassing: al was het dan niet ‘Het hijgend hert’, het was wel een vers van Psalm 42, dus de melodie was heel vertrouwd voor me. En toen al dat volk, (de kerk was inmiddels volgelopen) massaal die psalm gingen zingen… Ik weet niet wat er door me heen ging. Nu zouden ze zeggen, ze voelde zich als Alice in wonderland. En dat iedereen zo keurig Kees van Eck nazong! Toen de psalm uit was, sloeg Kees de Bijbel open en toen ik wat ouder werd weet ik nog dat hij dan eerst de Wet voorlas en daarna zei hij: “Volg mij verder met uw christelijke aandacht, luisterend naar hetgeen gij opgetekend vindt in (bijv.) Romeinen 1; en daarna betrad meneer Vetter de kansel en sprak het Votum uit. Het begon zo: In Uwen Naam, in Uwe Kracht, onder aanbidding van Uw nooit volprezen Drieëenheid, dat meen ik me nog te herinneren. Toen gingen ze weer zingen en Kees ging weer achter de katheder. Het werd een voor mij onbekende psalm. Onder het zingen kreeg ik van Stina een grote sterke pepermunt. Ik begreep dat dit een hele klus zou worden om die geruisloos op te zuigen. Stuk bijten, dat kon echt niet, veel te veel lawaai. Maar enfin, het lukte, waar afgaat en niet bijkomt dat moet op den duur toch minderen. De preek op zich zei me niet veel, maar meneer Vetter zei dikwijls: ‘de profeet Daniël’ en daar heb ik het aan te danken dat ik wat zelfrespect heb gekregen. Want toen ik thuiskwam vroeg moeder, weet je nog een beetje waarover meneer Vetter gepreekt heeft. “Ja hoor”, zei ik, “hij had het steeds over de profeet Daniël.” Verder vroeg ze niets, dus ze ging er misschien van uit dat ik de rest ook nog wel ten naaste bij wist. Toen werd ik uitbundig door pa en moeder geprezen. Bovendien had Stina verteld dat ik zo mooi stil had gezeten. Ik wist niet wat me overkwam, ik met mijn faalangst, want mijn ondeugende broertje ontglipte me altijd en dan had ik weer niet goed genoeg op hem gepast en ik was ook nog vaak wat links als moeder me wat opdroeg. Ten diepste voelde ik me meestal een klungel. Dit was dus een aardige opsteker voor me.
En hoewel meneer Vetter nogal ingewikkeld preekte, althans in mijn oren, toch probeerde ik altijd er iets van te onthouden. En wat ook nog een voordeel was, hoewel je nog erg jong was ging je toch al een beetje inzicht krijgen in wat geestelijk leven nu eindelijk was. Zo weet ik nog dat als we ’s zondagsmiddags met moeder naar de kerk liepen dat er zich op de driesprong, Sluisweg-Galathese weg en het kleine eindje naar de Langstraat zich een vrouw bij ons voegde, die door iedereen Hanna van Barend werd genoemd (zo heette haar man). Er werd van haar gezegd dat ze ‘goed van leven’ was. En door naar veel gesprekken van volwassenen te luisteren wist ik al heel gauw wat dat betekende. Als ze dan aan kwam lopen had ik altijd de stille hoop dat ze iets over haar bekering zou vertellen, maar dat deed ze nooit. Ze was een zeer bescheiden vrouw. Moeder zei: ‘een stille in den lande’, maar ik keek haar er wel op aan. Het werd zelfs zo, dat ik naar meneer Vetter ging zitten luisteren of er iets moois voor haar bij zou zijn. En als we Psalm 66 zongen: “Komt luistert toe, gij Godgezinden…’, dan was ik ontroerd voor haar. Wat-ben je als kind nog gevoelig voor indrukken. Wij denken vaak: ‘Ach daar begrijpen die kinderen nog niets van, maar de Heere Jezus dacht daar anders over!’
Verdreven uit Langstraat…
De Tweede Wereldoorlog heeft ook op het voormalige eiland Goeree Overflakkee zijn sporen getrokken. Er zijn bij veel inwoners wonden geslagen, die tot op de dag van vandaag schrijnen. De Duitse overheerser ging in de loop van de vijf oorlogsjaren steeds meer beducht worden voor een aanval van de geallieerden in het westen van Europa. Daarom werd de zogenoemde Atlantikwall aangelegd. Van Spanje in het zuiden tot de Noordkaap in het noorden werd een gordel van verdedigingswerken langs de kust aangelegd over een lengte van circa vijfduizend kilometer. Door de aanleg van bunkers, mijnenvelden, Rommelasperges en Spaanse ruiters, maar ook door het inunderen (onder water zetten) van het achterland, moest een strook van twaalf kilometer breedte ontstaan met verdedigingswerken, die een invasie onmogelijk maakte.
Ook Flakkee was onderdeel van dit plan. Een groot deel van het oosten en zuiden van het eiland kwam onder water te staan. In totaal stond op 15 maart 1945 10.427 ha grotendeels vruchtbare landbouwgrond onder water. Hierdoor gingen 20.000 fruitbomen, 32.000 windschutbomen en duizenden heesters verloren op het eiland. 15.500 inwoners moesten huis en haard verlaten en elders op het eiland of aan de ‘overkant’ een onderkomen zien te vinden.
Het gezin van de heer Vetter vond in 1944 onderdak in de pastorie van de Hervormde Gemeente te Middelharnis. Ds. L. Blok, die van 1937 tot 1946 in Middelharnis stond, was van harte bereid de bovenverdieping van de monumentale pastorie, Voorstraat 27, beschikbaar te stellen voor de heer en mevrouw Vetter met hun nog thuis wonende kinderen.
Deze gedwongen evacuatie zou voor het gezin en de ambtelijke loopbaan van de eerwaarde heer Vetter ingrijpende gevolgen hebben. (wordt vervolgd)
1 ) Maria Kreeft werd geboren op 16 januari 1923 in het buurtschapje ‘Sluis’, enkele kilometers van Langstraat gelegen. Het bestond uit een paar boerderijen met arbeidershuisjes, die alle in de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetters zijn afgebroken. Maria trouwde met de Groninger Menko Heun. Het echtpaar vestigde zich later in Dirksland. Hun huwelijk bleef kinderloos. In augustus 2017 verscheen een boek over de geschiedenis van de kerk in Langstraat onder de titel “Kroniek van een kerk – 100 jaar Hervormd Langstraat”. De schrijver is kosterszoon Arjo van Gils. Hij was het die mevrouw Heun verzocht haar jeugdherinneringen op papier te zetten. Zijn boek, waarin dit verhaal ook is opgenomen is uitgegeven via Jongbloed.nl, een self-publishing platform van Royal Jongbloed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017
Oude Paden | 64 Pagina's