Kritiek
Zoals ik vorige keer schreef, had ik heel wat kritiek op de prediking van de voorgangers in Ede. Later kreeg ik ook zelf kritiek. Enige (niet onfeilbare) herinneringen hieraan.
Kritiek op mijn prediking heb ik vanaf het begin gekregen, maar tot in de eerste jaren van mijn arbeid in Genemuiden hoorde ik eigenlijk alleen dat ze te bevindelijk, te ernstig, te waarschuwend en te wettisch was.
Na een paar jaar kwam er ook andere kritiek. Een ernstige, zeer sympathieke catechisant van een jaar of twintig kwam op een keer bij mij en vertelde me dat hij overging naar de gereformeerde gemeente ter plaatse. Waarom? „U preekt de gangen van Gods volk niet.” Ik was verslagen. Hoe was het mogelijk dat iemand dát vond? Ik begreep er niets van. Ondertussen was het maar zo en deze jonge man ging… Later vertelde een oudere man mij: „U stopt, waar de oudvaders beginnen.” Weer stond ik perplex. Dit was toch niet waar?
Iemand maakte (achter mijn rug) de opmerking: „Bij ds. Pieters hoef je niet te sterven.” Hiermee bedoelde hij dat ik niet afsnijdend preekte.
Ook maakte ik mee dat iemand mij belde om te zeggen dat de preek van gisteren in het geheel niet deugde (het had iets te maken met het ontbreken van ootmoed). Kort daarna zag ik hem niet meer in de kerk en bleek hij naar elders te reizen om ds. X te horen, die het wel zuiver bracht…
Op een zondagmiddag in Springford gebeurde het dat iemand tijdens de preek zei: „Come on!” en vervolgens het kerkgebouw verliet. Ik preekte over antwoord 85, de sleutels van het hemelrijk, en zei onder andere: „Als David zich na zijn zonde ten aanzien van bathseba en Uria niet in berouw tot God had bekeerd, dan was hij verloren gegaan…” De man vatte dat op als remonstrantisme.
En ooit schreef mij een jonge vader uit Garderen, die onder mijn prediking tot bekering was gekomen: „In de gesprekken over de prediking zijn we het helaas niet eens geworden. Ik heb niks meer van me laten horen, terwijl ik toch vele malen op het punt heb gestaan om het wel te doen, maar ik had de moed niet. Misschien had ik het wel moeten doen, misschien hebt u er wel behoefte aan, maar wat zal ik toch inbrengen tegen iemand die al zo lang dominee is. Toch wil ik u nogmaals duidelijk maken wat er in de prediking wordt gemist. U schrijft dat God gevangenen verlost. Het is het allergrootste wonder dat een mens overkomen kan. En wat is een wonder? Dat je iets krijgt waar je niet op rekent. En dat is nu net wat in uw preek wordt gemist, de verlossing.”
Dankzij al die opmerkingen (want ik heb er veel van geleerd) en ook ondanks al die opmerkingen (want ik ben het er niet altijd mee eens – ook niet na dieper onderzoek) preek ik, zoals ik preek. God helpe mij genadig…
Ds. W. Pieters, Elspeet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 19 november 2024
Terdege | 116 Pagina's