Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Herinneringen aan Hermanus van den Hoven (‘Een trouwe wachter’)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herinneringen aan Hermanus van den Hoven (‘Een trouwe wachter’)

20 minuten leestijd

De naam van Hermanus van den Hoven was wijd en zijd bekend. Hij werd vaak gevraagd om begrafenissen te leiden. Aan velen heeft hij geestelijk onderwijs gegeven. Kortgeleden is een nieuwe uitgave verschenen van het boekje met nagelaten brieven, dat een jaar na zijn overlijden verscheen. Dit was aanleiding om enkele herinneringen op schrift te stellen.

Bij mij thuis werd vroeger veel verteld over het godzalig voorgeslacht van mijn moeder (H.H. den Hartog-van Holten, geboren in 1935). Dit betrof onder meer haar overgrootvader Hermanus van den Hoven, geboren te Groot-Ammers op 8 oktober 1845, en overleden te Giessendam op 18 november 1931. Mijn moeder heeft hem dus niet gekend.

Naar aanleiding van het, tot onze verrassing, opnieuw uitgegeven boekje met zijn brieven Een trouwe wachter zou ik graag het een en ander willen delen. Het gaat om gebeurtenissen, die niet in de brieven terug te vinden zijn.

Manus van den Hoven is tot het laatst toe verzorgd door zijn kleindochter Mien, dochter van zoon Leen van den Hoven en Maaike de Groot. Na een longontsteking was hij niet meer in staat voor zichzelf te zorgen en is Mien (zelf was ze nauwelijks 20 jaar) bij opa ingetrokken om voor hem te zorgen. Omdat hij zelf niet kon schrijven, schreef zij de brieven voor hem. Hij dicteerde haar de inhoud van de brieven.

Hermina Hendrika van den Hoven was geboren op 9 april 1907 en op 27 september 1996 is ze overleden. Ik heb tante Mien, mijn oudtante, goed gekend. Vanaf mijn twaalfde jaar logeerde ik in de zomervakantie ja-renlang een weekje bij haar in Elspeet. Ze heeft altijd veel over haar opa verteld.

Na het overlijden van haar opa is zij getrouwd met Jacobus de Visser, geboren in Zeeland. Hij was onderwijzer in Giessen-Nieuwkerk, en later in Renkum en Elspeet. Het echtpaar bleef kinderloos.

Herinneringen

Zoals gezegd heeft tante Mien veel over haar opa verteld. Deze herinneringen zijn door mijn moeder ook doorgegeven in ons gezin en zijn nu voor dit artikel op schrift gesteld.

Het zijn allerlei herinneringen die niet altijd verband met elkaar hebben, maar dat lijkt me geen bezwaar. Hier volgen dan de herinneringen.

Als jong kind ging Manus al met zijn vader mee werken bij de boer.

Als deze boer water uit de sloot dronk, dan zette hij uit eerbied zijn pet af. Waarschijnlijk was Manus een vrijmoedig kind, want hij vroeg aan hem waarom hij zijn pet afdeed voor het water. De boer antwoordde: ‘Mijn Borg had het niet aan het kruis en de verdoemden hebben het niet in de hel, en ik heb het niet verdiend.’ Dit antwoord maakte veel indruk op hem.

Bij Manus thuis was er geen Bijbel in huis. Niemand van het gezin met acht kinderen kon lezen. Het dochtertje van de boer ging wel naar school en zij leerde Manus uit de Statenbijbel lezen. Hij kon dus wel lezen, maar niet schrijven, behalve zijn eigen naam. Hij had altijd iemand nodig om zijn brieven te schrijven. Hij ging thuis als kind eens hardop voor in gebed, toen de Heere zijn mond opende. Dat gaf veel beslag in het gezin.

Later werkte Manus als jongen bij een boer in Oud-Alblas en vandaar ging hij, als elfjarige jongen bij ds. A.P.A. du Cloux (deze stond daar van juni 1856 tot april 1857) naar de kerk. Hij liep dan vanuit zijn woonplaats Groot-Ammers naar Oud-Alblas. Hij was tijdens het lopen in gesprek met anderen en dan was het voor hem vaak al kerk voordat de kerkdienst begon.

Van den Hoven schrijft: ‘Ik ben getrouwd geweest, en die vrouw heb ik 44 jaar gehad. Nu ben ik 17 jaar weduwnaar. Vijf kinderen heb ik gehad, van wie er nog drie in leven zijn: twee dochters en een zoon. Nu zult gij wel vragen: hoe hebt gij ze gehad? Mijn vrouw was een goed bekeerd mens, daar heb ik een lief samenleven mee gehad. En mijn kinderen waren onderworpen en leefden mee met ons, goed overreed met een open consciëntie. Mijn oudste dochter [getrouwd met Adrianus van Walraven] heeft geen kinderen. De andere [getrouwd met Willem Bouwmeester] heeft drie zoons, voor de tijd oppassende kinderen. En mijn zoon heeft twee dochters. Eén ervan [dat is mijn oma, Annigje Jacoba, zij trouwde met de landbouwer Pieter van Holten] is getrouwd, en de andere is dag en nacht bij mij. Zij is 23 jaar; ik heb een buitengewone goede oppas. Mijn zoon en zijn vrouw leven nog bij de oude waarheid. Zij hebben grote achting voor het echte volk, en van de voorwerpelijke leer van onze tijd moeten ze niets hebben.’

Manus van den Hoven trouwde met Jacoba van Baren op 6 oktober 1871 en kreeg twee dochters: Hilligje (1872-1953) en Aartje Willemijntje (1873-1959). En later een zoon Leendert (1877-1934), de opa van mijn moeder. Leen trouwde met Maaike de Groot.

Eén zoontje, Leendert (5 december 1874 – 21 mei 1875) is jong overleden en voor hem mocht er duidelijk hoop zijn.

Het kind stierf ’s nachts en zijn vader had veel worstelingen met hem en kreeg te geloven dat hij goed heen gegaan was en vroeg de Heere om een teken.

Een kind van God, Teunis Kuiper, werd er ’s nachts bij bepaald dat een koningskind was thuisgehaald. Hij ging midden in de nacht lopen en waar het licht was, daar zou het zijn. Toen kwam hij bij Van den Hoven, daar brandde licht en is de Heere groot gemaakt.

De Heere had beloofd dat het kind in een nieuw graf begraven zou worden. Van den Hoven had zelf helemaal geen geld en was arm. Deze Teunis Kuiper heeft het graf betaald.

Over Teunis Kuiper lezen we ook op blz. 154-155 van Zoete banden die mij binden. Ook daar wordt vermeld dat hij ondersteuning gaf aan mensen die in financiële nood verkeerden.

Toen Teunis Kuiper terugliep naar huis, riep een onbekende schipper in het Kromme Gat (ergens langs de rivier de Merwede) hem toe: ‘Er is er vannacht één naar Huis gegaan.’

Dat was een tweede getuigenis, daarbij kreeg Van den Hoven te geloven, dat hij nog een zaad zou krijgen dat de Heere zou vrezen.

In 1877 is zoon Leen geboren, de opa van mijn moeder. Als zeventienjarige jongen bezocht hij de gezelschappen bij een zekere vrouw Van Kesteren. Over hem zou ook het een en ander te schrijven zijn. Uit overlevering is bekend dat Van den Hoven last had van een beklemde liesbreuk, maar de Heere nam het in één nacht weg. Hij hoefde niet geopereerd te worden. Een wonder.

Hij was ongeveer 35 jaar oud, toen zijn ziel gered werd. De geestelijke strijd was zo ernstig dat vrouw en kinderen het huis uitvluchten omdat het binnen niet te houden was.

Zijn dochter Mien diende als jong meisje in Bleskensgraaf. Daar ging de griep zo heftig rond dat veel mensen eraan stierven. Zij schreef dat in een brief naar huis en ook dat ze er zo bang voor was om het ook te krijgen. Haar vader kwam daarop in de schuld en toen ging de griep over.

Het gezin Van den Hoven had het arm en op een keer was er werkelijk niets meer te eten in huis en ook geen geld. Maar het gebeurde dat er op zaterdagavond een rijtuig voorbijkwam en dat de koetsier vroeg of ze lucifers hadden om de lantaarns van het rijtuig aan te steken. Toen hij het doosje met lucifers teruggaf, zat er tien gulden in. Daar konden ze weer van leven en nog net op tijd eten halen voor de zondag.

Eens moest Van den Hoven een rekening betalen, maar er was geen geld en dat werd nood. Zo gebeurde het dat de Heere hem bepaalde bij een plek in de vaart en dat hij daar moest gaan vissen. Hij ging naar die plaats en de vissen kwamen als het ware naar hem toe. Hij kon ze allemaal als het ware opscheppen en van de opbrengst kon hij de rekening betalen.

Ook andere keren gaf de Heere uitredding. Zo had z’n vrouw hem gevraagd op het kleerrek te letten en het binnen te zetten als het ging regenen. Maar doordat hij de tijd vergeten was door over geestelijke dingen te praten met een vrouw, die woonde in de boerderij ‘De omgekeerde wereld’, was hij de kleren vergeten. Ondanks dat het gestortregend had, waren de kleren niet nat geworden.

Als er ijs lag in de strenge winters, was er gelegenheid om vrienden op de schaats te gaan bezoeken. Je kon dan ook verder van huis gaan dan alleen lopend. Manus van den Hoven en zijn zoon Leen bonden dan de schaatsen onder.

Zo hebben ze ook een keer met de schaats een kind van een jaar of drie bezocht. Ze hadden gehoord dat de Heere genade in dat kind verheerlijkt had. Toen ze daar kwamen zat het jongetje onder de tafel met een schaapje te spelen.

Z’n moeder riep hem daarvandaan en toen heeft hij tegen deze mannen verteld wat de Heere gedaan had aan zijn ziel. Die begonnen te wenen omdat het kind er zoveel van geleerd had. Het jongetje ging daarna weer verder met spelen onder de tafel en heeft daarna niet lang meer geleefd.

Van den Hoven leidde veel begrafenissen. Er kwam dan een kaart met de post met daarop de vraag of hij zo en zo laat op de genoemde plek kon zijn. Dat moet in die tijd ook heel wat geweest zijn om daar dan ook daadwerkelijk te zijn.

Voor het leiden van zo’n begrafenis was ook licht van Boven nodig. Zo moest hij eens een begrafenis doen, maar de staat van de vrouw die hij begraven moest was voor hem duister. Hij ging voor in gebed, maar hij kreeg er geen licht in.

Toen zei hij: ‘Laat ik het nog één keer proberen’, en toen kreeg hij de woorden: ‘Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, ontbrak niet’. Dat gaf licht, en daaruit is de overledene toen begraven. Hetzelfde heeft ds. Wijnmaalen verteld. Manus van den Hoven had een luide stem en was goed verstaanbaar. Vaak bevond een begraafplaats zich half in het polderlandschap. Mensen die in het land werkten, hielden op met hun werk en luisterden mee. Zo is ook eens een boer in Bergambacht, die op zijn land aan het sloten was, door de Heere in het hart gegrepen. Ook waren er mensen die speciaal gingen luisteren als hij de begrafenis deed, zoals Belia den Toom uit Hardinxveld-Giessendam.

Kleindochter Mien vertelde later dat zij zich weleens schaamde als hij voor moest gaan om een begrafenis te leiden, omdat opa’s overjas zo versteld was en bijna niet meer te repareren was…

Mien was nog jong toen ze opa verzorgde. Tijdens die periode werd ze ernstig ziek en kreeg tbc. Het gebed van opa voor haar is verhoord en ze is weer beter geworden.

Het huis van Van den Hoven aan de Wijk B83 te Giessendam is afgebroken, het stond vlak bij de spoorlijn met een groen klompenhokje. Er staat nu een bedrijfspand van De Rooij. Langs deze spoorlijn liep hij ook naar zijn vriend Huibert van Wijk in Dalem. Toen hij daar woonde, maakten jongens op een zondagavond eens zo’n herrie dat hij niet kon lezen en naar buiten ging om ze te waarschuwen. Ze reageerden brutaal: ‘Hij moet maar naar z’n eigen kijken’. Toch werd er één met de naam Schouten, een daggelder, in het hart gegrepen. Het was bekend dat deze jongen sindsdien nooit meer over de wereld praatte.

Hermanus van den Hoven schreef een voorwoord in het boek Overgeschoten brokskens met brieven van Jan de Ruiter te Hardinxveld, Leen Capelle te Maassluis en Neeltje Breedveld te Delft. Zoals elders vermeld in dit artikel was dit aanleiding voor A. van den Ende om een brief aan Van den Hoven te schrijven. Jan de Ruiter uit Hardinxveld was een goede vriend van hem. Deze hield van duiven en had een duiventil. Leen, de zoon van Manus van de Hoven, kon mooi letters schilderen. Hij had de schildersschool in D ordrecht gevolgd en schilderde letters op grafstenen. Jan de Ruiter wilde graag op een plank het volgende gedicht geschilderd hebben om boven de til te hangen. Dat gedicht had hij zelf gemaakt:

Wanneer ik deze duif voor ene kruim zie buigen,

Dan komt het weerloos dier nog tegen mij getuigen.

Neemt hij een droppel nat, dan gaat zijn kop naar boven.

Dan komt hij met zijn stem zijn Schepper nog te loven.

Maar ach wat is de mens, die alles heeft verloren,

die zelfs nog na de vloek zijn stem durft laten horen.

Leen leerde dit gedicht aan zijn kinderen (mijn oma Anneko en haar zus Mien). Tante Mien heeft het op haar beurt weer mijn moeder geleerd. Zij heeft het goed onthouden en zegt het nog regelmatig op als zij een duifje ziet.

Het voorwoord uit het oorspronkelijke boekje Een trouwe wachter is geschreven door ‘een vriend’ wiens naam niet genoemd wordt. Deze vriend was Johannes den Hartog (1894-1959), een oom van mijn vader, K.C. den Hartog (geboren in 1933).

In dit boekje Een trouwe wachter vallen de families van mijn ouders samen. Door het contact van hun beider voorgeslacht hebben ze elkaar leren kennen en langs deze weg ben ik, samen met mijn broer, ook onder het preeklezen opgegroeid.

Toen ik als twintigjarige zijn brieven las, heb ik vaak gedacht: wat zou ik hem toch graag eens gesproken hebben.


Na het overlijden van haar opa heeft kleindochter Mien een brief geschreven aan het echtpaar A. van den Ende (1862-1949) en A. van den Ende-Flikweert (1850-1935) te Nieuwerkerk.

Adriaan van den Ende en Manus van den Hoven kenden elkaar niet, maar Van den Ende had het Voorwoord gelezen dat Van den Hoven geschreven had in Overgeschoten brokskens van Jan de Ruiter te Giessendam, Leen Capelle te Maassluis en Neeltje Breedveld te Delft, Romijn & van der Hoff Gorinchem 1930. Van den Ende heeft toen een brief geschreven aan Van den Hoven, en daarna zijn ze met elkaar in contact gebleven. Of ze elkaar weleens persoonlijk ontmoet hebben is niet bekend.

J. van Dam heeft deze gegevens in het kerkblad van de Oud Gereformeerde Gemeente in Kinderdijk vermeld toen hij een brief van Van den Ende weergaf waarin deze schreef over Gods leidingen met hem.

Giessendam, 29 november 1931

Met dezen komen wij u danken voor uw hartelijke deelneming in ons zo zwaar verlies. We hebben het er dikwijls over gehad in opa’s ziekzijn, maar nu de slag gevallen is, voelen we pas goed de lege plaats die hij gemaakt heeft. En o, mocht de God van opa toch die lege plaats eens komen te vullen. (…) Opa is dertien weken ziek geweest. En in de eerste week heeft hij al afscheid van ons genomen, want hij werd gewaar dat de dood ermee in verband stond, met deze woorden: “De tijd mijner ontbinding is aanstaande.” En toen heeft hij ons opgedragen aan God, en dat was zo krachtig, en hij kwam het de Heere nog af te smeken, of er nog een zegen achter mocht blijven voor zijn nageslacht. En toen heeft opa zijn boodschap afgelegd en nu ligt het voor ons. Het was zo aangebonden bij opa, hij kreeg een gezicht uit Openbaring 10, op die Engel Die zijn rechtervoet op de zee zette en Zijn linkervoet op de aarde en Hij zwoer bij Die, Die leeft in alle eeuwigheid, dat er na dezen geen tijd meer zijn zou. Daar heeft opa toen veel uit gesproken. En toen zijn er nog zoveel weken overheen gelopen, dat wij weleens zeiden: “Opa, u knapt misschien wel weer een beetje op.” Maar hij zei altijd: “Mijn tijd van ontbinding is aanstaande. Ik wens meer en meer om ontbonden te worden en met Christus te zijn.” Menigmaal heeft hij dat versje gezegd: “O eeuwigheid, kom ras, ach dat ik bij U was.”


Hij heeft nog eens een buitengewone ontsluiting gehad op een avond, zodat de liefde Gods hem overweldigde. Hij was zo bedroefd en God was zo goed over zijn ziel. Hij kreeg zo die woorden uit Jesaja 40: “Spreekt naar het hart van Jeruzalem en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.” Hij was erin verslonden en riep uit: “Het heeft geen oor gehoord en geen oog gezien, wat God weggelegd heeft voor diegenen die Hem vrezen!” En hij was zo vermanend, met het de mensen aan te zeggen wat ieder te duchten stond die onbekeerd kwam te sterven. En het had zo’n overwicht, dat wij, en al de mensen, want het huisje zat vol, zaten te wenen. Opa zei: “Ze zouden bij beurten zingen in die wijngaard.” U begrijpt dat wel, hè, Van den Ende. En hij lag in die gang zo: “Ik leve, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”

Nu, geachte vriend en vriendin, ik heb u in alle gebrek het een en ander meegedeeld, hoe opa de laatste tijd gelegen heeft. Op de morgen van zijn sterfdag zei hij: “nu is het geregeld maar: ‘Ziet, uw licht komt.’ Maar dan zal het zijn: ‘Hier rusten de vermoeiden van kracht’, dan houdt de stem des drijvers op.”

Even voor zijn heengaan hief hij zijn handen omhoog en hij sloeg zijn ogen op en riep: Hoe zalig is het volk dat naar Zijn klanken hoort. Dat was het laatste, toen is hij stilletjes gaan liggen sterven. We zagen het al minder en minder worden. Hij heeft helemaal geen doodsstrijd gehad.

En nu zal ik u nog wat vertellen van zijn begrafenis. Er waren zowat 400 mensen gekomen om hem mee te begraven. En het was een dag van vrede, daar de Heere Zijn goedkeuring op gegeven heeft. Er is door drie vrienden een woord op zijn graf gesproken en er is nog een versje gezongen uit Psalm 68 vers 2: “Maar ’t vrome volk, in U verheugd, enzovoort”. Hoewel opa niet erg was voor zingen op een graf. Hij zei altijd: “Het is geen zingenstijd.” Maar de vrienden zeiden: “Het kan op Manus van den Hoven wel lijden.”

Het was een grote toeloop van mensen, bij elkaar wel een duizend. Opa is als een koning begraven. Hij was ook een koningskind. En de meeste mensen waren onder de indruk, want ze hielden veel van opa. (…) Nu eindig ik met de minzame groeten aan u beiden van vader en moeder en van mij, Mien van den Hoven

(Uit: H. Natzijl/H.J. van Dijk, Zoete banden die mij binden. Gezelschapsleven in de Alblasserwaard, Houten 1995.)


In Oude Paden van september 2018 heeft C.D. Hoogendijk een artikel geschreven waarin hij herinneringen van ds. A.J. Wijnmaalen weergeeft aan diens grootouders.

‘Mijn grootouders zijn beiden door Manus van den Hoven begraven. Met hem hadden zij veel contact. Grootvader Adrianus Wijnmaalen overleed toen ik een jaar of twaalf was. Grootmoeder Hillegonda Wijnmaalen-de Roo overleed drie jaar later, in 1929. Ik herinner me nog dat er een man op de begraafplaats stond met zo’n grote dovenhoorn, zo’n soort toeter. Hij wilde niets missen van wat er gesproken werd en probeerde zo dicht mogelijk bij de spreker te staan. Ik kreeg nog een oplawaai met die toeter. Op zich was het al heel bijzonder dat Manus van den Hoven leiding kon geven aan de begrafenis van grootmoeder. Hij had al zeven weken lang longontsteking en hij was bang dat hij de begrafenis niet zou kunnen leiden. Totdat hij kreeg te geloven dat hij kracht zou krijgen om uit Giessendam naar Delft te gaan. En dat is dus ook gebeurd. Toen hij die maandagochtend van huis ging om grootmoeder te begraven, vroeg hij in zijn gebed: “Heere, die man was een gekende, maar die vrouw nu?” Daar kwam de Heere krachtig over met deze woorden: ” ... en dien, die weinig verzameld had, ontbrak niet” (Exod. l6: l8). Toen heeft hij haar gemakkelijk mogen begraven en de Heere gaf getuigenis aan Zijn eigen werk.’


In 1925 startte Floris Gerardus (Floor) de Ruiter uit Hardinxveld met het wekelijks verschijnend nieuwsblad Rondom de Giessen. Weekblad voor de Alblasserwaard. Hijzelf vulde de kolommen met artikelen van uiteenlopende aard. Hij schreef ook onder pseudoniem.

Zo was er de brievenrubriek ‘Uit de pen van tante’. Maar tante Suzanna, die schreef aan haar nicht Tine, dat was De Ruiter zelf. Hij had over veel dingen – ook op godsdienstig gebied - een eigen mening. Soms regende het ingezonden stukken en opzeggingen, maar meestal meldden de ontstemde abonnees zich toch weer aan. Ze konden het blad blijkbaar niet missen. (Mededelingenblad Historische Vereniging Hardinxveld-Giessendam Jaargang 34 nummer 1 Voorjaar 2012)

Floor de Ruiter kende de ‘thuiszitters’ van zijn jeugd af aan, maar begrijpen deed hij ze niet erg. In de rubriek ‘Uit de pen van tante’ schreef hij: ‘Wat gaat daar om in die harten achter die zwarte overhemden en die donkere schorten? Waar praten die menschen over als ze bij mekaar zijn? Waaraan herkennen die menschen mekaar? Wat vervult die menschen en waar gaat hun hart naar uit? Waarom zien ze er zoo somber uit en waarom lezen ze zoo langzaam en waarom zingen ze nog langzamer dan in de kerk?’

Maar toch had De Ruiter een zekere belangstelling voor de thuislezers. Hij heeft daarom ook in de eerdergenoemde rubriek geschreven over Manus van den Hoven en diens begrafenis. Op de voorpagina van Rondom de Giessen van 27 november 1931 nam hij de foto van de rouwstoet en een uitgebreid onderschrift op.

Tante Suzanna (De Ruiter dus) schreef aan haar zogenaamde nicht Tine: ‘Ik voelde me gedrongen mee te gaan naar de begraafplaats in Oukerk, waar een van hen, een zeer groote onder hen, begraven zou worden. Ik had wel gedacht dat er belangstelling zou zijn, want Manus van den Hoven was wijd en zijd vermaard, een man van bijzondere gaven van verstand en hart, met buitengewone spreekgaven en bovendien iemand wiens levenswandel respect afdwong. Maar dat er zooveel menschen mede zouden gaan op dezen – voor de wereld – eenvoudigen man te begraven had ik niet kunnen denken. Hij woonde de laatste jaren even over ’t spoor, maar uit de woning van zijn zoon werd het stoffelijk overschot weggedragen. Vroeger heeft hij in dat huis zelf gewoond. In dat huisje aan de Giessen heeft hij honderden menschen ontvangen, want bij hem kwam het “volk” bijeen om de Waarheid te hooren. Deze man - deze eenvoudige mensch, die met visschen en tuinieren zijn brood verdiende en dus voor de wereld niet veel beduidde – was een profeet onder de thuiszittenden en als zoodanig is hij ook geëerd, op den dag van zijn begrafenis. Toen ik langskwam op weg naar Oukerk telde ik bijna veertig voertuigen – rijtuigen, auto’s, bussen – waarmee familie en vrienden naar hier gekomen waren om hem mede de laatste eer te bewijzen. Er waren er zelfs uit Zeeland en uit Huizen voor overgekomen en iemand die wel schatten kan zei me dat er wel meer dan vijfhonderd menschen op het kerkhof geweest zijn. Ik zou je zoo graag willen vertellen wat er gezegd is, Tine. Maar ik zou het niet kunnen, want er is veel gesproken dat zich niet oververtellen laat. Want dat volk heeft een eigen taal en een eigen manier van zeggen, zelfs een eigen manier van zingen. Twee psalmen zijn er gezongen, Psalm 68:2: “Maar ’t vrome volk in U verheugd” en een versje uit Psalm 74. Ik meen dat het in de oude berijming werd voorgezegd, en daar velen het niet kenden, kon ik het ook niet volgen, maar ik geloof dat het dit, voor dit volk typerende vers was:

“Wij zien aan ons, na al dit ongeval,

Geen teek’nen meer van Uwe gunst gegeven.

Niet één profeet is ons tot troost gebleven,

Geen sterv’ling weet hoe lang dit duren zal.”’

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 2023

Oude Paden | 64 Pagina's

Herinneringen aan Hermanus van den Hoven (‘Een trouwe wachter’)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 2023

Oude Paden | 64 Pagina's