Focus
Ontwikkelingen in het Jeremiaonderzoek
Hindy Najman en Konrad Schmid (red.), Jeremiah’s Scriptures: Production, Reception, Interaction, and Transformation [Supplements to the Journal for the Study of Judaism 173] (Leiden/Boston: Brill, 2017) xii + 633 p., € 186,00 (ISBN 9789004320246).Jack R. Lundbom, Craig A. Evans en Bradford A. Anderson (red.), The Book of Jeremiah: Composition, Reception, and Interpretation [Supplements to Vetus Testamentum 178] (Leiden/Boston: Brill, 2018) xix + 545 p., € 154,00 (ISBN 9789004373266).
Ter inleiding
Jeremia, het grootste 1 boek van de Bijbel, is fascinerend en intrigerend. Het neemt de lezer mee naar het catastrofale breukvlak in de geschiedenis van Israël, rondom de val van Jeruzalem in 587 v.Chr. De tijdsperiode dat er een einde kwam aan het zelfstandig bestaan als volk en natie, en de institutionele steunpilaren van koningschap en tempel ten onder gingen. In aangrijpende taal wordt de ultieme worsteling van God met zijn volk verwoord, op de grens van leven en dood. De profeet Jeremia is hierin met huid en haar betrokken.
Zijn lot weerspiegelt de gang van het Woord van God: veracht, verworpen, verbannen. Donker en dreigend is de profetie, hoewel dit boek ook enkele gloedvolle heilsprofetieën bevat die nog lang zullen doorwerken (zoals die over het nieuwe verbond in 31:31-34). De vervulling daarvan heeft de profeet zelf niet meer meegemaakt. Hij verdwijnt in de mist van de geschiedenis na zijn exilering naar Egypte, een veelzeggend einde.
Tegelijk bevat Jeremia veel meer dan slechts een relaas over de persoonlijke lotgevallen van een ongelukkige profeet en de ondergang van Jeruzalem. In dit boek klinken ook andere stemmen, in wisselend perspectief. Jeremia is een geschrift dat zich kenmerkt door een gecompliceerde samenstelling en structuur, met unieke kenmerken zoals een stijl die soms sterk aan Deuteronomium doet denken, een groot aantal herhalingen en opvallend veel citaten uit andere bijbelboeken. Bekend is ook het probleem van de tekstgeschiedenis, vanwege de discrepantie tussen de kortere Griekse en de langere Hebreeuwse versie. In weinig andere bijbelboeken zijn zoveel sporen te vinden van compositionele groeiprocessen. De interpretatie van dit alles heeft geleid tot een spectrum van theorieën. Verschillende wegen worden bewandeld door enerzijds de literair- en redactiekritische benaderingen en anderzijds de meer synchrone analyse van retorica en tekststructuur. In recente tijd komt hier nog bij het brede en boeiende veld van de Wirkungsgeschichte en receptiegeschiedenis, het boek Jeremia heeft een heel spoor door de geschiedenis getrokken.
Vruchten van recent onderzoek
Op het terrein van het Jeremiaonderzoek zijn internationaal veel geleerden actief, de laatste jaren zelfs in snel toenemende mate, zoals ook blijkt uit de twee bundels die boven dit Focusartikel staan. Een keur van Jeremiaonderzoekers heeft eraan meegewerkt, naast oudtestamentici en een enkele nieuwtestamenticus ook experts op het gebied van de intertestamentaire literatuur en de rabbinica. De subtitels laten zien dat de twee boeken zich grotendeels op dezelfde onderzoeksthema’s richten: de wordings- en tekstgeschiedenis, stijl en intertextualiteit, exegese en theologie, interpretatiegeschiedenis.
Verrassend is echter dat er nauwelijks overlap is tussen beide boeken; 2 ze hebben een verschillende aanpak en opzet.
De bundel van Najman en Schmid uit 2017 bevat de resultaten van een grote conferentie in Monte Verità (Zwitserland) in 2014. Het eerste deel van het boek focust op de literaire groei van Jeremia, met veel aandacht voor de hypothese van één of meerdere deuteronomistische redactie(s). In het tweede deel wordt de cirkel breder getrokken met de bestudering van andere geschriften die met Jeremia of Baruch worden geassocieerd, samen met het canonieke boek wel genoemd ‘Jeremiah’s scriptures’: de verschillende boeken Baruch, 1 Henoch, Klaagliederen. Verder is ook aandacht voor de Jeremiareceptie onder anderen bij Philo. Een derde sectie behandelt de Wirkungsgeschichte van Jeremia in het Nieuwe Testament en de rabbijnse literatuur.
De bundel van Lundbom en anderen uit 2018 vormt het achtste deel van Formation and Interpretation of Old Testament Literature (FIOTL), een reeks die is opgenomen in de bekende serie Supplements to Vetus Testamentum.
De eerste sectie hiervan behandelt algemene thema’s als de rol van schrijvers in en achter het boek Jeremia, de positie van Jeremia te midden van de andere profeten en de analogie Mozes-Jeremia. Een tweede deel bundelt artikelen over diverse onderwerpen, bijvoorbeeld de archeologie van Mizpa (cf. Jer. 40:6vv.), messiaanse verwachtingen, de structuur van de confessiones, de Rechabieten, de volkenprofetieën. In de derde sectie komt de tekstgeschiedenis aan bod, en de receptie zowel in de versiones als in de intertestamentaire literatuur. Het vierde deel ten slotte, over ‘Jeremiah and Theology’ biedt artikelen over Jeremia als middelaar, en de relatie tussen God en tijd/plaats in Jeremia.
Tezamen geven deze twee bundels ons een mooi beeld van de huidige stand van zaken. De bundel van 2017 biedt meer dan die van 2018 voor wat betreft redactie- en receptiegeschiedenis, de bundel van 2018 biedt meer dan die van 2017 voor wat betreft exegetisch-theologische discussie en het onderzoek van de versiones. Het spannendst vind ik de bundel uit 2017, omdat hierin naast de hoofdreferaten ook de coreferaten (‘responses’) zijn opgenomen. Met inachtneming van de academische beleefdheid komen de soms scherpe verschillen in visie geregeld aan de oppervlakte, wat de eigen meningsvorming stimuleert. Al met al bevatten de bundels 71 artikels, ondoenlijk om die alle te bespreken. In plaats daarvan selecteer ik een viertal hoofdthema’s uit het onderzoek.
Tekstgeschiedenis
Het belangrijkste verschil tussen de Griekse en de masoretische tekst van Jeremia is dat de eerste ongeveer 1/7 deel korter is, en een andere plaatsing van en volgorde binnen de bundel volkenprofetieën heeft. De visie dat dit verschil wel veroorzaakt zal zijn door de vertalers werd na de vondst van Qumranmanuscripten problematisch. Vier bijdragen zijn aan deze complexe materie gewijd: Tigchelaar (2017:289-306, met drie coreferaten), Fischer (2017:166-178, cf. 2018:46-48), Shead (2018:255-279) en Lange (2018:280-302).
In Qumran is een achttal Jeremiamanuscripten gevonden waarvan in elk geval één dichter bij de Griekse dan bij de Hebreeuwse tekst staat: 4QJer b , met een pars uit Jeremia 9 en 10. 3 Gevoegd bij de observatie dat de ‘Old Greek’ (de oorspronkelijke Griekse vertaling, te onderscheiden van de bredere/latere Septuagintatraditie) een tamelijk letterlijke vertaling van de Jeremiatekst biedt, vormt dit gegeven voor een meerderheid van de geleerden het bewijs, dat de Griekse tekst niet een verkorting van de Hebreeuwse tekst door de vertaler(s) is. Zij nemen aan dat, omgekeerd, de Hebreeuwse tekst een latere fase in de tekstgeschiedenis weerspiegelt, met tekstuele toevoegingen en omwerking van de structuur van de ‘oorspronkelijke tekst’. Deze mening wordt nog versterkt door de ontdekking van het zogenaamde premasoretische idiolect (term van H.-J. Stipp), waaronder verstaan wordt een geheel van linguistische karakteristieken (woorden, woordgroepen, spelling, grammaticale constructies) die tweemaal of vaker in de masoretische tekst van Jeremia voorkomen, maar nooit in de Vorlage van de Old Greek (de Alexandrijnse editie) en bovendien nergens elders in de Hebreeuwse Bijbel. Dit extra materiaal in de masoretische tekst heeft dus een eigen taalkundig profiel, wat de invloed van latere schrijvers aantoont.
Een minderheid wil met beslistheid de prioriteit van de masoretische tekst handhaven. Prominente verdediger van deze lijn is de Innsbrucker hoogleraar Georg Fischer, voor wie het boek Jeremia een in de vierde eeuw v.Chr. geschreven metatekst is, die reflecteert op vele eerdere/oudere bijbelteksten, met een doelbewuste boekstructuur. Het boek Jeremia is niet het product van een groeiproces, maar een eenmaal tot een eenheid geweven geheel, aldus Fischer. Deze minderheid kritiseert de plausibiliteit van een gestage groei van de Hebreeuwse tekst. Materieel gezien zouden de problemen en kosten van steeds weer nieuwe edities van het boek Jeremia te groot zijn (Fischer 2017:34v; Lippke 2017:57). Hiertegenover stelt Popovic dat de Qumranmanuscripten juist het bewijs ervan vormen, dat een proces van Fortschreibung binnen relatief korte tijdsperioden heel goed mogelijk was (2017:255).
De vraag is dan wel, hoe de uitbreidingen in de Hebreeuwse tekst te waarderen zijn. Gaat het om een langzaam proces van kleinere toevoegingen, door W. McKane getypeerd als ‘a rolling corpus’? H.-J. Stipp ziet meer samenhang tussen de toevoegingen, maar toch te weinig om van een MT-redactie te kunnen spreken. Hij stelt dat het een traditie van creatieve aanvulling betreft die dus meer is dan slechts ‘scribal’ en tegelijk minder dan ‘redactional’. P.M. Bogaert en anderen schrijven de uitbreidingen toe aan een min of meer systematische redactie. Deze gedachte krijgt bijval van de kant van Shead, die wijst op de toevoeging van langere passages als Jeremia 33:14-26 en 39:4-13 die ontbreken in de Griekse tekst, en op de reorganisatie van de gehele boekstructuur door de verplaatsing van de bundel volkenprofetieën uit het midden naar het slot van het boek (2018:273).
De overheersende visie is dus dat de Old Greek dichter bij de oorspronkelijke versie van Jeremia staat dan de masoretische tekst. De Griekse tekst verraadt zelf weer op onderdelen signalen van latere groei. Soms bevat de Septuaginta tekstlezingen die nauwelijks een goede zin geven, blijkbaar kwam de vertaler er dan niet goed uit. In recent onderzoek wordt door O. Glanz (dissertatie 2013), S. Gesundheit (2015) en J. Adcock (dissertatie 2017) opnieuw gepleit voor de prioriteit van de langere Hebreeuwse tekst (hoewel de argumentatie van met name de laatste twee niet steeds overtuigt). 4 Terecht waarschuwt Tigchelaar (2017:290) voor het optimisme van E. Tov, dat de complete boekrol van 4QJer b ook in de capita die nu ontbreken zou zijn overeengekomen met de Septuaginta.
We moeten beseffen dat de LXX-achtige Qumranteksten nu eenmaal zeer fragmentarisch zijn, en bovendien ook niet voor 100% met de Griekse tekst overeenkomen. Ook is er geen bewijs dat de huidige LXX-structuur met de bundel volkenprofetieën in het midden werkelijk uit de Vorlage van de Old Greek afkomstig is en de meest oorspronkelijke zou zijn.
Alles duidt op een complexe tekstuele situatie, waaraan pas een einde kwam na de val van Jeruzalem in 70 n.Chr. Van toen af was er één Hebreeuwse teksttraditie, die voortbouwde op de protomasoretische handschriften. De jonge christelijke kerk had inmiddels reeds de Griekse tekst van de Septuaginta in gebruik genomen, waarop vervolgens de Vetus Latina (voornamelijk) gebaseerd is. Het Nieuwe Testament citeert grotendeels uit de Septuaginta.
Ook als later Hiëronymus met zijn beroep op de veritas hebraica in de voorbereiding van de Vulgata terugkeert naar de Hebreeuwse tekst, zal in de kerk de canonstructuur van de Septuaginta overheersend blijven, tot op heden toe.
Literaire groei en compositie
De conferentie van 2014 waarvan de bijdragen verzameld zijn in de bundel van 2017, viel precies een eeuw na de publicatie van het invloedrijke werk van S. Mowinckel, Zur Komposition des Buches Jeremia. Hij stelde dat het boek Jeremia samengesteld is uit vier reeds bestaande schriftelijke bronnen. Eén daarvan, bron C, bestaat uit prozareden die in een late fase aan het boek zijn toegevoegd en deuteronomistisch van taal en theologie zijn. In een helder overzicht laat Wilson zien wat de huidige posities zijn (2017:3-21). Ten eerste zijn er nog steeds wel geleerden, vooral in de USA, die in het spoor van Mowinckel onderscheid willen maken tussen poëtische gedeelten die van de historische profeet Jeremia zijn en het ‘didactisch proza’ dat een soort deuteronomistische ‘insert’ in het boek is. Ten tweede is er een lijn van onderzoek die, de waarschuwing van R.P. Carroll volgend, afziet van de queeste naar de originele profetische input, en contrarie alle fragmentarisering, zich richt op een holistische lezing van het boek Jeremia. Ten derde is er een groeiende meerderheid van exegeten die door het hele boek Jeremia heen een of meer deuteronomistische redacties/edities zien. Ten vierde stelt een aantal geleerden dat we in het boek Jeremia rekening moeten houden met Fortschreibung, een proces van relecture oftewel interpretatie en toepassing van de tekst in situaties van latere leesgemeenschappen.
Hoezeer de visie op de literaire groei en compositie ook varieert, in dwarsdoorsnee kan gezegd worden dat de meeste geleerden aannemen dat het huidige boek teruggaat op het oorspronkelijke werk van de profeet Jeremia, hoewel er veel verschil van mening is over de mogelijkheden om de authentieke boodschap en de historische contouren van Jeremia scherp te krijgen. Men deelt de visie dat Jeremia literaire uitbreidingen heeft gekregen, en ook dat door het hele boek heen deuteronomistische invloed is waar te nemen.
Eveneens, dat het boek Jeremia in zijn finale fase het resultaat is van het werk van schrijvers (‘scribes’). Aandacht voor schrijvers en hun arbeid is een tamelijk recente ontwikkeling op het gebied van de Jeremiastudies. Geleerden als P.R. Davies, W.M. Schniedewind en K. van der Toorn hebben belangwekkende studies het licht doen zien over de rol van de soferim, getrainde specialisten (vaak priesters) die verantwoordelijk waren voor tekstproductie.
In het boek Jeremia zelf vinden we allerlei signalen van de activiteiten van schrijvers, waarbij niet het minst te denken is aan de Safan-familie. Vaak wordt gewezen op de kerntekst Jeremia 36 waarin de schriftwording van de profetie centraal staat: de Safanide Baruch schrijft de profetieën op een boekrol (vss. 2, 4), en doet dat opnieuw nadat koning Jojakim de rol vernietigd heeft (vs. 32a; zie hierover Hartenstein 2017:70-91, met de coreferaten). Hierop volgt in vers 32b de intrigerende zin w e ‘ôd nôsaf ‘ a lêhem d e bārîm rabbîm kāhēmāh ‘en nog veel dergelijke woorden werden daaraan toegevoegd’ – een vingerafdruk van de soferim? Leuchter (2018:3-25) meent dat het boek Jeremia een door de schrijvers vervaardigd tekstarchief is dat functioneert als een surrogaatheiligdom. Via de geschreven tekst komt de lezer/hoorder de heilige ruimte van de tempel binnen, die voor de weggevoerde ballingen immers verloren is.
Een belangrijke stap voorwaarts in het debat over de veronderstelde deuteronomistische redactie(s) van het boek Jeremia vormt het onderzoek van H.-J. Stipp naar de door hem gelabelde ‘deutero-jeremiaanse stijl’, die typerend is voor het boek Jeremia, niet alleen in de prozareden maar ook in de confessiones en de narratieve gedeelten. Deze stijl, die sterk herinnert aan de taal van het boek Deuteronomium, is door meerdere redactors gebruikt, maar valt niet samen met een ‘deuteronomistische’ bewerking. De laatste term dient gereserveerd te worden voor tekstgedeelten die ook duidelijk het gedachtengoed van het boek Deuteronomium zelf delen en daarop voortbouwen (Maier 2017:103-123; Römer 2017:124-131). Stipp waarschuwt tegen het gebruik van ‘deuteronomistisch’ als een parapluterm, en stelt dat ‘deuteronomistisch’ een subcategorie is van de bredere deutero-jeremiaanse stijl (2017:145-165). Met name het ontbreken van aandacht voor de centralisering van de offercultus, toch een kernpunt in het boek Deuteronomium, maakt dat allerlei deuterojeremiaanse tekstpassages niet op conto van een deuteronomistische redactie geschoven kunnen worden. De theorie van een deuteronomistische bewerking verdient nadere scherpstelling, aldus Stipp (2017:164v.).
Deze visie staat haaks op die van Fischer, die de hypothese van een deuteronomistische redactie liever kwijt dan rijk is (2018:54).
Intertekstualiteit
Literatuurwetenschappers en filosofen hebben de laatste decennia de aandacht gericht op het intertekstuele en dialogische karakter van alle literatuur.
Hierdoor kreeg, mede onder invloed van geleerden als M. Bakhtin en E. Levinas, ook het synchrone onderzoek van Jeremia in recente tijd een krachtige impuls. Diverse bijdragen raken hieraan, onder andere die van Sweeney (2018:26-44), Lundbom (2018:211-229) en Fischer (2017:22-43; 2018: 45-66).
Geen bijbelboek heeft zo veel verbindingen met andere oudtestamentische geschriften als Jeremia. Sweeney brengt dit in kaart voor wat betreft de relaties tussen Jeremia en de overige profetenboeken. Met name de interactie met het boek Jesaja is opvallend. Sweeney loopt alle raakvlakken langs, zowel ‘authorcentered forms of deliberate citation’ als ‘reader-oriented forms of literary association’. In teksten als Jeremia 2-6 en 30-31 ontdekt Sweeney twee fasen.
De oorspronkelijke kern betrof alleen de oproep aan het voormalige Tienstammenrijk Israël om zich te bekeren en terug te keren naar Juda en Jeruzalem, te dateren in de tijd van herstel onder koning Josia. Na diens onverwachte dood in 609 ging Jeremia beseffen dat de hereniging van Noord en Zuid onder deze Davidide niet zou plaatsvinden, en dat ook Juda onder het oordeel zou komen. Dit blijkt uit een tweede laag in Jeremia 2-6 en 30-31, waarin Jeremia met taal en voorstellingen ontleend aan Jesaja het oordeel over Juda aanzegt. De dialoog met Jesaja komt in Jeremia ook op andere wijze tot stand, namelijk waar de laatste een fundamentele theologische overtuiging van de eerste kritiseert: de rol van Jeruzalems tempel als symbool van Gods belofte ter bescherming van Jeruzalem. Jeremia’s tempelprediking (Jer. 7) en zijn clash met profeten als Hananja (Jer. 27) tonen hoezeer Jesaja’s woorden van goddelijke bescherming van Jeruzalem hun tijd hebben gehad. Profeten die in Jeremia’s tijd hetzelfde zeggen als Jesaja een eeuw eerder, zijn valse profeten (Sweeney, 2018:33). Ook met Ezechiël zijn er veel raakvlakken, hoewel deze profeet in tegenstelling tot Jeremia sterk inzet op de noodzaak van reiniging van Jeruzalems tempel en de toekomst daarvan. Evenzo is te spreken over een intertekstuele dialoog tussen Jeremia en het boek van de Twaalf.
Als weinig anderen heeft Lundbom onderzoek gedaan naar de taal, stijl en retorica van Jeremia. Zeker in de bundel volkenprofetieën staat veel materiaal dat ontleend is zowel aan het boek Jeremia zelf als aan andere oudtestamentische boeken (Lundbom 2018:213). Vergaand is de visie van Fischer, die stelt dat Jeremia tekstmateriaal uit meer dan de helft van het Oude Testament verwerkt, ook uit Deutero-Jesaja, Trito-Jesaja en Ezechiël. Het complexe karakter van Jeremia ziet hij als gevolg van ‘a deliberate scribal attempt to incorporate various motifs, ideas, and positions, to enter into a discussion with them, and to present a rich synthesis of them’. Deze fraai ‘geweven’ tekst (met referentie aan L. Stulmans term ‘symbolic tapestry’) is volgens Fischer vermoedelijk geschreven in de laat-Perzische tijd, en was gericht op een nieuwe, meer persoonlijke vorm van vroomheid (Fischer 2017:33).
Wat op het vlak van intertekstualiteit het meest in het oog springt, is de relatie tussen Jeremia en Mozes. In het Oude Testament is Mozes de middelaar par excellence; hij ontvangt het verbondswoord van God, de Thora, en doet profetisch voorbede voor Israël (Lundbom 2018:439-444). Dit vinden we terug in het boek Jeremia, waar een groot accent ligt op de betekenis van de Thora – in maar liefst elf passages wordt het woord tôrāh gebruikt. Jeremia is bekend met en verwijst naar vele bepalingen uit de Thora. Net als bij Mozes is bij Jeremia meermalen sprake van het doen van voorbede (of Gods verbod daarvan). Bewust wordt Jeremia getekend als de opvolger van Mozes, met de verwerking van Deuteronomium 18 in Jeremia 1: ‘een profeet als Mozes’. Van geen enkele andere profeet wordt gezegd dat hij ‘als Gods mond’ zal zijn (Jer. 15:19, cf. Num. 12:8). Dit betekent overigens niet dat Jeremia geportretteerd wordt als een kopie van Mozes. Ten dele is de relatie Mozes-Jeremia ambivalent, in bepaalde opzichten is Jeremia zelfs een ‘anti-Mozes’ (Fischer 2018:61-65). In elk geval zal in de Wirkungsgeschichte de analogie Mozes//Jeremia een grote rol gaan spelen. Een mooi voorbeeld hiervan is een passage uit Philo Alexandrinus’ Cherubim 48-49: ‘I myself was initiated under Moses the Godbeloved into his greater mysteries, yet when I saw the prophet Jeremiah and knew him to be not only himself enlightened, but a worthy minister of the holy secrets, I was not slow to become his disciple’ (cf. Tóth 2017:463 en Bloch 2017:431-442).
Receptiegeschiedenis
Boeiend is in de beide bundels van 2017 en 2018 het palet studies over de doorwerking van het boek en de persoon van Jeremia in de literatuur van later eeuwen. Niet alleen Jeremia zelf, maar ook figuren als de Rechabieten en vooral de schrijver Baruch worden opgenomen door auteurs van apocriefe en pseudepigrafe boeken. Een gemeenschappelijk kenmerk daarvan is de tendens om ontbrekende informatie in Jeremia aan te vullen en rondom bestaande karakters nieuwe verhalen te creëren: ‘Jeremiah enjoyed a vibrant literary afterlife’ (Adams 2018:377). Alle auteurs erkennen Jeremia als een profeet van het Woord van God. Aan dit bijbelse beeld wordt nauwelijks iets veranderd.
Wel worden aspecten van Jeremia’s leven nader ingevuld, en wordt hij sprekend ingevoerd in nieuwe situaties.
Tigchelaar analyseert de ‘Jeremian collection’ uit grot 4 van Qumran: een achttal manuscripten van het ‘Jeremia-Apocryphon’ en daarnaast nog andere teksten. Wat daarin vooral naar voren komt, is de analogie Mozes-Jeremia, de notie van de zeventig jaar van de ballingschap, het nieuwe verbond, en het beeld van de profeet als leider en leraar van de Thora (2017:289-306).
Bijzondere aandacht verdient het tekstcorpus waarin Baruch een prominente plaats inneemt. De Baruchliteratuur is geschreven om Jeremia als het ware te doen voortleven. Het instituut van de profetie is dood, maar de geschreven profetische traditie van Jeremia is krachtig en effectief via ‘Baruch’ (Newman 2017:231-252; Henze/Lied 2017:333-353). Boeiend is overigens de visie van E. Tov, dat Baruch 1:3-8 de afsluiting vormde van het Hebreeuwse origineel achter de Old Greek, aansluitend bij de profetie voor Baruch in Jeremia 45 (= Jer. 51:31-35 LXX). Flavius Josephus volgt de masoretische tekst van Jeremia, met een accent op de narratieve gedeelten van het boek. Alleen in zijn De Joodse Oorlog zijn enige sporen te vinden van een apologetische hervertelling. De visie dat Josephus zichzelf doelbewust neerzet als te vergelijken met de profeet Jeremia wordt door Avioz afgewezen (2018:379-393).
Het aantal vermeldingen van teksten uit Jeremia in de lijst loci citati vel allegati van Nestle/Alands Novum Testamentum Graece is beperkt, maar de doorwerking van jeremiaanse motieven in het Nieuwe Testament is aanzienlijk (Frey 2017:499-522; Collins 2017:523-531; Niederhöfer 2017:532-543). In Mattheüs wordt aan diverse gedeelten van Jeremia gerefereerd. Het boek Openbaring verwerkt de grote Babelprofetie (Jer. 50-51) in extenso. In de brieven van Paulus zijn allerlei reminiscenties aan Jeremia te vinden, zoals het motief van het ‘(niet) roemen’ van de wijze (cf. Jer. 9:23) in 1 Korinthiërs en de tekst over het nieuwe verbond (Jer. 30-31) in de avondmaalstraditie, Galaten 4 en 2 Korinthiërs 3. Volgens Doering spiegelt Paulus zich aan Jeremia als hij spreekt over zijn apart-gezet zijn en zijn strijd tegen valse profeten (2017:544-565). Met name door de auteur van de brief aan de Hebreeën wordt een verbondstheologie ontwikkeld op basis van Jeremia 31:31-34 (en Ex. 24). Deze tekst over het nieuwe verbond speelt een sleutelrol in het Nieuwe Testament, ook in de uitleg van Jezus’ zending en zijn dood (Evans 2018:303-319).
Ter afsluiting
De twee besproken bundels bieden een veelzijdige blik op het recente Jeremiaonderzoek. De lezer krijgt een indruk van oude verworvenheden, veranderende inzichten en nieuwe wegen. Tussen de regels van de bijdragen door proef je soms de kritiek op de stelligheid en subjectiviteit van eerder onderzoek. Dit betekent niet dat oudere hypothesen nu zomaar aan de kant worden geschoven. Deze hadden recht van spreken, maar terecht wordt gemaand tot bescheidenheid. Ten aanzien van de relatie tussen de Griekse en Hebreeuwse tekst merkt Lippke op: ‘Humility with regard to models and caution in advocacy/ favor of the text are virtues’ (2017:51 n. 24). Wat betreft de deuteronomistische redactie van Jeremia stelt Stipp: ‘This theory will not have to be abandoned, but it seems in need of major amendments’ (2017:165). Zijn antipode Fischer merkt op: ‘[Jeremiah] seems to be a most thoughtful composition in all its astonishing complexity. The formation of the book of Jeremiah remains a mystery’ (2017:185). Verfijnd taalkundig en stilistisch onderzoek werpt nieuw licht op samenhang en intentie van de teksten. Het brede terrein van de tekstreceptie helpt om lijnen van interpretatie te verhelderen en te verdiepen.
Ondertussen blijft Jeremia, dat spanningsvolle boek vol hoogten en diepten tegen de achtergrond van de grote catastrofe, fascineren en intrigeren.
1 Jeremia (MT) telt 21.819 woorden. Samuël, Koningen en Kronieken hebben elk meer woorden, maar zijn gedeeld.
2 Slechts één auteur, Georg Fischer, heeft aan beide bundels bijgedragen.
3 Ook een ander manuscript, dat een pars uit Jer. 43 bevat (4QJer d ), komt op sommige punten met de Griekse tekst overeen.
4 Meest recent is de studie van Henk de Waard, Jeremiah 52 in the Context of the Book of Jeremiah (dissertatie TUA, 2019), die met sterke argumenten aantoont dat terdege de langere Hebreeuwse tekst een latere fase in de tekstwording weerspiegelt. Voor de vraag naar de theologische consequenties zie het artikel van A. Huijgen en H. de Waard, ‘Twee versies van Jeremia en een gereformeerde visie op de Schrift’, Theologia Reformata 60/2 (2017), 143-160.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's