Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meevoelen met de kleintjes

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meevoelen met de kleintjes

13 minuten leestijd

”Ik open de vergadering.” Honderden keren heeft Khadija Arib (60), voorzitter van de Tweede Kamer, dit zinnetje al uitgesproken. Om daarna ogenschijnlijk onvermoeibaar twee, vier of soms wel veertien of zestien uur lang het debat te leiden. Wie is zij en wat drijft haar?Wat mij ook erg gevormd heeft, is dat ik hier als 15-jarige in Nederland mijn draai moest vinden. Dat is me gelukt, met vallen en opstaan. Ik ben zo vaak in mijn leven afgewezen om redenen die ik vaak niet begreep. Dan dacht ik: dat zal wel met mijn achtergrond, met mijn naam, te maken hebben. Veel jongeren van allochtone afkomst lopen hier nog steeds tegenaan.”

Het zijn drukke weken voor Kamervoorzitter Arib. Het mag dan vanaf 12 februari voorjaars- en verkiezingsreces zijn, elke dag vechten vrachten afspraken in haar agenda om voorrang. En dan zijn er nog de onverwachtse debatten, bijvoorbeeld over de avondklok, waarvoor de Tweede Kamer toch –al is het reces– in Den Haag samenkomt.

Tot in de puntjes verzorgd –chique jurk, zwarte blazer, bijkleurende ketting– neemt Arib op donderdagmorgen 18 februari plaats op de stoel van de voorzitter. Er ontspint zich een heftige discussie. Het ene Kamerlid na het andere draagt zijn of haar standpunten aan. Dan is het de beurt van Kamerlid Kuzu. Arib: „Ik was even iets minder scherp. Ineens dacht ik: Heb ik dat goed gehoord? Zei hij nu echt dat Rutte een dictator is? Ik vroeg het na aan de griffier en die bevestigde dat ik het goed had gehoord.”

Maar het moment is voorbij, want Kuzu is alweer verder in zijn betoog. Even later gebruikt hij echter opnieuw dezelfde terminologie. „Toen dacht ik: nu grijp ik in.”

De woorden waardigheid en stijl lijken Arib op het lijf geschreven. Evenals een vleugje humor en grote betrokkenheid. Ligt er een wetsvoorstel om de Nederlandse Gebarentaal als officiële taal te erkennen? Arib opent het debat in gebarentaal. Zijn er bussen vol verontruste Groningers naar Den Haag gekomen om een debat over gaswinning bij te wonen? De Kamervoorzitter reist naar Groningen af om daar met jong en oud te spreken en de problemen met eigen ogen te bezien. En natuurlijk zijn er vergaderingen die haar persoonlijk raken, zoals het debat over de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst, vertelt ze in het onlineinterview dat we met haar hebben. „Ik vind dat ik niet alleen moet opkomen voor mensen die goed georganiseerd zijn, maar juist ook voor groepen die ons niet weten te vinden.”

Van welk facet van uw rol als kamervoorzitter geniet u het meest?

„Het is bijzonder om de Kamer naar buiten toe te mogen vertegenwoordigen. Ik ervaar het als een grote eer dat ik mocht spreken tijdens de Holocaustherdenking bij het monument ”Nooit meer Auschwitz”. Maar het voorzitten van debatten is mijn belangrijkste taak. En dat vind ik prachtig werk. Verschillende partijen, van klein tot groot, allemaal mogen ze hun standpunten in dit parlement naar voren brengen. De Kamerleden gaan met elkaar in debat, controleren de regering en komen tot besluiten. En ik mag daar een belangrijke rol in spelen. Vaak zijn het heel mooie debatten. En sommige zijn onvergetelijk.”

Aan welke debatten denkt u dan?

„Medisch-ethische debatten vind ik altijd erg interessant. Het zijn ook de thema’s waar de hijgerigheid van alledag even aan de kant gaat en waar we als Tweede Kamer de diepte ingaan. Dan voeren we een debat over kwesties die gaan over leven of dood. Wat betekent dit voor een individu, voor de omgeving? Welke samenleving willen we? Ook al zijn we het dan niet met elkaar eens, het dwingt elk Kamerlid om over ons bestaan na te denken. En dat vind ik gewoon mooi.

De afgelopen periode waren er niet veel van deze debatten. Maar toen het rapport van Schnabel over voltooid leven werd gepresenteerd, hebben we daar een dag lang over vergaderd. Dat vond ik een van de mooiste debatten ooit.

Er zijn ook debatten waarbij veel publieke belangstelling is, bijvoorbeeld die over de gaswinning in Groningen. Dan komen betrokkenen met bussen vol naar Den Haag.”

Vraagt het meer inspanning van u als er zo veel mensen meekijken vanaf de publieke tribune?

„Nee, ik ervaar dat juist als prettig. Ik mis dat heel erg in deze tijd van de coronapandemie. In sommige debatten krijg ik iets over me van: dit is al tien keer gezegd, dus prima zo. Maar dat heb ik bij debatten waarbij de direct betrokkenen in de zaal zitten minder. Tijdens het debat over de kinderopvangtoeslagenaffaire raakten de reacties van de ouders mij. Ik voelde hun machteloosheid. Een keer dreigde ik zelfs onderdeel van het debat te worden. Staatssecretaris Snel zei toen: „De ouders kunnen natuurlijk altijd de Belastingdienst bellen.” „Welk nummer?” riepen ouders toen naar beneden. Die vraag speelde ik door. Dat deed ik spontaan. Was dat wijs? Was dat verstandig? Dat vraag ik me pas achteraf af. Gelukkig werd het gewaardeerd.”

Hoe bereidt u zich op een debat voor?

„Het boeiende aan mijn werk is dat het een tikje onvoorspelbaar is. Ik bereid debatten eigenlijk niet voor. Natuurlijk lees ik wel het memo waarop de voorgeschiedenis van het onderwerp van de vergadering staat beschreven. Daarop staat onder meer hoe de behandeling tot dan toe is verlopen. Soms denk ik: dit wordt vast een stevig debat. Dan is er door de Kamerleden al van alles op Twitter geroepen en is er veel in de media over geschreven. Maar vervolgens gaat het debat als een nachtkaars uit. Het lijkt dan wel alsof de Kamerleden op de plek waar het besproken hoort te worden, al zijn uitgepraat.

Het omgekeerde gebeurt ook: in een tam debat ontstaat er ineens een heel andere dynamiek, omdat een bewindspersoon bijvoorbeeld iets onverwachts zegt. Dat houdt mijn werk spannend. Maar over het algemeen weet ik vaak wie wat gaat zeggen. Ik ken de Kamerleden inmiddels natuurlijk behoorlijk goed. Het scheelt ook dat ik zelf lang in de bankjes heb gezeten en daar veel heb meegemaakt. Dan weer zat de PVDA in de coalitie, dan weer in de oppositie. Ik ken het klappen van de zweep. Soms merk ik dat de meerderheid de oppositiepartijen een beetje buitenspel zet. Dan denk ik: Ga daar eens anders mee om. Nu zijn jullie aan de macht, maar dat kan een volgende keer zomaar weer anders zijn. Dan voel ik mee met de kleintjes.”

Hoe blijft u ook bij lange debatten alert?

„Geen rare dingen doen. Eigenlijk leef ik een beetje saai. Dat is in dit vak fijn. Voldoende en goed slapen. Dat scheelt al enorm. En af en toe even de teugels laten vieren. In de herfst heb ik bijvoorbeeld een weekje met een goede vriendin ongelooflijk veel gewandeld in Limburg. Het was fijn om van alles met elkaar te kunnen bespreken zonder het gevoel te hebben dat iets wat je zegt, later tegen je gebruikt kan worden.

Fysiek is mijn werk zwaar. Sommige debatten duren wel twaalf, veertien of zestien uur. Af en toe schors ik dan voor een halfuur of een uur, maar dan staan er meteen drie, vier of vijf medewerkers klaar die ook iets van je willen.

Verder zei een van mijn voorgangers, collega Gerdi Verbeet, altijd: Als voorzitter heb je drie dingen nodig. De klok, het reglement van orde en een goed humeur. Wat ik privé meemaak, probeer ik niet mee te nemen naar mijn werkplek. Als ik daar zit, ben ik er voor de Kamerleden.”

De knop om?

„Dat kan ik inderdaad.”

Sinds 1998 zit u in de kamer. U kwam daar met idealen. Kunt u daar iets over vertellen?

„Ik ben de politiek niet ingegaan vanwege mijn studie of omdat mijn ouders politiek actief waren, zoals je bij veel politici ziet. Bij mij was het uit onvrede over de manier waarop de politiek in die tijd omging met migranten, met migrantenvrouwen, hoe ze keken naar de emancipatie van Marokkaanse vrouwen in het bijzonder. Er waren zo veel dingen waar ik tegen aanliep. Ik stemde altijd PvdA, onder andere uit loyaliteit aan mijn vader. Hij was arbeider en had premier Den Uyl hoog staan. Ik was 34 toen ik lid werd. Voor mij stond wel vast dat ik actief lid wilde zijn. Al vrij snel kwam ik in het landelijk bestuur en vervolgens in de Tweede Kamer terecht. Daar heb ik me onder meer hard gemaakt voor de Kinderombudsman. Ook thema’s als kindersterfte en verloskundigenzorg vond ik uiterst belangrijk.”

Omdat?

„Ik had als maatschappelijk werker met eigen ogen gezien hoeveel leed er vooral in achterstandswijken voorkwam, doordat allochtone vrouwen niet op tijd naar de verloskundige gingen. Ik vind dat we in de politiek niet alleen moeten opkomen voor mensen die ons weten te vinden, maar juist ook voor groepen die geen stem hebben. Medisch specialisten, de farmaceutische industrie, al dat soort groepen zijn goed georganiseerd. En zij weten ons of de weg naar de media wel te vinden. Maar kinderen of zwangeren uit achterstandswijken hebben geen stem. Ik vind het heel belangrijk om voor hen op te komen. Om te strijden tegen onrecht.”

In uw boek ”couscous op zondag” beschrijft u uw familiegeschiedenis. Welke gebeurtenis uit uw leven heeft u het meest gevormd?

„Natuurlijk zijn er veel dingen die je vormen. Een van de dingen die grote invloed op mijn leven hebben gehad, is dat mijn moeder niet de kans heeft gekregen om naar school te gaan. Daardoor heeft ze nooit leren lezen en schrijven. In Marokko was de hele samenleving ingesteld op analfabeten. Er was altijd wel iemand in de buurt die je kon helpen met een brief. Maar dat lag in Nederland allemaal heel anders. Mijn moeder vond het lastig om afhankelijk te zijn van anderen. Dat maakt dat ik een zwak heb voor mensen die zich moeilijk zelf kunnen redden. Het doet mij pijn als er over die mensen badinerend wordt gesproken. Dat zie ik bijvoorbeeld in de kinderopvangtoeslagaffaire terugkomen. Dan zie ik daar mijn ouders of mijn nichten, die proberen de eindjes aan elkaar te knopen, in terug. Zij willen hun kinderen een mooie toekomst geven, maar dat lukt soms net niet. Het raakt me als een overheid op hen neerkijkt alsof dat allemaal profiteurs zijn.

Wat zegt u dan tegen hen?

„Wat ik ook tegen mijn eigen kinderen zeg: niet alles is altijd fijn en leuk, de samenleving heeft ook een harde kant. Laat je door een afwijzing niet klein krijgen, maar sta op en zet door. Dat is een boodschap die ik altijd probeer uit te dragen naar alle jongeren.

In een sollicitatie kun je worden afgewezen en een woning kan aan je neus voorbijgaan, maar probeer dan het gesprek aan te gaan. Waarom is het zo gelopen? En wat deed het met jezelf?

Ik zeg ook tegen jongeren: Wat je ook doet, of je in de horeca zit of timmerman bent, probeer er de beste in te zijn. We kunnen niet allemaal Kamervoorzitter worden, maar welk beroep je ook kiest, haal er het maximale uit en heb er plezier in.”

U heeft drie kinderen. Wat is het grootste compliment dat ze u kunnen geven?

Stilte. „Het mooie van kinderen is dat ze onvoorwaardelijk van je houden. Ouders willen altijd trots zijn op hun kinderen. Maar ik denk dat heel veel ouders ook graag willen dat hun kinderen trots op hen zijn. En ik denk dat mijn kinderen dat wel op mij zijn. Dat zeggen ze niet expliciet. Maar dat voel je gewoon. Ook in moeilijke tijden zijn ze er altijd voor mij. En dat is rijkdom. Het mooiste wat je kan overkomen, is gezonde kinderen te hebben die van je houden.”

Welke fase vond u het mooist in de opvoeding?

„De puberteit vond ik eerlijk gezegd best lastig. Je moet van het begin tot het eind zeggen wat ze moeten doen, vooral bij de jongens. Ten minste mijn kinderen kwamen er in die fase niet toe om dingen te doen, als ik hen niet stapsgewijs begeleidde. Ik vind het nu eigenlijk wel een mooie fase. Ze zijn alle drie volwassen. Ik blijf wel hun moeder, geen vriendin. Maar ik geniet van de mooie gesprekken die ik met hen kan voeren. Laatst ging het onverwachts over de discussie van wel of geen ouderen op de ic. Ik ben dan zo trots en ontroerd dat mijn kinderen alle drie vinden dat je niet naar de leeftijd hoort te kijken. Ik ben er trots op dat ik deze mooie burgers ter wereld heb gebracht, die geen groepen willen uitsluiten.”

Terug naar de politiek. De beste woordvoerder: Aan wie denkt u dan?

„Nee, nee, dat ga ik niet zeggen. Ik denk dat iedereen een eigen manier heeft van woordvoering. Sommige Kamerleden doen het echt uit het hart. Dat spreekt mij aan. Zelf heb ik altijd wel een papiertje met de grote lijn erop, anders ben ik bang dat ik wat vergeet. Maar alle woordvoerders zijn me even lief.”

Hoe kijkt u tegen de christelijke partijen aan?

„Ik vind het mooi hoe ze hun principes en geloof als referentiekader hebben. Tegelijkertijd kunnen ze ook pragmatisch zijn in wat ze wel en niet voor elkaar kunnen krijgen. Zowel de SGP als de CU stelt zich bescheiden op ten aanzien van het recht op interrupties. In principe mogen ze net zo veel interrumperen als een grote partij, maar ze overschreeuwen zich niet. En wat ik ook erg waardeer: hoe klein ze ook zijn, ze werken altijd mee aan wetgeving. Kleine fracties pikken nogal eens alleen de debatten eruit waar veel mediaaandacht voor is. Dat is gedrag dat ik bij de christelijke partijen niet terugzie.

En ze houden de Kamer als instituut hoog. Ik kan altijd een beroep op hen doen. Dankzij Kees van der Staaij hebben we het Reglement van Orde bijvoorbeeld tegen het licht gehouden. Hij heeft daar ongelooflijk veel tijd in gestoken.

Daardoor draagt hij bij aan het collectief geheugen, iets wat nodig is in deze tijd van snelle doorloop van de Kamerleden.

Ik hoop oprecht dat deze kleine christelijke partijen na de verkiezingen hun plek weer kunnen innemen.”

U heeft aangegeven dat u graag nog een termijn wilt na de verkiezingen.

„Ik heb dat inderdaad gezegd. In 2015 had ik voor mezelf bedacht dat het mijn laatste periode als Kamerlid zou zijn. Maar toen gebeurde er iets onverwachts: Anouchka van Miltenburg vertrok. Ik was al lang ondervoorzitter en besloot toen om me kandidaat te stellen als Kamervoorzitter.

En toen ontdekte ik dat ik het vreselijk leuk vond. Je moet je altijd wel afvragen: kan ik het weer met hetzelfde enthousiasme en dezelfde energie oppakken? Dat is wat mij betreft het geval. Bovendien voel ik me verantwoor

delijk. We hadden het net over het collectief geheugen. Er zijn veel onzekerheden, nieuwe partijen, een hoge doorloop in de Tweede Kamer: ik voel me verantwoordelijk voor het instituut. En het is nog steeds een grote eer om te mogen doen.”

Het is nog geen gelopen race. Wat als u het niet wordt?

„Dan ben ik gewoon Kamerlid. Dat zou wel lastig voor me worden, omdat ik jarenlang een andere rol heb gehad. Het is aan de Kamer om een voorzitter te kiezen. Ik hoop dat de Kamerleden kijken naar competenties en ervaring, maar tegelijkertijd weet ik ook hoe de politiek werkt. Dat er achter de schermen dealtjes worden gesloten. Het moet je ook gegund worden.”


Khadija Arib

...werd op 10 oktober 1960 geboren in Hedami (Marokko);

...verhuisde op 15-jarige leeftijd naar Nederland, omdat haar vader daar al langere tijd werkzaam was;

...studeerde sociologie aan de Universiteit van Amsterdam;

...werd in 1989 enkele dagen vastgehouden door de politie in Marokko, omdat ze zich in Nederland publiekelijk inzette voor de rechten van Marokkaanse vrouwen;

...werd in 1998 gekozen tot Kamerlid voor de PvdA;

...werd in 2016 gekozen tot voorzitter van de Tweede Kamer;

...is gescheiden, moeder van dochter Sabra (37) en tweelingzonen Ghassan en Wadie (36) en oma van vier kleinkinderen (onder wie een tweeling);

...publiceerde in 2009 ”Couscous op zondag” waarin ze haar familiegeschiedenis beschreef.

Dit artikel werd u aangeboden door: Terdege

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 maart 2021

Terdege | 107 Pagina's

Meevoelen met de kleintjes

Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 maart 2021

Terdege | 107 Pagina's