De predikant van de Vereniging van Gereformeerden
Hoewel ds. Jacob van Leeuwen niet zo algemeen bekend is gebleven als andere predikanten, heeft zijn arbeid toch een zeer bepaald stempel gedrukt op hoorders en voorgangers, vooral in Utrecht en omgeving. Daarom is het goed om bij zijn persoon en arbeid stil te staan. Wel blijft het altijd nodig alle mogelijke soberheid te betrachten. De nagedachtenis van een man, wiens prediking zo geheel gericht was op de ere Gods en waarin het schepsel alle eer en roem ontzegd wordt, wordt niet geëerd door bewegelijke woorden van menselijke lof, noch door een al te uitvoerige beschrijving van zijn levenswerk.
De plaats waar Jacob van Leeuwen geboren is, is de gemeente Aalsmeer en wel op 30 mei 1845. Hij was een zoon van Pieter van Leeuwen, bakker te Aalsmeer en van Christina Adriana de Merree. Al op zevenjarige leeftijd verloor hij zijn moeder en met zijn broer en twee zusters werd hij daarna opgevoed door zijn vader, die in 1872 stierf, niet zonder hope, zoals van Leeuwen zelf aantekent.
Eerst was Jacob werkzaam in de bakkerij van zijn vader en later op andere plaatsen. Hij deed op zeventienjarige leeftijd belijdenis bij ds. Salverda de Grave te Noordwijk-Binnen.
Toen hij 23 jaar oud was trad hij in het huwelijk met Aagje de Vries, geboren 23 Maart 1846. Het echtpaar woonde eerst te Nieuwer-Amstel en vanaf 1871 in de nabijheid van Aalsmeer. Hoewel kerkelijk meelevend, waren beiden tot hiertoe geheel onkundig van het leven Gods, totdat in 1872 het sterven van vader Van Leeuwen een middel in Gods hand mocht zijn om Aagje te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Ontwaking
Twee jaar later brak voor Van Leeuwen zelf het ogenblik aan, waarop, naar zijn eigen getuigenis, ‘de Heere zich opmaakte, om ook hem, arm, blind mens tot een onderwerp van Zijn bearbeiding te maken’. Op een zondagmorgen in juni 1874, bij het ontwaken, werden tegelijk zijn zielsogen geopend voor het ongeluk waarin hij gezonken lag. Hij zag wie God is in Zijn wezen van heiligheid en recht en zichzelf daartegenover in zijn jammerlijke toestand. Zijn ziel werd verteerd door de indrukken van goddelijke toorn en gramschap en de ondragelijke smart en weedom, vanwege de zonde tegen een heilig en goeddoend Wezen dat hij vreesde en lief kreeg tegelijkertijd.
Dagen en nachten verkeerde hij in deze toestand en was er in zijn ziel een onafgebroken klacht tot God. Werd hem gevraagd wat hem mankeerde, dan was steeds zijn antwoord: ‘Zoek eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid.’ Zijn lichaam verzwakte en het roepen tot God in de benauwdheid bleef de enige ademtocht voor zijn ziel. Een half jaar lang heeft hij in deze toestand verkeerd, onbekend met Gods volk, terwijl slechts zijn vrouw met hem meeleefde.
Op een dag kreeg hij van een buurman de levensbeschrijving van ds. Daniël Bakker van ‘s-Gravenpolder. Daarin vond Van Leeuwen zijn eigen geestelijke toestand terug. Maar hij las ook de woorden ‘zondaar’ en ‘Zaligmaker’ en deze woorden werden het middel, waardoor de weg der verlossing hem ontsloten werd en de morgenstond aanlichtte in zijn ziel. Christus werd hem geopenbaard in Zijn gepastheid, dierbaarheid en algenoegzaamheid, ook voor hem. Groot was de ommekeer, die door deze weldaad teweeggebracht werd en twee jaar lang heeft hij daaruit geleefd.
Het wijnhuis des Vaders
Toch bleef hij zijn onverzoende staat voor God waarnemen. Aan het recht der wet was niet voldaan en steeds helderder werd hem dit ontdekt. Dagen van diepe radeloosheid volgden waarin zijn blijdschap van de eerste tijd en al zijn hoop hem geheel ontvielen. In die toestand, onder het oog van een heilig God, van Wie de gerechtigheid hem verteerde en hem nauwelijks plaats liet op aarde, werd hij wel soms bemoedigd door de woorden: ‘Gewisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte.’ Toen brak het ogenblik aan, zoals hij het zelf uitdrukt, ‘dat het gericht van God zich niet slechts aan hem ontdekte, maar toetrad tot zijn ziel en nu was het afgedaan: de handhaving van het Goddelijk recht doorsneed zijn ziel, geen ademtocht van troost en hoop bleef over, alleen een heilig stilzwijgen. Maar in deze ogenblikken trad de eeuwige Immanuël in bij de Rechter, met Zijn arbeid en volmaakte offerande, als Degene die voor hem verzoening gevonden had, in Wie de Vader een welbehagen heeft en Die ook hem tot eigendom gekocht had met Zijn dierbaar bloed. Zo mocht hij met die Borg verenigd worden; Zijn Middelaarsbediening werd hem ontsloten als een verse en levende weg om toegang te geven tot Zijn Vader. Wel werd dit laatste hem nog onthouden en pijnlijk werd hij zijn gemis gewaar en werd het verlangen levend om door de Zoon geleid te worden tot de Vader. Vijf jaren echter moest hij wachten, tot op een wintermorgen zijn Borg zich opnieuw aan zijn ziel openbaarde en hem terugleidde in wat voor vijf jaren was gebeurd en hem daarna inleidde in het wijnhuis des Vaders onder de banieren Zijner liefde en tot de Persoon des Vaders zelve, die hem omhelsde en kuste. De Vadernaam werd hem op de lippen gelegd. De Heilige Geest openbaarde Zich als Geest der aanneming tot kinderen en verklaarde hem zijn ganse weg tot op dat ogenblik toe. En deze gemeenschap met God Drieenig bleef hem onmisbaar, van dag tot dag, tot onderhouding van zijn leven en lot.
Roeping en bevestiging
Behalve van zijn bekering geeft Van Leeuwen ook verslag van zijn roeping tot het leraarsambt. Het was zijn overtuiging dat niemand zich deze eer aanneemt dan die ertoe geroepen is, gelijk Aäron. Zijn weg tot de bediening is er een geweest van veel strijd en worsteling en langdurige tegenstand, totdat de Heere hem te sterk werd.
Hadden van Leeuwen en zijn vrouw in de eerste tijd na hun toebrenging weinig omgang met Gods volk, later werd dit anders. In de onderlinge samenkomsten kwam Van Leeuwen zelf weldra op de voorgrond en werd hem opgedragen voor te gaan. De woorden werden hem op het hart gebonden: ‘Zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel zal zijn in de Heere.’
In het voorjaar van 1890 vielen met kracht de woorden in zijn hart: ‘Opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u geroepen heeft vanuit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.’ Op een winteravond van hetzelfde jaar werd alle tegenstand gebroken. Gods Geest zette hem in de gehoorzaamheid en zijn mond werd geopend. In plaats van een preek te lezen in de samenkomst sprak hij nu zelf. Zijn toehoorders zeiden: ‘De Heere heeft grote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd.’ Vanaf dat ogenblik gaf hij zich geheel aan de arbeid in de wijngaard des Heeren.
Hij werd ook op andere plaatsen gevraagd om te preken en meerdere vrije gemeenten brachten een beroep op hem uit, maar voorlopig bleef hij te Aalsmeer. De behoefte aan een volle bediening deed zich weldra gevoelen en op 26 mei 1895 werd hij geordend tot herder en leraar in tegenwoordigheid van de afgevaardigden uit zeven gemeenten: Utrecht, Hilversum, Barneveld, Rotterdam, Dordrecht, Gouda en Aalsmeer. In al deze gemeenten preekte hij regelmatig, terwijl hij er elke veertien dagen catechiseerde. In de bijna 22 jaren van zijn bediening heeft hij ongeveer 4800 maal gepreekt en evenzoveel maal gecatechiseerd.
Prediking
Zijn catechisanten waren hem zeer op het hart gebonden; voor meerderen onder hen mocht hij het middel zijn tot hun bekering. Zijn prediking was van bijzondere kracht. Waar hij zich niet voorgenomen had iets anders te weten dan Jezus Christus en die gekruist, heeft hij geen ander fundament gelegd dan hetgeen gelegd is. Door het centraal stellen van het leerstuk der rechtvaardiging, in overeenstemming met eigen zielservaring, en het afsnijden van alle vroomheid in de mens, waarvan hij een afkeer had, heeft het hem aan tegenstand niet ontbroken, maar hij werd gesterkt door de handen van de machtige Jakobs en mede door zijn onwrikbaar karakter bleef hij altijd onverzettelijk als het ging om de waarheid van de leer die hij van harte omhelsde. Door grote mensenkennis, gepaard aan een scherpe intuïtie, doorzag hij meermalen degenen met wie hij te doen kreeg en wees hij datgene aan waar het fout ging in het tijdelijke en geestelijke leven. Zo heeft hij velen tot vijand gehad, maar voor anderen, bijzonder door zijn prediking, mogen mee arbeiden aan hun zaligheid.
Levenseinde
In 1897 verhuisde het echtpaar Van Leeuwen naar Utrecht, dat meer centraal lag, met het oog op zijn arbeid. Goede jaren zijn het geweest, al heeft het aan beproevingen niet ontbroken. Een kring van nauwe geestverwanten onder de naam van ‘Vereniging van Gereformeerden’ heeft hij mogen dienen door Woord en sacrament en vele zijn de zegeningen geweest. De prediking droeg rijke vruchten.
Voor Van Leeuwen zelf is het einde gekomen op 22 juli 1913. Enige jaren leed hij aan ziekte, waardoor hij zijn arbeid beperken moest tot zijn eigen woonplaats, maar als hij predikte was hij nog altijd opgewekt en voelde hij geen zwakheid.
Op zondagmorgen 17 november 1912 werd hij door een beroerte getroffen voor het begin van de dienst. Zijn laatste prediking, enkele dagen tevoren gehouden, was over 1 Korinthe 5:1: ‘Want wij weten, dat zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw bij God hebben, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.’ In de nacht voordat de beroerte hem trof, was hij op bijzondere wijze ingeleid in het eeuwig Vaderhuis, waar hij blikken mocht in de zaligheid, die de triomferende kerk bereid is, verenigd met Abraham, Izak en Jakob aan de bruiloft des Lams. Daar mocht hij, zwart in zichzelf, liefelijk weten door de liefde van de Bruidegom. Ruim acht maanden is hij aan zijn ziekbed gebonden geweest. Duisternis en licht hebben elkander afgewisseld. De aanvechtingen van de satan bleven hem niet gespaard, maar de vertroostingen waren ook nimmer te klein. Zeer diep mocht hij inblikken in de deugden Gods, in de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog en daarvan getuigenis geven met hart en mond, tot de laatste nacht van zijn leven toe. Steeds was daar het getuigenis: ‘Door het bloed uws verbonds, o Sion, heb Ik uwe gevangenen uitgelaten uit de kuil, waarin geen water is,’ en altoos de roemtaal: ‘Vrede met God dooronze Heere Jezus Christus,’ en ‘het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden.’ In die laatste nacht werd door de stervende en door hen die hem omringden, het derde vers van de 85e Psalm gezongen: ‘Dan wordt gena van waarheid blij ontmoet; de vrede met een kus van ‘t recht begroet.’ Daarna zei hij nog het eerste vers van Psalm 32 geheel ten einde: ‘Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven.’ Nadat hij van iedereen met een tedere aanspraak afscheid genomen had, verzocht hij hem ter ruste te leggen en zo is hij in de vroege morgenstond ingeslapen, 69 jaren oud.
Begrafenis
Op zaterdag 26 juli is zijn stoffelijk overschot uitgedragen naar de groeve der vertering op de algemene begraafplaats te Utrecht. In een lange stoet volgden de familieleden, de deputaties van de gemeenten die hij gediend had en belangstellenden. Aan het graf werd het werk Gods verheerlijkt. Niet het schepsel werd geprezen, maar de Schepper, Die te prijzen is in eeuwigheid. Na zijn dood is de ‘Vereniging van
Gereformeerden’ door het bestuur zelf opgeheven. Men had de bediening van Van Leeuwen als een Godsgeschenk aanvaard, maar niet met het doel een kerk te stichten en na zijn heengaan is geen ander in zijn plaats geroepen. Dit was ook geheel in de lijn van Van Leeuwens bedoelen, die nog voor zijn dood zelf de raad gegeven heeft zich aan te sluiten bij de Hervormde Kerk, op plaatsen waar een zuivere bediening was, gelijk ook velen in Utrecht en elders gedaan hebben, terwijl anderen dakloos bleven of zich bij andere kerken hebben gevoegd.
Opmerking: Dit artikel is een ingekorte versie is van hetgeen ds. J.T. Doornenbal geschreven heeft over ds. Van Leeuwen heeft in het Gereformeerd Weekblad 1947/1948.
Wat de prediking van ds. Van Leeuwen betreft, de meerdere bundels predikaties zijn niet door hemzelf verzorgd, maar werden opgetekend door zijn vrienden, waardoor van de oorspronkelijke kracht en diepte zeker veel is verloren gegaan. Toch geven zij een indruk van de zaken, die ds. van Leeuwen leerde en van de wijze, waarop hij dit deed.
Zijn catechismuspreken, eveneens uit de beluistering opgetekend en uitgegeven, zijn van belang. Ze verschenen zonder jaartal en zelfs zonder naam van auteur of uitgever. Zoals hij gestaan heeft in het leven, zelf verdwijnend achter zijn prediking, zo gaat ook hier de persoon van ds. Van Leeuwen geheel verloren achter dit zijn nagelaten getuigenis omtrent de deugden van God Drieenig en Zijn werk aan het zondaarshart. Deze preken dragen een geheel eigen karakter en zijn ook niet te vergelijken met enige andere catechismusprediking, die ik ken. Kort, zakelijk, vol van geest en leven, wordt des Christens enige troost in leven en sterven erin verhandeld, op geheel eigen wijze, niet star dogmatisch, zelfs niet verklarend, maar als een zakelijk getuigenis van Gods eeuwige liefde aan de zondaar verheerlijkt.
Hij heeft de raad Gods tot zaligheid verkondigd, naar Zijn heilsplan, waardoor Sion door recht verlost kon worden en hare wederkerenden door gerechtigheid. Maar ook de orde des heils in de toepassing van het werk der verlossing, waarin God op het hoogst verheerlijkt en de mens op het diepst vernederd wordt. Het werk des Geestes heeft hij gepredikt en de noodzakelijkheid ervan, gelijk het overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, waarin de deugden Gods gekend worden door de zondaar, die ontbloot wordt van alle gerechtigheid in zichzelf, waardoor plaats gemaakt wordt voor het bloed der verzoening en Christus gepast en dierbaar wordt tot rechtvaardiging en heiligmaking.
De grote nadruk valt op de rechtvaardiging des zondaars in Gods vierschaar en de noodzakelijkheid van de kennis van dit stuk voor eigen hart en leven. En zonder het toeleidende Geesteswerk af te snijden waarschuwt hij tegen een rusten in iets buiten Christus en de verzoening met God, en vooral, ook na ontvangen genade, tegen een rusten in verkregen weldaden, waardoor de Christen met de weldaden de Gever missen kan en waardoor Zijn Geest smaadheid wordt aangedaan en het bloed van Christus onrein geacht, in plaats van het nodig te hebben van dag tot dag. Zo is zijn prediking een getuigenis omtrent God Drieenig en Zijn werk, verheerlijkt aan het zondaarshart: van het welbehagen des Vaders in de Geliefde, van de Persoon en het werk van Christus, van het werk des Geestes, dat de zondaar afsnijdt van alle grond van zaligheid in zichzelf, waardoor God aan Zijn eer komt, het bloed van Christus rechte waardij verkrijgt en de kerk haar zaligheid ontvangt in haar schuldvergiffenis, in de verzoening met God, de terugleiding tot ‘t Vaderhart en de verzegeling des Geestes, waardoor zij die vrede ontvangt, die alle begrip te boven gaat. Om deze prediking van het eenzijdig Godswerk, uitgebracht tot een verloren zondaarsvolk, moge de nagedachtenis van deze rechtvaardige in ere zijn bij degenen die Sion in waarheid liefhebben en nog voor velen tot zegening zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 2022
Oude Paden | 64 Pagina's