God houdt Zijn werk in stand
Uit het leven van mevr. L.K. van Gorsel-van Zetten
Lena van Gorsel-van Zetten werd op 5 december 1913 aan de Stenen Pad geboren, in een huisje onder aan de Eerste Dijk. Het was toen de verbinding tussen het dorp Sint-Maartensdijk en Stavenisse. Lang voordat de Provincialeweg werd aangelegd. Haar ouders, Jan en Johanna van Zetten-Potappel, waren arm. Maar toen Lena geboren was, stond er een kist met allerlei levensmiddelen voor hun huisje. Ook toen zorgde de Heere al zo wonderlijk. Ze hebben nooit geweten van wie dat was.
‘Het was het kleinste huisje van Smurdiek’, vertelt ze in de Eendrachtbode op haar 100 ste verjaardag. ‘Het was zomaar één kamertje. Geen gang of keuken. Je liep zo van buiten in huis’. Ze was zelf de jongste uit een gezin van negen kinderen, waarvan twee op jonge leeftijd overleden. Haar vader werkte op het land, was zetbaas. Lena ging tot haar twaalfde naar school. Te voet, op haar klompen. Vanaf het moment dat ze van school kwam, is ze thuis gaan helpen in de huishouding, met wassen, koken en schoonmaken. Alles nog zonder elektrische apparatuur. Wassen werd met de hand gedaan. Tot haar negentiende jaar bleef ze thuis. Ze trouwde in 1933 met Jan van Gorsel, die ook aan de Stenen Pad woonde, aan het stukje dat nu een doodlopend weggetje is. Ze kregen tien kinderen. De ontzettingen van de Ramp 1953, toen er ook water bij hun huisje kwam en mensen stierven, heeft de Heere willen gebruiken om haar stil te zetten. Zij moest sterven, maar kon niet sterven. Ze heeft daarna acht maanden in het ziekenhuis (Bergen op Zoom) en later in Vrederust (Halsteren) moeten verblijven. Daar heeft ze in grote nood en angst verkeerd. Toch heeft de Heere doorgeholpen. Hij liet ook haar zien, dat door het werk van de Zaligmaker er behoudenis te verkrijgen is. Haar moeder mocht geloven dat ze terug mocht komen. Ze woonden destijds aan de Westvest in Sint-Maartensdijk en zij kerkten in de Maartenskerk.
Ds. J. van der Haar (in 1958 predikant te Sint-Maartensdijk geworden, in 1966 naar Achterberg gegaan) is haar altijd trouw blijven bezoeken, ook toen hij elders woonde. Ze mocht ook deelnemen aan het Heilig Avondmaal. Bij latere predikanten kreeg ze niet zo’n voedsel voor haar ziel en heeft ze gekerkt bij de (Vrije) Oud Ger. Gemeente te Sint-Maartensdijk, waar ouderling Krijn van Gorsel voorganger was. Na zijn overlijden is die gemeente aangesloten bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Zij heeft ook daar verscheidene keren gebruikgemaakt van het Heilig Avondmaal. Overigens heeft ze nooit haar lidmaatschap opgevraagd in de Maartenskerk. Later heeft ze zich weer gewend tot die gemeente. Op 27 december 1980 overleed haar man Jan Marinus van Gorsel. Hij leefde kerkelijk niet met haar mee. Een keer botste ze bij het Polderhuis aan de Provincialeweg met de fiets op een auto en brak ze op drie plaatsen haar been. Acht weken moest ze revalideren. In 2007 viel ze en brak ze haar heup. Na vier maanden herstel in het verzorgingstehuis Ten Anker in Tholen, verhuisde ze naar een appartement in het verzorgingstehuis Maartenshof te Sint-Maartensdijk. Ze heeft het een en ander uit haar leven opgeschreven. Dat willen we nu weergeven.
‘Het is vandaag 2 mei 1983. Gisteren, zondag, mochten we weer driemaal opgaan naar Gods huis. Menigmaal gaan we als uit gewoonte. We luisteren naar de preek, vinden het goed, mogen soms ook eens vertroost of bemoedigd worden, maar daar blijft het dan bij, en ’s maandags gaan we verder aan onze dagelijkse bezigheden. O, wat kan een mens na ontvangen genade in een dorre en dodige toestand verkeren. Zo moest ik mezelf ook waarnemen de laatste tijd, zuchtende om een zucht en niets kunnen vinden dan des doods vruchten waar we van moeten walgen en onszelf verfoeien. Als de Heere Zich verbergt, doen we niet anders dan steeds maar in ons eigen hart blijven zoeken, en we moeten er altijd bij vernieuwing weer achter komen: ‘Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid’. Kort geleden werd er gepreekt uit Psalm 84 vers 6 en 7 ‘Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn. Als zij door het dal der moerbeziënbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een Fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken’. O, dacht ik, wat een gelukkig volk die daar iets van in mogen leven voor het eerst of bij vernieuwing. Maar ik voelde mij hier ver vandaan, en het scheen mij toe of ik er ook nooit iets van had ondervonden. Toch voelde ik een verlangen in mijn ziel, dat de Heere het nog eens mocht werken, wat er soms ook nog niet is, en we er koud onder blijven. De volgende zondag werd diezelfde preek bij ons in de kerk voorgelezen, wat ik wel opmerkelijk vond, en het leek me toe of God er wat mee te zeggen had. De daaropvolgende dagen werd ik ziek. O, wat voelde ik me ellendig, niet alleen naar het lichaam, maar bovenal naar de ziel. Gedurig lag ik maar te smeken of de Heere Zich over mij mocht ontfermen, hoewel ik niet waardig was, dat Hij nog ooit naar me om zou kunnen zien. Een paar dagen daarvoor kwamen steeds twee regeltjes bij me ‘Want in mijn meeste tegenheden hebt Gij mij verlost en verhoord’. Maar toen was ik dat vergeten, en had er ook niet veel aandacht aan besteed, en nu leek het mij toe dat ik zo van de ene ellende in de andere zou worden gebracht, al wat voorheen gebeurd was, ik kon nergens bij, maar mocht maar blijven pleiten op genade alleen. Als ik op mezelf zag, kon het nooit. Ik voelde me als de onwaardigste en had niet anders verdiend, dan de hel. Toen ik ’s avonds uitgeput in mijn stoel zat, pakte ik het dagboek van Philpot Door Baca’s vallei, en daar las ik: ‘De God aller genade’ 29 april over 1 Petrus 5 vers 10. O, het was of geheel mijn toestand er in beschreven stond. Het was uit mijn hart gegrepen waar hij schrijft: ‘Hoe diep gij ook de onreinheid van uw hart moogt gevoelen, bevindt gij u duister, somber en onvruchtbaar, ja welke beproevingen uw ziel mogen afmatten, zij openen slechts de weg voor de God aller genade (enz.), en het zal uw wijsheid zijn zowel als uw genade, op Hem te zien opdat Hij uw ziel moge vertroosten en afziende van de mens, gelijk Hizkia uw aangezicht zoudt wenden tot de wand en uw zaken Hem aanbevelen en toebetrouwen’.
O, dan is het geen toeval dat we dat moeten lezen, maar dan voelen we als het ware des Heeren hand, die ons daarop wijst, en ons vertroost, en mogen terugzien, en werd het ook waar van die twee regeltjes hiervoor geschreven. Toch moest ik maar gedurig vragen of de Heere dat nu toch eens wilde bevestigen, want o, het ongeloof ligt maar dadelijk op de loer en de duivel staat al gereed om twijfel in ons hart te zaaien. Ik had zo’n begeerte om ’s zondags naar de kerk te gaan, maar nee, zeiden ze van binnen, dat kan natuurlijk nooit, want nu ben je zo ellendig, en dat is in een paar dagen niet over, maar toen het zondagmorgen was, voelde ik me zo goed, dat ik het een wonder vond. En toen moest ik weer maar steeds vragen: ‘O, Heere bevestig toch Uw eigen werk nog eens bij vernieuwing’. Terwijl ik me klaar maakte voor de kerk ging het van binnen zingen:
De grote poorten doet toch open
Des tempels, daar de vroom’ in zijn;
Opdat ik vrij daarin mag lopen,
En heerlijk loven den God mijn.
Ik dacht: welk vers begint daar nu mee? Ik sloeg mijn Bijbeltje open en zag dat het Psalm 118 vers 9 was, en dat het begon met:
God heeft mij, ’t is waar, gekastijdet.
En vaderlijk getuchtigd wel;
Doch Hij heeft mij tot nu bevrijdet.
Genadiglijk van den dood fel.
(Datheen).
O, dit was te groot om te durven geloven, maar het was of de hemel in mijn ziel afdaalde, en ik kreeg zo’n vertrouwen, dat het in de kerk bevestigd mocht worden. Het eerste vers dat we moesten zingen was uit Psalm 119, en de tweede maal was het Psalm 118 vers 12 en 13. De tekstwoorden waren 1 Korinthe 15 vers 8 ‘En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene gezien’. O, daar werd geheel mijn ziel in verklaard, hoe ik twintig jaar geleden overal buiten werd gezet, mezelf kreeg te zien als een onwijze en als een misdracht, waar de Heere nooit meer naar om kon zien. Ik werd gewezen op een onwijze jongen en zag mezelf nog dwazer. Ik voelde zo’n onuitsprekelijke droefheid in mijn ziel, dat ik de Heere zo vermoeid had met mijn zonden, terwijl Hij zoveel voor mij had gedaan. En toen was het, dat ik met verwondering moest zien, met welk een liefde die moeder dat kind omringde, met deze woorden die in mijn ziel afdaalden. ‘Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten!’ O, dat wonder dat God nu juist dat dwaze en dat verachte en onedele dezer wereld heeft uitverkoren. Als we dat voor het eerst of bij vernieuwing weer eens krijgen te geloven, dan moeten we in het wonder wegzinken, en uitroepen: ‘Waarom was het op mij gemunt, daar zovelen gaan verloren, die Gij geen ontferming gunt’. Wat komen we dan in alles toch steeds tekort, en moeten onszelf maar aanklagen dat we zo weinig voor Gods eer durven opkomen. Wat zouden we veel meer moeten waarschuwen, maar we zijn al bang voor een zuur gezicht. Ach, aan onze kant moet het steeds weer maar ingeleefd worden: ‘Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid’. Daarom heeft de Heere ook gesproken: ‘Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend; Schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israëls (Ezechiël 36 vers 32). God is altijd weer de Eerste, nooit zouden wij naar Hem gevraagd hebben, als Hij ons niet eerst had opgezocht. En daarom zal Hij Zijn volk ook nooit verlaten, want zij zijn in beide Zijn handpalmen gegraveerd. Zij liggen opgesloten in dat eeuwig Verbond der genade dat van geen wankelen weet. Het is rondom en alzins vol van Uwe trouwe en Uwer waarheid, welke U niet zal berouwen. Konden we dat nu altijd maar vasthouden, maar het is meestal zoals de ouden zeiden: ‘Zo genoten, zo toegesloten’. Het moet steeds maar weer door de diepten heen, en dat mocht ik later ook weer gewaar worden, toen ik teruggewezen werd op Psalm 84, hoe ik nu eerst weer in dat dal terecht moest komen, en Hem tot een Fontein mocht stellen en Hem aanroepen in al onze nood, waar we zelf nooit uit kunnen komen, maar Hijzelf daalt af in de diepten, want daar groeien de mirten, al zitten we dan nog midden in onze ellende, met Hem kunnen we overal door heen. En de Heere doet nooit half werk, maar dan mogen we later ervaren ‘Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn, want dan zal de regen hen ook gans rijkelijk overdekken’. Hij zal ’t verbond, met hen in eeuwigheid bewaren. O, als dat er niet was, kon er nooit iemand meer zalig worden. Want er is niemand die God zocht, zelfs niet tot één toe. Hij was het Die me dertig jaar geleden stilzette op mijn zondeweg, nadat Hij al zo kennelijk in mijn leven had gesproken. Toen was het: ‘Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers tewerkstellen’ (Psalm 7 vers 14). Dan denken we onder Zijn toorn verzwolgen te worden. Wat wordt dat dan een eeuwig wonder als we ’s morgens onze ogen op mogen slaan, als we vreesden de nacht niet door te zullen komen. Dan wordt de nood opgebonden en een roepen geboren bij dagen en bij nachten. We denken nooit meer bekeerd te kunnen worden, en kunnen niet geloven, dat God nog ooit naar zo één om kan zien. Dan weten we wat het is: ’k Zocht Hem in mijn bange dagen; ‘k Bracht de nachten door met klagen; ‘k liet niet af mijn hand en oog op te heffen naar omhoog’. En dan onze zonden te zien, die we bedreven hebben en dat tegen een heilig en rechtvaardig God. Dan zouden we alles wel willen geven om ze ongedaan te maken, dan zien we hoe we zo’n goeddoend God beledigd hebben, Die ons alle goeds gedaan heeft, en vanaf onze geboorte heeft nagewandeld, terwijl wij Hem de rug hebben toegekeerd. O, het is nooit te zeggen wat het is als onze ogen geopend worden voor onze verloren staat, dood in zonden en misdaden. Maar van nature zijn we daar volkomen blind voor. Dan denken we met onze goede werken God te kunnen behagen, of we leven rustig in de zonde voort, onszelven vleiende dat we nog tijd genoeg hebben. Maar als God in ons leven komt, dan hebben we geen seconde meer te verliezen, dan zien we hoe we onze kostelijke tijd verbeuzeld hebben, door de dingen van de wereld na te jagen. Dan wordt het sterven, en dan niet te kunnen sterven. We gaan zien dat we tegen al de geboden Gods gezondigd hebben en niet één daarvan gehouden. Dan zien we geen weg en geen uitkomst als het klinkt in onze ziel: ‘Gij adderengebroedsel, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?’ O, wat wordt dat een droefheid in onze ziel en we moeten toestemmen dat God naar Zijn heilig recht ons voor eeuwig naar de hel zou moeten verwijzen. Maar dan God te moeten missen, dat wordt de grootste smart, want het is of we toch een betrekking voelen op een onbekend Wezen. Maar de wet blijft eisen: betaal wat ge schuldig zijt, en we gaan van alles proberen om ons leven te beteren, maar met al ons bidden, schreien en wat al niet meer, wij kunnen aan Gods heilig recht niet voldoen. Het wordt steeds onmogelijker, tot het Gode behaagt, ons een Naam aan te wijzen, waardoor het nog mogelijk zou kunnen zijn om zalig te worden. Het is als een verademing de Naam Jezus te horen, maar het is maar een ogenblik, want voor iedereen zou het nog kunnen behalve voor onszelf. Het wordt later weer een vluchten om behouden te worden. Ik weet nog dat er een stem in mijn binnenste sprak: ‘Behoud u om uws levens wil’, en hoe ik kreeg te zien hoe Lot eens uit Sodom werd uitgeleid. Ik mocht even geloven, hoe de Heere mij nu ook als een vuurbrand uit het vuur had gerukt. Maar later was het weer: ‘Gedenk aan de vrouw van Lot’. O, daar stond ik weer. Uitgeleid, voortgeleid, maar Sodom uit, is Zoar nog niet binnen. Dan vreesde ik weer dat God nooit met mij begonnen was, en zo moest ik weer verder, hopen en vrezen, hoewel de vrees veel groter was dan de hoop, want menigmaal was het voor mezelf een verloren zaak. O, dan moest ik de Heere zo billijken in Zijn recht als Hij mij voor eeuwig zou verstoten. Eens op een morgen mocht ik dat ervaren toen er in mijn hart kwam: ’Alle boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen’. Ik dacht stellig dat dit ook zou gebeuren, maar in plaats daarvan kwamen deze woorden: ‘Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden’. Ik was verwonderd, en dacht terug met welk een kracht soms de woorden in mijn hart kwamen toen ik de toorn Gods over mij voelde, maar nu was het of ik die zacht hoorde fluisteren en een stille vrede in mijn ziel afdaalde met deze woorden: ‘De Heere was niet in de wind, ook niet in de aardbeving of in het vuur, maar in het suizen van een zachte stilte’. Ik kon dit alles niet verklaren, maar nu was alles zo anders dan voorheen. Die veroordelende stem van binnen was er niet meer, het was of de zondelast was weggenomen, en de hoop verlevendigd werd. Ik durfde in die tijd met niemand over mezelf te praten, alles deed ik in de eenzaamheid af. Dan durfde ik mijn ogen niet op te heffen vanwege de majesteit Gods en het schaamrood menigmaal mijn aangezicht bedekte als ik bedacht hoe schandelijk ik God beledigd had met mijn zonden, en dan wordt onze mond wel gestopt. Dan wordt er wat af geworsteld, maar dan mag het ook wel eens gebeuren, dat al wat in de binnenkamer geschiedt, op de daken gepredikt zal worden, waar we ons dan over verwonderen moeten, en weer moed vatten om verder te gaan.
Wij lezen in Gods dierbaar Woord: ‘Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven’, en dat leert God Zijn volk, want de vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid. En Hij zegt het Zelf: ‘Ik zal maken dat hun werk in der waarheid zal zijn’. Wij zijn van onszelf in alles onbekwaam, het is alles uit Hem, door Hem, en tot Hem. Maar dat wordt pas in de verdere gangen geleerd. In de eerste beginselen wordt een ziel zo heen en weer geslingerd, dat we de meeste tijd vrezen dat het maar nabijkomend werk is. Ze zijn als de jonge bomen in het woud, hoe meer ze heen en weer geschud worden door de storm, hoe vaster zij geworteld komen te staan. Zo is het ook met de beproevingen in ons leven, het zijn onze zonden die over ons hoofd terug komen. Wij zien het als een oordeel Gods. Maar als we door genade in de schuld gebracht mogen worden, dan ervaren we ook dat Zijn barmhartigheid roemt tegen het welverdiende oordeel. Dan mag het wel eens ingeleefd worden met Psalm 94 vers 8:
De Heer’ zal in dit moeilijk leven,
Zijn volk en erfdeel nooit begeven;
Het oordeel keert, vol majesteit,
Haast weder tot gerechtigheid;
Al wie oprecht is van gemoed,
Die merkt het op en keurt het goed.
Dat heb ik in die tijd in ruime mate mogen ondervinden, nadat ik na zware omstandigheden de uitkomst mocht zien. Het was een tijdelijke beproeving, maar bracht me geestelijk in de nood, zodat ik geen weg en uitkomst meer zag, maar als een door schuldverslagene aan Zijn voeten terecht mocht komen met de bede: ‘Uit de diepten roep ik tot U, o Heere!’. Daar mocht ik met een oog des geloofs een blik slaan op den Heere Jezus, waar ik ingeleid werd in Efeze 4 vers 20 en 21 in deze woorden: ‘Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd; indien gij naar Hem gehoord hebt en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is.’ Ieder woord uit dat hoofdstuk van vers 17 tot het einde kreeg betekenis voor me. Ik voelde me als iemand die na een vermoeiende reis de toevlucht mocht nemen onder Zijn vleugelen. Wat een dierbaarheid, gepastheid en beminnelijkheid zag ik in die dierbare Borg, Die in Zijn gezegend lijden het kruis had verdragen en de schande veracht. O, wat ging mijn ziel dan naar Hem uit, wat een uitgangen voelde ik bij tijden en ogenblikken als het was of de belofte in mijn hart werd gelegd, dat Hij als de Zonne der gerechtigheid eens door al de nevels in mijn ziel zou doorbreken. Dat liet de Heere mij als door een wonder in de natuur zien. Het was in de maand februari, dat het drie weken aan één stuk dag voor dag ’s morgens zeer mistig was. ’s Middags klaarde het wat op en een uur of twee zag men dan af en toe de zon door een nevel tevoorschijn komen, waarop ik dan met nadruk werd gewezen en die belofte mijn hart vervulde. Ieder sprak erover dat dit nog nooit was voorgekomen. Ik durfde dit zomaar niet te geloven en vroeg als het ware om een teken of de Heere dat nu eens wilde bevestigen, en als het zo was, ja, dan kon ik het geloven, dat die belofte van Hem was. Enige dagen later ontmoette ik toevallig (?) een oude schipper, die tegenover me in de trein zat. Hij begon tegen me te praten en maakte me opmerkzaam op het weer van de laatste tijd en zei: ‘Het is toch wat, hè vrouw? Drie weken mist en dat dag aan dag’. Ik zei: ‘Ja dat is zeker wat’, en vroeg of hij dat wel eens meer had meegemaakt. Hij zei: ‘Nee, ik ben 74 jaar, heb altijd gevaren, maar dit heb ik heel mijn leven nog nooit meegemaakt’.
Als ik in die tijd wel eens luisterde naar de gesprekken, dan hoorde je nogal eens: ‘Wat is er toch weinig doorbrekend werk in onze dagen’. Dat greep me altijd erg aan, en dreef me uit naar de troon der genade, en smeekte de Heere of dat nog eens mocht gebeuren in mijn leven. Want hoewel ik nu wel iets van die vrede had leren kennen, menigmaal moest ik denken: waar zal het met mij nog op uitlopen. Zolang het gevoelige leven er was kon ik geloven, maar was dat er niet, dan kwam het ongeloof weer naar voren. Ik voelde wel dat met dit alles mijn schuld nog openstond. Ik voelde me soms als een weduwe, en dan werd ik wel eens bemoedigd als deze woorden bij me kwamen: ‘Die nu waarlijk weduwe is en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden dag en nacht’ (1 Timotheüs 5 vers 5) wordt of Psalm 130 vers 4:
Hoopt op den Heer’ gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot;
Hij maakt op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij!
O, het is nog niet zo’n slechte tijd als we de Heere zo mogen aanlopen als een waterstroom, want zo was het in die tijd. We voelen dan als het ware een dubbel gemis. Eerst zijn we God kwijt, maar dan missen we ook Christus. En als dan de duivel ons weer eens influistert: gij hebt geen heil bij God, dan is het weer een vluchten in onze binnenkamer, en dan mag het wel eens zijn met Psalm 72 vers 2:
De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vrolijk op doen dagen
Het heil hun toegezegd.
’t Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door Zijnen arm gerukt;
Hij zal nooddruftigen bevrijden;
Verbrijz’len, wie verdrukt.
Als er over het lijden van Christus gepreekt werd, dan was mijn ziel als een gewaterde hof vol van verlangen, o wist ik toch eens of het ook voor mij is geschied. Het was enige tijd later dat steeds de woorden in mijn hart kwamen: ‘De Heer’ zal opstaan tot den strijd’. Dit verontrustte mij, want dat duurde al enkele maanden en kwam gedurig terug. O, dan moest ik maar vragen: ‘Heere, wat hebt U daar toch mee te zeggen’. Dan was het soms weer: ‘Sion zal door recht verlost worden’. Het gebeurde ook dat ik erg bedroefd en moedeloos terneer zat, en deze regels mij bemoedigden uit Psalm 140 vers 12:
Ik weet, dat God, getrouw in ’t richten,
Des armen rechtszaak, daar hij schreit.
Hoe vals hem d’ ontrouw moog’ betichten,
Beslissen zal naar billijkheid.
Ook Psalm 37 vers 3:
Geen ijd’le zorg doe u van ’t heilspoor dwalen;
Houd in uw weg het oog op God gericht,
Vertrouw op Hem, en d’ uitkomst zal niet falen.
Hij zal welhaast uw recht, voor elks gezicht,
Doen dagen, als de morgenzonnestralen,
En blinken als het helder middaglicht.
Dit is in mijn leven bewaarheid, alleen uit louter genade, gelijk we lezen in Jesaja 48 vers 3, 4, 5 en 6: ‘De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen; omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is en uw voorhoofd koper; daarom heb ik het u van toen af verkondigd; eer dat het kwam, heb ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen. Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.’ O, de Heere is wonderlijk van raad, en groot van daad. Ook was het wel eens bij me: ’Wachter, wat is er van den nacht? Wachter, wat is er van de nacht? De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht’. (Tot zover haar eigen aantekeningen).
Haar overlijden
De donderdag voor haar overlijden in het ziekenhuis heeft ze in de nacht (4.13 uur) Goddelijk bezoek gehad, en toen werd haar medegedeeld dat ze de volgende zondag weer bezoek zou hebben. Om 19.30 uur was het zover. Haar oudste dochter Betje met haar man Wim, haar zoon Ko met zijn vrouw Rientje waren getuige er van, toen ze de laatste adem uitblies. Ko gaf Psalm 43 vers 4 op. Na de laatste regel samen gezongen te hebben:
Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de bron van vreugd;
Dan zal ik, juichend, stem en snaren
Ten roem van Zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt,
Mij eindeloos verheugt.
Haar predikant, ds. N. den Ouden (HHG Sint-Maartensdijk), was er ook bij toen we zongen. We hebben ook gezongen Psalm 116 en Psalm 42 vers 8. Zij prevelde (zong) ook nog mee.
Negen maanden later
In oktober 2017 was Ko op bezoek op de afdeling waar zijn moeder heeft gelegen. ‘Wat pratende met een oude vrouw van 97 jaar, die zei: ‘Ik zal niet lang meer leven’, zei ik: ‘Dat weten wij niet.’ Ik zei: ‘Mijn moeder mocht daar in die kamer op 4 december 2016 op één dag na 103 worden. Een zuster, die ik niet kende zei: ‘Was dat je moeder?’ Ik zei: ‘Ja’. Zij zei: ‘Dan moet ik u eens wat zeggen. Dit was een bijzonder mens. Zondagmorgen zou ik haar helpen. Ze zei: Zuster, dit is niet meer nodig. Ik ga vandaag naar huis. Ze had hemels bezoek gehad, een ‘lichtende gestalte’ gezien. De andere morgen kwam ik in een lege kamer. Daar moest ik toch even aan denken gisteren.’ Ik was verwonderd dit te mogen horen en dat na negen maanden.’
De begrafenis
Op vrijdag 9 december 2016 vond de rouwdienst plaats in de Maartenskerk te Sint-Maartensdijk. De plaatselijke predikant, ds. N. den Ouden, las Jesaja 40 vers 1 t/m 11. Hij stond stil bij: ‘De troost voor Gods volk’. Op de algemene begraafplaats te Sint-Maartensdijk las de dominee Romeinen 8 vers 31 t/m 39. De oudste zoon Ko bedankte namens de familie voor het meeleven. In de aula las de dominee Psalm 116 en sloot hij de rouwplechtigheid af met gebed.
Geraadpleegde literatuur en bronnen
Document van mevrouw L.K. van Gorsel-van Zetten waarin ze een gedeelte uit haar leven vertelt.
Artikel over Johanna van Zetten-Potappel (de moeder van mevr. L.K. van Gorsel-van Zetten) geplaatst in 2014 in Oude Paden, ook van de hand van J.W. Duvekot.
J.W. Duvekot en C.M. Kleppe, Gods trouwe zorg, de geschiedenis van 150 jaar Gereformeerde Gemeente Scherpenisse 1861-2011, Scherpenisse, 2011.
Mondelinge informatie van haar oudste zoon Ko van Gorsel over zijn moeder, verkregen op 8 februari 2018. Artikel uit de Eendrachtbode van december 2013, over haar honderdste verjaardag.
Mondelinge informatie verkregen bij al de bezoeken gebracht aan mevrouw Van Gorsel –van Zetten, door de schrijver van dit artikel. Het laatste bezoek was op 30 november 2016, vier dagen voor haar overlijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018
Oude Paden | 64 Pagina's