Ds. Houtzagers, heer van Kootwijk
Net buiten de dorpskom van het Veluwse Kootwijk – tussen heidevelden en zandverstuivingen – staat heel parmantig het ‘Kerkje op de heuvel’. De bakstenen zaalkerk, met de korte gedrongen toren, staat er al honderd jaar onder de bomen, als een baken in de tijd. Hier preekte ds. J.H. Houtzagers. Met hem begon de Doleantie op de Veluwe.
Het kerkje op de heuvel is de oudste doleantiekerk van Nederland. In 1886 besloot de kerkenraad van de hervormde gemeente van Kootwijk mee te gaan met de Doleantie (de kerkscheuring die in dat jaar onder leiding van Abraham Kuyper op gang kwam). Men had na het vertrek van de laatste predikant, ds. Pieter Nicolaas Pikaar (hij had maar twee jaar in Kootwijk gestaan), al 34 beroepen uitgebracht, maar tevergeefs. Het ene bedankje volgde op het andere. De beroepen predikanten of proponenten kwamen niet eens ‘kijken’.
Een oordeel Gods
De predikantennood in het hele land was schreiend, het aantal vacante gemeenten was groot. Het was een droeve toestand en ‘een oordeel Gods over de kerken’. Een van ‘de meest verwaarloosde gemeenten’ was Cote-Vick ofwel Kootwijk. Geen dominee die daarheen wilde. Het dorp was vacant en was vacant gebleven, al meer dan zestien jaar lang. Kootwijk was wel schoon omgeven door het groen van ongerepte bossen en de akkers van de eng, maar het dorp bleef arm, afgelegen en onaanzienlijk. De wereld ging goeddeels aan Kootwijk voorbij. Je hoorde er weinig anders dan het koeren van tortels en het kakelen van kippen. En je zag er niet veel meer dan de stammen van berken-, sparren- en dennenbomen. Van enig vertier hadden ze in Kootwijk nog nooit gehoord. Het was maar ‘een gering dorp, te midden op de rugge der Veluwe, op een schralen grond gelegen’.
Ds. G. Vlug van Nijkerk zou eens in Kootwijk een beurtje vervullen, maar de godsdienstoefening is nooit gehouden. Onderweg naar het heidedorp verdwaalde de dominee. Hij was op een dwaalspoor geraakt en is nimmer in Kootwijk aangekomen.
Het hoofd van de Openbare School in Kootwijk zou eens een voetreis maken naar Nijkerk. Ook hij raakte verdwaald, doolde vier uur rond, maar hoorde opeens hanengekraai. Dáár moest dus een woning wezen! Bij aankomst bleek hij zijn eigen haan te hebben gehoord. Na al die uren ronddolen was hij nog steeds in Kootwijk, bij zijn eigen huis.
Het heidedorp Kootwijk had natuurlijk geen burgemeester, geen notaris, geen dokter, en nu ook al zo lang geen dominee. Er gingen wel predikanten uit de omliggende gemeenten voor. En er kwam weleens een oefenaar om een stichtelijk woord te spreken, of een godsdienstonderwijzer van elders, maar de keuterboertjes en schapenhoeders van Kootwijk hadden geen eigen herder en leraar, terwijl dat ‘naar de ordeninge Christi’ wel zo zou moeten zijn. De levende bediening des Woords was toch ingesteld ‘om de zielen te troosten, de ongeregelden te vermanen en den dienst des Heeren in alle godvruchtigheid in stand te houden’. En dat was ook in Kootwijk hard nodig.
Een kandidaat van de VU
Een Veluwenaar kijkt graag eens de kat uit de boom, maar in Kootwijk had dat nu wel lang genoeg geduurd. ‘De Kerke Gods’ te Kootwijk dreigde te vervallen ‘en ten onder te raken’. Het was ‘een schreiende toestand’. De broeders kerkenraad zouden het nu eens over een andere boeg gooien, in het uitzien ‘of het den Koning der Kerke ook believen mocht langs een anderen weg dan den gewone, hun een Bedienaar des Woords te zenden’.
Het 35 ste beroep ging na rijp beraad en onder biddend opzien naar de eerwaarde heer Jan Hendrikus Houtzagers, ‘candidaat in de H. Godgeleerdheid’. Houtzagers woonde in Ede en was de eerste afgestudeerde theologiestudent van de kortgeleden opgerichte Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. Het leek een wanhopig beroep. Een hervormd beroep op een kandidaat van de VU, dat moest wel tot groot conflict met de kerkelijke besturen leiden, want de hervormden erkenden de opleiding aan de ‘vrije’ universiteit niet. Maar het gehucht Kootwijk dacht: We zullen zien! Eventuele problemen wilde men wel op de koop toe nemen. Als men eerst maar weer eens een dominee had.
Houtzagers ging op zondag 11 november 1884 voor het eerst in Kootwijk voor. Het was wel een ongewone reis. Dat had hij al gauw gezien. Aan de halte Stroe stond een boer met zijn huifkar gereed om de kandidaat af te halen en door de stille heide verder naar Kootwijk te rijden.
Houtzagers preekte die zondagmorgen over: ‘Israël hope op den Heere: want bij den Heere is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.’ In de eerste gedachte legde hij het verband van deze woorden uit, daarna wees hij op het doel dat de psalmist had met dit lied uit de diepte, en ten slotte bepaalde hij zijn hoorders bij de kracht waarmee het Woord van God in mensenharten werken kan.
En zie, die preek over Psalm 130:7 en 8 van ‘den jonge heer Houtzagers’ viel in goede aarde. Hij had de volle raad Gods verkondigd en de gemeente ‘zuiverlijk uit den Woorde Gods gesticht en vertroost’. Eind januari 1885 kwam hij opnieuw een hele zondag. En daarna nam hij het beroep uit Kootwijk aan, zij het niet dan ‘na ernstigen strijd en veel gebed’. Kootwijk moest echter wel vaart maken met zijn bevestiging en intrede. Het hervormd classicaal bestuur van Harderwijk zou dat best weleens willen voorkomen.
Op zondag 7 februari 1886 werd kandidaat Houtzagers in Kootwijk bevestigd. Dat was na zoveel vruchteloze beroepen vanzelf wel een heuglijk feit, maar de kerkenraad had er wijselijk maar geen ruchtbaarheid aan gegeven.
De Zettense predikant ds. F.P.L.C. van Lingen (in de volksmond bekend als ‘IJzeren Frits’) was wel bereid de kandidaat in het ambt van predikant te bevestigen. De zaterdagavond ervoor bleek het Kootwijkse geheim tot schrik van het halve dorp echter uitgelekt. Afgevaardigden van de classis hadden al lucht van ‘al deze rebellie’ gekregen. Ze zouden op zondagmorgen de trein en daarna de koets nemen en zodoende proberen vroegtijdig in Kootwijk te komen. De bevestiging van Houtzagers -een leerling van Kuyper!- moest hoe dan ook verhinderd worden. Er gingen al geruchten dat er ook brigadiers en soldaten onderweg zouden zijn!
Een vroege dienst
Die zondagochtend was het in het stille Kootwijk al vroeg een drukte van belang. Zelfs twintig medestudenten van de VU hadden Kootwijk weten te vinden (waaronder ook H.H. Kuyper, een zoon van Abraham Kuyper, in ouderwetse predikantskleding: steek, bef, kniebroek).
De kerkdienst bleek opeens vervroegd. Niet om 10 uur zou de eerste psalm worden aangeheven, maar ‘des morgens om 9 uur’. De koster was de enige die nog wat sputterde, maar hij liet zich ompraten door de zoon van dr. Kuyper en opende de deur.
Het kerkje telde slechts honderd zitplaatsen. Het puilde rond half negen al uit van de mensen. Ds. Van Lingen beklom voor de zekerheid nog maar eens een kwartier vroeger de preekstoel. De broeders hadden afgesproken eerst maar met de bevestiging van Houtzagers ‘voort te varen’, nog vóór de preek dus. Als de afgevaardigden van de classis toch zouden komen opdraven, was dát in elk geval maar achter de rug. Rond 9 uur in de ochtend werd het bevestigingsformulier gelezen. Daarna beantwoordde de kandidaat vrijmoedig de aan hem gestelde vragen, waarna hij neerknielde op de knielbank en plaatsnam onder de geopende Bijbel. Ds. Van Lingen sprak de zegen over hem uit en de gemeente zong ontroerd de zegenbede uit Psalm 134:3: ‘Dat ’s Heeren zegen op u daal’…’
Ondertussen haastten de broeders-afgevaardigden van de classis zich per rijtuig over de Veluwse zandverstuivingen. Ze zouden daar hun kerkelijke plicht gaan doen.
Bij de kerk in Kootwijk bleek de hoofdingang echter gesloten. Vier politieagenten verschaften zich daarop ‘met zwaarden en stokken’ via de toreningang toegang tot het kerkgebouw. Binnen bleek ds. Van Lingen al ruimschoots aan zijn preek bezig te zijn. Hij sprak een treffende leerrede uit over slechts vier woorden uit Jeremia 17:16: ‘Een herder achter u.’ De bevestiging van Houtzagers was al achter de rug. Voor ingrijpen was het te laat.
De geschiedenis verhaalt: ‘Een paar opgeschoten jongens, bengels waren het, namen hen (de classisafgevaardigden) tussen zich in en van verschillende kanten werden ze in het gedrang gebracht, zodat ze blijde waren eenmaal buiten het kerkgebouw te zijn.’ In de middagdienst, om 13.00 uur, sprakds. Houtzagers ‘een intreerede’ uit over 1 Korinthe 3:7: ‘Zo is dan noch hij die plant iets, noch hij die natmaakt, maar God Die den wasdom geeft.’
In een slottoespraak tot de gemeente zei ds. Houtzagers: ‘En nu, Gemeente, mijn eerste woord heb ik gesproken. Mijn dienstwerk heb ik in uw midden mogen aanvaarden. Met liefde, om Christus’ wil, heb ik mij aan U, mijn Gemeente, verbonden. Ontvang mij, kan het zijn, met zachtmoedigheid, met liefde. Geve God, dat mijn arbeid onder u niet al zuchtende zij. Zij het u een behoefte ons, mijn geliefden aanstaande echtgenote en mij, veel te brengen voor den troon Gods. Ons is zoo zeer van node het gebed, en wij weten het: het gebed van den rechtvaardige vermag veel. Ja, rechtvaardigen, zij worden ook in uw midden gevonden.’
De broeders geschorst
Toch grepen de hervormde kerkbestuurders in. Ze schorsten de kerkenraad, waarop de Kootwijkse broeders besloten om die schorsing niet te erkennen en het hervormde ‘juk’ af te werpen. Alle gemeenteleden stemden er eenparig mee in. Geen Kootwijker die onder de kerkelijke scheiding leek te lijden. De predikant van het tien kilometer verderop gelegen Voorthuizen, dr. mr. Willem van den Bergh, reageerde met: ‘Zo’n afsnijdingsbul mist de ondertekening van Jezus Christus.’
Maar wat, zo vroeg Abraham Kuyper (de voorman van de Doleantie) zich af, wat had het kleine, hulpeloze Kootwijk dan ánders moeten doen? ‘En wat ter wereld heeft men er nu toch aan om dit kleine hoopje menschen op de Veluwe, van wie nooit iemand last had, nu opeens met allerlei dwangmaatregelen te lijf willen gaan. (..) Het is zulk een onverstand, zulk een dwaselijk onrust wekkend, om nu op zulk een kleine kerk eens met al zijn Synodale macht met gewapende lieden er bij, te willen neerkomen. O, het zal in de historie onzer kerken zulk een droeve bladzijde vormen. Waarom nu toch die eenvoudige rustige lieden van Kootwijk niet stil laten begaan?’ (Kerkelijk weekblad De Heraut, 14 februari 1886).
De kerkenraad van Voorthuizen (daar ging men ook ‘in doleantie’) schreef aan de broeders uit Kootwijk ‘dat zij in de zaak van Christus niet alleen in Hem gelooven, maar ook voor Hem lijden mogen’. Uit Houwerzijl en Zoutkamp kwamen nog meer bemoedigende berichten: ‘Wij kunnen niet nalaten onze sympathie mee te deelen over de groote daden, welke gij in de kracht uws Gods gedaan hebt. Gij hebt in waarheid en metterdaad getoond, dat God de Heere uw Koning en Wetgever is, naar Wien gij alleen hoort. O, blijft met onafgewende blikken op Hem zien, en Hij zal uw schild en loon zeer groot zijn.’
Toornige Miskotte
Veel geschiedschrijvers schreven in sympathieke bewoordingen over de intrede van Houtzagers in Kootwijk. Zo berichtte De Standaard op 9 februari: ‘De lieden van Kootwijk zijn stille burgers, bij wie nooit politie noodig was, en die, na achttien jaren de plaats vacant te hebben gezien, nu eindelijk eens een eigen leeraar begeerden. Nu, de kerkelijke quaestie beoordelen we niet, maar is die begeerte nu in het vrije Nederland heusch zulk een misdaad?’
Maar later bleek iemand als K.H. Miskotte buitengewoon toornig over wat Kootwijk had gedaan. Hij noemde de gang van zaken ‘uit de mensen’. Dat dit alles van de Heere zou zijn geschied, daar gelooft hij niets van, nog geen syllabe. Wat er in Kootwijk was gebeurd, was voor hem ‘een warwinkel van onwettigheid’, die ‘onder een schijn van wettigheid’ heeft plaatsgevonden. Miskotte kon niet anders, schreef hij, dan dit alles te scharen onder ‘listigheden van Kootwijk’: ‘Ligt het aan onze onverlichte ogen, dat wij hier in het geheel geen geloofsdaad vermogen te zien? Wij verstouten ons en bekennen, dat wij hier eerder het tegendeel zien, namelijk een menselijk-begrijpelijk maar toch in de diepste zin ongelovig ongeduld en eigenwillige berekening. En daarom zijn we zo banaal en zo ongodvruchtig, dit alles klein en onheilig gedoe te noemen.’
Miskotte kon zo toornig niet zijn, of de gebeurtenissen in Kootwijk werkten op de Veluwe als een olievlek. Een paar dagen later nam ook de kerkenraad van Voorthuizen onder leiding van zijn predikant ds. Willem van den Berg eenzelfde besluit. Als derde volgde het Friese Reitsum. Daarna volgden andere kerkenraden, die ‘tot verbreking van het Synodaal Kerkverband’ overgingen. Aan het einde van datzelfde jaar, op 16 december 1886, vond onder leiding van Abraham Kuyper officieel de Doleantie plaats.
Ds. Houtzagers correspondeerde met kruisdominee Elias Fransen (1827-1898), die veel preekte in deze regio van de Veluwe en in 1895 de Gereformeerde Gemeente van Barneveld institueerde. Fransen had ernstige bezwaren tegen Kuypers Vrije Universiteit, waar Houtzagers zijn opleiding had genoten. Fransen schreef aan de dolerende dominee van Kootwijk dat hij in de Doleantie het oprechte schuldgevoel miste over het verval der kerk en ook het noodgeschrei dat voortkomt uit een verbroken hart en een verslagen geest. Ook Fransen was het dus oneens met de gang van zaken in Kootwijk. De liefde tot de bevindelijke leer van Gods vrijmachtig welbehagen ontbrak, aldus Fransen.
Huwelijk met notarisdochter
Na zijn bevestiging vertoefde ds. Houtzagers eerst nog een halve week in Kootwijk - hij logeerde bij enkele boeren - en een halve week in de grote stad Amster-dam. Want daar had hij zijn levensgezellin gevonden, Anna Ruys, een dochter van wijlen de Amsterdamse notaris G. Ruys. Ze huwden in Amsterdam op donderdag 11 maart 1886. Voor de kersverse predikantsvrouw was het een hele overgang: van de hoofdstad des lands naar een gehucht wat nauwelijks op een landkaart stond aangegeven.
Maar, Anna verstond haar roeping en verhuisde mee naar de Veluwe: ‘De dag na het huwelijk werd de reis naar Kootwijk aanvaard. Des middags stapte het jonge echtpaar aan de halte Assel -Kootwijk had toen nog geen stopplaats- uit den trein. Een boer had de vriendelijkheid den leeraar en zijn echtgenoote per rijtuig af te halen. Hij was wel niet met een bruidskoetsje gekomen, maar toch toonde hij zijn blijdschap: Dominée en Mevrouw mochten plaats nemen in de witte huifkar, die met groen was opgesierd. En zo ging het hortend en stootend over het mulle, bultige pad tussen de zandheuvels door en over de kale heide naar de pastorie. Daar aangekomen, zagen de jonggehuwden voor hun woning door vrienden een eereboog opgericht, terwijl in het midden daarvan een twaalfregelig vers een hartelijk ‘Welkom!’ toeriep.’
Van een hartelijk welkom kan geen mens leven, ook een predikantsechtpaar niet. Dat had de familie in Amsterdam reeds begrepen en zekerheidshalve had men daar alvast een trommel met etenswaren verzonden. De trommel is echter nooit aangekomen. De bemanning van de trein, die niet gewend was om op de halte Assel trommels met etenswaren af te zetten, had haar maar meegenomen naar het eindstation. Dominee moest dus ‘aan de bedel’. De boeren zochten een en ander aan eetbare ‘mik’ bij elkander, waarmee de eerste honger in de pastorie kon worden gestild. Maar, er kwam uitkomst, hoe droevig zij ook was.
De volgende dag had ds. Houtzagers een begrafenis. Na afloop daarvan was er voor familieleden en buren koffie en brood. Wat overbleef, werd verkocht, zoals gebruikelijk. Ook de dominee kocht ervan. Zo voedde men zich in de pastorie in de wittebroodsweken met begrafenisbrood.
Kerkje op De Brink
Kerkenraad en gemeente behoorden dus niet langer tot de Nederlandsch Hervormde Kerk. Maar op zondag bleef de gemeente vooralsnog waar ze was, in het hervormde kerkje op de Dorpsbrink. En ds. Houtzagers woonde netjes in de pastorie, het ‘Hooge Huis’. Keurig betaalde men de huur van kerk en pastorie aan het classicaal bestuur. Er leek niets veranderd, behalve dan dat de Kootwijkse schapenhouders weer een dominee hadden, die hen kon weiden in de grazige weiden van Gods Woord.
In 1919 (Houtzagers was toen net met emeritaat) was het gedaan met het dolerend kerken in het ‘vaderlandsche kerkgebouw’. Ze moesten eruit. Per 1 december. Abraham Kuyper schoot de Kootwijkers te hulp. In De Heraut schreef hij een klemmende aanbevelingsbrief aan gereformeerd Nederland: ‘Gelijk ik al deze veertig jaren voor Kootwijk een uitzondering maakte, zo doe ik het ook nu. Kootwijk heeft in de eerste dagen van de kerkelijke spanning gewaagd wat destijds nog geen enkele andere kerk aandorst. Kootwijk gaf het sein voor een nieuw leven, en op dat sein is toen in tal van steden en dorpen de grote worsteling aanvaard. Van meet af aan is toen aan de broeders te Kootwijk toegezegd dat ze ook voor de toekomst zonder zorg konden zijn, want dat met onveranderlijke trouw de andere vrij geworden kerken het steeds - ook financieel - voor Kootwijk zouden opnemen.’
Binnen enkele maanden werd, op een paar honderd meter afstand van de Dorpskerk, de nieuwe gereformeerde kerk gebouwd, het kerkje op de heuvel. Emeritus predikant ds. Houtzagers legde eigenhandig de eerste steen. Daarop staat de tekst: ‘De eerste steen gelegd 26 nov. 1919 door Ds. J.H. Houtzagers, Em. Predikant. Soli Deo Gloria.’
Met Pinksteren 1920 was het kerkje klaar, netjes gedekt met een rieten kap. Op 24 mei, des namiddags om half drie, werd het plechtig in gebruik genomen. Toen had het onaanzienlijke Kootwijk, met nog niet eens 200 inwoners (knechten en dienstboden meegerekend), opeens twee kerkgebouwen. De mensen zeiden in die tijd weleens: ‘Kootwiek is een daarp, mit zeuven huuzen en een kark’, maar opeens klopte het niet meer. In het ‘daarp’ waren plotseling twee ‘karken’.
Tijdens zijn verblijf in Kootwijk ontving ds. Houtzagers vele beroepen van andere gemeenten. Maar de herder van Cote-Vick had nooit vrijmoedigheid een van die beroepen aan te nemen. Hij bleef het heidedorp trouw, tot aan zijn emeritaat in 1918. Bij zijn 25-jarig ambtsjubileum in 1911 viel hem een koninklijke onderscheiding ten deel.
Het dorp hield van hem. Sommigen noemden hem ‘de heer van Kootwijk’. Anderen vonden dat hij wel iets weg had van Johannes de Doper.
Portret in de consistoriekamer
Het kerkje van Houtzagers staat er nog steeds, net iets ten noorden van de bebouwde kom. Rechts van de kerk - sinds 2005 is het een gemeentelijk monument - is de consistoriekamer aangebouwd. Op het dak staat een dakruiter. Binnen bevinden zich, naast de kansel, twee glas-in-loodramen die in jaartallen de geschiedenis weergeven. In het ene raam staat ‘1886’, in het andere ‘1919’.
In de consistoriekamer zijn de portretten te zien van de predikanten die de gemeente hebben gediend, te beginnen met die van ds. Houtzagers.
Het familiegraf van de familie Houtzagers ligt in een hoek van het oude kerkhof aan de Kerkhofweg te Kootwijk. Op de steen is onder meer te lezen: ‘In dankbare nagedachtenis aangeboden door de Geref. Kerken van Kootwijk en Kootwijkerbroek, het School-bestuur en Vrienden.’
Wat zou nu de vrucht zijn geweest van deze, hoe men ook over al deze dingen denken mag, toch vreemde kerkelijke gang van Jan Hendrikus Houtzagers? Op 7 februari 1911, tijdens een ‘gedachtenisrede’ van 25 jaar ambtelijke dienst in Cote-Vick gaf hij zelf het antwoord: ‘U, Gemeente, jaren lang herderloos, ruim zeventien jaren, mocht den zegen van de geregelde bediening des Woords en der Sacramenten ontvangen van dien God. Onder U mocht gearbeid, ja, wel is waar met vele zwakheden - en God de Heere doe genadig verzoening over de vele zonden, dien den arbeid aankleefden! - maar toch ook mogen wij gelooven niet zonder vrucht. In de jaren die achter ons liggen, waarbij een geheel nieuw geslacht is opgetreden, zijn bij herhaling weggeroepen uit den tijd, zij van wien wij gelooven, dat zij thans juichen voor den troon, en die het mochten erkennen, dat het Woord in afhankelijkheid hun gebracht, hen tot rijken zegen mocht zijn.’
Opmerking:
Voor dit artikel is onder meer gebruik gemaakt van: De Doleantie, in de Nederlandsche Hervormde Kerk der negentiende eeuw, J.C. Rullmann (Kampen, 1916); Kanttekeningen bij het gedenkboek der doleantie, K.H. Miskotte (Wageningen, 1936); De Doleantie, in haar wording en beginperiode, J.C. van der Does (Delft, z.j.); Doleantie – Wederkeer; opstellen over de Doleantie van 1886, onder redactie van D. Deddens en J. Kamphuis (Haarlem, 1986); Kudde en herder; van kerkelijk Kootwijks verleden en heden, D. de Wit (Utrecht, 1911); Van buurt naar dorp; kroniek rondom Puurveen en zijn bewoners in verleden en heden (Barneveld, 1994).
Levensloop J.H. Houtzagers
Jan Hendrikus Houtzagers werd geboren te Utrecht op 27 maart 1857. Zijn ouders behoorden tot ‘den deftigen burgerstand’. Hij had theologie willen studeren aan de gerenommeerde Rijks-Universiteit te Leiden. Zijn godvrezende moeder, die hem ‘bij de oude waarheid had opgebracht’, zag echter liever dat hij naar de kleinere Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam zou gaan. Het stelde de jonge Houtzagers voor een groot dilemma. Moest hij nu naar Leiden of naar Amsterdam? Hij aarzelde en weifelde. Driemaal liet hij zich bij de VU inschrijven en driemaal liet hij zich weer uitschrijven. Uiteindelijk koos hij toch maar voor de universiteit van dr. Abraham Kuyper.
Op zondag 7 februari 1886 werd Houtzagers door ds. F.P.L.C. van Lingen (emeritus predikant te Zetten) bevestigd tot predikant van Kootwijk op de Veluwe. Hij deed intrede met een preek over 1 Korinthe 3:7. Een maand later trouwde hij met Anna Ruys, notarisdochter uit Amsterdam. Ze kregen in Kootwijk vijf kinderen, drie jongens en twee meisjes.
Tot aan zijn emeritaat bleef ds. Houtzagers in Kootwijk. Daarna vertrok hij naar Arnhem.
Toen op 13 en 14 februari 1936 in het Concertgebouw te Amsterdam het vijftigjarig bestaan van de Doleantie werd herdacht, was Houtzagers een van de weinige predikanten uit het begin die de herdenking nog konden meemaken.
Na het overlijden van ds. Houtzagers, in januari 1940, werd zijn lichaam naar Kootwijk teruggebracht. Jan Hendrikus Houtzagers ligt begraven op de begraafplaats aan de Kerkhofweg.
‘Onder de bank, Piet!’
Rond het ‘Hooge Huis’, de Kootwijkse pastorie op De Brink, gebeuren omstreeks 1890 vreemde dingen. Uit de hof van de pastorie, bewoond door de familie ds. J.H. Houtzagers, worden zomaar zelfgekweekte rode kolen gestolen. Daar heeft het domineesgezin veel verdriet van, want ze lusten zelf ook zo graag rode kool.
Op een zaterdag klaagt één van de dienstmeisjes dat er weer een rode kool uit de pastorietuin is verdwenen. Ds. Houtzagers spreekt rustig maar vastbesloten: ‘Morgen onder de kerkdienst zal ik de dader bekend maken.’
De volgende morgen zien de kerkgangers hoe de dominee aan het begin van de dienst een pracht van een rode kool voor zich op de lessenaar van de preekstoel legt. Daarna zegt hij: ‘Beste mensen, ik poot geen kolen in de pastorietuin om ze door de een of ander te laten weghalen. Ik heb besloten de dief bekend te maken: hij is in uw midden! Wie ik nu raak met deze kool - en de dominee hield hem in werphouding omhoog - die is de schuldige.’
Het is opeens akelig stil in de kerk, totdat een schrille vrouwenstem van de derde rij af schreeuwt: ‘Onder de bank Piet, hij gooit je dood!’ Als een snoek schiet Piet onder de kerkbank. Er is geen rode kool meer uit de pastorietuin gestolen.
Scholen met den Bijbel
Ds. Houtzagers heeft tussen 1886 en zijn emeritaat in 1918 een groot stempel gedrukt op het kerkelijk en maatschappelijk leven in Kootwijk en omstreken. Vele malen preekte hij in de omgeving van Kootwijk (aanvankelijk in een boerenschuur voor kalveren en varkens), in Stroe en in Kootwijkerbroek. In Kootwijkerbroek is zijn naam verbonden aan het begin van de gereformeerde kerk aan de Veluweweg.
Op 18 januari 1888 zorgde hij voor de oprichting van de ‘Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met den Bijbel te Kootwijk en Kootwijkerbroek en tot Bevordering van het Christelijk Onderwijs in de buurtschappen Garderbroek, Stroe en Essen’. Hij hielp drie scholen met de Bijbel oprichten in Kootwijkerbroek (1888), Kootwijk (1890, de latere ‘ds. Houtzagersschool’) en Harskamp (1894, ‘De Zaaier’).
Dat Houtzager zich met de totstandkoming van een school in de naburige buurtschap Harskamp bemoeide, kwam doordat nogal wat Harskampers zich op zondag onder zijn gehoor bevonden. En dus zorgde hij ook voor een Schooltje met de Bijbel in Harskamp.
De school in Kootwijk moest in december 1983 door een gebrek aan leerlingen sluiten. Ook werkte ds. Houtzagers mee aan de oprichting van twee christelijke militaire tehuizen, in Harskamp (1901) en Milligen (1910). Hij hield in deze tehuizen catechisatielessen, godsdienstoefeningen en pastorale gesprekken met soldaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 2020
Oude Paden | 64 Pagina's