De laatste keer genacht
”DE REGENBOOG HEEFT EEN BIJZONDERE BETEKENIS VOOR ONS GEKREGEN”
”Morgen is het weer donderdag.” Week in, week uit zeggen Albert en Co de Vries dit zinnetje tegen elkaar. Op 28 november is het een jaar geleden dat de UK 165 Lummetje om 5.45 uur een noodsignaal uitzond. Een grootscheepse zoektocht volgde. Zondagmorgen 1 december vonden duikers de lichamen van Hendrik Jan de Vries (27) en Jochem Foppen (41). Een terugblik op die donderdag en wat er volgde.
Ergens halverwege het gesprek pakt Albert de Vries de Bijbel die naast zijn stoel ligt. Bladert er even in. Leest dan Psalm 57:2. „Zijt mij genadig, o God, zijt mij genadig; want mijn ziel betrouwt op U en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.” Even zwijgt hij. „Deze meditatie vond ik in de Bijbel van Hendrik Jan die thuis naast zijn bed lag. Blijkbaar had die hem bijzonder aangesproken. Toen het schip gelicht was, kregen we Hendrik Jans Bijbels dagboek terug. De bladwijzer lag bij 28 november. Het stukje dat bij 27 november hoort, heeft hij dus nog gelezen. Erboven staat ”Een groots perspectief”. De meditatie van ds. Jac. van Dijk verwees naar de eeuwige toekomst. Het stukje eindigt zo. „Na de strijd zal de ware rust pas worden gesmaakt. Het blije vooruitzicht streelt. Nog een poos moet het kruis worden gedragen en daarna zal Gods kind, hiertoe door Hem bereid, opgenomen worden in de eeuwige heerlijkheid.” Daar is Hendrik Jan op zijn laatste avond op aarde bij bepaald. Dat troost ons erg. Maar Hendrik Jans sterven is ook een waarschuwen. Toen hij op zondagavond hier de deur uit stapte, zei hij ons voor de laatste keer genacht. „Genacht jelui”, woorden die ons nu zo dierbaar zijn. Maar ook wij hebben geen zekerheid dat we morgen nog leven.”
HERINNERINGSFOTOBOEK
Veel in de woonkamer van Albert (73) en Co (70) de Vries in Urk herinnert aan Hendrik Jan en aan hun dochter Marieke, die enkele maanden voor hun jongste zoon ook onverwacht overleed. In een glazen vitrinekastje op de salontafel liggen persoonlijke eigendommen van Hendrik Jan. Op een tafeltje naast de bank een dik herinneringsfotoboek. Aan de muur boven de eettafel hangt van beiden een grote foto. Naast de foto van Hendrik Jan een plaat met zijn belijdenistekst. „De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand; allen die ze doen, hebben goed verstand; Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.” „Die zou ik juist die zaterdag in zijn huis ophangen voor hem”, zegt Albert. „Nu hangt hij hier.” Oudste dochter Lummie de Vries-de Vries (51) en Lydia Noordhuis-de Vries (38) zijn door Albert en Co gevraagd om bij het gesprek aanwezig te zijn. Ook een dochter van Lummie is erbij. Corine de Vries (24) groeide bijna samen met Hendrik Jan op en speelde vroeger veel met hem.
FAMILIEAPP
Hendrik Jan was de jongste van het gezin met dertien kinderen. Het leed ging al eerder het gezin De Vries niet voorbij. Vier van hun dertien kinderen hebben een verstandelijke beperking. In januari 2019 overleed Marieke (39) onverwacht. En daar kwam in hetzelfde jaar het ongeluk met de kotter nog overheen. „Ik wil daarom graag dat ook enkele van onze kinderen hun verhaal doen”, licht Albert van tevoren toe. „Ook over hen zijn stormen heengegaan.”
Af en toe valt er een korte stilte tijdens het gesprek. Dan tikt alleen de klok. Het doet kleindochter Corine meteen terugdenken aan die verschrikkelijke dagen, eind november 2019. „Toen we hier samen stil zaten te wachten. Op nieuws. Ik heb de gil nog in mijn oren zitten die ik die donderdagmorgen gaf, toen mijn moeder het ap p je van beabe voorlas.”
LUMMIE: „Ik was meteen in paniek.”
LYDIA: „Ik las het berichtje in onze familieapp wel: „Zorgen. UK 165 vermist. Kom gauw”, maar het drong eerst niet tot me door dat het om Hendrik Jan ging.”
ALBERT: „Op donderdag en vrijdag werk ik op de visafslag. Daar hoorde ik het bericht. Ik ben meteen naar huis gegaan om het Co te vertellen.” CO: „Ik lag nog op bed en hoorde de auto stoppen. Ik weet nog dat ik dacht: wat is hij vroeg. Maar aan de manier waarop hij binnenkwam, merkte ik dat er iets was gebeurd. Toen zei Albert het.”
ALBERT: „Vlak daarna stapte iedereen hier binnen. Familie, de politie, de dominee.” De eerste paar uren was er nog hoop. Kotters zochten het gebied waar het schip verdwenen was af. Maar naarmate dat de uren verstreken, nam de verwachting dat de twee mannen nog levend gevonden werden af.
LYDIA TEGEN HAAR VADER. „U sprak voor mijn gevoel al heel snel in verleden tijd over Hendrik Jan.”
CORINE: „Ik weet nog dat ik bijna boos werd op beabe.”
ALBERT: „Sommigen van jullie wilden het inderdaad niet accepteren. Maar uit ervaring weet ik hoe koud het water in november is. Als er zo veel schepen aan het zoeken zijn, zwem je daar niet ongezien rond. Daarom had ik al na een paar uur heel sterk het gevoel dat we Hendrik Jan kwijt waren.”
De uren strijken voorbij. ALBERT: „Ineens voelde ik dat ik naar Maria, de vrouw van Jochem Foppen, moest. Ik kende haar nauwelijks. Maar we hingen meteen om elkaars nek.”
LUMMIE: „Je gaat er opgelaten heen, maar je omhelst elkaar. Eén in het verdriet. In die dagen is er een band gesmeed.”
CO: „Maria en haar kinderen komen nog steeds elke zondagmorgen na de kerkdienst koffie bij ons drinken.”
ALBERT: „Maria drukt het zo uit: Ik heb er een familie bij gekregen. Zo ervaren wij dat ook”
VLAGGEN HALFSTOK
Die eerste drie dagen van het wachten op het nieuws zijn eigenlijk niet te beschrijven, zegt Albert. „Steeds ging het door je heen: zullen we oens kleane jongetjen nog terugzien? Dat gaf zo veel spanning. Er zijn meer schepen op die plek vergaan, waar geen spaander meer van gevonden is. En als de jongens niet meer in het schip waren, werd het helemaal een spannende tijd.”
CO: „Op zondagmorgen, na de kerkdienst, kwam dominee Van Vulpen bij ons langs. Hij had net uit de Bijbel gelezen en gebeden, toen de politie stopte. Met slecht nieuws, zeiden ze. Maar voor ons het beste nieuws dat we op dat moment konden krijgen: Hendrik Jan en Jochem waren gevonden. Dan gaat er een niet te beschrijven vreemde mengeling van intense dankbaarheid en diep verdriet door je heen.”
LYDIA: „Ik heb het er nog steeds moeilijk mee dat ik op het moment dat dat bericht kwam, niet bij mijn ouders in Urk was. Ik ben getrouwd met een Fries en woon in Drachten. Normaal gesproken heb ik daar geen moeite mee. Ik was hier drie dagen geweest en mijn twee zoontjes wilden graag dat ik even thuis was. Toen ik het nieuws hoorde, ben ik direct weer in de auto gestapt. In dat soort situaties wil je maar één ding: hier zijn.” Twee broers zijn meteen naar Alkmaar gereden om Hendrik Jan te identificeren. Drie zussen hebben later op de zondag hun broer gewassen en aangekleed. Op maandag komt het lichaam van Hendrik Jan naar huis. Sinds vier weken woonde hij op zichzelf. In zijn eigen huis laat de familie hem opbaren.
LYDIA: „Hij was zo groos op z’n huis. Ik vond het heel mooi dat de hele straat de vlaggen halfstok hing, zowel op maandag toen Hendrik Jan aankwam in zijn huis, als op donderdagavond, toen hij naar het rouwcentrum werd gebracht. Onze broer woonde er immers nog maar net.”
LUMMIE: „Een begrafenis regelen is afschuwelijk, maar ik was tegelijk dankbaar dat we het mochten doen. De momenten dat we als gezin rondom Hendrik Jan stonden, waren zo waardevol. Zo konden we ons ook samen voorbereiden op zijn begrafenis.”
Het meeleven vanuit de dorpsgemeenschap is overweldigend.
LUMMIE: „Steeds ging de telefoon: met hoeveel mensen zijn jullie bij elkaar? En dan kwam er weer iemand gebakken vis brengen. Of pakken koffie en cake. Het zoontje van Maria kwam even langs. „Hebben jullie ook zo veel cake gehad?” vroeg hij. „Onze vriezer kan niet meer dicht.” Als er iets met een vissersschip was, dan raakte het je altijd. Nu weet je pas waar je doorheen moet. En ook hoe fijn het is dat mensen meeleven.”
ALBERT: „Veel mensen wilden ook op bezoek komen, maar wij hebben bewust maar één moment van condoleren op de rouwkaart gezet. We hadden net elf maanden ervoor het overlijden van onze Marieke gehad en wisten hoe belangrijk het was om in die dagen als gezin de tijd te nemen om samen te rouwen en afscheid te nemen.” CO: „Hendrik Jans vrienden belden of ze langs mochten komen. Dat kon natuurlijk wel. De een na de ander schoof naar binnen. De hele kamer stond ineens vol.”
LUMMIE: „We wisten helemaal niet dat hij zo’n grote vriendengroep had.”
CO: „Dominee Korving vroeg waar ze het als vriendengroep vaak over hadden. Toen zeiden z’n kameraden dat Hendrik Jan regelmatig zei: „Zal ik eens vertellen wat ik nu weer gelezen heb?” En dan sprak hij over een goed boek dat hij net had gelezen. Ze komen trouwens om de paar weken nog steeds bij ons langs. Dat waarderen we erg.”
ALBERT: „Zijn vrienden zeiden dat hij een voorbeeld was voor hen. Hendrik Jan had een theologische bibliotheek waar de mijne niet aan kon tippen. Ik had juist tegen hem gezegd: „Je moet mijn bibliotheek maar overnemen.” Nu heb ik de zijne.”
MEERTOUW
Dan breekt de dag van de begrafenis aan. ’s Morgens vindt eerst de rouwdienst van Jochem Foppen plaats.
LUMMIE: „Ik vond het zo zwaar om rond zijn graf te staan en te weten dat we er ’s middags weer zouden zijn om Hendrik Jan te begraven.”
ALBERT: „Eerst wilden we onze zoon bij Marieke begraven. Maar daar zijn we toch van teruggekomen. Hendrik Jan en Jochem hebben samen zes jaar lang op een schip gezeten. Hij prakkeseerde er niet over om bij z’n schipper weg te gaan.”
CO: „Hij zei weleens: We praten niet de hele dag met elkaar hoor. We zeggen ook weleens een tijdje niets.”
LUMMIE: „Ze zijn zo dicht bij elkaar gevonden. Er was geen andere optie. De graven zijn zelfs door een stuk meertouw van het schip aan elkaar verbonden.” Ze kijkt naar haar zus Lydia. „Wat ik heel bijzonder vond, was dat jij, samen met onze zus Wilma, het dankwoord hebt gehouden.”
LYDIA: „Ach, je wilt zo graag wat doen. Hendrik Jan hield van fotograferen. En ik van kaarten maken. Daarom stuurde hij steeds foto’s naar mij. Van bijvoorbeeld zonsondergangen op zee. De foto voor op zijn rouwkaart van de vrouw van het vissersmonument heeft hij ook zelf gemaakt. Die heb ik in die dagen opgezocht.”
Ook na de begrafenis blijft het meeleven groot. Albert wijst naar een grijze trommel met forse afmetingen. „Die hebben onze dochters speciaal voor ons gemaakt. Er zitten meer dan 1100 kaarten in. Zelfs vanuit Denemarken.”
CO: „In een winkel legde iemand ineens zijn hand op m’n schouder: „Ik reken je boodschappen af.” Ook kregen we een brief uit Zeeland van een familie van wie twee broers en een zwager zijn vermist op zee. Daarmee hebben we direct contact gezocht. Afgelopen zomer zijn we bij elkaar geweest.”
In juni dit jaar wordt de gezonken kotter pas van de zeebodem gelicht. ALBERT: „Ik hoopte dat ze het veel eerder zouden doen, maar iedere keer kwam er iets tussen. Uiteindelijk was ik zover dat ik dacht: laat het nu maar zitten. We wilden graag Hendrik Jans persoonlijke spullen terughebben, maar die waren, doordat er zo veel maanden overheen gingen, voor het grootste deel weggespoeld of beschadigd.”
Albert en Co zijn niet meer naar de kotter geweest. Het grootste gedeelte van het gezin wel.
LYDIA: „Ik wilde zijn op de plaats waar mijn broertje stierf.”
LUMMIE: „Ik ook. Maar ik vond het heel confronterend om bijvoorbeeld de volle koelkast te zien.”
ALBERT: „Toch ben ik nu erg blij dat we nog spullen teruggekregen hebben, waaronder het dagboek van Hendrik Jan van ds. Jac. van Dijk.”
KLEINE BROERTJE
De vijf familieleden halen de herinneringen aan hun Hendrik Jan op. Aan zijn De Vries-humor. En hoe lief en zorgzaam hij was.
CO: „Altijd vroeg hij na het eten: „Moet ik nog wat voor je doen, moe?” of „Kan ik nog een boodschap voor je meenemen?””
LUMMIE: „Hij bleef m’n kleine broertje. Ook al was hij langer dan 2 meter en moest ik naar hem opkijken. Toen hij jonger was, vond hij het niet altijd leuk dat ik hem zo noemde. Maar later zei hij het zelf als hij me belde. Op zondagavond kwam hij vaak even langs. Als ik de deur op zondagavond hoor, denk ik nog steeds: daar is hij weer.”
LYDIA: „Ja, hij bleef ook echt mijn kleine broertje.”
CO: „Ik vergeet nooit meer dat hij aan me vroeg of hij nog een broertje of zusje kreeg. Hij zal een jaar of zes geweest zijn. Dat leek hem zo mooi. Ik zei dat dat niet meer zou gebeuren. „Haal dan maar een bruin kindje op”, was zijn antwoord.”
CORINE: „Toen jullie nog aan de Schelpenhoek woonden, kwam ik elke dag. Hendrik Jan, mijn zus en ik speelden dan vissertje. Van touwen had hij hele constructies gemaakt, dat waren dan de netten. Hendrik Jan was de schipper, wij zijn bemanning die de netten moesten binnenhalen als hij „Oalen” riep. Van papier vouwde hij ook een hele vissersvloot.”
ALBERT: „Mijn printerpapier was altijd op, ja.”
CORINE: „Of we bouwden hutten. Op een keer waren jullie ons kwijt. We hoorden jullie wel roepen, maar we vonden het te leuk om geen antwoord te geven. Hendrik Jan had ook een koosnaampje voor me. Maar dat zeg ik niet, want dan ga ik huilen.”
LYDIA: „Hendrik Jan had een huis gekocht, maar kon er nog niet gelijk in. Daarna heeft vader er nog veel in geklust en ook dat liep uit. Al een paar jaar zei Hendrik Jan op zijn verjaardag: „Zal dit mijn laatste verjaardag thuis zijn?” Ook vorig jaar zeiden we dat. We hebben er toen heel veel lol om gehad. Nu huilen we erom. Het was echt zijn laatste jaar thuis.”
Co pakt een dagboek dat naast haar stoel ligt op. ”De vreugde van mijn hart” is de titel. „Dit kreeg ik van hem met Moederdag. Normaal geven de kinderen altijd iets samen, maar dit jaar wilde hij iets apart doen, omdat het zijn laatste Moederdag thuis was.”
LUMMIE: „Urker dag zal nooit meer hetzelfde zijn. Dan kwam je hem altijd tegen in zijn Urkerpak, fotocamera op z’n buik.”
LYDIA: „We hebben inmiddels Hendrik Jans computerbestanden veilig kunnen stellen. Daar stonden veel foto’s en filmpjes op. Ik ben graag bezig, dat is mijn vorm van rouwen. Nu heb ik veel kaarten gemaakt van foto’s die Hendrik Jan gemaakt heeft. Die verkopen we via de site bedankactie.nl voor de SOAD en de KNRM. Zo kunnen we iets terugdoen voor de hulpdiensten.”
REGENBOOG
ALBERT: „Hij was ook een echte orgelliefhebber. Hij ging graag naar psalmzangavonden. En ik vond het fijn om met hem mee te gaan. André Nieuwkoop was zijn favoriete organist. Toen Hendrik Jan vermist was, heb ik hem een berichtje gestuurd of hij wilde spelen tijdens de rouwdienst. We hebben goede organisten in de kerk en in de familie, maar Hendrik Jan vond z’n spel zo mooi. Met twee minuten kreeg ik antwoord: „Albert, dat doe ik voor jullie.” Dat hebben we erg gewaardeerd. Het was aan alles in Hendrik Jans leven te merken waar zijn hart naar uitging.”
LUMMIE: „De regenboog heeft ook een bijzondere betekenis voor ons gekregen. De dag dat de UK 165 verging, stond hij boven die plaats waar het ongeval gebeurde. In de week zelf stond de boog boven het vissersmonument. En toen de jongens gevonden zijn, stond het teken van Gods trouw weer boven de plaats waar de duikers bezig waren. Dat hebben we ervaren als teken van God.”
ALBERT: „Daarom staat de regenboog ook op de grafsteen.”
CORINE: „We mogen geloven dat Hendrik Jan in de hemel bij God is.”
CO KNIKT: „We weten waar hij is, maar het gemis wordt steeds groter.”
ALBERT: „Afgelopen zondag preekte de dominee uit de Heidelbergse Catechismus, zondag 22. Daarin gaat het over de vragen „Wat troost geeft u de opstanding van Christus?” en „Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?” Daaruit kwamen zulke heerlijke dingen naar voren. Toen mijn schoonmoeder bijna twintig jaar geleden begraven werd, zei de ouderling: „Lieve kinderen, jullie moeten niet in de kuil kijken, maar eroverheen.” Als je jongen van 27 er ligt, ben je daar niet aan toe. Maar later zullen we het verstaan.”
ZIE OOK: RD.NL/LUMMETJE voor de documentatire "Genacht"
„Hoop ondanks blijvend gemis”
De familie De Vries behoort tot de christelijke gereformeerde kerk Urk-Maranatha. Een van de wijkpredikanten is ds. H. Korving. Hij leidde op 6 december 2019 de begrafenis van Hendrik Jan.
Riekelt Pasterkamp
„De impact van het vergaan van de UK 165 op de Urker gemeenschap was enorm groot. Wat je ziet gebeuren, is een herbeleving van allerlei rampen op zee die in het verleden plaatsvonden en die een onuitwisbare indruk achterlieten op Urker families. Iedereen heeft wel op de ene of andere manier familie of vrienden in de visserij en bij zulk soort zeer ernstige gebeurtenissen zie je hoe sterk de onderlinge verbondenheid is in de Urker gemeenschap. Toen ik het verschrikkelijke nieuws vernam, ben ik zo snel mogelijk naar de familie De Vries toegegaan. Strikt genomen was ik niet meer hun wijkpredikant op dat moment, omdat zij waren verhuisd naar een wijk die vacant is en waarin bijstand in het pastoraat wordt verleend door ds. J. W. Wüllschleger uit Zeewolde. In goed overleg met collega Wüllschleger hebben wij samen hen pastoraal bijgestaan. Zeker in die eerste dagen was de spanning buitengewoon groot vanwege de onzekerheid of de lichamen gevonden zouden worden. Er is bijna niets ergers te bedenken dan dat men een geliefde zo plotseling moet missen en er zelfs geen begrafenis zou kunnen plaatsvinden. Dan kan men het rouwproces ook nooit afsluiten.
Er is geen handboek dat voorziet in een antwoord op de vraag hoe je in zo’n situatie pastoraal zou moeten handelen. Ik heb meer gedacht aan de vrienden van Job, die ook geen woorden hadden. We hadden wel hét Woord en dat deden we samen open, biddend of de Heere het zou willen geven dat er duidelijkheid zou komen die aan de martelende onzekerheid een einde zou maken.
De dag van de begrafenis was een dag om tegen op te zien. De verslagenheid was voelbaar op het dorp. ’s Morgens werd Jochem Foppen begaven vanuit onze zustergemeente Eben-Haëzer, ’s middags Hendrik Jan vanuit de Schuilplaats. Beide families waren in beide rouwdiensten aanwezig. Het werd als een bijzondere zegen ervaren dat er ondanks het zware verdriet en het blijvende gemis toch hoop mocht zijn, gegrond op het Evangelie van vrije genade. In de begrafenisplechtigheid heb ik gesproken over de belijdenistekst die Hendrik Jan in 2015 van mij had meegekregen: Psalm 111:10: „De vreze des Heeren is het beginsel van de wijsheid.” Ds. Wüllschleger heeft nog op de begraafplaats gesproken.
De nazorg vanuit onze kerkelijke gemeente kreeg vorm doordat er van tijd tot tijd nog een bezoek werd gebracht aan de familie door de wijkouderlingen, de wijkpredikant, door mij en door mensen van De Schakel. Dit is een groep gemeenteleden die ziekenbezoek en andere bezoeken brengt in de gemeente. Een zo ingrijpende gebeurtenis heeft nog een lange nasleep, omdat het schip moest worden gelicht en dat kon mede door de weersomstandigheden pas na geruime tijd plaatsvinden. Ik ben samen met vader De Vries nog een keer in het huis van Hendrik Jan geweest, waar hij nog maar vier weken woonde.”
Alles op de tast doen
Riekelt Pasterkamp
De lichamen van de vissers van de UK 165 werden gevonden door een duikteam van de Koninklijke Marine. De geboren Urker Gerrit Weerstand was een van de leiders bij de zoekactie naar zijn voormalige dorpsgenoten.
De UK 165 Lummetje gaf op donderdag 28 november 2019 om 5.46 uur een noodsignaal af. Dat gebeurt automatisch als een schip kapseist of zinkt. Het schip werd uiteindelijk gelokaliseerd voor de kust van Texel, op een diepte van 14 meter.
De zoektocht naar en in het wrak was een lastige operatie, aldus Weerstand (37), duikmeester bij de Defensie Duikgroep. „Wrakduiken is een van de moeilijkste elementen van ons werk. Aanvankelijk was de zee te ruw om naar beneden te gaan. Bij 3 tot 4 meter deining lukt dat gewoonweg niet. Intussen jeukten onze vingers om aan het werk te gaan.” Toen het wel kon, hadden de duikers onder water te maken met stroming en een wrak waarin zich allemaal touwen, netten en kabels bevonden. „Bovendien is het onder water slecht zicht in de Waddenzee, zo’n 10 à 20 centimeter. Je moet dus alles op de tast doen.”
Na uitvoerig oefenen met het team van tien man en het opstellen van een stappenplan lukte het op zaterdag om een veilige verbinding met het wrak te maken. „Iedereen is doordrongen van zijn taak en de veiligheid van het team.” De marinemensen doken met een reguliere duikset en lucht van boven. Daardoor konden ze maximaal 75 minuten onder water blijven. Twee duikers stelden vast dat de deur naar de brug van het schip dichtzat. De volgende dag ging een van de duikers naar binnen en vond direct bij de deur het lichaam van een van de opvarenden. „Het gaf bij de jongens een gevoel van euforie dat ze ’m gevonden hadden.”
Vervolgens ging Weerstand als duikleider van de operatie in gesprek met zijn duikers. „Hoe is het met ze? Trekken ze het emotioneel?” Tegelijk kreeg hij honderden berichtjes binnen vanuit een gespannen afwachtend Urk. „Het hele dorp wist dat we aan het duiken waren. Ik voelde de wanhoop bij de mensen en bij de familie. Tegen de jongens heb ik gezegd dat het heel belangrijk werk is wat we met elkaar deden.” Later die ochtend werd de andere visser gevonden. „Met een soort tuigje haalden we het lichaam heel voorzichtig naar boven, zodat we het 100 procent niet zouden kwijtraken door stroming.” Aan dek werden de lichamen overgedragen aan de kustwacht.
Weerstand woont in Den Helder en werkt al twintig jaar bij de Koninklijke Marine, waarvan zestien jaar als duiker. Het was niet de eerste keer dat hij meezocht naar voormalige dorpsgenoten. In 2015 moest hij een week lang iedere dag duiken in de gezonken Noordzeekotter Z 85 Morgenster.
Dat schip was gezonken bij het Belgische Zeebrugge. „Uiteindelijk vond ik de schipper op een diepte van 36 meter. Toen en ook nu weer was ik blij en trots dat ik erbij was en iets kon betekenen voor de nabestaanden.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 25 november 2020
Terdege | 106 Pagina's