Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voorbereid op het ambt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voorbereid op het ambt

Ouderling Jacob van den Dool

14 minuten leestijd

‘Ach kind, het zou vader en moeder zo zwaar vallen als wij u moesten verliezen en bijzonder op het slagveld.’ Bezorgd stuurde ouderling J. van den Dool brieven aan zijn zoon, die tijdens de Eerste Wereldoorlog in het leger diende. De oorlog bleef echter buiten de Nederlandse grenzen.

Jacob van den Dool was ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Benthuizen. Hij was op 5 mei 1854 geboren als achtste kind van Jacob van den Dool (1811-1859) en Jannetje van Alenburg (1816-1876). Ze woonden aan de Hogeveenseweg, tussen Benthuizen en Boskoop. Het voorgeslacht kwam uit het Westland.

Jacob en Jannetje kregen tien kinderen, van wie er vijf als baby overleden. De latere ouderling was dan ook het derde zoontje dat Jacob werd genoemd. Hij was nog maar vijf jaar oud toen zijn vader overleed.

Infanterist

Vanaf welke leeftijd hij tot de gemeente van ds. L.G.C. Ledeboer behoorde, is niet bekend, want het lidmatenboek dat Van den Dool in 1899 aanlegde, is het oudste dat bewaard bleef en het is niet volledig. Hij zal de predikant, die in 1863 overleed, nog wel gekend hebben.

‘Religie Gereformeerd’, werd in elk geval aangetekend toen Jacob in militaire dienst moest. Hij was milicien in de 4e compagnie van het 3e bataljon van het 4e Regiment Infanterie. Op 7 september 1877, toen hij 23 jaar was, ging hij op groot verlof.

Er is geen foto van Van den Dool bekend. Volgens zijn militaire zakboekje was hij 163,2 cm lang en had hij een ovaal aangezicht, een gewoon voorhoofd, neus en mond, blauwe ogen, ronde kin, blond haar en blonde wenkbrauwen. Overige bijzonderheden: ‘Is gevaccineerd geweest in het jaar 1855. Is gerevaccineerd in het jaar 1874.’

Twee binnen drie weken

Op 24 oktober 1878 trouwde hij in Benthuizen met Maria Slootweg (1852-1922). Van hem is geen portret bekend, van haar wel.

Van hun negen kinderen zijn er twee jong overleden, nog geen drie weken na elkaar: Plonia was bijna twee jaar toen ze op 11 december 1887 stierf, en op 28 december werd ook Gerritje weggenomen, die nog maar tweeënhalve maand oud was.

Diaken L. Voorwinden kwam op een avond op bezoek en zei dat hij er weleens over had gedacht dat Van den Dool ouderling zou kunnen worden. Van den Dool voelde zich echter onbekwaam en zei tegen zichzelf, net als Mozes: ‘Ze zullen me toch niet geloven.’

Bestrijding

Van den Dool was landarbeider. Op 8 mei 1884, enkele dagen na zijn dertigste verjaardag, was hij bonen aan het maaien. Intussen kon hij zijn gedachten laten gaan. Hij overdacht hoe de Heere hem in het tijdelijk leven had uitgered. Toen liet de Heere hem zien dat hij ouderling zou worden. ‘Dat ging onder een vloed van tranen,’ schreef Van den Dool. Het riep strijd en ongeloof in hem op. De Heere bepaalde hem echter bij Psalm 118:11: ‘Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des Heeren dat ik ze verhouwen heb.’

‘O, ik was zo klein en teer, ik ging eten en mocht met tranen de Heere vragen of de Heere Zijn volk in deze plaats nog eens bijeen mocht brengen. Ik was op die ogenblikken bereid, met beding van genade.’

Verdeeldheid

Bijeenbrengen, dat was zijn gebed, want de gemeente maakte rond 1885 een moeilijke tijd door. Ouderling I. van der Knijff was in de schulden geraakt (‘niet door bedriegelijke handel, maar door gemis aan doorzicht op natuurlijk gebied’), werd gevangengezet en moest zijn ambt neerleggen. Er ontstond verdeeldheid in de gemeente. De catechisaties lagen stil.

Het smartte Van den Dool. Hij kreeg echter hoop dat de Heere Zich over de gemeente zou ontfermen. In zijn ziel ontbrandde strijd, totdat hij terugdacht aan het advies dat predikanten vroeger weleens hadden gegeven: Geef het ongeloof niet te veel toe en denk terug aan eerdere bevindingen en uitreddingen. Hij las Jesaja 29 en 30, waar staat dat de Heere machtig is om te verlossen. Schuld belijden is echter nodig.

Catecheet

Van der Knijff werd weer ouderling en diende samen met Van den Dool, die het catechiseren van hem overnam. Journalist A.J. Klei schreef op 13 december 1984 in dagblad Trouw over die catechisaties, onder de kop ‘Tweemaal Jac. van den Dool’. Pal nadat Klei een grammofoonplaat had beluisterd waarop onder leiding van de Bossche hervormde kerkmusicus Jacques van den Dool het kerstoratorium van Saint-Saëns werd uitgevoerd, nam hij het boek De vereniging van 1907 ter hand (per abuis noemde hij als titel De hereniging van 1907): ‘Halverwege pagina 108 was ik gebleven, midden in het hoofdstuk met levensbeschrijvingen van voorgangers en ouderlingen. Ik hervatte de lectuur: Jacob van den Dool werd geboren... Hé, weer een Jacob van den Dool! Want die Jacques zal ook wel Jacob heten en in het zwierige Brabant zijn voornaam verfranst hebben. Was dit niet... eh... merkwaardig?’

Het proza van de Van den Dool uit het boek was van volstrekt andere aard dan dat van de Van den Dool op de hoes. De eerste schreef in 1885, hij was toen 31 jaar, dit: ‘In de avond van zondag de derde mei kreeg ik bijzondere inwerpsels en grote twijfelingen over mijn staat en ongeloof.’ Ik herkende de taal die de mensen van de zogenaamde zwarte-kousenkerken hanteren. Ik las ook wat anderen van Jacob van den Dool vertelden: ‘Deze eenvoudige landarbeider was een vreedzaam man, minzaam in de omgang. Vele begrafenissen werden door hem geleid. Ook het catechiseren nam hij voor zijn rekening. Het lawaai dat de jongens maakten in de consistorie van de houten kerk, verdween onmiddellijk als zij het geluid van de klompen van Van den Dool op de kiezelstenen hoorden.’ Zou Jacques van den Dool een nakomeling van hem zijn? Zouden de leden van het christelijk gemengd koor Cantabile en van het Cantate-orkest in het repetitielokaal ook terstond hun geraas staken wanneer zij hem horen naderen?

Onder de indruk

Ouderling Van den Dool had spreekgaven en werd ook door mensen buiten zijn gemeente gevraagd begrafenissen te leiden. Als hij sprak op het oude kerkhof van Benthuizen, stond het verkeer op de Dorpsstraat stil. Voorbijgangers hielden de pas in en luisterden mee. Het gesprokene maakte weleens diepe indruk.

Op bid- en dankdagen vastte Van den Dool. Hij moest denken aan de koning van Ninevé, die na Jona’s boetprediking de inwoners opriep te vasten en zich te verootmoedigen. Zo was het nu ook gepast ‘om zich die dag van alles te onthouden wat voor het lichaam verkwikkelijk is’. ‘Toen kwamen mij die woorden voor: “Komt, laat ons nederknielen voor de Heere, Die ons gemaakt heeft.” En o, ik kan het niet beschrijven hoe klein dat wij voor de Heere waren.’ Er was geen oog voor andermans gebreken en zonden, ‘maar van onszelf. Ons gebed was eenparig. Wie weet, Hij mocht Zich tot ons wenden.’

Als er zo ootmoedig biddag gehouden zou worden, dan zou de Geest de Banier opheffen, geloofde Van den Dool.

Vaderlijk of richterlijk

Aan zijn medebroeder F. Dekker in Terneuzen schreef de Benthuizer ouderling in 1902 dat zijn vrouw zwak was. Dekker wees hem op het verschil tussen vaderlijke en richterlijke slagen. ‘Dat onderscheid is nooit uit te spreken, want voor ’s Heeren volk geeft de Heere weleens dat ze door de slagen en kastijdingen nog nauwer aan dat Liefdewezen verbonden worden en de Heere wederom nodig krijgen.’

Zelf was Van den Dool ook niet sterk. Hij kreeg een traktement van de kerk, omdat hij door zijn zwakke gezondheid zijn werk in de landbouw nauwelijks meer kon doen.

Brief uit Amsterdam

Jannetje, zijn oudste dochter, nam met haar man het kosterswerk in de schuurkerk in Benthuizen ter hand. Vier jaar later, op 5 juni 1907, ging het merendeel van de gemeenten van ds. Ledeboer met de Kruisgemeenten samen in de Gereformeerde Gemeenten. Het nieuwe kerkverband hield zijn eerste Algemene Vergadering op 9 en 10 oktober in dat jaar. Samen met ouderling J. Bregman reisde Van den Dool als afgevaardigde naar Rotterdam.

Niet alle afspraken die tijdens deze vergadering werden gemaakt, werden unaniem gesteund, zo bleek toen ds. D.C. Overduin uit Amsterdam op 12 november een brief aan Van den Dool schreef. Ds. Overduin uitte zijn bezwaren tegen het besluit dat predikanten niet meer buiten het kerkverband mochten voorgaan. Hij was blij met de vereniging tussen de twee kerkverbanden, maar aan deze bepaling wilde hij zich niet onderwerpen. Van den Dool had dat aan de orde gesteld.

De ouderling uit Benthuizen had ds. Overduin inmiddels om een preekbeurt gevraagd, maar de predikant kon die nog niet toezeggen: ‘De weekjes zijn zo net bezet. Ik ben om de 14 daag des maandags in Gouda, dinsdagsavonds de catechisaties, ’s woensdagavonds bij ons godsdienst en donderdagsavonds te Bodegraven, en vrijdagsavonds moet ik nodig een avondje bij ons doorbrengen met huisbezoek. Dat is dus een week verbonden. Dan volgt de week dat ik niet te Gouda of te Bodegraven moet zijn, maar dan hebben wij ’s maandagsavonds kerkenraadsvergadering.’ En zo waren er nog meer werkzaamheden te noemen. Om de twee weken catechiseren in Westzaan, bijvoorbeeld.

Een groet uit Krabbendijke

Oefenaar M. Remijn stuurde Van den Dool ook meermalen een brief. Hij bleek ook de familie van de ouderling te kennen: ‘Groet ook uw broeder Teunis; is hij nog zo moedeloos?’

Remijn wilde op 27 september 1908 in Benthuizen komen preken. ‘Moge de Heere daartoe Zelf onze harten en wegen richten, om tot Zijn eer werkzaam te kunnen zijn.’

De preekbeurten in vacante gemeenten werden in die jaren centraal geregeld. Remijn was daar een verklaard tegenstander van, zo blijkt uit een brief die hij op 14 juni 1910 naar Van den Dool stuurde: ‘Gisteravond kreeg ik mijn werklijstje weer thuis, voor een héél jaar, waar ik met mijn hart o zo tegen lig, want ik vind het onschriftuurlijk.’

Deputaat

Op 28 juni 1893 kwam Van den Dool als afgevaardigde naar de ‘Jaarlijksche grote vergadering gehouden te Middelburg.’ Voortaan was hij er elk jaar. In 1894 moest hij daarvoor naar Krabbendijke, maar een jaar later waren de broeders in Benthuizen te gast. Na de vereniging van 1907 werd Van den Dool afgevaardigd naar de classis Rotterdam, vijfmaal naar de Particuliere Synode en zesmaal naar de Generale Synode.

In 1897 kwam hij in een commissie die onderzocht of de oefenaars N.H. Beversluis en L. Boone predikant konden worden. Later kreeg hij die taak opnieuw: in de jaren 1907-1916 was hij deputaat in de commissie van onderzoek, een voorloper van het Curatorium van de Theologische School. Daarnaast benoemde de Noordelijke Particuliere Synode hem in 1914 tot deputaat naar artikel 49 van de Dordtse Kerkorde.

Gewichtvolle adviezen

Van den Dool reisde het land door om kerkelijke vergaderingen te adviseren over de toelating van voorgangers. Zo was hij op 12 oktober 1909 in Middelburg, waar hij samen met andere deputaten de classis van advies diende bij het examen van oefenaar H. Kieviet van Aagtekerke. ‘Het resultaat was van de bespreking dat Br. Kieviet toegelaten werd tot de bediening des Woords.’

Van den Dool ging op 19 april 1910 naar Zeist. Daar examineerde de classis Amsterdam de oefenaars B. van Neerbos uit Opheusden en A. Verhagen uit Westzaan. Naast de afgevaardigden van zes gemeenten waren drie deputaten aanwezig: behalve Van den Dool ook ds. A. Janse uit Terneuzen en de Rotterdamse ouderling M. van den Berge. Ze verklaarden ‘geen bezwaar te hebben, dat beide broeders met hun arbeid voortgaan’.

Op 1 oktober 1912 woonde Van den Dool opnieuw een classisvergadering in Middelburg bij. Daar werd oefenaar J. Fraanje van Terneuzen toegelaten tot het predikambt.

Vijftien dagen later was Van den Dool in Rijssen voor het classicaal examen van Van Neerbos. De classis Barneveld liet ook deze oefenaar toe tot de volle bediening.

Een andere verre reis ging weer naar het zuiden: in Krabbendijke werd op 30 januari 1913 gesproken over de vraag van die gemeente of haar oefenaar, M. Remijn, tot predikant bevestigd kon worden. Van den Dool bracht samen met zijn mededeputaten ds. J.R. van Oordt (Middelburg) en J. de Kam (Oostkapelle) advies uit. De classis Goes liet Remijn niet toe tot de volle bediening. Hij bleef lerend ouderling.

Onder de wapenen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog schreef Van den Dool brieven aan zijn jongste zoon, die vanwege de mobilisatie onder de wapenen was. Nederland wist neutraal

te blijven, maar soms spande het erom. ‘De toestand stond weer gevaarlijk in de vorige week,’ schreef de ouderling op 3 april 1916. ‘Maar ik hoor dat nu weer een weinig het gevaar geweken is. We hopen dat de Heere ons voor de oorlog mag bewaren. Ach kind, het zou vader en moeder zo zwaar vallen als wij u moesten verliezen en bijzonder op het slagveld. En dan, voor u zou het nog het zwaarste zijn, onverzoend en onbekeerd voor God te moeten verschijnen. Denkt u daar weleens om? Zo ja, bid dan de Heere om uw bekering. Antwoordt u: Ik kan niet bidden, welnu, zeg dat ootmoediglijk tot de Heere en vraag of Hij u leren bidden mag. Want buiten oorlog kan men ook ieder ogenblik sterven.’

Als Cornelis niet naar huis zou mogen, moest hij zijn vuile goed maar opsturen, dan zouden zijn ouders de schone was wel komen brengen of met de post meegeven. Zijn oudere broer Gerrit zou zijn fiets repareren ‘en dan hoopt hij hem in de volgende week naar u per spoor toe te zenden’.

Zelf was Van den Dool met zijn gezondheid aan het tobben: ‘Verder kan ik u melden dat ik voortdurend veel pijn lijd. En dat ik tijding heb ontvangen uit het ziekenhuis dat ik a.s. maandag 29 mei naar het ziekenhuis kan komen.’ Toen Van den Dools zoon jarig was, wenste zijn vader hem de geestelijke strijd en wapenrusting toe.

Ruime ingang

In Benthuizen bouwde woningbouwvereniging Algemeen Belang in de jaren 1915-1918 huizen in het Beelaertspark (bijgenaamd: de Kikkerbuurt). Daar woonde ouderling Van den Dool op het laatst van zijn leven. Vanaf 1918 woonde zijn dochter Johanna, die met Cornelis Bregman (‘Kees de Bokkum’) was getrouwd, in de andere helft van de dubbele woning. Voor Van den Dool heeft die periode maar kort geduurd. Hij werd eind 1918 ziek en kon daardoor de kerkenraadsvergaderingen niet meer bijwonen. Hij was op 19 februari 1919 ook niet op de classisvergadering in Rotterdam. Scriba A. van Bochove sr. noteerde: ‘Ook wordt broeder Ouderling Jacob van den Dool van Benthuizen herdacht, die anders altijd zo trouw de vergaderingen bijwoonde, maar nu door ernstige krankte niet aanwezig kon zijn. Volgens het zeggen der afgevaardigde broeders zal het wel zijn sterfbed zijn. De wens wordt uitgesproken dat hij een ruime ingang mag hebben in het Hemels Koninkrijk.’ Op 16 maart 1919 overleed Van den Dool op 64-jarige leeftijd. Schoonzoon J. van Leeuwen en veldwachter J. Timmerman gaven het sterfgeval de volgende dag aan op het gemeentehuis. Ds. J. Overduin uit Moerkapelle had een maand eerder het consulentschap van zijn broer overgenomen; hij heeft wellicht de begrafenis geleid.

Ds. W. den Hengst haalde de lege plaats aan toen hij op 3 april preses van de Particuliere Synode werd: ‘Enige waarderende woorden worden gewijd aan de nagedachtenis van Jacob van den Dool, in leven Ouderling van Benthuizen’s Kerk.’

(Met dank voor de foto’s aan A. Bregman van de Historische Kring Benthuizen.)


Honderd jaar geleden (2)

Ds. J. Fraanje las graag in de oudvaders. Ooit schreef hij een ‘Voorwoord’ bij een werk van John Owen, dat in het Nederlands verscheen onder de titel Gewetensvragen opgelost. Hij eindigde met de woorden: ‘O, dat nauwelijks zalig worden, maar nochtans dat zeker en volkomen zalig worden in en door Hem, dat gezegende Lam, waarvan de kerk zal uitgalmen: Gij Lam, Gij hebt ons Gode gekocht met uwen bloede.’

Hij eindigde: ‘Zo mocht de Heere dit werk van de nu zalige dr. J. Owen, in zulke vervallen tijden nog tot zegen doen strekken, is de wens van ds. J. Fraanje.’

Op 22 oktober 1922 citeerde hij een andere

Engelse schrijver: ‘Las u ooit wat de Godzalige

Hugo Binning in een zijner werken zegt?

‘God is zulk een groot, heerlijk onuitsprekelijk

Opperwezen, dat Hij geen stap buiten

Zichzelf behoeft te doen om Zijn Heerlijkheid groter te maken. Ook zal Hij, doordat

Hij daden buiten Zich doet, daardoor niet meerder of minder worden, maar elke stap, die

Hij buiten Zich doet, doet Hij tot Zijn Eer, en

Zijn Volk ontvangt er het voordeel van!’

Hebt u dit al ondervonden?

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2022

Oude Paden | 64 Pagina's

Voorbereid op het ambt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2022

Oude Paden | 64 Pagina's