Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vertrouwen en verwachten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vertrouwen en verwachten

10 minuten leestijd

Velen kennen dr. C.A. (Kees) de Niet (1955) door zijn editie van ”De praktijk der godzaligheid” of zijn vertaling van de ”Institutie”. Doorgaan als docent in het middelbaar onderwijs was niet precies wat hij voor ogen had toen hij zijn proefschrift schreef over Voetius. Het was wel Gods weg, leerde hij. ”Zo ben ik vruchtbaarder geweest dan ik ooit had kunnen zijn op de universiteit.”

Ik word rooms”, verkondigde een „ 15-jarige De Niet op een avond aan tafel. Dat was in een periode dat hij veel troost vond in katholieke liturgische muziek. Moeder De Niet antwoordde, wijs en nuchter: „Moet je vooral doen, jongen.” „Het was meteen over”, grinnikt De Niet. Rooms werd hij niet, maar de liturgie wakkerde in hem wel de liefde voor de klassieke talen aan. „Mijn ouders stelden alles in het werk om mij te laten studeren. Iemand typeerde mij eens als een intellectuele spons”, aldus De Niet. De herinneringen aan zijn middelbareschooltijd zijn hem dierbaar. „Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met het Johannesevangelie in de oorspronkelijke taal en leerde ik Augustinus in het Latijn lezen. Ik dompelde me onder in het getuigenis van de eeuwen.” Zodra hij de kans krijgt, leest hij teksten van christenen uit de eerste eeuwen met zijn leerlingen op het Van Lodenstein College in Amersfoort, waar hij sinds 1985 lesgeeft. De Niet vertelt rustig en bedachtzaam, formuleert zijn antwoorden zorgvuldig. „Het is een hand op hun schouder vanuit het verleden, die wijst: kijk, daar moet je zijn.” In een vertaling gaat de taalmuziek verloren, vindt hij. „Augustinus is een taalkunstenaar. De klanken en het ritme bepalen de hele culturele setting en de kracht van de boodschap. ”Moriar ne moriar”, schrijft hij in een van de eerste hoofdstukken van zijn ”Confessiones”; laat me sterven om niet meer te sterven.” Hij neuriet het ritme van de woorden. Póm-pompom pom póm-pompom. „Dat zingt veel meer dan je in een vertaling ooit beleven kunt.”

KERKELIJKE STRIJD

Door persoonlijke en kerkelijke ontwikkelingen raakte de familie De Niet in zijn puberjaren los van de kleine christelijke gereformeerde kerk in de Wagenstraat van Maassluis, waar hij opgroeide. Dat ging gepaard met soms felle discussies over personen en zaken op kerkelijk gebied. „We werden kerkelijk dakloos. Dat was geen fijne periode”, merkt De Niet op. Hij zucht. „Dat ik toen niet van God, Zijn Woord en Zijn kerk ben afgedwaald, is niet mijn verdienste. Dat was Gods bewarende hand. Het fenomeen kerk verloor voor mij veel van zijn waarde, maar het Woord niet.”

Het enige positieve aan de kerkenstrijd was de hernieuwde kennismaking met Dicky, zijn vrouw, met wie hij vijf kinderen kreeg. Ze woonden al heel hun leven in dezelfde straat en kwamen nu bij elkaar in de kerk terecht. „Het was liefde op vele gezichten. Zij was de vrouw om wie ik áltijd mijn arm heb willen slaan”, peinst De Niet, haast poëtisch. Van het orgel pakt hij het gedicht ”Liefde” van De Génestet. De Niet las het voor het eerst tijdens zijn studie Nederlands. „Die ik het meest heb liefgehad – ’t was niet de slanke bruid, (...), niet de jonge en teedere vrouw, de moeder van uw kroost (...). Neen! – die ik ’t meest heb liefgehad, dat was mijn kranke;

’t was de moede, de uitgeteerde.” „Het raakte me ontzettend diep”, vertelt De Niet geëmotioneerd. „Zonder dat ik in concrete zin ooit kon bevroeden dat het werkelijkheid zou worden.” Hetzelfde geldt voor een brief van de dichter P.C. Hooft, waarin hij aan Tesselscha Roemers schrijft over het verlies van zijn eerste vrouw; de aanhef van die tekst is hem altijd bijgebleven. Toen ze te horen kregen dat Dicky ongeneeslijk ziek was, schoten zijn gedachten meteen naar het gedicht en de brief en begreep hij. „Toeval? Ik denk het niet.”

Na 41 jaar huwelijk overleed Dicky in april 2018 op 62-jarige leeftijd. „Ik begeef me nu op de rafelranden van mijn bestaan”, bekent De Niet. „Ik kan niet zeggen: ze is weggerukt. Ze is van me weggenomen. Tijdens haar ziekte was ik weleens in opstand, radeloos, omdat ik wist dat het einde kwam. Dan wees ze mij op onze trouwtekst, om alles te verwachten van de goede God.” Hun huwelijk werd ingezegend met Psalm 25:5:

„Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want U bent de God mijns heils; U verwacht ik den gansen dag.”

„Soms hangt het verdriet als een loden mantel om mij heen. Hoe moet het nu verder? Dan hoor ik haar stem: wacht maar wat de Heere op je weg brengt.”

VERFRÖBELINGSZIEKTE

Dat verwachten leerde De Niet eerder al noodgedwongen toen hij thuis kwam te zitten met een burn-out. Dat hij zijn leven lang voor de klas zou staan, was niet bepaald zijn ideaalbeeld. Toch was het destijds „voor de centen” wel handig dat hem een baan werd aangeboden op de Guido de Brès in Rotterdam, zodat ze konden trouwen. Het echtpaar verhuisde later naar Scherpenzeel, waar ze negentien jaar zouden wonen. „In die tijd heerste er in onderwijsland de verfröbelingsziekte, zo noemde ik dat. Activerende didactiek, alternatieve lokaalindelingen, placematstudies.” De Niet schudt vertwijfeld zijn hoofd. „En groepswerk! Terwijl de prestaties die leerlingen voor de klassieke talen moeten leveren, hyperindividueel zijn. Dat stuitte me vreselijk tegen de borst.” Hij kreeg een burn-out. De huisarts schreef antidepressiva voor en zei tegen zijn vrouw: „Als hij er al uit komt, krijgt u een andere man terug.” „Godzijdank ben ik eruit gekomen”, zegt De Niet. „Dat klinkt plat, maar ik bedoel het letterlijk.” De huisarts kreeg gelijk: hij werd inderdaad anders, al duurde het ruim een jaar voor hij weer op de been was. „Sindsdien ben ik onafhankelijker. Ik trek mijn eigen plan. Met enige grimmige tevredenheid heb ik onlangs vastgesteld dat van die gevarieerde lokaalindelingen van toen niets meer overgebleven is.”

Wat ook niet meewerkte, was het gevoel van ontevredenheid over zijn werk als docent. „Dat was wel de doorn in mijn vlees”, vertelt De Niet. „Ik vond namelijk dat ik op de universiteit zou moeten werken. Vooral in de periode dat ik helemaal vastliep met de onderwijsvernieuwing. Ik was hooggekwalificeerd, ik wilde meer.” Lachend: „Als ik even een beetje arrogant mag zijn: ik had het ook gekund.” Sollicitaties liepen echter altijd op niets uit. „Als ik eigen wegen dacht te gaan, liepen die dood. Dat was helemaal niet leuk. Maar nu ik er van een afstand naar kan kijken, ben ik dankbaar dat ik heb mogen zijn wie ik ben. Het waren Gods signalen: nee jongen, hier moet jij niet zijn.” Als leraar op een middelbare school is hij vruchtbaarder geweest dan hij ooit op een universiteit had kunnen zijn, denkt hij. „Daar zou ik alleen mezelf een beetje kunnen kietelen. Nu kan ik mensen leren om de Bijbel te lezen en echt te begrijpen.” Hoewel tussen de regels door zijn passie voor klassieke talen en onderwijs doorklinkt, noemde De Niet zijn leraarschap ooit een hondenbaan. Hij staat op en beent naar de boekenkast. Blindelings vist hij er een dikke pil uit, met een stapel krantenknipsels voorin. „Dit is een werkexemplaar, zoals je ziet.” Het bevat onder andere de bundel ”Sonnetten van een leraar”, van Ida Gerhardt, ook docent klassieke talen. Hij bladert, recht zijn rug en declameert met een jongensachtige grijns ”Tussenuur”. Met dit gedicht nam hij afscheid van de Guido de Brès toen hij naar Scherpenzeel verhuisde. Het is tekenend voor de periode van zijn burn-out.

„Ik kon dit nimmer in mijn schema passen/En rebelleerde – Maar ik ben gezwicht (...)/Het is mijn prachtige, mijn hondse baan./(...) Het is mijn arbeid, en Gij ziet mij aan.”

„In die context, een hondenbaan, maar wel voor Gods aangezicht.” De sonnetten gaan terug naar hun plaats in de kast, die plafondhoog en enkele meters breed is. Eeuwenoude boeken, sommige een cadeau van zijn vrouw. Zoals de eerste editie van de Nederlandse ”Institutie”, die hij van haar kreeg toen hij de vertaling had afgerond. Een enorme klus, waar De Niet bijna negen jaar aan werkte en waarbij hij soms ook met de handen in het haar zat. „Calvijn dacht in het Frans en schreef dat vervolgens in het Latijn op”, legt hij uit. „Daardoor moet je soms heel veel uitzoeken om te ontdekken: wat bedoelt hij hier nu eigenlijk?” Precies zoals hij zijn leerlingen leert om teksten te ontleden, werkte hij zelf onvermoeibaar door om deze bron uit het verleden opnieuw toegankelijk te maken voor een nieuwe generatie. „Hij verdient het om gelezen te worden”, vindt De Niet.

VERBROKEN SNOER

Onmisbaar tijdens dit monnikenwerk was de niet-aflatende steun van zijn vrouw. Des te heftiger was de klap toen eind 2016 het bericht kwam dat ze nog maar kort te leven had.

Uiteindelijk kreeg ze er nog ruim een jaar bij. De Niet vertelt rustig over de behandelingen, de strijd, de pijn. Zijn stem hapert regelmatig, de tranen zitten hoog. „Al is het drievoudig snoer verbroken, het snoer met de Heere kan nooit verbroken worden. Ik ben zwak van moed en klein van krachten in mezelf, maar ik heb een Vader in de hemel Die Zich ontfermt. Psalm 103 wordt vaak de rouwpsalm genoemd, maar dat is niet waar. Het is een loflied op de grote daden van God. „Doch gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal.””

Zes maanden na de begrafenis werd De Niet verkozen tot diaken in de gereformeerde gemeente van Amersfoort. Na de afkondiging in de morgendienst wachtte hem thuis een schreeuwende stilte. „Niemand die even de denkrimpels van je voorhoofd strijkt. Toen greep het me zo aan: dat is voor altijd weg.” Na de middagdienst kwamen er mensen naar hem toe op het kerkplein, die vroegen of De Niet met hen mee naar huis ging. „Kom maar bij ons, zeiden ze. Blijkbaar was aan me te zien dat ik het erg moeilijk had”, vertelt De Niet. „Ik aarzelde. Toen hoorde ik heel duidelijk: wacht maar wat de Heere op je pad brengt. Het zijn heel goede vrienden geworden. Er zijn letterlijk broeders en zusters op mijn pad gebracht. Ik was altijd een einzelgänger, zoals zo vaak met wetenschappers. Maar nu heb ik meer vrienden en kennissen dan ooit”, zegt hij verwonderd.

EEN OPGEWARMD PRAKJE

De Niet knikt naar de boekenkast. „In mijn pensioen zou ik op z’n minst alles gaan lezen wat daar staat. Mijn hele leven heb ik gestudeerd en nagedacht. Maar sinds het overlijden van mijn vrouw lukt het me niet meer om langer dan een halfuur geconcentreerd te lezen. Dan gaan de luikjes dicht.” Het voelt alsof hij een hersenschudding heeft gehad, hoewel niet fysiek. „Al die plannen om Voetius nog eens door te nemen, misschien een deel van zijn ”Politica Ecclesiastica” te vertalen, dat lukt nu niet. Dat vind ik best moeilijk.” Mede daarom geeft De Niet nog steeds een aantal uren les, maar niet aan examenklassen. „Ik teer op wat ik al eens heb gedaan. Ik denk niet dat de leerlingen merken dat het nogal eens een opgewarmd prakje is”, grinnikt hij. Onder zijn collega’s zijn er niet veel meer van de oude garde. Langzaam begint hij toe te leven naar een afronding van zijn leraarschap. Hoe zijn toekomst er dan uit gaat zien, weet hij niet. Met een blik op de foto van zijn vrouw wijst De Niet omhoog. „Vertrouwen. Verwachten.”

”Tijdens haar ziekte was ik weleens in opstand, radeloos, omdat ik wist dat het einde kwam. Dan wees ze mij op onze trouwtekst, om alles te verwachten van de goede God”

”Ik was altijd een einzelgänger, zoals zo vaak met wetenschappers. maar nu heb ik meer vrienden en kennissen dan ooit”

Dit artikel werd u aangeboden door: Terdege

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 13 november 2019

Terdege | 114 Pagina's

Vertrouwen en verwachten

Bekijk de hele uitgave van woensdag 13 november 2019

Terdege | 114 Pagina's