‘Uit de grootste rampen kan de Heere de heilrijkste zegeningen doen voortkomen.’
De stormvloed van 1825
In februari 1825, dit jaar dus tweehonderd jaar geleden, werd een gedeelte van ons land geteisterd door een zware stormvloed. Vooral ook de kustgebieden van de Zuiderzee werden zwaar getroffen. Verschillende kerkgebouwen, zoals bij voorbeeld de kerk van Doornspijk, liepen grote schade op. In Nederland waren 379 slachtoffers te betreuren, van wie 305 in de provincie Overijssel.
Een week na deze verschrikkelijke gebeurtenis gaf ds. A.S. Thelwall, predikant bij de Engels Episcopaalse Gemeente te Amsterdam, een geschrift uit onder de titel: Keert u tot Hem Die slaat. Zijn Christelijke opwekking aan de Nederlanders bij gelegenheid van de overstromingen in februari 1825 werd honderd jaar later opnieuw uitgegeven ‘en van een historische toelichting voorzien’ door dr. J.C. Rullmann.
Rullmann bracht in herinnering dat ons land al sinds eind september 1824 ‘door ruwe stormen, geweldige stortregens en hoge watervloeden bezocht was geworden. Gedurende vijf maanden had men bijna geen schone dag beleefd. De wind draaide naar alle streken. In het buitenland was het al sinds de lente van 1824 onstuimig weer geweest. In verafgelegen landen deden verschrikkelijke aardbevingen de mens sidderen en beven. Geduchte natuurrampen brachten allerwege verwoestingen aan.’
In november 1824 kwam de stad Rotterdam voor een gedeelte onder water te staan, als gevolg van een noordwesterstorm die ‘de stroom met snelle vaart de Maas deed afkomen en bij Rotterdam opstuwde. De dijken langs al onze kusten werden vreselijk geteisterd en hun kruinen weggeslagen.’ Gelukkig braken de dijken niet door. Er kwamen echter opnieuw angstaanjagende berichten over overstromingen in het buitenland.
Kritieke situatie
In januari 1825 werd de toestand in Nederland weer kritiek. Door de zachte winter waarin veel regen was gevallen, stond het water vooral in het noorden van het land heel hoog. Begin februari waaide er een hevige zuidwestenwind ‘die het water met grote kracht door het kanaal in de Noordzee joeg.’ Op woensdagavond 2 februari draaide de wind naar het noordwesten. ‘Verbazend steeg eensklaps het peil der zee, zodat er bij de nu komende springtijen een hoge vloed te duchten stond.
Te Amsterdam waren de dagen van 2 en 3 februari bang. De eilanden Kattenburg, Oostenburg en Wittenburg werden overstroomd, de woningen aan de Haringpakkerij door het water benauwd, en zelfs die aan de Buitenkant waren niet zonder gevaar. Op de 4 e en in de nacht van de 5 e steeg het water tot een nooit gekende hoogte. Het laatste uur van Amsterdam scheen geslagen. Een vloed van nog ’n kwartier, en de hele stad zou overstroomd zijn.
In de nacht van de 5 e februari was alle man op de been. Men maakte kistingen allerwege. Het water had reeds alle kelders in de Haringpakkerij en op de Haarlemmerdijk en het daar aangrenzend gedeelte gevuld en stroomde op de Buitenkant tot aan de deuren der huizen. De gehele stad, naar de kant van het IJ, verwachtte de volle vloed. De brug naar de Nieuwe Stadsherberg stond onder, schudde en beefde. Elk ogenblik dacht men dat ze, door het water, van haar palen gerukt en vlot gebracht zou worden.’
De inwoners van Amsterdam beleefden angstige momenten. ‘De woedende zee dreigde het prachtig Amsterdam met al zijn schatten in één ogenblik te vernielen. Maar opeens scheen de wind het zwijgen te worden opgelegd, het water bedaarde en deinsde allengs terug. Amsterdam was gered.’
Dijkdoorbraak
Kort daarna kwam echter het bericht van de doorbraak in de Waterlandse Zeedijk bij Durgerdam. ‘Een zwaar metselwerk, de zogenaamde Stenen Beer, werd door de geweldige kracht van het water opgebeurd, omgekanteld en in zee geworpen. Dit onheil was de oorzaak van veel verwoesting en dood in Noord-Holland. Want nu stonden daar in weinige minuten wegen en straten onder, het water spoelde door de huizen en stallen. Van polder tot polder brak het door. De ene dijk na de andere bezweek.’
Rullmann beschreef de vreselijke gebeurtenissen die toen plaatsvonden. ‘Men hoorde een oorverdovend geraas. De huizen schudden en kraakten. Men zocht zijn toevlucht op daken, in watermolens of bomen. Huisraad, levensmiddelen en voeder dreven weg. Vreselijke waterbergen sleepten bomen, muren, huizen, torens in hun vaart mede.
Huizen stortten in en begroeven hun bewoners onder de puinhopen. Verdronken beesten dreven rond op de golven. Hartverscheurende tonelen vonden plaats. Een jeugdige vrouw, hulpeloos aan een wrak zich vastklemmend, bracht in haar angst een kind ter wereld. Een huisgezin dat zich in een te zwakke schuit had begeven, stuitte op een boomstam, en zonk weg in de diepte. Van grote gezinnen kwam dikwijls het merendeel in deze zondvloed om. Soms bleef er niet één lid meer over.
De noodkreten van mensen en vee drongen door tot Amsterdam. En, de huilende storm, sneeuwjacht en hagel trotserend, sprongen de mannen van het Collegie Zeemanshoop ijlings in boten en schuiten, om de slachtoffers van de watersnood daarginds te redden.’
In andere provincies was de ellende nog groter. ‘Utrecht, Gelderland, Overijssel, Drenthe en Friesland, aan de kusten der Zuiderzee en haar stromen gelegen, werden het meest geteisterd.’
Oproep tot verootmoediging en bekering
De genoemde predikant A.S. Thelwall, die onder anderen bevriend was met Da Costa, zag in de gebeurtenissen Gods slaande hand. Rullmann merkte op dat zijn geschrift ‘geheel in de trant onzer oude biddagspreken is gesteld. Thelwall ontdekt bij de watersnood de zonden van land en volk, en roept tot verootmoediging en bekering. Hij doet dat in ongekunstelde vorm, bondig en beknopt, maar met practicale Bijbelkennis, die hij gepast weet aan te wenden.’
Thelwall diende sinds 1819 de Engels Episcopaalse Gemeente te Amsterdam en was in deze stad ook actief voor het Londense Genootschap tot bevordering van het christendom onder de Joden. De predikant was zeer bezorgd over de geestelijke toestand in Nederland. Kort voor Pinksteren in 1824 riep hij al op tot het houden van bidstonden ‘om een overvloedige uitstorting van de levendmakende Geest over leraars en gemeenten.’
Thelwall jaagde met zijn geschrift velen tegen zich in het harnas. Hij had het ook gewaagd de prediking van veel predikanten aan de kaak te stellen. ‘Dringen zij nog aan op de noodzakelijkheid van wedergeboorte, geloof en heiligheid, als waarlijk gelovende, dat er zonder dezen geen behoudenis is voor het kroost van de gevallen Adam?’ Veel predikanten voelden zich aangesproken en namen het hem hoogst kwalijk. Hij kreeg echter ook bijval, zoals van ds. F.L. Abresch te IJsselstein en ds. J.J. le Roy te Oude Tonge.
Ondanks het diepe verval achtte hij de situatie niet hopeloos. In augustus 1825 sprak Thelwall in een preek na het overlijden van ds. P. Chevallier: ‘Hoe donkerder en hopelozer de toekomst schijne, menselijkerwijs gesproken, des te meer zal de heerlijkheid van het Hoofd der Kerk tevoorschijn komen in de verhoring onzer gebeden en in de opwekking tot troost en verlossing Zijner Gemeente.’
Rullmann tekende daarbij aan: ‘En inderdaad mocht hij de voldoening smaken, dat zijn Keert u tot Hem Die slaat, waarvan nog in 1825 een tweede druk verscheen, alom in den lande kleine groepjes van belijders samenbracht tot gebed met het oog op de nood van kerk en volk. Zo werd de invloed van Thelwall op vele plaatsen merkbaar gevoeld. Er kwam leven in de gemeente. En reeds begonnen zich de eerste sporen van een opwekking te vertonen.’
Doornspijk
De stormvloed van 1825 heeft als een middel in Gods hand in geestelijk opzicht nog zegen teweeggebracht. Er zijn verloren zondaren tot bekering gekomen. Dat was bij voorbeeld het geval in Doornspijk. Ds. G.W. Bisschop, de predikant van de Nederlandse Hervormde Gemeente in die plaats, merkte in 1831 bij de ingebruikname van de nieuwe kerk op, dat de Heere ‘uit de grootste rampen de heilrijkste zegeningen kan doen voortkomen.’
Doornspijk en omgeving was door de watervloed van 1825 zwaar getroffen. De toren van de kerk stortte in. Ook boerderijen in de omgeving werden zwaar beschadigd. De schade aan de kerk werd ‘met veel moeite en bezwaren gedeeltelijk hersteld.’ Daar was men nog maar net mee klaar, toen op 25 oktober 1825 als gevolg van een blikseminslag in (het restant van) de toren het gehele kerkgebouw met ‘andere gemeente gebouwen’ in de as werd gelegd.
In korte tijd werd door de inwoners van Doornspijk een door hen zelf bekostigde houten loods gebouwd, die als tijdelijk kerkgebouw diende. Ds. Bisschop, die de gemeente diende vanaf 3 oktober 1824, nam dit noodgebouw in gebruik op 22 januari 1826 met een preek over Johannes 4 vers 21-24.
Na bijna zes jaar in dit gebouw samengekomen te zijn, werd op 6 december 1831 het nieuwe kerkgebouw (een zogenaamde Waterstaatskerk) in gebruik genomen. Deze was gebouwd op een hoger gedeelte van Doornspijk, dat verder van de Zuiderzee ligt. In De Boekzaal merkte de kerkenraad op dat de nieuwe plaats van het gebouw een verbetering was ten opzichte van de oude situatie. De oude kerk stond ‘aan de oever der zee en ver van de meest bewoonde buurten dezer gemeente.’ De gemeente had van diverse zijden financiële steun ontvangen voor de nieuwbouw van de kerk, onder anderen van Koning Willem I.
Ds. Bisschop nam de nieuwe kerk in gebruik met Psalm 29 vers 9b: ‘maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk ere.’ Hij ‘nam daaruit aanleiding om de talrijk vergaderde menigte tot voortdurend en recht gebruik van de openbare godsdienst, tot werkzame dankbaarheid jegens den Almachtigen, Die ook uit de grootste rampen de heilrijkste zegeningen kan doen voortkomen, aan te sporen.’
De sterke toename van het aantal belijdende leden van de gemeente zal daarmee ook verband gehouden hebben. In Doornspijk is vanaf 1824 sprake van een forse toename van het aantal personen dat belijdenis des geloofs aflegde ten opzichte van de jaren daarvoor. (In 1823 11, 1824 34, 1825 15, 1826 35, 1827 51, 1828 60, 1829 38, 1830 30, 1831 40, 1832 50, 1833 34, 1834 16, 1835 51).
Vooral in 1827 en 1828 was het aantal nieuwe leden relatief groot, 51 en 60.
Veel opwekking
De jonge proponent H.P. Scholte preekte in oktober 1832 in Doornspijk en Oosterwolde. Het was voor hem een aangename reis. In een brief (gedateerd 24 oktober 1832) aan Willem Messchert te Rotterdam deed hij verslag. Op donderdag 18 oktober ‘heb ik te Doornspijk gepredikt in de bidstond voor ds. Bisschop en zondag 21 (oktober) te Oosterwolde voor ds. Slothouber, beide plaatsen in de buurt van Elburg, waar veel opwekking is. Te Doornspijk, te Oosterwolde, te Nunspeet, te Hattem en te Hierden worden wekelijks bidstonden gehouden en met veel zegen.
Dit bezoekreisje is mij bijzonder aangenaam geweest. De Heere werkt en wie zal het dan keren? Het is waar, de vijandschap wordt groter en menigvuldiger, maar die vijandschap zal moeten medewerken om het Koninkrijk van onzen Heere uit te breiden. De tijden gaan zwanger van gewichtige gebeurtenissen, maar wij weten immers dat de Heere Die ons gekocht heeft met Zijn bloed, leeft en regeert aan de rechterhand des Vaders. Wat is het zalig, geliefde broeder, als wij het weten dat die alvermogende Heere ons deel en eeuwig goed is. Dan kunnen wij bij het gezicht van aannaderende beroeringen en benauwdheden het hoofd blijmoedig ten hemel heffen, want in, met en door Hem zijn wij meer dan overwinnaars over zonde, wereld en duivel. Niets kan ons van Zijne liefde scheiden.’
Scholte was tijdens zijn studie bevriend geraakt met (de latere afgescheiden predikant) A. Brummelkamp. Brummelkamp was goed bekend in Doornspijk en omgeving en nauw bevriend met ds. Bisschop. Anthony Brummelkamp was in 1811 in Amsterdam geboren. Sinds 1819 woonde de familie Brummelkamp op ‘De Ganzenberg’ bij Elburg. Hier groeide Anthonie op ‘aan de hand zijner godvruchtige ouders en van vrome leraars, aan wie het in die streken, op de ‘Orthodoxe Veluwe’, niet ontbrak. Een hunner, de later zo vaak door hem genoemde ds. Bisschop, was huisvriend en heeft een diepe indruk gemaakt op zijn jeugdig gemoed.’ Hij noemde hem ‘de trouwe herder, de vriendelijke leidsman zijner jeugd ... aan wiens hand hij van zijn dertiende jaar af, als aan die van een tweede vader had gewandeld.’
Gods knechten kwamen graag op De Ganzenberg. En ‘dat oord was gezegend met meer dan één leraar, die de waarheid kende, God liefhad, en ook door Zijn volk bemind werd.’ Brummelkamp deed in augustus 1828 op zeventienjarige leeftijd belijdenis, kort voordat hij naar Amsterdam vertrok.
Oosterwolde
Evenals in Doornspijk was ook in Oosterwolde het kerkgebouw beschadigd door de stormvloed in 1825. Toch kwam men nog in het gebouw samen, totdat het door brand verwoest werd. In 1845 werd een nieuw kerkgebouw in gebruik genomen, dat was gebouwd op een andere, hoger gelegen plaats in de omgeving. Aan het Noordeinde werd een lokaal gebouwd en voor de daar wonende leden een ‘catechiseermeester en oefeninghouder’ aangesteld.
De nieuwe kerk werd in gebruik genomen door de consulent, ds. J. Montijn uit Oldebroek. In dezelfde dienst bevestigde hij ds. G. van der Flier tot predikant van de gemeente.
Aan het Noordeinde was vele jaren een godsdienstonderwijzer (Godert de Leeuw) actief die evenals ds. Van der Flier afkomstig was uit Nijkerk.
Oldebroek
In het nabijgelegen Oldebroek was in deze periode ook sprake van een geestelijke opleving. Het lijkt er op dat deze ook is versterkt door de gebeurtenissen in 1825.
‘In het begin van de negentiende eeuw was Oldebroek een tamelijk liberale, weinig om geestelijke vraagstukken zich bekommerende gemeente’, schreef G. Wentzel in zijn boekje over de geschiedenis van de Hervormde Gemeente te Oldebroek. ‘Deze toestand veranderde radicaal onder de geestelijke arbeid van ds. Montijn, die hier in 1822 was beroepen en bleef tot zijn dood. Men ging de Schriften onderzoeken en sprak met elkaar over deze dingen.’
De kerkenraad zocht in ieder geval in 1821 al naar een predikant die een schriftuurlijkbevindelijke prediking bracht. In oktober 1821 werd een beroep uitgebracht op ds. J. de Bouter te Nunspeet, in november op ds. D.A. Detmar te Woerden. In december ging een roepstem naar ds. Johannes Montijn te Almkerk, die hieraan gehoor gaf. Hij werd op 7 juli 1822 als predikant te Oldebroek bevestigd.
De opleving in de gemeente onder de ambtsbediening van ds. Montijn blijkt onder meer ook uit het aantal lidmaten dat werd aangenomen. Over de jaren 1820 tot en met 1823 werden in totaal 29 nieuwe lidmaten aangenomen. In 1824 waren er 68 personen die belijdenis aflegden, in 1826 zelfs 117! In 1825 werden geen nieuwe leden aangenomen. In Oldebroek werden in de periode waarin ds. Montijn de gemeente diende om de twee jaar lidmaten aangenomen. Tussen 1836 en 1839 was het drie jaar, in 1837 en 1838 werden geen nieuwe leden aangenomen. Het gemiddelde aantal nieuwe leden lag tussen de dertig en veertig. In 1848 was er een uitschieter naar boven: 104.
Gezelschap
Ds. Montijn stimuleerde het onderzoek van Gods Woord in de gemeente en het samenkomen om daarover te spreken. Hij voelde zich nauw verbonden aan de ‘gezelschapsmensen’.
Burgemeester J.G. Luyken Glashorst schreef in het ‘Verslag van den Staat der Gemeente Oldebroek over den jare 1835’: ‘De invloed van de godsdienstoefening alhier werkt op de verlichting en beschaving eer nadelig dan voordelig.’
In datzelfde jaar 1835 had de burgemeester aan de officier van justitie te Arnhem gevraagd hoe hij moest handelen ten opzichte van een gezelschap ‘van enige landlieden hetwelk gewoon is om de andere zondag des avonds tezamen te komen ten huize van zekeren Arend van de Weg, timmerman, wonende alhier op het dorp.’ Men sprak daar ‘over de leerredenen, welke zij die dag hebben gehoord.’ Dit gezelschap, dat door ongeveer twintig bezoekers werd bijgewoond, was ‘opgericht onder medewerking van den Heer predikant dezer gemeente.’ En de predikant woonde de bijeenkomst soms zelf ook bij. Het gezelschap bij Arend van de Weg stond echter niet in verband met de afscheiding. Er is dan ook geen aanwijzing dat er van hogerhand tegen opgetreden is.
Hellenbroek, Smijtegelt en Groenewegen
Uit de beschrijving die baron Sloet tot Oldhuis in 1853 gaf van de huttenbewoners in Oldebroek blijkt hoe het gedachtegoed van de Nadere Reformatie in Oldebroek doorwerkte. De baron moest zelf blijkbaar niets van dat gedachtegoed hebben. ‘Het ontbreekt deze mensen ook niet aan godsdienstzin. Gaarne wonen zij de openbare godsdienstoefening bij, wanneer de staat hunner kledij zulks toelaat, waaruit men toch een zekere soort van een (hoewel verkeerd gewijzigd) gevoel van betamelijkheid besluiten kan. Men hoort hen niet vloeken, echtbreuk is bij hen bijna onbekend, de zondag wordt in acht genomen, en van sterke drank wordt bijna geen gebruik gemaakt.
Doch, helaas! zeer treurig zijn de onderscheidene en overeenstemmende berichten die men ons omtrent de invloed van de piëtistische richting der Veluwe heeft meegedeeld. Men prent hen onverstaanbare dogma’s in, en van den predikstoel, zo zegt een onzer berichtgevers, leert men hen niet zelden de maatschappelijke deugden die de grondslag van alle welvaart uitmaken en schier op elk blad van het Evangelie aangeprezen worden, als blinkende zonde van een hemeltergende eigengerechtigheid beschouwen. Wat, vraagt hij, moet men van een bevolking verwachten, die zijn enige godsdienstige opleiding uit Hellenbroek, Smijtegelt en Groenewegen ontvangt? Ongelukkig, dat geen leerstelling meer wortelt dan die der onmacht, want zij is in de zin zoals zij opgevat wordt de verschoning voor de vadsigheid en luiheid.’
Ds. Johannes Montijn diende de gemeente Oldebroek van 1822 tot zijn overlijden in 1849. Zijn echtgenote, Catharina Kapteijn, ontviel hem op 15 november 1841. ‘Jezus Christus was in haar leven en bij haar sterven haar enigste hoop en troost’, schreef de predikant in de overlijdensadvertentie.
De predikant zelf overleed op 23 december 1849, ‘na een langzame afneming van krachten’. Na zijn overlijden schreef de kerkenraad: ‘Al die tijd arbeidde hij onder ons met ijver en getrouwheid en mocht het aanschouwen, dat deze gemeente vrede had en gesticht werd.’
Bronnen
De Boekzaal, 1826, 1832, 1842, 1850.
A Brummelkamp jr., Levensbeschrijving van wijlen Prof. A. Brummelkamp, hoogleeraar aan de Theologische School te Kampen. (Kampen 1910).
Thelwall’s Christelijke opwekking aan de Nederlanders bij gelegenheid van de overstromingen in februari 1825 na honderd jaren opnieuw uitgegeven en van een historische toelichting voorzien door J.C. Rullmann. (Amsterdam 1925).
G. Wentzel, De geschiedenis van een Veluwse Dorpskerk. De Lambertuskerk te Oldebroek. (Oldebroek z.j.).
C. Smits, De Afscheiding van 1834, zesde deel: Het Réveil en ds. H.P. Scholte. Correspondentie (Dordrecht 1984).
G.J. Westerink, Doornspijk Lidmaten 1735-1846. Vereniging Veluwse Geslachten Publicatie 88, 1987, 1997.
C. Smits, De Afscheiding van 1834, negende deel: Provincie Gelderland. (Dordrecht 1991).
W. Steert, Oosterwolde Lidmatenboek 1702-1830. Vereniging Veluwse Geslachten Publicatie 272, 2004, 2015.
A. Sulman, Geloven aan de zoom van de Veluwe. Een onderzoek naar de geschiedenis van de kerkelijke liggingen op de Noordwest-Veluwe in de negentiende eeuw. (Kampen 2004).
H. en H. Kamphuis, Oldebroek Lidmatenboek 1772-1859. Vereniging Veluwse Geslachten Publicatie 277, 2006, 2015.
B. Hooghwerff, Zegen op de Veluwe, Herinneringen aan geestelijke oplevingen. (Houten 2023).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 2025
Oude Paden | 64 Pagina's