Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meester in dienst van de Meester

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meester in dienst van de Meester

Willem Cornelis Burggraaf (1863-1951)

23 minuten leestijd

Wat herinnert een oud-leerlinge zich van haar meester? De mooiste herinnering is dat de Bijbellessen een onuitwisbare indruk hebben nagelaten. Dat geldt voor meester Burggraaf. Genoeg aanleiding om hem eens voor het voetlicht te halen.

In het gezin van Maarten Burggraaf en Cornelia de Haan wordt op 29 mei 1863 de derde zoon geboren: Willem Cornelis. Maarten (1858) en Jan (1861) gingen hem voor, Cornelis Willem (1865) volgde. Zij groeien op in een boerengezin aan de Oost Kinderdijk te Alblasserdam.

Vader Burggraaf is breder actief dan alleen op zijn bedrijf. Hij is jarenlang lid van de gemeenteraad voor ‘Algemeen Belang’, ook wethouder, en zelfs een paar maanden locoburgemeester. Daarnaast is hij ook diaken in de Nederlandse Hervormde Kerk.

Drie van de broers Burggraaf worden boer. Een heel andere koers vaart Willem Cornelis. Hij bekwaamt zich voor onderwijzer. Op 3 april 1883 behaalt hij zijn bevoegdheid voor het lager onderwijs.

Wat het geloof betreft voelen de drie broers van Willem Cornelis zich thuis in de bevindelijke hoek. En Willem Cornelis?

Giessendam

In september 1883 krijgt Willem Cornelis een benoeming tot onderwijzer aan een openbare school in Giessendam. Vanaf dat moment kunnen we spreken over ‘meester Burggraaf’. In die periode bekwaamt hij zich in de welsprekendheid, als lid van een zogenaamde Rederijkerskamer. Als zodanig levert hij een bijdrage aan een avond van ‘Tot Nut van ’t Algemeen’. Hij leert Annigje van der Meijden kennen en via haar krijgt hij meer indrukken van de ernst van het leven. Zij trouwen op 22 mei 1890 en gaan in Giessendam wonen. Daar krijgen zij hun eerste twee kinderen, Maarten en Annigje Geertruida. Deze worden gedoopt in de Nederlandse Hervormde Kerk. Op 10 april 1892 doet Willem Cornelis daar ook belijdenis, bij ds. K.W. Hulstijn, een predikant van de ethische richting.

Kinderdijk

Op de in 1884 opgerichte School met de Bijbel te Kinderdijk (Alblasserdam) ontstaat in 1893 een vacature. Sinds 1891 zit de school in een nieuw gebouw, het latere kerkgebouw van de Oud Gereformeerde Gemeente. De voorzitter en een bestuurslid hebben met Burggraaf een gesprek gehad en doen verslag in de bestuursvergadering. De notulen melden: ‘Dit onderhoud was zeer leerrijk geweest, waarin Burggraaf eenvoudig, maar naar bovengenoemde broeders voorkwam de juiste redenen van zijn verandering had blootgelegd. Vooral had hiertoe bijgedragen het overlijden van twee schoolkinderen waaromtrent Burggraaf gaarne nog eens met de kleinen had gesproken, maar het neutrale van de staatsschool verbood hem zulks. Ook had Burggraaf meermalen onaangenaamheden met zijn hoofdonderwijzer over regelingen de school betreffende. Uit deze mededelingen van Burggraaf, vergeleken met alle omstandigheden, meenden wij als bestuur de vrijheid te hebben om Burggraaf met vrijmoedigheid als onderwijzer te benoemen, in de hoop en met de bede dat de Heere dit besluit zal kronen met Zijn welgevallen.’

Meester Burggraaf heeft het pittig. In de jaarvergadering van begin 1894 rapporteert de secretaris: ‘Vooral onze onderwijzer Burggraaf heeft te veel werk voor zijn krachten, dat is zeer duidelijk, maar wij weten het bij de bestaande onderwijzersnood niet verder te brengen. Daarom bevelen wij met veel vrijmoedigheid u deze noden aan, vooral ook de onderwijzer Burggraaf. Gedenk hem in uw gebeden!’

Het jaar 1895 is moeilijk. Drie kinderen worden door de dood weggenomen. Ook meldt de secretaris: ‘Meester Burggraaf werd bezocht door ongesteldheid, maar onze God hoorde onze bede en herstelde hem spoedig.’

De Kinderdijkse jeugd is niet altijd gemakkelijk. De secretaris schrijft in een jaarverslag: ‘Het schijnt dat de jeugd van Kinderdijk-Elshout leden bevat die meer verstand hebben om ons personeel te beledigen en na te roepen, dan onze onderwijzers die eer te geven die hun toekomt. Dat zoiets verlammend werkt, wie van ons begrijpt dat niet?’

Hoofd van de school

De heer Acker, het hoofd van de school, gaat per half oktober 1901 vertrekken. Het bestuur buigt zich over de opvolging. Men is verdeeld. Een deel wil meester Burggraaf benoemen tot hoofd, een ander deel wil een open procedure door middel van een advertentie. Het laatste gebeurt. Uit een groot aantal sollicitanten wordt meester Burggraaf benoemd. Hij heeft nog geen hoofdakte, maar de meerderheid van het bestuur heeft vertrouwen dat dit goed komt. En de hoofdakte komt er. Wanneer hij daarvoor geslaagd is, loopt het bestuur vanuit het huis van de secretaris ‘in plechtige optocht naar het hoofd om hem geluk te wensen’.

Als kersvers hoofd houdt meester Burggraaf een inleiding voor de jaarvergadering. Hij houdt de ouders voor zich te verdiepen in wat de Schrift ons leert over het kind. De bestemming van het kind is God te verheerlijken. Daarom is het belangrijkste doel van de opvoeding niet om die kinderen voor dit tijdelijke leven te bekwamen, maar om ze voor het dienen van God hier en hiernamaals te bekwamen.

De secretaris notuleert de inleiding uitvoerig en sluit af met: ‘Was er geen zonde dan zou de opvoeding niet met zoveel moeilijkheden te kampen hebben, maar de zonde greep verstorend in. Daarom staat het doel van de opvoeding ons als ouders niet duidelijk voor ogen. En niet alleen zijn wij als ouders verduisterd en verdorven, maar ook het kind wil leven naar het boze ingeven van het hart. Alzo blijft dan toch de eis om onze kinderen op te voeden, en deze eis is tweeledig.

1. Het kwaad uit te roeien.

2. Het goede te kweken.

Een en ander is moeilijk, maar daarom mogen wij niet vertragen. Wij mogen de Heere vragen om bekwaam makende kracht. En Hij is de Genadige, Die het ons aanklevende gebrek wil vergeven. Laat ons dan jagen naar die bekwaam makende genade.’

Meester Burggraaf doet ook leuke dingen met de kinderen. Wanneer de school 25 jaar bestaat, organiseert hij voor klas 6 het eerste schoolreisje, naar de dierentuin in Rotterdam. Zeer geslaagd, evenals het feestje op school voor de andere klassen.

In 1911 neemt meester Burggraaf een benoeming aan naar Oud-Alblas. Op 31 mei geeft hij zijn laatste les en neemt hij afscheid van de kinderen, het personeel en het bestuur.

Kerkelijke overstap

Vanuit Giessendam gaan meester Burggraaf en zijn vrouw over naar de Hervormde Gemeente te Alblasserdam. Daar wordt hun derde kind in 1894 gedoopt. Het jongetje overlijdt acht dagen later, nog maar twee maanden oud. Wat een verdriet!

Op 23 september 1895 komen we de naam van Burggraaf voor de eerste keer tegen in de kerkenraadsnotulen van de Gereformeerde Kerk-B, voortgekomen uit de Doleantie. Daarnaast was er een Gereformeerde Kerk-A, voortgekomen uit de Afscheiding. In 1898 zijn beide kerken samengegaan. Meester Burggraaf overweegt (voor de tweede keer) belijdenis te doen om over te kunnen komen. Op aanraden van ds. P. Warmenhoven verklaart hij zich bereid de Formulieren van Enigheid aandachtig te lezen.

Een half jaar later doet hij een officieel verzoek. Aanleiding is de behoefte aan de doop van zijn (vierde) kind. Hij kan zich met de prediking van ds. Warmenhoven wel verenigen. Maar mocht er later in deze gemeente een predikant komen die naar zijn overtuiging de waarheid niet zuiver verkondigt, dan kan hij zich niet verbinden de prediking bij te wonen. Twee broeders gaan met hem over dit bezwaar praten. Het resultaat is dat hij, waarschijnlijk voor een deel van de kerkenraad met aangepaste vragen, belijdenis heeft gedaan en ‘met instemming van de beginselen der Reformatie zich bij onze kerk heeft gevoegd.’ Op 1 maart 1896 wordt dochter Cornelia in de Gereformeerde Kerk gedoopt. Later ook alle volgende kinderen.

Zijn vrouw legt op 12 juni 1904 belijdenis af in de Gereformeerde Kerk te Alblasserdam. Zij had niet eerder belijdenis gedaan.

Gekozen tot ouderling

In 1907 wordt meester Burggraaf gekozen tot ouderling. In januari 1908 heet de voorzitter de nieuw bevestigde ambtsdragers hartelijk welkom in de kerkenraad. Broeder Burggraaf reageert met te zeggen ‘dat hij met genoegen van de broederlijke gezindheid in dit college heeft horen gewagen. Dat geeft hem moed bij het aanvaarden van een ambt dat nog nooit door hem bekleed is en waartegen hij zeer heeft opgezien. Hij verzoekt hem te dragen in zijn zwakheid en op zijn tekortkomingen niet al te veel te letten.’

Regelmatig wordt in de kerkenraad verslag gedaan van afgelegde huisbezoeken. Enkele indrukken.

‘De broeders Verkuil en Burggraaf hebben een broeder bezocht die wat sterk leefde op de beloften die God hem gaf, althans bij het loten van zijn zoons. Vooral bij de eerste wist hij vooruit dat hij vrij zou loten. Broeder Verkuil betwistte hem dat en broeder Burggraaf raadde hem aan eens na te lezen “Het leven des geloofs op de beloften” door Comrie.’ Burggraaf vergiste zich overigens: het door hem genoemde geschrift is niet van Comrie, maar van Wilhelmus à Brakel.’

‘Ook was bezocht een zuster en haar zoon. Met de zoon was nogal wat te redetwisten met betrekking tot belijdenis en Avondmaal. Aan dit laatste kwamen er te veel aan en het eerste moest beschouwd worden als een belijden van de historische waarheid. Hij meende daarvoor Comrie en Van Til op zijn hand te hebben, hetgeen echter door broeder Burggraaf betwist werd. Ten slotte heeft hij toch erkend dat de kerk niet tevreden mag zijn met een belijdenis van de historische waarheid.’

Meester Burggraaf toont zijn kennis van de oude schrijvers en zijn sympathie voor hen. Opvallend is dat in veel huisbezoeken de priestertaak van de man in het gezin aan de orde gesteld werd. Ook de deelname aan het Avondmaal is een vast punt van aandacht.

In 1910 wordt Burggraaf met algemene stemmen gekozen tot scriba. Hij reageert als volgt: ‘Broeder Burggraaf wenst dit voorlopig tot januari te aanvaarden. Hij denkt er al enige maanden over de kerkenraad te verzoeken hem van zijn ambt als ouderling te ontheffen. Hij gelooft dat juist door in het ambt te zijn, zijn geestelijk leven gedrukt is. Hij meent zich niet genoeg vrij te maken van de zielen der gemeenteleden. Dit berooft hem van de zegen onder de prediking.’ Een eerste signaal van moeite in het ambt.

Ouderling af

Op 17 maart 1911 ligt er een brief van ouderling Burggraaf bij de kerkenraad. Hij verzoekt hem van zijn ambt als ouderling te ontheffen.

Broeder Burggraaf komt ter vergadering. Ds. Schoemakers vraagt hem om een verklaring. Na wat inleidende opmerkingen komt hij tot de kern. De notulen vermelden: ‘Ik leef niet zo in de Geref. Kerk, de geest bevalt me niet. Daarna schetst hij zijn verandering uit de Herv. Kerk naar de Geref. Kerk en voegt daaraan toe dat dit niet uit beginsel ging, maar enkel uit heil voor zijn onsterfelijke ziel. Toen meende hij in de Geref. Kerk meer te horen wat nodig is tot zaligheid, maar niets was hem meer tegengevallen dan dit. Hij bespreekt nu in den brede deze zaak. Met de leer van ds. Warmenhoven was hij het geheel niet eens. Het ontdekkend element werd geheel in zijn prediking gemist. Daarna kwam de ineensmelting, doch die bracht ook niet wat hij verwachtte. Met ds. Douma kon hij het nogal aardig vinden, alhoewel het ontdekkend deel niet genoeg tot zijn recht kwam. Ds. Schoemakers, hij hield van hem en hij maakte een gunstige uitzondering bij velen, doch ook zijn prediking kon de toets niet doorstaan. Burggraaf vreesde dat de Geref. Kerk bouwde naast het fondament en nu zal ook naar zijn mening het gehele gebouw als een kaartenhuis ineenstorten. De geest in de gemeente bevalt mij niet en dit is mijns inziens een gevolg van de prediking. De gemeente wordt niet geleid op de rechte weg.

De tijd dat ik ouderling was kwam voor mij dit sterk uit. Dit is de oorzaak dat ik ontslag aanvraag.’

De vergadering vindt het een treurige zaak, maar stemt in met zijn verzoek om ontslag.

In juni vraagt Burggraaf voor hem en zijn vrouw om een attestatie naar Oud-Alblas. Dat wordt niet gegeven. Hij zegt dat hij het met de leer in de Hervormde Kerk te Oud-Alblas goed kan vinden, meent dat deze zelfs beter is dan in de Gereformeerde Kerk. Na enige bespreking vindt hij het maar het beste dat wordt afgekondigd dat hij met zijn gezin breekt met de gemeenschap van de Gereformeerde Kerk. Dat gebeurt op 2 juli 1911. Zijn oudste zoon Maarten is het niet met zijn ouders eens en blijft in de Gereformeerde Kerk.

School en kerk in Oud-Alblas

Op 20 juli 1891 is in Oud-Alblas, naast de bestaande openbare school, een School met de Bijbel opgericht. Op 31 januari 1911 buigt het bestuur zich over een aanstaande vacature voor hoofd der school. Men besluit een advertentie te plaatsen en daarin de voorwaarde op te nemen: ‘Van Ger. Beg. (Ned. Herv.)’.

Dertien sollicitanten melden zich aan. Op 15 februari 1911 besluit het bestuur de heer W.C. Burggraaf, hoofd der Chr. School te Kinderdijk, te benoemen, doch op één voorwaarde. Voor de overhandiging van de benoemingsbrief moet hij een verklaring tekenen, waarin hij belooft voor of bij zijn infunctietreding tot de Nederlandse Hervormde Kerk over te zullen gaan

Op 1 juni 1911 treedt Burggraaf officieel in functie, in tegenwoordigheid van het gehele bestuur.

Strubbelingen

In de bestuursnotulen van 11 augustus 1911 lezen we de volgende merkwaardige passage: ‘Door de voorzitter wordt aan het hoofd gevraagd hoe het komt dat hij nog niet bij de Ned. Herv. Kerk is aangesloten, hetwelk hij toch beloofd heeft te zullen doen. Deze geeft hierop een antwoord dat het bestuur bevredigt.’

Wat zit hierachter? Dan moeten we een ander venster openen, namelijk van de Hervormde kerkenraad van Oud-Alblas.

We weten al dat op zondag 2 juli 1911 in de Gereformeerde Kerk van Alblasserdam is afgekondigd dat de broeder Burggraaf met zijn gezin de gemeenschap met deze kerk verbroken heeft. Hoe ging dit verder?

Op 4 oktober 1911 leest ds. C.J. Six Dijkstra in de kerkenraad een ingekomen brief van meester B urggraaf voor. Hij schrijft:

Zoals u bekend is, was ik tot voor mijn komst naar Oud-Alblas lidmaat van de Ger. Kerk te Alblasserdam. Bij mijn komst naar deze plaats is dat lidmaatschap door mij opgezegd, waardoor ik openlijk met de gemeenschap dier kerk gebroken heb.

Om de redenen, die mij hiertoe hebben geleid, uiteen te zetten, zou te veel plaats vorderen; bovendien zijn ze, zo niet bij allen, dan toch bij menigeen uwer bekend.

Reeds aanstonds bij mijn komst naar hier was het mijn voornemen mij wéér bij de Ned. Herv. Kerk, waarvan ik reeds eerder belijdend lid was, aan te sluiten, doch door verschillende omstandigheden werd dit tot heden uitgesteld,

Thans echter wens ik aan dit voornemen gevolg te geven en verzoek ik u daarom beleefd mij wéér als zodanig aan te nemen.

Opvallend is dat hij twee keer benadrukt dat hij wéér lid wil worden van de Nederlandse Hervormde Kerk. Maar de kerkenraad valt iets anders op. Dit schrijven heeft alleen betrekking op de schrijver, en niet op diens echtgenote. Echter, bij een bezoek van twee ouderlingen ten huize van Burggraaf was door diens echtgenote gezegd dat zij haar man volgde in deze zaak. Besloten wordt meteen een briefje op te stellen met de vraag of in dat schrijven ook zijn echtgenote is ingesloten of niet. Koster Korteland gaat meteen met de brief op stap en komt met het volgende antwoord terug:

Als antwoord diene, dat mijn schrijven tot u ge

richt, alleen betrekking heeft op mijn persoon.

De kerkenraad besluit de heer Burggraaf te erkennen als lidmaat van de Nederlandse Hervormde Kerk en hem als zodanig op te nemen. Op de eerstvolgende zondag zal in de voormiddag godsdienstoefening hiervan kennis worden gegeven aan de gemeente.

Onduidelijk blijft waarom Annigje haar toezegging om haar man in dezen te volgen heeft teruggenomen. De toonzetting van de briefjes van haar man doet vermoeden dat dit spanning heeft gegeven. Hoe dan ook, Annigje heeft geen kerkelijk lidmaatschap meer, en voorzover bekend is dat zo gebleven.

Een moeizame relatie

In april 1912 memoreert ds. Six Dijkstra in de kerkenraadsvergadering een ontmoeting tussen hem en meester Burggraaf. Deze had te kennen gegeven dat de predikant geen onderwijs in Bijbelse Geschiedenis behoorde te geven. Dit was een belediging voor de christelijke school, want dat behoorde het hoofd te doen. Het zat de dominee hoog, want de zondag daarop had de predikant de kerkenraad verzocht hem te ontslaan van het onderwijs aan de schoolkinderen. Het viel hem meestal zwaar, niet alleen ’s winters, maar ook ’s zomers. Alleen om die reden stemde de kerkenraad erin toe. Normaal gesproken achtte de kerkenraad het wel degelijk het werk van de kerk.

Niet duidelijk wordt of het bezwaar van meester Burggraaf de inhoud van het onderwijs betrof of het didactisch talent van de predikant.

Op 28 juli 1913 blijkt opnieuw dat het niet zo botert tussen die beiden. In de voorgaande tijd is er in de gemeente veel te doen geweest over het aanstellen van een nieuwe voorlezer en voorzanger in de kerk. Inmiddels is bekend geworden dat meester Burggraaf vertrekt naar Groot-Ammers. Er moet dus een nieuw hoofd gezocht worden. In de kerkenraadsvergadering memoreert ds. Six Dijkstra dat velen in de gemeente, en ook de kerkenraad, het destijds pijnlijk hebben gevonden dat het hoofd van de christelijke school zich niet had aangemeld voor de betrekking van voorlezer. Indien iemand daarvoor geschikt zou zijn, dan was toch wel zó iemand daarvoor de aangewezen persoon. Nu moest de kerkenraad zijn keuze maken uit mannen die eigenlijk niet ter zake kundig zijn. Daarom zal nu het bestuur van de christelijke school verzocht worden in de instructie voor het te benoemen hoofd in te voegen, dat hij bereid moet zijn de taak van voorlezer te vervullen. En dan komt er nog een toevoeging. ‘Ook was de gehele verhouding van het huisgezin van het tegenwoordige hoofd van die school tegenover de kerk verre van voorbeeldig.’ Ook daarover wil de kerkenraad iets in de instructie laten opnemen.

Deze dingen wijzen erop dat het verblijf in Oud-Alblas niet de meest aangename periode in Burggraafs loopbaan is geweest. Geen wonder dat het maar van korte duur was.

Christelijke school in Groot-Ammers

Op 1 december 1913 wordt in Groot-Ammers een christelijke school geopend. Een jarenlange voorbereidingsperiode ging hieraan vooraf. Dat ging niet zonder strijd, want de meningen of er naast de openbare school een christelijke moest komen, waren verdeeld. In juni 1913 was het eerste schoolhoofd benoemd, de heer W.C. Burggraaf uit Oud-Alblas. De opening staat onder leiding van ds. W. Zijlstra.

Meester Burggraaf houdt een openingstoespraak, vooral gericht op de ouders. Het woord van de Heere Jezus tot Petrus: ‘Steek af naar de diepte, en werp uwe netten uit om te vangen’, werkt hij uit in vier punten. Duidelijk komt hierin naar voren dat alle betrokkenen steil afhankelijk zijn van de Heere. De discipelen moeten gebruik maken van de middelen: de boot, het net. Maar de middelen in zichzelf zijn krachteloos. Het woord van Christus moet het doen. Maar daarin ligt ook de kracht om vrucht voort te brengen. Wij mensen zijn zondig en zwak, maar bij God is er een overvloed van genade.’

Hij sluit zijn toespraak af met de woorden: ‘Vrienden, als wij ten volle willen weten, welke uiterst nietige wezens wij zijn, zal het ons spoedig blijken, zo de Heere op onze arbeid Zijn zegen schenkt. O, mocht Hij in deze school die zegen in ruime mate schenken, ook door het onderwijs dat er in gegeven zal worden. En krachtig werken tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk, opdat alzo Zijn Naam verheerlijkt worde en wij tot de erkentenis mogen worden gebracht: “Het is de Heere!”, want wij gevoelen, dat zoiets niet door de mens had kunnen geschieden.’

Sabels en zwaarden

Dat de schoolstrijd behalve op het gebied van de landelijke politiek en zoals hierboven aangeduid op gemeentelijk niveau, ook door de leerlingen gevoerd wordt, blijkt al gauw. Meester Burggraaf ziet zijn pupillen tot de tanden toe gewapend met houten sabels en zwaarden naar school komen, zodat ze tussen de middag en om half vier hun vroegere kornuiten kunnen bestrijden. Tot hun verontwaardiging wordt het wapentuig in de grote schoolkachel verbrand. Dan wordt de strijd op de vuist verder uitgevochten. Daarom besluit meester Burggraaf de school ‘s morgens en ‘s middags een kwartier eerder uit te laten gaan zodat de strijdende partijen elkaar mislopen.

Meester Burggraaf blijkt een door ieder gerespecteerde, rechtvaardige maar strenge meester te zijn; hij heeft geen plak, roe of ezelsbord nodig, zoals op vele scholen gebruikelijk was. Als jongens van zijn school de meester op straat tegenkomen wordt van hen verwacht dat zij met de pet in de hand aan de kant van de straat wachten tot hij voorbij is. De jeugd heeft dan ook de neiging om zich maar vlug te verstoppen of om te lopen als de meester in aantocht is.

Van inspraak van ouders en leerlingen had men toen natuurlijk nog nooit gehoord. Toch stelt één van de oudste leerlingen, die in 1913 naar school kwam, duidelijke eisen. De dominee gaf op de openbare school een uur per week catechisatie en deze jongen had ruim vijf en een half jaar deze lessen gevolgd. Hij staat er dan ook op deze catechisatie te blijven volgen. Meester Burggraaf is daar natuurlijk niet voor en betoogt dat er nu iedere dag uit de Bijbel wordt onderwezen. De jongen is echter niet te overtuigen zodat hij iedere week een uur naar zijn oude school vertrekt.

Brede inzet

In Groot-Ammers doet meester Burggraaf veel meer dan alleen leidinggeven aan de christelijke school.

In april 1918 houdt hij bij de oprichtingsvergadering van een Anti-Revolutionaire kiesvereniging een referaat en treedt toe tot het bestuur.

In maart 1920 wordt onder leiding van hem een knapenvereniging opgericht met 28 leden.

In januari 1921 treedt hij af als tweede voorzitter van de afdeling van de Gereformeerde Zendingsbond vanwege zijn werkzaamheden aan de avondschool.

Op 11 december 1918 wordt hij gekozen tot ouderling. Een week later leest de voorzitter een bedankbrief voor.

In 1923 moet hij wegens zijn gezondheidstoestand stoppen. Het schoolbestuur wil hem het meest eervolle ontslag geven. Het gezin verhuist naar Rijssen.

In het lidmatenregister van de Hervormde Gemeente Groot-Ammers staat bij ‘vertrokken naar’: overgegaan naar een kerkgenootschap te Middelburg. De periode Rijssen wordt dus overgeslagen. Hij is daar ook niet in het hervormde lidmatenregister te vinden, evenmin in dat van de Gereformeerde Gemeente.

Ook na zijn vervroegde pensionering is meester Burggraaf nog enkele keren vanuit Rijssen ingevallen als tijdelijk hoofd in Groot-Ammers. Een oud-leerlinge heeft toen bij hem in de klas gezeten en vertelde dat de woorden van de Bijbelles zo’n diepe indruk op haar hebben gemaakt dat zij die nooit vergeten is. Ook vertelde zij dat hij in Groot-Ammers als hoofd van de School met de Bijbel veel vijandschap heeft moeten ondervinden. Het is zelfs gebeurd dat ze bossen stro in de portiek van het schoolhuis in brand staken.

Rijssen als woonplaats

De keuze van de nieuwe woonplaats zal wellicht mede ingegeven zijn door het feit dat twee dochters, Pietertje en Cornelia, daar werkten als onderwijzeres. Later werd ook zijn zoon Willem Cornelis in Rijssen onderwijzer. In 1934 wordt op de jaarvergadering van de school die uitgaat van de Gereformeerde Gemeente een speciaal woord van welkom gericht aan de heer Burggraaf, rustend hoofd van een christelijke school. Dat wijst erop dat hij daar zijn contacten had.

Op Eerste Kerstdag 1930 komt er een groot verdriet in zijn leven. ‘Heden nam de Heere tot onze innige smart, na een langdurige ongesteldheid, nog zeer onverwachts door de dood van ons weg, onze geliefde vrouw, moeder behuwd- en grootmoeder Annigje Burggraaf, geb. Van der Meijden, in de ouderdom van 67 jaar.’ Annigje overleed aan een hartkwaal.

Verhuisd naar Middelburg

In 1935 verhuist meester Burggraaf naar Zeeland. Opnieuw reist hij twee dochters achterna die dan daar in het onderwijs werken. Met drie dochters gaat hij in Middelburg wonen. Ze vinden kerkelijk onderdak in de Gereformeerde Gemeente van Middelburg. Marien van de Ketterij, de latere dominee, was daar ouderling. Diens zoon Cees vertelt dat hij zich nog goed herinnert dat hij op zaterdagmiddag meeging met zijn vader, onder anderen naar Burggraaf.

Oorlog

Zijn kleindochter Annie schrijft in een familieboek ook over de oorlog. Opa en de tantes hadden inkwartiering van een Duitse officier. Opa Burggraaf was correct, maar gaf in een gesprek met de Duitser aan dat hij vond dat de officier onterecht in Nederland was. De Duitser moest hem gelijk geven. Er volgden vele gesprekken en er ontstond een echte, christelijke waardering voor opa Burggraaf bij Heinrich Greeven, die professor was in de theologie. Greeven overleefde de oorlog. Later zocht hij weer contact met de familie en vroeg of ‘der alte Patriarch’ nog leefde.

Een vriendin van de familie schrijft ook over de oorlog.

‘Ook vond ik nog een brief van zijn dochter Truida, gedateerd 16 juni 1940, waarin ze schreef dat haar vader een paar dagen voor de oorlog uitbrak die woorden kreeg: “In stilheid en vertrouwen zal uw sterkte zijn.” Nu citeer ik verder zijn dochter: “’t Is wel vaak op de proef gesteld hoor. Vooral vrijdags, toen het hier zo erg was, ons huis stond heen en weer te schudden als een rietje. De één vluchtte hierheen en de ander daarheen. Maar wij hebben met z’n allen bij elkaar gestaan in de gang. En als wij ’s avonds naar bed gingen was het iedere keer bij vader: “Hij, die op Gods bescherming wacht”, enz. En dan ging hij rustig de nacht in en kwam geen een keer uit bed. Wij liepen nogal eens over de vloer om te kijken, want soms was het net of het hele huis in lichte laaie stond.”’

Deze vriendin schreef ook: ‘Vele malen heb ik in Rijssen en later ook in Middelburg bij hem mogen logeren en veel brieven van hem mogen ontvangen. Veel, heel veel heb ik in de middellijke weg aan hem te danken. Weliswaar liep hij veel met de lantaren op z’n rug, maar de vruchten van z’n geloof kwamen in heel z’n leven openbaar. Hij is een zeer lieve vaderlijke vriend voor me geweest.’

Een geestelijke vriendin

Op 17 november 1942 schreef meester Burggraaf een brief vanuit Middelburg aan een (geestelijke) vriendin. Het geeft een inkijkje in zijn geestelijk leven.

Vorige week zaterdag was ik ’s avonds reeds vroeg naar m’n bed gegaan, uit moedeloosheid, gekweld als ik werd door verschillende gedachten over mijn eigen toestand, over de toestand van ons land en volk, over de toestand van Piet (NB! Dat is Pietertje), die kortgeleden bevallen is en ’t de laatste dagen niet zo goed maakte. Van moedeloosheid sliep ik terstond in, doch een uur later schrok ik wakker en nog drukte me dat benauwde gevoel. Ik sliep echter weer in, maar een ogenblik later was ik alweer wakker, en weer met dezelfde benauwende gedachten. Nog eenmaal dommelde ik in, maar schrok plotseling op met zulke drukkende gedachten dat ik geen raad wist en in benauwdheid uitriep: ‘O God! Wees mij genadig!’ En zie, daar klonk eensklaps in mijn hart: ‘Werp al uw bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u!’ Maar, o lieve vriendin, wil je wel geloven dat ik niet wist hoe ik dat doen moest? Ik kon niet anders zeggen dan: ‘Heere, hoe moet ik dat doen? Hoe moet ik dat doen? Och, neemt Gij ze weg!’

En zie, ik sliep weer in en werd tegen de morgen wakker, zonder drukkende gedachten en met een gevoel of ik werd ondersteund. O zo aangenaam! O, mocht de Heere mij eens leren op te houden om mijzelf te helpen, mijzelf op te knappen en te reformeren, maar tot Hem te komen zoals ik ben en mij door Hem te laten helpen en door Hem te laten bekeren. En mocht hij ons daartoe maar recht aan onszelf ontdekken, mij spenen aan mijn eigenliefde en mij de rechte zelfverloochening leren en Zijn eer in alles bedoelen.

Levenseinde

Meester Burggraaf overlijdt op 2 mei 1951 te Middelburg. Op de rouwkaart staat Psalm 68:2.

Hij wordt begraven in Alblasserdam, vanuit de voormalige Chr. School aan de Kinderdijk.

En zo komt het lichaam van meester Burggraaf nog weer terug bij de school waar hij van 1893 tot 1911 de Kinderdijkse jeugd had onderwezen. De school was echter al lang verbouwd tot het kerkgebouw van de Oud Gereformeerde Gemeente.

Ds. B. Toes leidt de begrafenis en spreekt daarbij uit Psalm 73:23: ‘Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat.’

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 2025

Oude Paden | 64 Pagina's

Meester in dienst van de Meester

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 2025

Oude Paden | 64 Pagina's