Rondom de kansel van Abbenbroek
Kerkendienaars en hun spreekplaatsen • Deel 59
‘Heel Nederland kwam ooit naar Abbenbroek’ kopte eens de krant. Het sloeg op de muziektent op de Ring die in 1929 gereed kwam en waarbij fanfareliefhebbers uit heel Nederland naar Abbenbroek kwamen om daar ‘De Kleine Trompetter’ te horen spelen, zoals de Abbenbroekse muziekvereniging heette. Het krantenkopje was mogelijk wat overdreven. Men kwam ooit wel uit alle oorden van Nederland naar Abbenbroek. We moeten dan terug naar de late Middeleeuwen.
De kerk te Abbenbroek werd gewijd aan de heilige Egidius. Het koor, het oudste gedeelte van de kerk, dateert uit ca.1300. In 1483 werd de kerk door de heer van Abbenbroek – die tevens burggraaf was van Montfoort – verheven tot kapittelkerk. Acht kanunniken lazen de gebeden aan evenzoveel altaren. De hoofdkanunnik was Jan van Coudenberghe. Hij liet een schilderij in de kerk plaatsen van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten. Het schilderij toonde Maria met het kind Jezus op de linkerarm. Maria draagt een sluier en heeft een bol of appel in haar rechterhand, terwijl Jezus een zegenend gebaar maakt. Onder het schilderij stonden de zeven smarten beschreven: de voorzegging van Simeon dat een zwaard het hart van Maria zal doorboren, de vlucht naar Egypte, het zoeken naar de twaalfjarige Jezus, de ontmoeting tussen Maria en Christus tijdens de kruisdraging, de kruisiging, de kruisafname en de graflegging. Het waren de zeven momenten van beproeving gedurende het leven van Maria. Op de verering van Maria en haar zeven smarten kwamen veel bedevaartgangers af. Er vonden volgens de overlevering veel wonderen plaats. In 1520 sprak men van maar liefst 48 ‘mirakelen’, zodat Abbenbroek een bedevaartsplaats werd waar men her en der uit het land heentrok. Met de komst van de Reformatie kwam daar een eind aan.
De invloed van de Reformatie vond op Voorne-Putten al in een tamelijk vroeg stadium plaats, met name in een drietal plaatsen rondom Abbenbroek, te weten Geervliet, Heenvliet en Zuidland. En niet te vergeten Den Briel, dat een belangrijke marktplaats was van de Abbenbroekse boeren. Vooral Heenvliet – met wie vier eeuwen later Abbenbroek als gemeente samenging – was van belang. Daar stond immers jarenlang Angelus Merula.
Jarenlang kon hij ongestoord de reformatorische beginselen aan de gemeente voorhouden. Totdat ketterjager Sonnius hem naar de gevangenpoort te Den Haag wist te transporteren. Boeren van Voorne-Putten zijn toen naar Den Haag getrokken om te protesteren tegen Merula’s gevangenneming. We mogen veronderstellen dat daar ook boeren uit Abbenbroek bij aanwezig waren. Merula kwam niet los, maar werd overgeplaatst naar een klooster te Leuven. Daar werd hij in 1557 veroordeeld tot de vuurdood. Die zou plaatsvinden in Mons (het Belgische Bergen waar ook de wieg gestaan heeft van Guido de Brès). Hij overleed echter aan een hartstilstand voordat het vonnis voltrokken werd. Zijn stoffelijk overschot werd op de plaats waar het vonnis voltrokken had moeten worden alsnog verbrand.
Nadat op 1 april 1572 de Geuzen Den Briel innamen, kwamen de kaarten anders te liggen. Kerken werden geplunderd, niet alleen in Den Briel, maar ook in de overige plaatsen op Voorne. De rooms-katholieke geestelijken moesten maken dat ze wegkwamen. Wie dat niet deed, ging een wrede dood tegemoet, zoals dat daadwerkelijk geschied is op 19 juli 1572, toen elf uit Gorcum afkomstige monniken en een achttal andere geestelijken – bekend geworden als de martelaren van Gorcum – werden opgehangen in een turfschuur in het Brielse gehucht Rugge.
Ontegenzeggelijk zijn de kerkelijke verwikkelingen in Den Briel, de hoofdstad van Voorne-Putten, in Abbenbroek niet onbekend geweest. Ongetwijfeld zijn ook de geestelijke beroeringen in Geervliet, Heenvliet en Zuidland van invloed geweest op het op enkele kilometers verder gelegen Abbenbroek, ook al missen we daartoe directe gegevens. De bezwaren tegen de rooms-katholieke leer zullen echter niet alleen van principiële aard zijn geweest, maar niet minder van praktische aard. Het kostenplaatje dat het roomskatholiek zijn meebracht, alsmede de problemen met het kerkelijk gezag, zal een rol hebben gespeeld. Toen in april 1573 door het Hof van Holland de uitoefening van de rooms-katholieke kerkdiensten werd verboden, werden op Voorne-Putten de pastoors ver-vangen door predikanten. Zoals blijkt uit het boek van de classis van Den Briel, die op 19 april 1574 voor de eerste keer vergaderde, waren er twee predikanten werkzaam te Abbenbroek: Florentius Gerardi, die tevens scriba was van de classis - hij was predikant in Zwartewaal en blijkbaar uitgeleend als predikant - en Hermanus Geldraeus.
Het kerkelijk leven ging in Abbenbroek moeizaam. Aanvankelijk had de gemeente nogal last van de wederdopers, die in Voorne-Putten tamelijk veel aanhang hadden. Everhardus Gualtheri Wittius, die in 1577 Geldraeus opvolgde, was een onverdacht rechtzinnige predikant. Voorheen diende hij in de Palz en hij kon ‘goede getuijchnisse’ overhandigen van Petrus Datheen. Twee jaar later vertrok hij naar Gouda zonder dat de classis dit had goedgekeurd, hetwelk destijds de gewoonte was. Zijn opvolger Matthias Pietersz Dijckman diende de gemeente van 1582 tot 1591. Helaas was hij geen voorbeeld voor de gemeente. Hij was, hoewel recht in de leer, onmogelijk in zijn gedrag. Hij maakte hevige ruzie met collega’s uit de classis en greep zelfs in een heftige woordenwisseling met een inwoner van Zuidland naar zijn mes. Naast zijn ambtelijke bediening hield hij zich bezig met het ‘collecteeren van de impost’, waarvoor hij op zijn vingers werd getikt. Predikant in combinatie met fiscus ging de classis echt te ver. Tevens keek hij geregeld te diep in het glaasje.
Dijckmans opvolger was Albert Selcart, die de gemeente diende van 1591 tot aan zijn vertrek naar Vianen in 1595. Hoewel hij voor zijn bevestiging de 37 artikelen ondertekende van de Nederlandse Geloofsbelijdenis ondertekende, ontwikkelde hij zich op den duur als een remonstrants predikant, met name in zijn laatste gemeente Zaltbommel.
Selcarts opvolger was in 1598 Gerhard Vinhemius. Over zijn werk is niets bekend. Wel weten we dat hij het volgende jaar naar het Friese Noordwolde vertrok en daar een jaar later werd afgezet.
Rutger Henrici van Onna hield het langer vol. Hij diende Abbenbroek van 1599 tot 1614. Het was op de classis destijds gewoon een preek te houden. Dat was op de Synode van Emden in 1571 al aanbevolen. Zo beoordeelden de predikanten elkaars preken om elkaar scherp te houden en ook met het oog op de zuiverheid van de leer. Ook Rutger van Onna kwam aan de beurt, op 23 april 1608. Hij kreeg als opdracht vraag en antwoord 100 van de Heidelbergse Catechismus te behandelen. We lezen dan in de notulen van de classis dat zijn ambtsbroeders wensten dat hij niet zo wijdlopig was geweest door het erbij slepen van ‘vele dingen die buyten propooste waren’ en de vraag en het antwoord zelf ‘wat beter verclaert ende bevesticht hadde’. Daarmee is echter nog niet gezegd of men in Abbenbroek zo ook oordeelde over de prediking van hun dominee.
Van Onna’s opvolger werd in 1614 Caspar Selcart, die oom moest zeggen tegen Albert Selcart, die twintig jaar eerder Abbenbroek diende. De heer van Abbenbroek drukte dit beroep door, maar de kerkenraad had er grote bezwaren tegen. Met name vanwege diens prediking. De kerkenraad stelde ‘dat syn gevoelen stryt tegen het gesonde gevoelen der kercke, daerin zy zyn opgevoet’. Drie dingen vielen hen bij die prediking op die in de classicale notulen als volgt verwoord zijn: ten 1n dat de mensche hem (zich) bekeeren can; ten 2n dat Godt de Heere soo veel doet in degene, die verloren gaen, als in degene, die salich worden; ten 3n als Godt aen de duere van een mensche cloept, het dan aen des menschen wille hangt open te doene ofte niet.’
Selcart bleek dus aangestoken door het remonstrantse virus van de vrije wil. De classis oordeelde anders, zodat de bevestiging doorging. Overigens gistte en broedde het binnen de classis vanwege de remonstrantie van 1610. Op 26 mei 1615 kwam het in de classis tot een breuk tussen de remonstranten en de contraremonstranten, waarbij Selcart aan de zijde der remonstranten stond en voortaan ook met hen vergaderde.
De ontevredenheid over Selcarts prediking bleef. Het is dan ook geen wonder dat er in Abbenbroek een ‘dolerende kerck’ ontstond. In ieder geval heeft ouderling Willem Claess daartoe behoord. Men kerkte in Heenvliet en Zuidland, waar contraremonstrantse predikanten stonden, en nodigde ook wel een dergelijke predikant uit in hun noodgemeente.
In 1618 werd Selcart afgezet, kort na de opening van de Dordtse Synode. Uit de elf bezwaren die tegen hem werden benoemd, lichten we de volgende uit. 3. Casparus nu in den dienst zynde, heeft gedreven dat de mensche heeft een vryere wille, ende dat de menschen door de goede wercken den hemel connen verdienen ende eygentlyc verdienen. Item dat de martelaeren van onsen tydt niet waeren gestorven om het gelooven maer omdat zij de superstitien des pausdoms niet en wilden toestaen.
8. Item dat hij heeft verclaert liever te willen gelooven datter geen God is dan datter eenen sulcken is als Joannes Calvinus, handelende in zijne Institutie van de predestinatie, beschrijft aengesien dat dien God een quade God soude zijn.
9. Item dat Joannes Calvinus met dat zijn scryven menige hadde bedrogen.
Dr. L.H. Wagenaar noemt in zijn boek Van strijd en overwinning Selcart ‘een vlijmend-sarcastische, overmoedig-eigenzinnige ijveraar’ en ‘een rationalist die van Gods verkiezing gruwde’.
Na de afzetting van Selcart mocht het kerkelijk leven zich ontwikkelen naar Schrift en belijdenis. Een opvallende naam daarbij is Samuel Canin, die van 1632 tot aan zijn overlijden in 1667 in Abbenbroek stond. Hij was een kleinzoon van de uit Vlaanderen gevluchte Dordtse drukker Jan Canin, die daar in 1573 ouderling werd. Van de drukpers van de familie Canin verschenen o.a. de Deux Aes Bijbel, het martelarenboek, de psalmberijming van Datheen alsmede de Acta van de Nationale Synode van Dordrecht. Jan Canin had drie zonen, genaamd Abraham, Isaac en Jacob. Isaac was de vader van de Abbenbroekse predikant.
Op 25 november 1708 werd David Grimes predikant, een achterneef van de bekende Rotterdamse predikant Franciscus Ridderus. Hij had in Utrecht en Leiden theologie gestudeerd. Hij zat aan de voeten van de godgeleerden Johannes à Marck en Salomon van Til. Bij zijn afstuderen in 1707 werd hij ‘Proponent met Lov’ genoemd. Hij deed intrede met de tekstwoorden van Jeremia 1:6 ‘Toen zeide ik: Ach Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong’. Op 13 december 1712 overleed hij op 28-jarige leef-tijd ten huize van zijn ouders aan de gevolgen van de ‘heete koorts’. Na zijn overlijden hield zijn ‘buurman’ Gerardus Haverkamp uit Heenvliet een lijkpredikatie naar aanleiding van Genesis 5:24: “Henoch dan wandelde met God en hij was niet meer, want God nam hem weg”. In die preek stond Haverkamp stil bij de laatste preek die Grimes twee maanden voor zijn dood in Abbenbroek had gehouden over 2 Timotheüs 4:6-8 ‘Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.’ Hij merkte op dat ‘hy se met sulke Ziels beroeringen en ernst gedaan had, als of het sijn Laatste soude zijn’.
Verder zei Haverkamp dat Grimes nooit naar de preekstoel ging voordat hij met gebogen knieën de Heere eerst om wijsheid had aangeroepen en ‘opdat hy andren predikende selv tog niet verwerplijk mogt bevonden werden. Sulk een Leeraar hebt gy hier aan Hem gehad, die veel tijds, als ’t Hem maar gebeuren mogt, van ’t preediken uyt dese Kerk ’t huys komende, de eensaamheid in thuyn of boomgaard koos, om dus de Waarheid, welke hy u voorgehouden had, nog nader aan sijn eigen hert te brengen, by hoedanige geleegenheid hy dan ook seer veel soete invloed der genade Gods in syne Ziel al dikwils heeft vernomen’. Ontroerend is wat we lezen over Grimes’ sterfbed: ‘Ende ver van dat Hij met het Lot syner bediening hier op sulk een klijn en Ongeleege plaats in andren opsigt, eenigsins sou ’t onvreen zijn geweest, nooyt immers heeft hy als sulk een, die het hier moe was, na verandering gestaan, of ooijt sijn gaaven elders ter Verplaatsinge gaan ventten. Ja! Hoort Lastersieke Agterklappert, wie en so gy alhier zijt, hoort toe, ’t geen ik tot uw verstomminge zal zeggen: Want de Overleedene vroeg op zijn Stervbed in der Vrienden tegenwoordigheid synen heer Vader af, of die wel wist, waarom hy nooyt, hoe sterk daartoe door andre geport, nooyt egter had getragt op Vacatuures of in Groote Steeden te gaan Prediken? en voegde daar voor reeden by, Mijn Abbenbroekje, Vader dat is my genoeg, voorts hang ik suyver van Gods Providentie alleen af, of so men my eens elders ooyt beriep, dan met een blank gemoed betuyginge te kunnen doen, van dat ik derwaarts niet geloopen, maar van God selv was geroepen.’
‘Nimmer had ik met de waereld seer veel op; wanneer ik by occasie daar in eens betrokken ben geweest, was er voor my geen blyder uur, dan dat ik my na mijn Studeerkamer weer begav, om my voor Gods genade Throon te buygen. Sondig ben ik van natuure en mijn dagelijkse Struykelingen heb ik veele, maar, na dat ik sonde heb gekend, heb ik se nooyt myns weetens met vermaak, en als ik se uyt swakheid heb gedaan, aanstonds myn toevlugt tot het bloed van Jesus in boetvaerdigheid genoomen’.
Een dag voor zijn dood zei hij: ‘k Heb geen redenen van mijn verzoende staat met God om mijns Heilands bloedig lijden en sterven te verdenken’. Toen zijn vader hem kort voor zijn sterven vroeg waar de reis heen was, antwoordde David: ‘Naar de hemel, vader, of zo het God behaagt, dat ik hier langer leef naar zulk een plaats op aarde, daar ik Hem het meest kan verheerlijken.’ Toen zijn vader na enige tijd vroeg hoe het was, antwoordde David: Zeer wel, mijn verlossing is nabij, ik wacht mijn Bruidegom’. Een kwartier later ontsliep hij.
Van Grimes’ opvolger Theodorus van den Houte is bekend dat hij ‘op ‘t versoek van eenige leergierige lede-maten’ in de winteravonden in het midden van de week bijbellezingen hield in de kerk. Ook hield hij ernstige boetepreken tegen de jaarlijkse kermis die in september in Abbenbroek werd gehouden.
Onder de bediening van Johannes Hoogstad, die de gemeente diende van 1771 tot 1782, werd een opmerkelijk besluit genomen rondom de bediening van het Heilig Avondmaal. Het brood zou niet meer persoonlijk door de predikant aan de avondmaalgangers gegeven worden, maar rondgaan op schotels. Reden tot dat besluit was: ‘tot hier toe was hier in gebruik, dat de Predikant aan elk communiceerend Lidt het brood toereikte, t welk voor den Predikant zeer lastig viel, en veroorzaakte dat er bij de uitdeelinge van het brood wel eens abuijs begaan wierd met deezen of geenen af te slaan’. In zijn volgende gemeente Bergschenhoek werd hij in 1796 enige tijd op non-actief gezet omdat hij als echte Oranjeklant had gebeden voor de prins van Oranje, die het land had moeten verlaten toen de Bataafse republiek was uitgeroepen.
We hebben de indruk dat na zijn vertrek de prediking in Abbenbroek steeds meer onder invloed van de Verlichting kwam te staan. Na het overlijden van Jan van der Zandt, die van 1782 tot 1783 in Abbenbroek stond, werd in de Deventer Courant – Deventer was zijn laatste gemeente – opgemerkt: “Hij was geacht en bemind om de zorgvuldigheid en de ijver, waarmee hij zijn pligten waarnam, om zijn minzame omgang, de echt liberale verdraagzaamheid, die aan zijn ernstig geloof altijd gepaard ging.’
Onder Johannes la Verge, die ruim een halve eeuw, van 1805 tot 1862, in Abbenbroek stond, scheidden enkele gemeenteleden zich af. Dat was in 1839. Zij kerkten ‘s zondags in een afgescheiden gemeente te Hellevoetsluis.
Met de komst van Herman Pieter Schim van der Loeff in 1862 ontwikkelde de prediking zich in Abbenbroek nog veel meer in de richting van het moder-nisme. Later werd hij zelfs remonstrants predikant. Hij was ook de dichtkunst machtig. Heel wat poëzie verscheen van zijn hand. Zo schreef hij in dichtvorm een toneelstuk over de Rattenvanger van Hameln. Hij schreef en vertaalde ook wel geestelijke liederen. Een daarvan is de vertaling van het bekende ‘Abide with me’ van H.F. Lyte: ‘Blijf bij mij Heer’, want d’ avond is nabij’.
Tijdens zijn ambtsbediening hielden de Afgescheidenen diensten in een vlasschuur. Dr. J.C. Rullmann vertelt in zijn boek De Doleantie over de gewezen timmerman Willem de Jong (1826-1900) daarover het volgende: ‘In een vlasschuur te Abbenbroek was zijn spreekgestoelte een groot vat met de bodem boven, en van wat latwerk voorzien om de spreker voor vallen te bewaren. De verlichting werd aangebracht door lantaarns met hoornen platen. En het vlas gaf de hoorders gelegenheid om er in te liggen, in plaats van te kunnen zitten’.
Met de komst in 1865 van Willem Christiaan van Manen – die later hoogleraar werd in Leiden – kreeg het modern-theologische klimaat nog meer handen en voeten. Hij werd geteld onder de zogenaamde Hollandse Radicalen. Radicaal niet in het preken van de noodzaak van geloof en bekering, maar in de zin van het kritisch onderzoek van de Heilige Schrift. Met name in de stelling dat de brieven van Paulus niet echt van Paulus’ hand waren. Ds. Van Manen was derhalve een uiterst modern predikant. In zijn proefschrift over de eerste brief aan de Thessalonicenzen poneerde hij de stelling dat het feit dat de Heere Jezus zondeloos was niet voor bewijs vatbaar was.
Tegen Pasen 1866 had hij samen met zijn collegae A.C. Duker (auteur van een meesterlijke biografie over Gisbertus Voetius) te Geervliet en J. van Loenen Martinet (schoonzoon van J.H. Gunning sr.) te Heenvliet afgesproken op die feestdag ‘aan hunne gemeenten eerlijk mede te deelen, hoe zij over de lichamelijke opstanding dachten’. Ze volgden daarin de gebroeders Hugenholtz te Hoenderloo en Amsterdam, die een paar jaar eerder reeds verklaarden de lichamelijke opstanding niet als historisch feit te beschouwen. Voor het geloofsleven was die volgens hen van geen enkele betekenis.
Van Manens opvolger Jan Wolter Lieftinck, die in 1870 de herdersstaf opnam, deed niet voor hem on-der hoewel hij intrede deed met 1 Korinthe 3:11: ‘Want niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus’. In de Abbenbroekse pastorie schreef hij een dissertatie, getiteld Anthropologische Grondbeginselen van Jezus naar de Synoptische Evangeliën. In het voorwoord daarvan dankte hij de Groningse professor Muurling voor de ‘heldere en waarachtige vrijzinnige denkbeelden, die gij uw leerlingen placht in te prenten’.
Lieftincks opvolger, Gerrit Cornelis Steijnis, ging op hetzelfde voetspoor voor. Hij poneerde in zijn dissertatie over De verhouding van de wetgeving bij Ezechiel tot die in de Pentateuch de volgende stellingen: XIV: Een Protestantsch kerkgenootschap, dat zijne confessie als onschendbaar en onveranderlijk statuut aanmerkt, verloochent zijn Protestantsch karakter; XV: De leer der predestinatie is eene minder gelukkig geslaagde poging om het gevoel van afhankelijkheid te formuleeren. Terzijdestelling van dien leervorm behoeft het afhankelijkheidsbewustzijn niet te schaden en geeft aan het zedelijk leven hooger betekenis’. Veelzeggend is ook dat hij in 1874 te Abbenbroek bevestigd werd door ds. F. Haverschmidt uit Schiedam, beter bekend als de dichter Piet Paaltjes, die zichzelf ophing aan een koord in de bedstee. In latere dagen ging ds. Steij nis over naar de Evangelisch-Lutherse kerk.
Petrus Adrianus Riedel, die van 1877 tot 1878 in Abbenbroek stond, ging op hetzelfde stramien door. In zijn proefschrift getiteld De zedeleer van den brief van Jacobus, vergeleken met de zedeleer van Jezus. Enkele stellingen onderstrepen zijn moderne inzichten: Stelling 1: De zedenleer van Jezus, zoals wij die uit de synoptische evangeliën kunnen opmaken, verschilt in menig opzicht van de zedenleer die wij in de brieven van Paulus en Jakobus en in de Apocalypse aantreffen; 5: Hetgeen de Handelingen der apostelen aangaande Paulus berichten, kan niet onbepaald voor historisch waarschijnlijk gelden; 12: Door Romeinen 5:12 wordt de kerkelijke leer van de erfzonde niet bevestigd.
Ook Willem Anthonie van der Scheer volgde het moderne spoor, getuige het feit dat hij in 1881 aan de gemeente werd verbonden na bevestigd te zijn door Abbenbroeks oud-predikant W.C. van Manen. Inmiddels nam het kerkbezoek af, alsmede de bereidwilligheid om financiële offers te brengen. Opmerkelijk is dat op zondag 6 mei 1884 er geen kerk was omdat ds. Van der Scheer aanwezig wilde zijn bij het afscheid van zijn collega te Simonshaven. Dit werd nota bene met algemene stemmen besloten… Een jaar na de komst van ds. Van der Scheer kwam evangelist Jean George Looman (1821-1889) naar Abbenbroek als oefenaar voor de afgescheiden gemeente die inmiddels geïnstitueerd was.
Enkele jaren geleden schreef de heer W. Kolijn een prachtig boek over de Schotse puritein Thomas Hogg. Zijn nageslacht verhuisde naar Nederland. De naam Hogg veranderde op den duur in Hoog. Een van zijn nakomelingen was dr. Isaac Marius Jacob Hoog. Hoewel het onderwerp van zijn promotieonderzoek over ‘De martelaren der hervorming in Nederland tot 1566’ dit suggereert, ging hij niet in het spoor van zijn voorgeslacht. Wat te denken van de stelling: ‘Het geloof aan de realiteit van Jezus’ opstanding kan geen grond zijn van des christens hoop op persoonlijke onsterfelijkheid.’ Deze predikant stond in Abbenbroek van 1885 tot 1887. Hij was vele jaren secretaris van de Nederlandse Protestantenbond.
De vrijzinnige prediking continueerde met Hoogs opvolger Marius Cornelis Muller (1889-1892). Een maand na diens vertrek werd op 6 oktober 1892 de Gereformeerde Kerk te Abbenbroek geïnstitueerd. Inmiddels was een eigen kerkgebouw verrezen aan de Gemeenlandsedijk Zuid. Boven de ingang werd een steen aangebracht met de volgende tekst: Van den opgang der sonne af tot haren nedergangh zij de naam des Heeren geloofd.
Anno 1892
In 1977 werd de kerk gesloten omdat de Gereformeerde Kerk samen ging werken met Zwartewaal. Met Wyger Hellema (1893-1902) kwam er geen verandering in de ingeslagen kerkelijk weg. Toen er op de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk stemmen opgingen om de kerk te bewaren bij de belijdenis, noemde hij op een kerkenraadsvergadering in 1898 het grote belang van de ‘evangelische visie tegenover het drijven van het confessionalisme in onze kerk’.
Nadat Hellema met emeritaat was gegaan, werden door de kerkenraad inlichtingen ingewonnen bij professor T. Cannegieter te Utrecht. Hem werd gevraagd of hij vrijzinnige kandidaten wist die voor een beroep naar Abbenbroek in aanmerking konden komen. Uiteindelijk werd Michiel Cornelius Broekman beroepen. Hij nam dat beroep in 1904 aan. Reeds op de eerste kerkenraadsvergadering wees hij de kerkenraad op het belang van de pas opgerichte ‘vereeniging van vrijzinnig hervormden in de provincie Zuid Holland ter verdediging en bescherming der vrijzinnige beginselen binnen de Ned. Herv. kerk’. Een jaar later ging hij met emeritaat. In later jaren werd hij hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad.
Hendrik Gerrit van Wijngaarden werd in 1906 zijn opvolger. Hij werd bevestigd door de vrijzinnige prof. dr. B.D. Eerdmans. Hij spoorde de kerkenraadsleden voortdurend aan om hem te steunen in pogingen om het vrijzinnig godsdienstig leven te versterken. Hij is later in Amsterdam predikant geworden van de Vrije gemeente, waarvan de uiterst vrijzinnige ds. P.H. Hugenholtz de stichter was.
De predikanten W. Korevaar, G.L.F.W.B.H.F.K. de Voogd van der Straaten, J.W. Roobol en C. van Nieuwenhuyzen, die achtereenvolgens van 1910 tot 1918 voor korte tijd predikant waren in Abbenbroek, speelden allen op dezelfde vrijzinnige viool. Ds. François Petrus Jacobus Wanrooy, die van 1921 tot 1927 predikant was in Abbenbroek, kreeg kritiek van de kerkenraad. Ze vonden hem te links-vrijzinnig. Het kerkbezoek daalde zeer. Zijn antimilitaristische uitspraken vanaf de kansel schoten bij velen blijkbaar in het verkeerde keelgat. Uiteindelijk legde hij zijn ambt neer.
Vanwege het teruglopend aantal kerkgangers en de netelige financiële situatie ging Abbenbroek in 1948 samen met de buurgemeente Heenvliet. Predikant werd Nicolaas van der Veen, de latere oprichter van de PSP. Hij werd dan ook wel ‘de rooie dominee’ genoemd. Tijdens zijn studie theologie zette hij zich in voor het verbergen van Jodenkinderen in de Tweede Wereldoorlog. Zodoende kwam hij in aanraking met de ‘Sicherheitspolizei’ en belandde in de gevangenis te ’s-Hertogenbosch.
Indrukwekkend is juist daarom zijn pleidooi op de kerkenraadsvergadering van 6 januari 1949 te Abbenbroek om financiële ondersteuning voor een politiek delinquent. Het ging daarbij om D. Langereis, de gewezen NSB-burgemeester van Abbenbroek. We lezen dan in de notulen: ‘Geen der leden blijkt het hiermede eens. Men meent dat wanneer tot ondersteuning zou worden overgegaan, de halve gemeente zou wegblijven (…) en dat dezelve persoon wel werk zal kunnen vinden, eventueel landarbeid.’ Twee kerkenraadsleden merkten op dat ze wanneer de man ondersteund zou worden zij zouden aftreden als diaken en ouderling. ‘De voorzitter (ds. Van der Veen) meent dat hier de wet van Christus geldt, zoals uitgedrukt in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. ’Van der Veen, die Abbenbroek en Heenvliet diende van 1948 tot 1952, probeerde ook leden te winnen voor de VPRO.
Abbenbroek was een van de eerste gemeenten waar in 1958 een vrouwelijke ouderling in het ambt werd bevestigd.
Tijdens de periode dat Kornelis Adriaan Bot predikant was, kwam in 1964 Kees den Boer uit Pernis met zijn gezin in Abbenbroek wonen. In Pernis was hij een confessionele prediking gewend. De ligging van Abbenbroek was echter geheel anders. De eerste zondag dat hij er kerkte, waren er naast de predikant en de kerkenraad zeven kerkgangers. De diensten werden niet vanaf de kansel, maar van achter de tafel geleid. Op de tafel stond een kruis met daaronder een antependium met de kleuren die bij het kerkelijk jaar behoorden. Tevens een mooie bos bloemen en brandende kaarsen. Ook waren er vrouwelijke ambtsdragers, die – overigens keurig gekleed in een donkergrijs mantelpakje – voorin hun plaats innamen. Met vijftig minuten was de kerkdienst ten einde. Kees voelde zich wat onwennig, maar echt besef van de waarheid had hij in die tijd nog niet. Wel begreep hij met zijn verstand dat heel veel wat er in Abbenbroek kerkelijk gebeurde vanuit Bijbels oogpunt niet was zoals het behoorde te zijn. Desondanks zat hij een jaar later als ouderling in de kerkenraad. Dat was niet voor lange tijd, want vanwege zijn werkzaamheden trok hij voor enige jaren naar Frankrijk. In die tijd kreeg de gemeente een nieuwe predikant in de persoon van Albinus van den Ban. Bij terugkomst uit Frankrijk merkte Kees op dat de nieuwe psalmberijming was ingevoerd. Kees kon zijn oude vertrouwde psalmen niet meer zingen. Dit ging hem zeer aan het hart. Het was als het ware een schokeffect. Naast Kees den Boer was er ondertussen ook een nieuw gezicht gekomen in de kerkenraad in de persoon van Henk Mostert. Hij was afkomstig uit de Gereformeerde Kerk te Vlaardingen en had met alle vernieuwingen die doorgevoerd werden ook de vernielingen die dat voor de kerk inhield aan den lijve meegemaakt. Kritisch volgden zij de prediking en het kerkelijk leven te Abbenbroek. Zonder de gemeente ontrouw te worden.
Op de laatste gemeenteavond die ds. Van den Ban in januari 1975 voor zijn vertrek naar Wyckel en Sloten leidde, wilde hij het zojuist nieuw uitgekomen Liedboek der Kerken introduceren. Met dat hij het rode boek uit zijn tas wilde halen, riep Den Boer hem toe: ‘Terug dat boek!’ Het boek verdween in de tas en werd nooit in gebruik genomen in Abbenbroek.
De financiële situatie van de kerkelijke gemeente was zeer slecht. Bij zijn afscheid stelde Van den Ban voor om van de kerk maar een dorpshuis te maken terwijl de Hervormde gemeente dan het recht behield er de zondagse kerkdiensten te houden. Zo ver is het niet gekomen. Inmiddels hadden de broeders Den Boer en Mostert een onderhoud aangevraagd met de ds. W.L. Tukker en ir. L. van der Waal, bestuursleden van de Gereformeerde Bond, om te spreken over mogelijke financiële ondersteuning vanwege de netelige situatie waarin de gemeente zich bevond. Daarbij gaven ze ook aan de gemeente te willen koersen in de weg van Schrift en belijdenis. Dit werd hun niet in dank afgenomen, toen de kerkvoogdij een fors bedrag aantrof op hun rekening. Geld afkomstig van een bond die zich inzette voor verbreiding van de waarheid in de Nederlandse Hervormde Kerk, dat was als het ware vloeken in de kerk…
Inmiddels ging van tijd tot tijd dr. W.S. Hugo van Dalen uit Rockanje voor als ringpredikant. Hij werd benoemd tot hulpprediker van Abbenbroek. Van Dalen had een onstuimige ontwikkeling doorgemaakt. Als gereformeerd predikant begonnen, ging hij over naar de Nederlandse Hervormde Kerk. Inmiddels was hij overtuigd communist. Hij kreeg zelfs een eredoctoraat van de theologische academie van Moskou. Hij werd rooms-katholiek maar keerde weer terug naar de Nederlandse Hervormde Kerk en schaarde zich bij de confessionele vereniging. Als zodanig werd hij in Rockanje beroepen om de klein geworden vrijzinnige gemeente met de confessionele evangelisatie aldaar te gaan bearbeiden. Hij sloot zich in 1974 aan bij de Gereformeerde Bond. Toen hij in 1975 hulpprediker werd te Abbenbroek, besloot hij daarom te stoppen met het opgeven van gezangen. Ook werden er tweede diensten ingevoerd, waarin met name predikanten van Flakkee voorgingen. De kaarsen bleven uit, de vrouwelijke ambtsdragers vertrokken, de oude berijming kwam terug en er werd weer uit de Heidelbergse Catechismus gepreekt. Met name toen de heer J. Verdijk de gemeente diende als bijstand in het pastoraat gedurende 1977 tot 1980. Een en ander wekte vervreemding bij de autochtone Abbenbroekers. Abbenbroek werd een streekgemeente. Tijdens de ambtsbediening van ds. D.A. Snijder (1980-1990) verdween ook zelfs het ene gezang dat men voor de dienst placht te zingen. Ook de bloemengroet alsmede de kerstboom gingen op den duur verdwijnen. Nadat Snijder naar Oud-Vossemeer vertrok, kwam in 1991 ds. K.J. Visser in Abbenbroek. Na diens vertrek in 1993 heeft geruime tijd kandidaat J. den Boer (inmiddels hersteld hervormd emerituspredikant) pastoraal werk gedaan. Tijdens de periode dat ds. J. Koppelaar de gemeente diende -1995 tot 2013- is in 2004 bij de vorming van de PKN de gehele gemeente overgegaan naar de Hersteld Hervormde Kerk. Bij de ontvlechting van het ledenbestand had men geen last van de vrijzinnige Abbenbroekers. Zij moesten niets hebben van de PKN omdat de gereformeerden daarin participeerden. Gereformeerd stond voor hen gelijk met orthodox… en dat wilden ze zeker niet. Kerk en goederen zijn derhalve eigendom geworden van de Hersteld Hervormde Gemeente die na het vertrek van ds. Koppelaar gediend werd door ds. A.A.F. van de Weg. In oktober 2018 is hij naar Apeldoorn vertrokken.
Men komt niet meer uit het hele land naar de kerk van Abbenbroek ter bedevaart, maar voor de wijde omgeving is het nog steeds een kerkelijke oase te midden van de vrijzinnigheid op het eiland dat vroeger om die reden wel genoemd werd ‘het eiland zonder Heiland’.
Er is over de geschiedenis van de kerk te Abbenbroek nog veel meer te vertellen. In D.V. 2019 zal er een boek van mijn hand verschijnen getiteld Abbenbroek, een oase op Voorne-Putten. In dat boek zullen nog veel meer interessante en wetenswaardige gebeurtenissen aan de orde komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018
Oude Paden | 64 Pagina's