De boeken van de dominee
Het was ds. L. Boone die zei: ‘Als God een mens bekeert, krijgt hij altijd een boekenziekte.’ In de boeken vindt zo iemand dan z’n leven verklaard. Oude schrijvers zijn z’n lust en leven geworden. Je gaat ze verzamelen en sparen: boeken, liefst oude.
Kasten van gebouwen waren het vaak, de oude domineeshuizen, met enorme kamers, hoge plafonds en grote ramen. Het huis van de dominee was meestal een slag hoger dan het schoolhuis van de bovenmeester, ook hoger dan de hooiberg van de buren, soms zelfs hoger dan het dak van de kerk. De dominee was nu eenmaal geen dienstknecht van mensen, maar van de Allerhoogste. Bij hem paste slechts een pastorie, een deftig huis.
Het Boek der boeken
Protestantse pastorieën werden niet alleen gebouwd voor gezinnen met veel kinderen, ook de boeken van de dominee hadden nogal wat ruimte nodig. Het Woord moest immers verklaard worden. En om het Boek der boeken te verstaan, zijn boeken nodig. Daarin wordt het geestelijk leven uit de doeken gedaan. Boeken vormen voor de dominee zijn theologisch gereedschap, ze zijn nodig voor grondige Bijbelstudie en exegese.
Vaak stonden de boeken in zijn studeerkamer rijen dik, keurig gecatalogiseerd, op naam van de auteur en op volgorde van het onderwerp, allemaal even degeliik, soms ook even stoffig. Perkamenten en folianten vulden enorme kasten langs de wanden. Er stonden oude, vergeelde banden bij, vaak dikke turven, allemaal erfgoed der vaderen, soms wel heel zeldzaam. Vaak was het overjarig koren uit de schat des Woords, rug aan rug, strak tot aan het plafond, een enkele maal afgewisseld door portretten van de grote hervormers en protestantse kerkvaders.
In de studeerkamer van de oude pastorie heerste vaak de stilte der eeuwen. Daar las de dominee de Bijbel in de grondtaal en zocht hij als een schriftgeleerde naar een tekst voor komende zondag. In het studeervertrek werd gewichtige arbeid verricht. Daar werd voor land en volk en voor de gemeente gebeden en soms de geestelijke strijd gestreden. Als daar gewerkt werd, mochten het domineeskroost alleen maar stiekem even om het hoekje kijken.
Strekkende meters
Domineeskinderen groeiden op in een huis vol boeken. Hoeveel boeken er stonden in het huis van hun vader? Geen kind die daar enig idee van had. Het ging niet eens meer over het aantal boeken, ze waren toch niet meer te tellen, gemakshalve schatte men de bibliotheek dan maar op het aantal strekkende meters. Een dominee met honderd meter boeken was heel gewoon. Beter was ’t als hij tweehonderd meter had, of nog veel meer.
Ds. M. van Kooten heeft in het Reformatorisch Dagblad (26 oktober 2006) al eens verklaard dat Gisbertus Voetius zo ontzettend veel boeken had dat zijn tegenstanders hem weleens ‘een omgevallen boekenkast’ noemden. Er werd gezegd dat Voetius 4777 boeken had, en hij wist ook nog eens wat er in stond. Franciscus Ridderus en Ledeboer hadden ook enorme bibliotheken, net als Theodorus van der Groe en de Engelse Spurgeon. In de twintigste eeuw stonden ds. P.J. Dorsman en ds. J. van der Haar ook bekend om hun boekencollecties. Fabelachtig gewoon, zo veel boeken als zulke schriftgeleerden bijeen hadden gespaard. Hun studeerkamers waren verzamelplaatsen van theologische kennis en godsdienstige geleerdheid geworden. Nee, heus, ze zouden van al die boeken geen afgod maken!
Achterstevoren in de kast
In het boek De protestantse pastorie in Noord-Nederland (Gorredijk, 2018) schrijft Arjen Dijkstra, onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen, over de studeerkamer van de gemiddelde zeventiende-eeuwse predikant. Het was hem al eens opgevallen dat de dominee zijn boeken vaak ‘achterstevoren’ in de kast zette: ‘Boekbanden werden met metalen sloten dicht gehouden, en als die langs andere boeken schuurden zou dat beschadigingen opleveren. De zeventiendeeeuwse predikant zette dus zijn boeken met de rug naar ‘binnen’ en de buik naar ‘buiten’. Die buik is soms gekleurd, vooral in rood en blauw, en soms is de titel van het boek daarop genoteerd.’
Op die manier zag een boekenkast er natuurlijk wel iets anders uit dan die van ons. Maar het ging bij boeken natuurlijk niet om de buitenkant, maar om de binnenkant, om de rechtzinnige inhoud ervan. Wat stond er bij de dominee al niet op de boekenplank? Natuurlijk, Calvijn en Zwingli, soms ook klassieke werken van Cicero of Erasmus, vanzelfsprekend ook Bijbelcommentaren, concordanties, psalmboeken, bekeringsgeschiedenissen en rechtzinnige werken van Brakel of Van der Groe, Kohlbrugge mitsgaders Smijtegelt. Dominee bezat ook wel een enkel polemisch boek over de theologie van wederdopers en menno-nieten op de plank, naast boeken over de kerkgeschiedenis en woordenboeken Grieks en Latijn, die waren ook van belang voor een goede preek.
Boeken als vrienden
Ds. C.E. van Koetsveld, de auteur van Schetsen uit de pastorij te Mastland (1843) hield ook veel van zijn boeken. Het waren zijn vrienden. Hij kende ze allemaal: ‘Mijn boeken leven voor mij, en hebben hun eigen plaats, die ik in den blinde tasten kan; zij zullen die behouden, zolang ik mijn plaats behouden mag; wij hebben elkander meer gesproken, maar zij blijven mijn vraagbaak, omdat hun geheugen beter is dan het mijne.’
In het boek Over oude pastorieën en pastores (Zutphen, 2004) vertelt dr. L.A. Snijders over de jonge François HaverSchmidt (de latere predikant) die eens met zijn broertje mocht logeren bij grootvader François Bekius in Dantumawoude: Hij herinnert zich hoe zij ontbeten in de studeerkamer en dat enkele van de dikste folianten op de stoelen werden gelegd, zodat ze op gelijke hoogte met de volwassenen hun boterhammen konden eten. ‘Hoe heerlijk zoveel geleerdheid onder zich te hebben.’ Wat voor dikke folianten waren het die als stoelverhoger moesten dienen? ‘We kunnen wel veronderstellen dat het de drie perkamenten Concordantie van Trommius zijn geweest en dat bij voorbeeld ook de Joodse Oorlogen en Antiquiteiten van Flavius Josephus of de vier delen van Hellenbroeks Jesaja natuurlijk ook uitnemend geschikt zijn als zitvlak. Maar voor dit soort veronderstellingen koop je niets.’
Het zal wel heel wat waard zijn geweest, die bibliotheek van ds. Bekius! Helaas. ‘De boeken uit de studeerkamer zijn op een auctie (openbare verkoping, red.) verkocht. Ze hebben haast niets opgebracht, zegt mijn vader.’ HaverSchmidt had dus dezelfde ervaring als veel andere domineeskinderen. Ze zijn zwaar teleurgesteld als de antiquaar, voor de pastorale boekenkast staande, zegt: ‘Slechts enkele boeken zijn iets waard. De rest wil ik wel meenemen, maar ik kan er niet veel voor geven.’
Ds. J. van der Haar
Dr. Snijders weet in zijn boek Over oude pastorieën en pastores ook het nodige te zeggen over de bibliotheek van ds. J. van der Haar (1917-2001). Het was ds. Van der Haar vooral te doen om de werken van de gereformeerde vaderen en de predikers van de Nadere Reformatie. Op de plank stond veel van Calvijn en Luther, Kohlbrugge, Ridderus en Spurgeon, naast Smijtegelt, Teellinck, Comrie, Van der Groe, Van Lodenstein en Hellenbroek, maar ook Schortinghuis stond er, de man van ‘de vijf nieten’.
De jonge Van der Haar was al een echte verzamelaar, schrijft Snijders. ‘Reeds als student was hij druk in de weer met het catalogiseren van de omvangrijke bibliotheek van dr. Steenblok.’ Hij rangschikte de boeken van Steenblok op alfabetische volgorde, van ‘algemeen’ tot ‘verbonden’. Van der Haar schreef daarbij: ‘Wij mogen onze vaderlandse theologie en de Stichting van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland wel speciaal gelukwensen met zulk een rijk bezit, een aparte catalogus waardig.’
Oude schrijvers waren echter geen verzamelobject, vond ds. Van der Haar. Daar waren ze nu eenmaal niet voor. Ze waren bedoeld ‘om gelezen te worden tot onderrichting, tot ontdekking en tot stichting van Gods Kerk. Wie daarvan een studieobject maakt, laat alles aan de buitenkant hangen’ (citaat uit een interview met ds. Van der Haar, in Levenslang leerling, Heerenveen, 1997).
In datzelfde vraaggesprek zegt ds. Van der Haar dat de waarheid die de oudvaders brachten, blijvend actueel is. ‘De oude wijn is beter dan de nieuwe wijn. Dat is ook een Bijbelse gedachte. Ik lees dus liever een oude schrijver dan een nieuwe schrijver. (…) Ik heb geen moeite met hun stijl, niet met hun taal, en niet met oude druk. Die oude druk heb ik me vroeger zelf eigen gemaakt.’
Trouwens, de ene oudvader was de andere niet, zei ds. Van der Haar. ‘En ze zijn het ook niet in alle dingen met elkaar eens geweest. De één legde de accenten anders dan de ander, maar je moet ze niet tegen elkaar uit willen spelen.’
Bekeringsgeschiedenissen konden nog weleens verkeerd gebruikt worden, als een soort toetssteen, vond ds. Van der Haar. Toch las hij ze graag en had er hele rijen van staan.
Als oude van dagen kreeg ds. Van der Haar van zijn kerkenraad met de kerstdagen ook eens een boek. Het was de bekeringsgeschiedenis van Leen Capelle. Hij zei: ‘Toen dacht ik: Ik heb er nu de tijd voor, dus ga ik dat hele boek eens goed lezen. En ik heb daar toch zulke aangename kerstdagen mee gehad. Ik werd er vernederd en vertederd onder.’ En dus was het: ‘Ook een bekeringsverhaal kan dienstbaar zijn, als je maar nooit gaat denken dat je op dezelfde wijze bekeerd moet worden als die of die.’
Dr. K.H. Miskotte
Wie ook dol op boeken was, was dr. K.H. Miskotte. Na zijn emeritaat in 1959, verhuisde hij naar de leegstaande voormalige pastorie in Voorst, de Olde Wheme. Daar kreeg hij de beschikking over drie kamers voor zijn boeken. Hij genoot ervan. Hoewel, zijn zoon minder: ‘Ons huis was altijd met boeken volgestouwd, tot op de zolder. Grote kasten, kleine kastjes vol. Maar dat was nooit voldoende. Dus, waar het maar even kon, planken aan de muur. Zo is het geweest in de pastorie in Kortgene en in Meppel, op de Baan in Haarlem, op de Willemsparkweg en op het Olympiaplein in Amsterdam en op de Wassenaarseweg in Leiden.’
Dat vader Miskotte bij zijn emeritaat graag naar Voorst verhuisde, kwam vooral door die beschikbare ruimte voor zijn boeken, zei Miskotte jr.: ‘Een van de doorslaggevende redenen om in dit huis te gaan wonen was de mogelijkheid om dwalend door deze ruimten zijn boeken te kunnen overzien.’
Opmerkelijk was dat Miskotte sr. het boek dat hij nodig had vrijwel blindelings wist te vinden. Miskotte jr.: ‘Ondanks de vangst van een grote hoeveelheid vissen uit de oceaan van boeken in de loop der jaren, scheurde het net niet.’
Dr. Snijders schat dat in de Olde Wheme in Voorst tweehonderd meter aan boeken stond. En over al die boeken was dr. Miskotte de dirigent: ‘Hij is de dirigent, die leiding geeft aan een orkest dat bezig is aan een uitvoering van zijn compositie. Met zijn stokje nodigt hij nu deze dan gene uit om gedurende enkele maten als solist op te treden.’
Boeken van dr. Steenblok
In het kerkelijk bureau van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland te Opheusden staan de boeken van dr. C. Steenblok. Het zouden er zo’n 8000 kunnen zijn, al met al 210 meter. Zeven grote stellingkasten zijn er voor nodig.
Kort na het overlijden van dr. Steenblok in 1966 verscheen er in het kerkblad De Wachter Sions, onder het kopje Mededeling en opwekking een oproep om zijn boeken niet verloren te laten gaan. Het opbouwen van die bibliotheek was zijn levenswerk geweest.
De boeken kregen eerst een voorlopige plaats op de studeerkamer van student A. Wink. Later verhuisden ze naar een zolderkamer van de kosterswoning aan het Stationsplein in Gouda. In 1977 verhuisde de bibliotheek van dr. Steenblok naar de eerste verdieping van Huize Winterdijk te Gouda. Nadat in 2017 het kerkelijk bureau van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland een kantoorruimte kreeg in Opheusden, kreeg ook de boekencollecte van dr. Steenblok daar een plaats.
In een artikel in het Reformatorisch Dagblad (26 november 2014) zei bibliothecaris J.W. van Berkum: ‘Aan de boeken die dr. Steenblok naliet, kun je zien dat hij breed belezen was. Waarschijnlijk richtte hij zich meer op de Hollandse oudvaders dan op de Engelse en de Schotse. Als je echter de artikelen naleest die hij voor het kerkblad schreef, merk je zijn brede interesse.’
Ouderling J.M. Visser, lid van de Stichting tot bevordering en instandhouding van de zuivere waarheid, onder meer verantwoordelijk voor het beheer van de bibliotheek van Steenblok, zei in dat RD-artikel: ‘Dr. Steenblok las veel Hollandse oudvaders, onder wie Teellinck, Van der Groe en Van Mastrigt en de groep rond Alexander Comrie. Maar hij keek daarbij breed om zich heen, was theologisch in veel dingen geïnteresseerd. Hij schafte ook wel nieuwe theologische boeken aan waarvan hij bij voorbaat al wist dat hij er inhoudelijk afstand van zou nemen. Dr. Steenblok wilde op de hoogte blijven van theologische ontwikkelingen, ook buiten zijn eigen kerk en buiten zijn eigen kring.’ Van Berkum wees in de catalogus enkele zeldzame titels aan: Het tegenwoordighe ende toecomende Oordeel Gots van Theodorus van Altena (1662). En Twee bevindelijke en trouwhertige Brieven, geschreven door N.N., waarvan de eerste brief geschreven is aan Benj. Arrenberg, ‘en gerigt ter verkl. van de Rechtzinnigheit der Ziels-Eenzame Meditaties’.
Nog steeds wordt de bibliotheek van dr. Steenblok veelvuldig geraadpleegd. Van Berkum zei: ‘Wij lenen tegen een kleine vergoeding boeken uit aan particulieren die willen lezen tot hun eigen stichting. Maar ook aan onderzoekers van de kerkhistorie en aan schrijvers van artikelen voor bladen zoals Oude Paden. Ook studenten van een vereniging als Solidamentum komen hier wel, als ze bij voorbeeld informatie zoeken over Brakel of over de puriteinen.’
Visser en Van Berkum vertelden dat dr. Steenblok over een fotografisch geheugen beschikte. ‘Hij wist precies waar alles stond. Hij vormde bij voorkeur boekenrijen die van gelijke hoogte waren. Op die manier namen ze zo weinig mogelijk ruimte in.’ Zo kon het best gebeuren dat het ene boek over de Schotse of Engelse kerkgeschiedenis ging, terwijl het boek ernaast een Duits woordenboek was. Daar weer naast kon heel goed De wonderwerken van Moses van David Knibbe staan.
Visser: ‘Als op een kerkelijke vergadering een van de afgevaardigden een bepaald boek wilde raadplegen, kon het zomaar gebeuren dat Steenblok iemand naar zijn studeerkamer stuurde met de boodschap: De eerste kast, de tweede plank, het vierde boek van links.’ De bibliotheek van dr. Steenblok wordt beheerd door bibliothecaris H.D. den Toom.
Bunyan, Gezelle, Prediker
De Engelse John Wesley zei weleens: ‘Pas op dat gij niet door boeken wordt verslonden.’ En Guido Gezelle dichtte: ‘Wijsheid vindt men in de boeken; wijs zijn zal men verder zoeken.’
Toen John Bunyan in het huwelijk trad, leefde hij nog zonder God in de wereld. De vrouw met wie hij trouwde was arm, maar zij was eerlijk in de oude waarheid onderwezen. Zij kreeg uit haar ouderlijk huis twee boeken mee: Het pad des eenvoudigen ten hemel en De beoefening der Godzaligheid. Zij las hem eruit voor. Het was tot een eeuwige zegen voor hun onsterfelijke ziel. In Luthers uitleg van de Brief aan de Galaten vond Bunyan uiteindelijk wat hij zocht. Hij omschreef dat boek als ‘het meest geschikt voor een gewond geweten’. En het Boek der boeken werd uiteindelijk de gids op heel zijn levenspad. In drie boeken plus het Boek vond Bunyan de weg ten leven. De Heere heeft slechts een enkel woord nodig.
De Prediker wist het ook: ‘En wat boven dezelve is, mijn zoon, wees gewaarschuwd: van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezen is vermoeiing des vleses.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2024
Oude Paden | 64 Pagina's