Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom de kansel van Doornspijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom de kansel van Doornspijk

Deel 57 van een serie over kerkendienaars en hun spreekplaatsen

19 minuten leestijd

Doornspijk lag in vroeger dagen aan de Zuiderzee, ter plaatse waar de restanten liggen van de Sint Ludgeruskerk. Toen in 1825 de kerk door blikseminslag en overstroming verloren ging, werd een nieuwe kerk gebouwd in de nabijheid van huize Klarenbeek. Daar kwam toen ook het nieuwe dorpscentrum te liggen. Reeds rond 800 wordt in oude bescheiden Doornspijk genoemd. ‘Villa Thornspiic’ werd het toen genoemd. De naam Thornspiic is afkomstig van Thorspiec, plaats gewijd aan Thor, de god van de donder, die door de Germanen, de oudste bewoners van deze regio, werd vereerd.

Waar echter het heidendom heerste, werd het Evangelie gepredikt. Reeds rond 800 moet er een houten kerkje hebben gestaan op de plaats waar de ruïne te vinden is. Dat kerkje was gewijd aan Liudger. Het is niet bekend of hij zelf ook in Doornspijk betrokken is geweest bij het stichten van de kerk. Er wordt ook wel gesuggereerd dat een leerling van Liudger de gemeente heeft gesticht. In ieder geval behoorde het kerkgebouw tot de eigendommen van een klooster in het Duitse Werden dat door Liudger was gesticht.

Er is een legende die zegt dat toen de christenen in Doornspijk de materialen voor een kerkje hadden bijeengebracht, deze gedurende de nacht door de nog heidense Doornspijkers werden weggesleept. De christenen zagen daarin een teken van de hemel dat de kerk niet op de voorgenomen plaats moest worden gebouwd, maar daar waar het bouwmateriaal was teruggevonden. Het eerste houten kerkje werd vervangen door een stenen bedehuis, dat in het jaar 1130 werd uitgebreid met een koor. Een halve eeuw later werd het kerkgebouw aan weerszijden verbreed. Ook werd het koor vergroot, terwijl er tevens een toren verrees. Rond 1475 was de kerkbouw tot volle glorie gekomen. Waarschijnlijk is toen de kerk aan de heilige Nicolaas gewijd.

Toen in Elburg een beeldenstorm plaatsvond en de beeldenstormers op 21 september 1566 ook in Doornspijk wilden huishouden, werd hun dat belet. Waarschijnlijk waren de dorpelingen nog niet zo ver als pastoor Jacob Peeters. Want de pastoor van Epe werd op 4 oktober 1566 door het Hof van Gelderland gelast om de dwalende pastoor van Doornspijk tot zijn plicht te brengen omdat hij al ‘etlicke weken’ geen mis meer las en een reformatorische prediking bracht.

Het kerkgebouw van Doornspijk werd in 1584 - het sterfjaar van prins Willem van Oranje – afgebroken, omdat de bestuurders van de vestingstad Elburg vreesden dat de Spanjaarden de kerk zouden kunnen gebruiken als schuilplaats en uitvalsbasis. Men zat namelijk midden in de Tachtigjarige Oorlog. De toren bleef gespaard. Toen Johannes ten Uutslach, de voormalige pastoor van Doornspijk, zich op 4 en 5 juli 1592 liet ‘omscholen’ tot gereformeerd predikant, was er geen kerk beschikbaar. Voor de Zaligmaker was er geen plaats in de herberg, maar in Doornspijk was er voor de verkondiging van het Evangelie wél plaats in de herberg, want totdat er een nieuwe kerk gebouwd werd, op de plaats van het afgebroken gebouw, werd nota bene in een herberg kerk gehouden.

Toen Johannes ten Uutslach verplicht werd met de andere gewezen pastoors van het platteland een dertiental artikelen te ondertekenen, waartoe behoorde het instemmen met de Heidelbergse Catechismus, wenste hij daarover te ‘delibereren’. Blijkbaar wilde hij zich niet onderwerpen en had hij de nodige vragen – mogelijk over de vervloeking van de paapse mis – want in 1593 wordt zijn naam niet meer genoemd. In zijn plaats kwam de uit Groningen afkomstige Wessel Johannis, die van 1593 tot aan zijn dood in 1607 aan Doornspijk verbonden bleef. Hij werd echter pas in 1595 bevestigd als predikant; dat vond plaats toen de nieuwe kerk gereed was gekomen. Tot die tijd moest ook hij in de herberg voorgaan. Dat het kerkelijk leven in de kinderschoenen stond, bleek in 1597, toen de predikant er op moest worden gewezen dat hij bij elke kerkdienst psalmen moest laten zingen en dat er ook gecollecteerd moest worden voor de armen. Blijkbaar liet hij dat regelmatig na. In 1600 blijkt het kerkbezoek nog niet optimaal geweest te zijn, want in de notulen van de classis Neder Veluwe lezen we: ‘Wesselus, von Dorenspeit, verklart dat het gehor tamlich is’. Tamelijk, dat is niet weinig, maar ook niet veel, zoals dat later het geval zou zijn.

De opvolger van Wessel Johannis was Laurentius Borchlonius. Hoewel hij op 29 oktober 1607 door het classicaal examen was gekomen en hij beloofde zich te houden aan Schrift en belijdenis, vroeg men hem – hij had in Leiden gestudeerd - een testimonium van professor Gomarus te overleggen. Bij de volgende classisvergadering in 1608 kwam hij niet opdagen, terwijl hij ook tien weken achtereen in Doornspijk absent was, en ‘aldaer thien weecken lang ghene predicaties gedaen sin’. Besloten werd dat, wanneer hij vóór Pinksteren niet terug was, hij ontheven zou worden uit het ambt en de gemeente vacant verklaard zou worden. En… hij kwam inderdaad niet meer opdagen.

Zijn opvolger Joachim Straetman, die voorheen in het Groningse Adorp had gestaan, had zich in 1610 zomaar in Doornspijk ingedrongen, zonder beroepen te zijn geweest. In de leer was hij zuiver, want noch hij, noch collegae uit de wijde omgeving werden in 1618 of 1619 uit het ambt ontheven vanwege remonstrantse gevoelens. In 1618 kreeg hij echter wel een ernstige bestraffing van de classis vanwege het feit dat hij in Harderwijk in het publiek te diep in het glaasje had gekeken. Hij betuigde voor de vergadering dat hem dit van harte leed was en dat hij zijn leven wenste te beteren. De classis nam daarop geen verdere maatregelen, maar belastte hem alleen drie maanden achtereen een ‘pont’ aan de armen in Harderwijk te geven, alwaar het leed was geschied. In de classicale acta lezen we dat hij deze censuur ‘ in de vrese Gods heeft aengenomen ende belooft nae te komen, ende voortan sich also te gedragen en voegen te voren uytgedruckt’. Vervolgens lezen we niet dat er zich met hem iets heeft voorgedaan maar dat hij in eenvoud zijn weg vervolgde, totdat hij in 1624 het tijdelijke met het eeuwige moest verwisselen.

De eerste voorgangers bedienden aanvankelijk in een herberg het Woord, maar van 1756 tot 1795 diende een predikant Doornspijk wiens naam associaties oproept met de herberg. Het betreft Didericus Heineken (1730-1795). Hij was de kleinzoon van de Bremense bierbrouwer Christian Heineken. Didericus wenste als zeventienjarige buiten de grenzen te studeren en kwam zo in Deventer en Harderwijk terecht. Daar studeerde hij respectievelijk wijsbegeerte en theologie. Hij promoveerde in 1753 tot doctor in de godgeleerdheid en mocht in 1756 in Doornspijk de herdersstaf opnemen, terwijl hij in Elburg woonde. Van hem is een theologisch werk bekend met een coccejaanse inslag, getiteld De planting van Jesus Kerke door dienst der Apostelen, zeer levendig afgebeeld onder de vier doorluchtigste wonderwerken van den Heere Christus, beschreven Matth. VIII:2-16, In helder dagligt gesteld en op zyn rechte onderwerp toegepast.

Toen ds. Heineken op zijn sterfbed lag, vroeg hij de diakenen of ze zijn jongste zoon financieel wilden bijstaan wanneer hij tot armoede zou komen te vervallen. Hij maakte zich kennelijk zorgen over zijn zoon Adrianus Gillis, die na een blauwe maandag in Harderwijk te hebben gestudeerd te Elburg in brouwerij het Witte Paard ging werken. Vervolgens ging hij zich ook bekwamen in het apothekersvak en het koopmanschap. Nu, vader Didericus had zich dienaangaande overbezorgd gemaakt. De diaconie hoefde niet bij te springen want Heineken jr. vertrok naar Amsterdam en begon daar een handelsonderneming in boter en kaas waaruit uiteindelijk het grote Heineken bierconcern is voortgekomen.

Opmerkelijk op de lijst van predikanten is dat Didericus Heineken direct wordt gevolgd door Hermannus Bogt. Gekscherend had men het weleens over ‘Heineken-bocht’, daarmee refererend aan het bekende biermerk dat evenals andere soorten zo funest kan zijn bij overmatig gebruik, hetwelk ook in Doornspijk helaas niet onbekend is.

Waar in menig gemeente het modernisme in het eerste gedeelte van de negentiende eeuw invloed deed gelden op de prediking, was dat in Doornspijk geenszins het geval. Zo werd de gemeente gediend door ds. J.R. Staverman, die het huwelijk kerkelijk bevestigde van Jannes den Besten, die Gods leidingen in zijn leven aan het papier toevertrouwde. Zijn levensgeschiedenis is meerdere malen herdrukt, de laatste herdruk vond plaats in 1987. Jannes den Besten (1797-1868) is diaken en daarna ouderling geweest, van 1824 tot 1833 en van 1854 tot 1867. De gemeente werd van 1824 tot 1842 gediend door ds. C.W. Bisschop, een vriend en geestverwant van de meer bekende ds. D.A. Detmar. Ds. Bisschop stond nog maar een jaar in Doornspijk toen de kerk volledig afbrandde. Dat was op 4 februari 1825, toen bij de enorme watervloed die het oude dorp trof ook nog eens de bliksem insloeg. In 1829 verrees het huidige kerkgebouw aan de Zuiderzeestraatweg. Het was een zogenoemde Waterstaatskerk. Dat is de benaming voor Nederlandse kerkgebouwen die tussen 1824 en 1875 met financiële steun van de landelijke overheid werden gebouwd. Het ontwerp en de bouw van dergelijke kerken was onderhevig aan de goedkeuring en controle door ingenieurs van het ministerie van Waterstaat.

Ds. Bisschop werd in 1842 opgevolgd door de bekende ds. J.J. Knap, die slechts anderhalf jaar Doornspijk gediend heeft. Hij hield bij zijn afscheid een preek over de zeer toepasselijke tekst uit Handelingen 18:11: ‘En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord Gods’. Deze preek is in druk verschenen. In die preek zei hij onder meer: ‘Ik ga henen, en geen der dierbare beloften des Evangeliums neem ik mede. Zij staan daar in eeuwig schrift. God zal ze te Zijner tijd vervullen, gelijk Zijn bedreigingen.’ Knaps opvolger was Simon Hogerzeil, die de gemeente diende van 1845 tot 1853. Deze had in de jaren van de Afscheiding van zich laten horen door middel van enkele brochures, waarin te lezen staat dat we ondanks het diep verval van de vaderlandse kerk haar niet mogen verlaten. Een citaat: ‘Laat u ook daarvan niet terug te houden, door de gedachten: de Hervormde Kerk is onherstelbaar. Dit is even zo goed, alsof gij zegt: voor God zijn niet alle dingen mogelijk. Wat voor mensen onmogelijk is, is immers doenlijk voor Hem, daar Hij op een enkele wenk van Zijn alvermogen het licht uit de duisternis doet opgaan, en zegt: Ziet Ik ben de Heere, de God alles vleses: zoude Mij een ding te wonderlijk zijn?’

Ook ds. J.A. ten Bokkel Huinink, wiens bazuin een helder geluid gaf, diende Doornspijk, van 1853 tot 1858. Bekend is de ontmoeting van hem met ds. L.G.C. Ledeboer. Laatstgenoemde zou zijn collega bezoeken en hem erop wijzen dat het onmogelijk was om in een kerk als de Nederlandse Hervormde Kerk dienstbaar te zijn. Hun harten smolten echter samen, en Ledeboer kreeg de woorden: ‘Indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?’ Een en ander verklaart mogelijk mede dat de Afscheiding in Doornspijk van geringe betekenis is geweest. Evenwel waren er ook in Doornspijk wel sympathisanten. Het waren er aanvankelijk vier. Een daarvan was Aalt Smit, landbouwer en smid, een gewezen kerkvoogd. Om te voorkomen dat er verboden samenkomsten werden gehouden, verbleven er tussen 18 en 27 december 1836 28 militairen uit Kampen in Doornspijk. Ook in het huis van Aalt Smit.

De Afgescheidenen uit Doornspijk voegden zich bij de gemeente die te Elburg werd geïnstitueerd en die later de Christelijke Gereformeerde Kerk ging vormen. In 1849 bleek bij de volkstelling dat een half procent van de Doornspijkse bevolking bij de Afgescheidenen behoorde. Als we dan bedenken dat het totaal van de Doornspijkse bevolking uit nog geen 2.500 inwoners bestond, dan is de betekenis van de Afscheiding in de eerste tijd te verwaarlozen. Toch groeide het kleine stekje langzaam maar zeker en in 1932 rees de behoefte om ook in Doornspijk een zelfstandige gemeente te vormen. Op 22 juli 1933 werd de gemeente geïnstitueerd en werd tegelijk een nieuw kerkgebouw aan de Rode Landsweg in gebruik genomen. Voorganger was ds. B. Oosthoek uit Kampen, die consulent was van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Elburg en derhalve ook van Doornspijk. Nadat ds. Oosthoek na een kortstondig ziekbed op 38-jarige leeftijd overleed, kwam het consulentschap in handen van ds. Tamminga te Harderwijk.

Langzamerhand groeide het aantal leden naar 138 en in 1963 mocht de gemeente een eerste eigen predikant ontvangen in de persoon van ds. J. van Doorn. Hij vestigde zich in de pastorie aan de Veldweg. Het aantal kerkgangers nam toe en het oude kerkje moest worden uitgebreid. In 1973 overleed ds. Van Doorn, over wie zijn collega J.H. Velema opmerkte in het Jaarboek van de Christelijke Gereformeerde Kerken dat hij het Evangelie warm en ernstig verkondigde, aandringend op persoonlijke bekering. ‘Man van het systeem was hij niet. Hij had oog voor Gods gevarieerde leiding. Het ging hem niet om grote, maar om ware dingen.’ Later (van 1977 tot 1984) werd de gemeente gediend door ds. P. van Zonneveld. In die periode werd de huidige kerk gebouwd. Het oude kerkje werd verenigingsgebouw. Bij de opening van de nieuwe kerk, die de naam kreeg ‘Rehoboth’ (de Heere heeft ruimte gemaakt), sprak ds. Van Zonneveld de wens uit dat de Heere in dit kerkgebouw ook ruimte zou maken voor Hem, Die vanaf de kansel verkondigd wordt, de Heere Jezus Christus.

Tijdens de periode dat ds. Van Zonneveld Doornspijk diende, trad hij ook toe tot het bestuur van Bewaar het Pand. Hij zei daarover: ‘We willen geen aparte groep zijn, maar we zijn bedroefd over de gang van zaken in de Christelijke Gereformeerde Kerken. De leer van de veronderstelde wedergeboorte is door de voordeur uitgeworpen, maar door de achterdeur binnengehaald’. Na het vertrek van ds. Van Zonneveld, die vorig jaar op 88-jarige leeftijd overleed, is de gemeente gediend door de predikanten J.H. van Dijk, D. Slagboom en G. Bouw, die inmiddels allen overleden zijn. Vanaf 2008 is ds. B.L.C. Aarnoudse aan de gemeente verbonden.

Toen de Doleantie plaatsvond, ging scheuring en scheiding niet aan Doornspijk voorbij. Ds. G. Ringnalda, die van 1870 tot 1874 Doornspijk had gediend, en van 1879 tot 1886 in het naburige Oldebroek stond, zal mogelijk hier en daar de toon hebben gezet, daar hij in 1887 te Utrecht met de Doleantie meeging. Heel anders was zijn opvolger ds. H. Bax, die van 1875 tot zijn emeritaat in 1908 Doornspijk diende. Ouderling W. den Besten ( nazaat van de eerder genoemde Jannes) en diaken W. Spronk namen het voortouw en wisten verschillende gemeenteleden te motiveren een adres te tekenen om te komen tot reformatie van de kerk. Ds. Bax wenste dit adres niet te bespreken op de kerkenraadsvergadering van 12 juli 1888. Daarom legde diaken Spronk de volgende verklaring af: ‘Wij verklaren dat wij met de inhoud van het adres der gemeente instemmend, als kerkeraadsleden horen te gaan handelen overeenkomstig onze belofte bij de aanvang onzer bediening voor God en de gemeente afgelegd en niet langer in de regering der Kerk gemeenschap te mogen oefenen met hen, die handelen in strijd met die belofte en met de gehoorzaamheid aan Christus Jezus, de enige Koning der Kerk, Die Zijn wetten in Zijn Woord heeft neergelegd’. Het gevolg was dat de beide ambtsdragers werden geschorst en uitgeschreven als lid. Zij belegden als ‘Nederduits Gereformeerde Kerk’ diensten bij deze of gene in een schuur of een stal. De eerste dienst in een schuur van ene Van de Beek werd op 29 juli 1888 geleid door oefenaar De Gooijer uit Nunspeet. Reeds op 22 september 1888 kon de eerste steen gelegd worden van een noodkerk door burgemeester H. Thomassen a Thuessink van der Hoop, die ook lid was van de Nederduits Gereformeerde kerk. In 1892 vond de vereniging plaats van de Dolerenden en de Afgescheidenen; men noemde zich toen de Gereformeerde Kerken in Nederland. Koster, voorlezer en voorzanger was A. van der Pol,

Koster, voorlezer en voorzanger was A. van der Pol, hoofd van de christelijke school. Het is bewonderenswaardig welke offers men bracht om het kerkelijk leven te ontwikkelen: een nieuwe kerk, een pastorie en het traktement voor evangelist J. van der Bijl, die een jaar later de gemeente ging dienen en later op grond van artikel 8 van de Dordtse Kerkorde predikant werd. De gemeente bleef maar groeien, mede ook door het intensieve pastoraat dat de predikanten Van der Bijl en zijn opvolger C.S. Boss aan de dag legden. In 1924 werd naast de noodkerk een nieuw gebouwde kerk met een nieuw orgel in gebruik genomen. Het kerkgebouw doet thans nog steeds dienst.

Een bekende gereformeerde predikant die Doornspijk heeft gediend was ds. T. Sap. Tjakke Sap (1871-1958) was een achterkleinzoon van ds. J.M. Kloppenburg, die 83 jaar oud was toen hij predikant werd. Op zijn grafsteen staat vermeld: ‘Hier rust hij die niet rusten kon voor hij voor Jezus zielen won’.

Sap moest niets hebben van het modernisme en het socialisme. Hij schuwde publieke debatten niet. In zijn gloriedagen, die vooral de periode Gouda betreffen, debatteerde hij met name met mensen van de Dageraad. Men was zó vijandig, dat men hem met de dood bedreigde, zodat hij wel onder politiebegeleiding over straat ging.

In zijn laatste gemeente Doornspijk, die hij van 1929 tot aan zijn emeritaat in 1933 diende, klikte het niet altijd tussen hem en de gemeente. Diverse leden gingen over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Mogelijk heeft zijn Groningse nuchterheid hierin ook een rol gespeeld

Hoewel in 1888 een pijnlijke scheuring plaatsvond met de Hervormde Gemeente, was de verhouding zodanig, dat in de periode 1950-1952 vanwege restauratie en uitbreiding van het Hervormde kerkgebouw men gebruik mocht maken van het kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk.

Een bijzonder aangrijpende gebeurtenis in de Gereformeerde Kerk vond plaats op zondag 20 juli 1969. Aan het eind van de middagdienst, nadat hij de zegen had uitgesproken, kreeg ds. G. van der Maaten op de kansel een hartverlamming, waaraan hij overleed. Hij was nog maar 41 jaar oud. Een opmerkelijke bijzonderheid was dat hij zojuist gepreekt had over Genesis 5:24: ‘Henoch dan wandelde met God en hij was niet meer, want God nam hem weg’. Van der Maaten was predikant in Den Ham maar verbleef met vakantie in zijn geboorteplaats Doornspijk.

Sinds het fusiebesluit in 2004 behoort de Gereformeerde Kerk tot de Protestantse Kerk Nederland. Plaatselijk is een fusie met de Hervormden niet tot stand gekomen. De gemeente wordt sedert 2000 gediend door ds. J. Swager, die met ondergetekende en de eindredacteur van dit blad, deel uitmaakt van het Reformatiemuseum in oprichting.

Terug naar de Hervormde Kerk. Terwijl een flink aantal mensen zich in 1888 aan de kerk had onttrokken, mocht het kerkelijk leven onder leiding van ds. H. Bax toch voortgang vinden. Ds. Bax was binnen de hervormdgereformeerden een begrip wanneer het gaat over de schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Ooit in zijn eer-ste gemeente Lage Vuursche krachtdadig omgezet, ging er een roep van hem uit. Hij was een begeerd predikant, want tijdens zijn verblijf in Doornspijk werd 38 maal een beroep op hem uitgebracht, maar even zovele malen bedankte hij. Bij zijn overlijden in 1911 schreef dr. J.D. de Lind van Wijngaarden: ‘Te Ermelo-Veldwijk is overleden de 83 jarige Hendrik Bax. Wie heeft onder Sions kinderen zijn naam niet horen noemen? (…) In 1865 vertrok de leraar van Lage Vuursche naar Ouddorp, in ’67 naar Waarder, in ’72 naar Poortvliet en in ’75 naar Doornspijk. Hij was door verzwakking der hersenen genoodzaakt zijn emeritaat te nemen voor ruim een jaar en moest helaas nog in Ermelo-Veldwijk zijn leven eindigen. Maar ach, dat was maar de tiende dag der verdrukking, en nu staat er zo terecht onder de brief van kennisgeving: Het leven was hem Christus, het sterven hem gewin.’

Na ds. Bax werd de Hervormde Gemeente onder anderen gediend door ds. A. Prins (van 1913 tot 1917), van wie enkele publicaties het licht zagen. Ook ds. J.R. Cuperus willen we noemen. Hij ontving 62 beroepen in de periode dat hij Doornspijk diende, van 1937 tot 1957. Zijn Veluwse collega J.T. Doornenbal uit Oene was zeer aan hem verbonden en vond de Veluwe ‘leeg’ zonder Cuperus. Over zijn afscheid van Doornspijk schreef Doornenbal: ‘Zondagmiddag het afscheid van ds. Cuperus in Doornspijk. Wat bijna onmogelijk leek is toch werkelijkheid geworden. Na bijna twintig jaar gaat hij heen. Het was toch zoals de burgemeester opmerkte in zijn toespraak: “Wie Doornspijk zei, zei Ds. Cuperus en wie Ds. Cuperus zei, zei Doornspijk”. Maar aan alles komt een einde, en zoals het komt is het goed. De Koning Zelf zegt tot één van Zijn dienstknechten: Ga en hij gaat, en tot de ander: Kom, en hij komt, en Hij vergist Zich daarbij niet’.

In zijn Reisbeschrijvingen vertelt Doornenbal uitgebreid hoe hij met Cuperus en zonen in 1958 naar Marokko is geweest. Hij merkte dat Cuperus wat voorzichtiger was gaan rijden en dat het te merken was ‘dat hij de toekomst van zijn geslacht en van de Hervormde Kerk in de vorm van zijn jongens meevoerde op deze tocht’. Hij doelde op het feit dat alle vijf zoons hun vader volgden in het ambt van predikant, te weten ds. R.C. Cuperus (1930-2000) die Wouterswoude, Rouveen, Ede en Vriezenveen diende, ds. K.R. Cuperus (geb. 1933) die als predikant werkzaam was in Rinsumageest en Oldemarkt, dr. W.S. Cuperus (1935-2011), legerpredikant, ds. D.J. Cuperus (geb. 1936), die zijn ambtswerk in Aalst aanving en daarna in Nieuwerkerk aan den IJssel stond en ds. A. Cuperus (geb. 1948), die predikant was te Zunderdorp en Rijswijk (ZH).

Na het vertrek van ds. Cuperus naar Waddinxveen werd hervormd Doornspijk gediend door ds. R.W. Steur, die daar van 1958 tot 1968 werkzaam was, ds. A. Vlietstra, die er predikant was van 1969 tot 1985 en wiens gelijknamige zoon eveneens predikant werd. Tijdens zijn ambtsperiode werd de kerk uitgebreid met een galerij. In die periode kwam de gemeente ruim drie maanden samen in een mega-tent.

Ds. Vlietstra werd opgevolgd door ds. L. Schaafsma, die na zeven jaar in 1993 vertrok naar Canada, en ds. W. Roos, die in 1994 de herdersstaf opnam. Inmiddels was de gemeente zo groot geworden dat de kerk in 1966 opnieuw werd uitgebreid en er inmiddels ook een bijstand in het pastoraat werkzaam was, onder meer ds. R.P. van Rooijen, die daarnaast de gemeente Valburg-Homoet in deeltijd diende.

Bij het eerdergenoemde fusiebesluit van 2004 viel de Hervormde Gemeente uiteen, waarbij het grootste gedeelte dat om principiële redenen meende niet mee te kunnen en mogen verder ging als Hersteld Hervormde Gemeente en een klein gedeelte hervormd wenste te blijven. Ds. W. Roos was destijds predikant. Na zijn emeritaat werd de Hersteld Hervormde Gemeente achtereenvolgens gediend door ds. A.J. Britstra en ds. K. van Olst.

Aanvankelijk was het een kleine groep Hervormden die meende zich te moeten voegen onder de paraplu van de PKN, maar langzamerhand groeide het uit tot een ‘levensvatbare’ gemeente, die sedert 2014 een eigen predikant heeft in de persoon van ds. G.H. Molenaar. Tot op heden maken de twee gemeenten gebruik van hetzelfde bedehuis. Daar zal binnen afzienbare tijd verandering in komen, want de Hersteld Hervormde Gemeente is druk bezig om een eigen onderkomen te krijgen. Dan zal Doornspijk, waar men ooit vanwege het missen van een kerk in een herberg samenkwam, vier kerken herbergen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2018

Oude Paden | 64 Pagina's

Rondom de kansel van Doornspijk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2018

Oude Paden | 64 Pagina's