Reflexen
In de rubriek Reflexen krijgen we als redactieleden grote vrijheid om te berde te brengen wat ons hoog zit of interessant en van belang lijkt of naar ons oordeel nog om andere redenen belicht verdient te worden. Nu dit voorrecht mij voor de negende – en laatste – keer te beurt valt ligt het ganse land dus voor mij open. Toen deze bijdrage zo goed als klaar was heb ik teruggelezen wat ik de eerste keer, bijna twintig jaar geleden, aan de orde stelde. Ik had geen flauw idee meer wat dat was, maar het bleek dezelfde thematiek te zijn waarmee ik deze Reflexen begin: Israël – en wat daarmee samenhangt. Destijds was dat het enige thema, nu komen er nog twee bij, maar het verbaast me toch ook weer niet dat deze thematiek als vanzelf bij mij komt bovendrijven. Sinds ik als gymnasiumleerling Pressers Ondergang – met de ondertitel: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 – voor mijn verjaardag vroeg en ook kreeg, heeft de Sjoa me niet losgelaten, zowel als gebeuren in het hart van ‘christelijk’ Europa alsook als levensgrote theologische vraag.
Het lukte mij destijds niet om het boek helemaal uit te lezen. Ik stokte bij passages waarin Presser beschreef hoe christenen meededen en soms meenden een Gode welgevallig werk te doen. Die blindheid was ook niet voorbijgegaan aan de traditie waarin ik geboren en opgegroeid ben. Dat sloeg de grond onder mijn voeten weg. Nog altijd meen ik dat de benadering van en omgang met het Joodse volk een graadmeter voor kerk en samenleving is. Drie jaar geleden zond de NPO een serie televisieprogramma’s uit waarin Hanneke Groenteman poolshoogte nam in enkele Europese landen. De titel was even sprekend als treffend: ‘De kanarie in de kolenmijn’. Vandaag is er helaas ook weer alle reden om te bezien hoe het er met deze ‘kanarie’ voor staat.
De schoot is nog vruchtbaar
Nog maar een paar jaar geleden vielen er opgetogen berichten te lezen over jonge Joden die zich in Duitsland vestigden. Daarbij ging het niet alleen om uit Oost-Europa afkomstige Joden, maar ook om Israëli’s die het leefklimaat in Duitsland veiliger vonden dan dat in Israël zelf. Recentelijk heeft echter de Duitse regeringscommissaris voor antisemitismebestrijding, Felix Klein, de Joodse gemeenschap geadviseerd om het Jood-zijn niet altijd en overal zichtbaar te tonen, bijvoorbeeld door een keppeltje te dragen. Als reden voor dit advies wees hij op ‘het toenemende wegvallen van remmingen in de samenleving en de maat schappelijke verruwing die een fatale voedingsbodem voor antisemitisme vormen’.
In de tijd dat ik deze kroniek schrijf melden de media dat uit onderzoek van het Europese Agentschap voor Fundamentele Rechten (FRA) naar voren is gekomen dat vier op de vijf in Europa levende Joden van onder de 34 jaar aangeven dat ze in toenemende mate antisemitisme ondervinden. Bijna de helft van hen had in het afgelopen jaar ervaringen opgedaan met Jodenhaat en gaf te kennen het te beschouwen als een serieus probleem in hun land. Voor hun besef zijn de problemen in de laatste vijf jaar verhevigd. Als gevolg daarvan overwogen vier op de tien van de ondervraagden om hun huidige land te verlaten, een derde van hen maakt zelfs concrete plannen (NRC, 5 juli 2019).
In ons land heeft de – Joodse – microbioloog en NRC-columnist Roseanne Hertzber ger, kleindochter van een vrouw die Auschwitz overleefde, in haar 5 mei-lezing erkend: ‘Er waait een gure antisemitische wind en die komt uit alle richtingen tegelijkertijd. Vraag het de Joodse gemeenschappen van Europa en daar beamen ze dat we ons weer in een penibele situatie bevinden.’ Maar de strekking van haar lezing was dat we ons er niet door moeten laten intimideren en verlammen. ‘Als ik kijk naar de huidige opkomst constateer ik dat het misschien dreigend is, maar dat het geen macht heeft. Het komt van gemarginaliseerde groepen. Het zijn rotjochies, vandalen, terroristjes.’
In De Groene Amsterdammer van 13 juni jongstleden verzuchten Margreet Fochteloo en Rosa van Gool: ‘Was het maar zo overzichtelijk’! Ze verwijzen naar Deborah Lipstadt, hoogleraar moderne Joodse geschiedenis en Holocaust studies, die in toenemende mate verontrust is over de heropleving van oude mythen als die van een Joodse financiële wereldmacht. Rechts keert zich tegen Soros, links tegen de Rotschilds. Ze stelt vast dat het hedendaagse antisemitisme over het hele politieke spectrum is uitgewaaierd en letterlijk grensoverschrijdend is geworden. Willem Wagenaar, verbonden aan de Anne Frankstichting, ziet het net zo. Aan de linkerkant gaat antizionisme ongemerkt over in antisemitisme – zie Jeremy Corbyn – aan de rechterkant kan men tegelijk antisemiet zijn en de staat Israël steunen. Een verklaring voor dat laatste is vermoedelijk niet moeilijk te geven: de vijanden van mijn vijanden (=moslims) zijn mijn vrien den.
Over het fascisme heeft Bertold Brecht in 1958 gezegd: ‘Der Schoss ist fruchtbar noch, aus dem das kroch.’ Het lijkt me verstandig om allerlei rechtspopulistische bewegingen niet meteen het etiket fascistisch op te plakken, maar we doen er wel goed aan ons gewaarschuwd te laten zijn: het er vrijwel steeds bij behorende antisemitisme heeft in elk geval nog geenszins afgedaan.
Felix Klein tekende bij zijn waarschuwing aan dat ongeveer 90 procent van de strafbare feiten voor rekening komt van het rechts-extremistische milieu. Het recente bericht over het Europese onderzoek geeft andere cijfers: bij antisemitische geweldsincidenten zouden de daders in 59 procent van de gevallen een islamitische achtergrond hebben, gevolgd door eerst links- en daarna rechtsextremisten (NRC, 5 juli 2019). In ons land hebben vertegenwoordigers van FvD, PVV en VVD bij de ‘#Keppel-op-demonstratie’ van 29 mei jongstleden in Den Haag een direct verband gelegd met de migratiegolf naar Europa, maar de Haagse rabbijn Shmuel Katzman zei na afloop: ‘Het is onzuiver om het probleem op één groep af te schuiven. En dit is niet een moment om aan te grijpen voor een antimigratieagenda’ (Trouw, 8 juni 2019).
En de ‘joods-christelijke traditie’?
De laatste tijd hoor ik minder mensen spreken over de ‘joods-christelijke traditie’, maar dat kan ook aan mij liggen. D66-kamerlid Vera Bergkamp zou volgens De Groene Amsterdammer tijdens de ‘#Keppel-op-demonstratie’ gezegd hebben ‘dat iedereen zichzelf moet kunnen zijn’. Zonder dat zij het woord ‘joods-christelijk’ in de mond neemt is dat wat er in onze huidige cultuur veelal voor moet doorgaan. Mr. Raymond de Roon, Kamerlid voor de PVV, moet ‘joods-christelijk’ ooit getypeerd hebben als: ‘Dat ik mijzelf kan zijn, zonder dat iemand mij vertelt wat ik moet doen’. Het is stellig te goedkoop en te gemakkelijk om voor het oplaaiend antisemitisme naar moslimjongeren te verwijzen, en het is ook te weinig om naar deze neoliberale leuzen te grijpen als wapens tegen het antisemitisme.
Heeft de kerk juist vandaag niet iets te zeggen? De heftige discussie over de relatie van de kerk met Israël is – als ik het goed zie – inmiddels weer wat geluwd, wat niet wil zeggen dat er een overeenstemming in de vorm van een gedeelde visie is bereikt. De zinsnede in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, dat ‘de kerk geroepen is om in al haar geledingen het gesprek met Israël te zoeken en gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’, is niet (meer) voor iedereen vanzelfsprekend.
Het is naar mijn vaste overtuiging van groot belang om theologisch helder te hebben wat de kerk onlosmakelijk met Israël verbindt. Dat is ten diepste niet de donkere geschiedenis van christelijk Europa, die immers is uitgelopen op de poging tot systematische uitroeiing van het volk Israël. We kunnen niet uit de geschiedenis wegstappen, zoals ook de slavernijdiscussie wel laat zien.
Maar men moet wel over heel wat durf beschikken om op grond van die geschiedenis van de Joden in Europa over ‘joods-christelijke traditie’ te spreken. Er waren voor de Joden ‘tijden van verademing’, zeker ook in ons Nederland, maar ze vormden in Europa toch de uitzonderingen die de regel van discriminatie, achterstelling en vervolging bevestigden. Wat verbindt ons met Israël, als het niet de gedeelde minimum-moraal van de ‘joods-christelijke traditie’ is? Want die verbindt ons niet echt en blijvend, zoals men in Joodse kring maar al te goed beseft...
Wat verbindt ons met Israël? Is dat niet de onuitsprekelijke vreugde dat de Here niet loslaat wat zijn hand begon en in de weg en het werk van Christus verzoening heeft gesticht, voor Jood en heiden?! Als Hij zijn handen van Israël zou aftrekken, waar kunnen wij als kerk en ieder persoonlijk nog op hopen? De verbondenheid met Israël is dus niet primair een door mensen beleefde verbondenheid, ze is er één van Gods eeuwige verkiezing en onverwrikbare trouw. Ik waag de stelling dat een kerk die Israël uit het oog verliest en afschrijft gedoemd is het eigene van het christen-zijn in zichzelf te zoeken, in de religie, in de traditie, in een reformatorische of evangelische groepsmoraal – en het wonder van de rechtvaardiging van de goddeloze te verspelen.
Waar komt het antisemitisme vandaan? Door de eeuwen heen hebben christenen altijd weer geprobeerd bij zichzelf haat tegen het Joodse volk op te roepen door zichzelf en elkaar de verontwaardiging aan te praten over de kruisiging van Chris tus. Het is niets anders dan een onwaarachtig doekje voor het bloeden. Hoe kun je je verwonderen over jouw redding in het kruis van Hem die onder ons aller vertegenwoordiger Pontius Pilatus geleden heeft en tegelijk het volk Israël afschrijven?! Bij A.J. Herz berg, K.H. Miskotte en G. Steiner kwam ik de these tegen dat de haat tegen het Joodse volk zijn oorsprong heeft in de woede over het feit dat Joodse apostelen ons onder het beslag van de God van Israël hebben gebracht. Ze namen de Tien Geboden mee die ons dodelijk hebben gestoord in onze diepe wens ‘gewoon onszelf te zijn’, precies: dat wat men vandaag graag uitgeeft voor ‘joods-christelijke traditie’. De verontwaardiging over de kruisiging van Christus was en is minder zuiver-christelijk dan men wel voorgeeft en mogelijk ook wel meent te voelen.
De grote hausse aan aandacht voor alles wat Joods is is zo goed als verdwenen. De vraag wat ons verbindt met Israël is gebleven. En ze is nog even urgent als ze de hele vorige eeuw was. Welk antwoord geeft en leeft de kerk vandaag? Verstaat ze de ‘onopgeefbare verbondenheid’ als een zich verregaand identificeren met het Joodse volk en een vrijwel onvoorwaardelijke steun voor de politiek van de staat Israël? Dan wordt de verbondenheid ook in het menselijke vlak getrokken, waar ze niet veilig is en waar haar diepste geheim ook niet gelegen is. De gevoelens van verbondenheid met deze westerse enclave in de wereld van het Midden-Oosten mogen er niet toe leiden dat we de ogen sluiten voor wat het beleid daar bepaalt, en dat is helaas niet: de totstandkoming van een rechtvaardige vrede met het Palestijnse volk. Mag men daar in Europa iets van zeggen? Ja, men moet het zelfs, even bescheiden als helder, omdat blijvende vrede staat of valt met de ander leven en toekomst te gunnen en te geven. Bovendien: je mag en kunt het je eigen jeugd niet aandoen te moeten leven met bloed aan hun handen van mensen die hun rechten kwamen opeisen. De kerk dient naar mijn gedachte die groepen en bewegingen in de staat Israël te steunen die constructief-kritisch naar een rechtvaardige vrede zoeken en zich daarvoor inzetten.
Karl Barthjaar 2018/2019
Iets heel anders: het Karl Barthjaar, waarvan mogelijk niet iedere lezer al had gesignaleerd dat er zoiets is en al helemaal niet dat het ook al een eind op streek is. Na alle Luther vond de Reformierte Bund in Duitsland het tijd om een theoloog uit de gereformeerde traditie voor het voetlicht te halen. Het trof dat het op 10 december 2018 vijftig jaar geleden zou zijn dat Karl Barth in zijn slaap overleed. Zodoende werd 2018/2019 tot Karl Barthjaar uitgeroepen.
Moeten we daar in Theologia Reformata wel aandacht aan besteden? Een paar jaar geleden stelde prof.dr. G. van den Brink vast dat er nauwelijks artikelen over Barth in ons tijdschrift te vinden waren. Dat is toen goedgemaakt met een themanummer en een serie artikelen over de Barthreceptie in het ‘bevindelijk-gereformeerd’ protestantisme van de hand van dr. C.M. van Driel.
Kunnen we het daar niet bij laten? Nu, het lijkt me zinnig om te kijken hoe vandaag tegen hem aangekeken wordt.
Het Barthjaar werd precies op 10 december geopend in de Thomaskerk in Amsterdam. Twee hoofdreferenten waren uitgenodigd: prof.dr. C. van der Kooi en prof.dr. M.P. Wisse, beiden afkomstig uit kerkelijke tradities waarin men lange tijd vooral kritisch tegenover Barth heeft gestaan.
Prof. Van der Kooi stamt uit de traditie van de Gereformeerde Kerken en heeft zich heel zijn theologische leven lang met Barth beziggehouden, hij heeft ook van hem geleerd, maar hij is niet bij hem voor anker gegaan. Waar bij de hardcorebarthianen Calvijn – bij alle waardering en respect! – het verwijt naar zich toe kreeg niet radicaal afstand te hebben genomen van alle ‘natuurlijke godskennis’, vergeleek Van der Kooi in zijn boek Als in een spiegel (ondertitel: God kennen volgens Calvijn en Barth. Een tweeluik) uit 2002 Calvijn en Barth met elkaar, en stelde vast dat het zintuiglijk kennen van God bij Calvijn niet een bedenkelijke weg vormde, maar veeleer recht deed aan het spreken over het kennen van God in de Schrift. In zijn lezing op 10 december 2018 gaf Van der Kooi aan dat de ‘subjectwisseling’ die bij Barth de ontmoeting met God bepaalt van fundamenteel belang is: ‘Ik neem niet meer de maat, maar mij wordt de maat genomen. En God is mij vele maten te groot.’ En dat is niet maar een bewering op papier, het is de erkenning dat het om levende Godservaring gaat, in de vorm van ‘contrastervaringen, momenten van schrik en ontregeld worden waarop het licht valt. De levende God is niet te identifi ceren met de hoogtepunten van menselijke cultuur, met onze eigen regie, maar zit in de gaten, in het besef van ontoereikendheid en eindigheid.’ Van der Kooi heeft ook kritiek, namelijk dat Barth de eigen manier van presentie en werken van de Heilige Geest onvoldoende tot haar recht laat komen. En daarmee hangt samen dat er een zo ‘strenge concentratie op het theologisch moment in de godskennis’ bij hem valt te bespeuren, dat hij ‘geringe belangstelling voor menselijke vermogens’ heeft. ‘Antropologische, biologische, culturele factoren komen bij Barth zeker binnen, maar hij acht ze theologisch nauwelijks of niet van belang.’
Prof. Wisse is een generatie jonger, en hij is afkomstig uit de Gereformeerde Gemeenten. Zijn onderzoek heeft zich tot dusverre slechts zijdelings op Barth gericht. De titel van zijn bijdrage sprak voor zichzelf: ‘Waarom we niet om Barth heen kunnen, maar wel aan hem voorbij moeten’. Wisse erkende voluit dat Barth de theologie diepgaand heeft beïnvloed en dat niemand daar omheen kan. Maar Barth is een theoloog die zijn tijd heeft gehad. Hij bleef in die zin modern dat het hem om kennis van God ging. Wisse zelf ‘zou eerder zeggen dat Gods presentie onder ons eerst sacramenteel is, en pas dan cognitief en verbaal. We worden ook eerst geboren en leren dan pas praten. Het lijfelijke is eerst, daarna volgt het verbale.’ Ik denk dat Barth zou tegensputteren bij deze kritiek. Heel de inzet van de Kirchliche Dogmatik is nu juist dat God zich present stelt, een kerk in het leven roept, spreekt, om vervolgens dan de vraag hoe wij God kennen en over Hem kunnen spreken het volle pond te geven. Maar Wisse heeft wel gelijk dat het ondervinden van Gods werk bij Barth een probleem vormt, zeker nadat hij alles in de christologie als het ware heeft opgeborgen.
De kritiek van Wisse is niet mals, als hij stelt dat heel Barths christocentrische scheppingstheologie ‘niets anders dan een herbeschrijving van de status quo in theologische termen’ is. Hij komt daarmee in de buurt van wat prof.dr. A. van de Beek vrij recent over Barth heeft geschreven. Barth zou slechts in schijn of hooguit in aanleg een kritisch theoloog zijn, maar de facto – aldus Van de Beek – een theologische pleitbezorger van de moderniteit. Het is dan ook consequent dat Wisse om Barth heen gaat – of achter hem terug – als hij afstand neemt van de voorrang van het evangelie voor de wet, maar de wet voorop laat gaan als één van de twee ijzers die God in het vuur heeft en hanteert om de mensen aan te spreken en te vernieuwen. Of Wisse wel voldoende heeft verdisconteerd wat de prijs is die je betaalt voor een verzelfstandiging van de wet?
Hoe dan ook, er werden op 10 december 2018 stevige noten gekraakt, en bepaald geen profetengraven gekalkt... En voor de vragen die aan de orde waren hoefde je niet een barthiaan te zijn om het belang ervan in te zien.
Klimaatverandering – tijd voor een ‘ecologische revolutie’?
Of Karl Barth nog veel gelezen en besproken wordt onder de lezers van Theologia Reformata is de vraag, of men zich bezighoudt met klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande opwarming van de aarde is geen punt.
Inmiddels is in Den Haag een ‘klimaatakkoord’ gesloten, waar we allemaal de gevolgen van zullen merken. Termen als duurzaamheid en rentmeesterschap komen voortdurend langs, en ook als we er niet vanuit onszelf mee bezig zijn zullen we het allemaal gaan voelen.
Dat neemt niet weg dat er heel verschillend over wordt gedacht. De politieke sensatie van 2019, Forum voor Democratie, houdt de berichten over dramatische opwarming van de aarde voor onge fundeerde bangmakerij en ook in kringen van de SGP zijn er (velen?) die menen dat het allemaal zo’n vaart niet loopt. Het zegt ook wel iets dat juist ook op dit punt zich een verwijdering tussen SGP en ChristenUnie manifesteert. In het Europese Parlement wilde de vertegenwoordiger van de ChristenUnie niet in één fractie zitten met de afgevaardigden van Forum voor Democratie, en in Zuid-Holland scheidden zich ook de wegen, waar het ging over samenwerking met Forum voor Democratie. Op 28 maart jongstleden gaf dr. Martine Vonk, lid van de ChristenUnie, de jaarlijkse Groenlezing, onder de titel: Duurzaam radicaliseren... naar het hart van milieuzorg. Daarin schetst zij de verantwoordelijkheid van de mens voor de schepping, die ook de zorg voor het milieu inslu it, en roept ze op om keuzes te maken. Wat hebben we écht nodig, wat zijn basisbehoeften, wat is kwaliteit van leven? Ik geef een uitvoerig citaat: ‘Om de klimaatverandering een halt toe te roepen en de veerkracht van de natuur te laten toenemen is meer nodig dan een pakket maatregelen op de korte termijn. Het vraagt om een systeemverandering. Dat is niet gemakkelijk, omdat het ingaat tegen de gangbare gerichtheid op het eigenbelang, kortetermijndenken en materialisme. Hoe kom je daar? En hoe houd je het vol? [...] Voor beide vragen is het belangrijk dat keuzes voor duurzaamheid gezien worden als keuzes voor kwaliteit van leven én dat deze keuzes van binnenuit komen’ (p. 9).
In met de SGP verwante kringen – het valt te beluisteren in het Reformatorisch Dagblad – is er sprake van de nodige allergie voor een ‘activisme’ als dr. Vonk tentoonspreidt. Gaat het niet in de richting van zelfverlossing, van verafgoding van moeder aar de? De zorg begrijp ik, maar ik zie niet in, waarom die ons ook maar enigszins zou ontslaan van heel gericht en verantwoordelijk nadenken over hoe we met de aarde omgaan. In een interview in het Reformatorisch Dagblad van dinsdag 2 juli jongstleden wees prof.dr. T.M.
Hofman fijntjes en zeer terecht op artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar staat: ‘Wij geloven dat de Vader door zijn Woord – dat is door zijn Zoon – de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goeddacht. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen.’ We kunnen ons van zorgen over bedreigde biodiversiteit dus niet afmaken door die weg te zetten als ‘milieu-gedram’. Integendeel, we zijn geroepen om de aarde die met heel haar volheid van de Here is, niet ten einde toe te gebruiken en zodoende onherstelbaar te beschadigen. Lijdelijkheid is altijd en hoe dan ook een vorm van activiteit, en als ze niet een God ‘door zijn Geest in ons laten werken’ is, waarin vernieuwing en heiliging plaatsvinden, geeft ze de ‘oude mens’ met zijn verlangens en begeerten vrij spel.
Dr. Vonk gaf ook een bijdrage aan de tweede ‘Barthdag’, die een heel ander thema had en waar de hoofd spreker mevrouw Marianne Thieme was, politiek leider van de Partij voor de Dieren. De locatie was nu niet een kerk op de Amsterdamse Zuidas, maar een eenvoudig en met openbaar vervoer wat lastig bereikbaar conferentieoord in De Glind, tussen de weilanden en de koeien. Deze dag stond in het teken van Barths roemruchte rede ‘Der Christ in der Gesellschaft’, die hij in september 1919 in het Thüringse plaatsje Tambach op een bijeenkomst van religieuze socialisten gaf. Hij werd gedacht daar iets stimulerends te zeggen over de christen in de samenleving, maar hij had inmiddels de Brief aan de Romeinen grondig doorgeploegd en nam de vrijheid om een radicaal ander perspectief te kiezen, namelijk van Christus in de samenleving. Een centrale stelling van Bar th daarin: ‘Het koninkrijk van God begint niet met onze protestbewegingen. Het is een revolutie die van vóór alle revoluties is, zodat ze van vóór al het bestaande is.’ Met zijn rede – die insloeg als een bom – nam Barth afscheid van de idee die hijzelf had aangehangen en uitgedragen, namelijk dat wij Gods toekomst, zijn Koninkrijk of hoe ook, zouden bouwen. Ook hier die ‘subjectwisse ling’: de echte vraag is niet wat wij ervan maken, maar hoe en waar God bezig is in deze wereld en in onze tijd.
In De Glind was de vraag: zou de ‘ecologische revolutie’ zoals daarover gesproken wordt in kringen van mensen die zich inzetten voor een radicaal andere manier van leven, gezien de opwarming van de aarde, de teloorgang van de biodiversiteit, de reële bedreiging van onze leefomgeving die zich voordoet en – om niet meer te noemen – de gevaren van de intensieve en grootschalige veehouderij voor de volksgezondheid, ook in het licht van wat God doet gezien kunnen worden?
In haar lezing knoopte mevrouw Thieme bij Barth aan, maar de teneur van haar betoog bleef binnen het door mensen maakbare. ‘Hoop koesteren [...] is gebaseerd op een totaal andere blik op de wereld. Daarin ligt de toekomst niet vast maar is hij principieel open. Daarin schrijft de geschiedenis niet zichzelf maar schrijven wij haar. In onze wereld bestaan geen voldongen feiten maar alleen keuzes.’ Dr. Vonk daarentegen liet blijken door Barth inhoudelijk aangesproken te zijn en zij citeerde met instemming uit Barths rede in Tambach: ‘Er is maar één oplossing, en die ligt in God zelf. Onze zaak kan slechts zijn het oprechte, naar alle kanten indringende, ik zou bijna zeggen: het priesterlijke bewegen van deze hoop en nood, waardoor voor de oplossing, die in God is, de weg naar ons vrij gemaakt wordt.’
Het zou te ver voeren om in te gaan op de manier waarop Barth sindsdien in politicis gesproken heeft. Maar dit citaat verdient onze aandacht, en wat let ons, om ermee terug te gaan naar de Reformatie – Luther! – met zijn spreken over vita passiva, waarin ons hele leven in het licht van Gods werken aan en in en door ons komt te staan, en de goede werken blijken klaar te liggen, opdat wij erin wandelen? Dan hoeven we niet na een decennium lang Luther nodig naar Barth, we gaan ook weer terug en laten ons door beiden helpen om vandaag onze voeten te laten richten op de weg van de vrede.
Memorabilia
Een kroniekschrijver geniet een grote vrijheid bij het kiezen van zijn thema’s en de manier waarop hij die invult. Maar hij dient wel het geheel af te sluiten met memorabilia.
Allereerst de Protestantse Theologische Universiteit. Daar werden twee nieuwe hoogleraren benoemd: dr. Th.A. Boer op een persoonlijke leerstoel ethiek van de gezondheidszorg en dr. Th. Tromp als bijzonder hoogleraar diaconaat vanwege de Stichting Rotterdam, als opvolger van prof.dr. H. Noordegraaf.
Op 7 mei nam prof.dr. R.H. Reeling Brouwer afscheid als universitair hoofddocent Theologiegeschiedenis en bijzonder hoogleraar op de Miskotte/ Breukelman-leerstoel, met een rede over ‘Het onderwijs van Mozes en het onderwijs van de ekklesia’.
Op 23 mei promoveerde drs. A. van der Knijff op een onderzoek, getiteld: ‘Bevindelijk preken. Een empirisch-homiletisch onderzoek naar bevinding in de prediking binnen de Gereformeerde Gemeenten’. Promotor was prof.dr. F.G. Immink, dr. T.T.J. Pleizier was co-promotor.
Op 12 juni promoveerde drs. G. van Zanden, predikant te Urk, op een proefschrift met de titel: ‘Bij het begin beginnen. Het Bijbels-theologische project van Frans Breukelman’. Promotor was prof.dr. R.H. Reeling Brouwer.
Op 24 juni promoveerde bij prof.dr. G. van den Brink en prof. Mark Elliott (St Andrews) Cornelis van der Knijff op een studie ‘Between Providence and Choice Biography. An Account of Divine Guidance from a Reformed Perspective’. Dr. Van der Knijff is één van de drie destijds door de Gerefor meerde Bond gefinancierde aio’s en zoon van de hierboven genoemde dr. Van der Knijff die een maand eerder zijn doctorstitel verwierf.
Dan de Vrije Universiteit. Op 7 juni inaugureerde ons redactielid prof.dr. H. van den Belt, benoemd tot hoogleraar systematische theologie aan de Faculteit Religie en Theologie, met een rede: ‘Deo volente: Gods voorzienigheid en de vrijheid van de Geest’.
Diezelfde dag nam prof.dr. E.A. de Boer afscheid van de Vrije Universiteit, waar hij bijzonder hoogleraar was op de leerstoel van de geschiedenis van de Reforma tie, die in 2001 was ingesteld vanwege de stichting Geschiedenis der Reformatie, maar nu werd opgeheven. Er werd bij deze gelegenheid een minisymposium gehouden ter gelegenheid van de verschijning van zijn boek De macht van de minderheid. Het remonstrantisme in Kampen in de spiegel van de nationale synode te Dordrecht (1618-1619). De Boer blijft hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen.
Op 3 juni promoveerde Mark Hamilton (USA) op een onderzoek naar ‘Jonathan Edwar ds on the Person of Christ’. Promotores waren prof.dr. W. van Vlastuin en prof.dr. C. van der Kooi.
Vervolgens de Theologische Universiteit Apeldoorn. Op 23 april verwierf drs. C.H.W. van den Berg de doctorstitel met zijn proefschrift: ‘Anton Engelbrecht 1487-1556. Eine Biografie und eine vollständi ge Edition der Acten des sunderlichen Sinodums die Oberkeit belangend (1533)’. Promotor was prof.dr. H.J. Selderhuis.
Op 26 april promoveerde drs. H. de Waard, als universitair docent werkzaam op de TUA, op een proefschrift over ‘Jeremiah 52 in the Context of the Book of Jeremiah’. Promotores waren prof.dr. H.G.L. Peels en prof.dr. B.E.J.H. Becking.
Op 20 juni inaugureerde prof.dr. M.A. van Willigen aan de Theologische Universiteit op de bijzondere leerstoel van de Stichting Bijbeluitleg Vroege Kerk met een rede ‘Niemand heeft ooit God gezien. De vroegchristelijke exegese van Johannes 1:18’.
Ten slotte de Theologische Universiteit Kampen. Daar promoveerde op 6 juni J.M. de Jong op het proefschrift ‘The Church is the Means, The World is the End: The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World’. Promotores waren prof.dr. G. Harinck en prof. R.J. Mouw (Fuller Theological Seminary).
Op 28 juni inaugureerde dr. J.H.F. Schaeffer als hoogleraar praktische theologie aan de Theologische Universiteit Kampen, met een rede ‘Liturgie als centrum van kerkzijn. Over de relatie tussen praktische ecclesiologie en liturgie’. Bij deze gelegenheid werd ook een nieuw boek van prof. Schaeffer gepresenteerd: ‘Praktisch-theologische reflecties op kerkzijn’.
Het is al met al een indrukwekkende lijst die het moeilijk maakt om bij elk van de gebeurtenissen afzonderlijk stil te staan. Daarom feliciteer ik allereerst de jonge doctores met de bekroning van hun jarenlange studie en wens ik hun veel inspiratie, moed en kracht toe op hun verdere academische levenspad, onder Gods zegen en ten dienste van zijn kerk en de academie. Voor de promotores een hartelijke gelukwens met het tot een goed einde brengen van de begeleiding.
De nieuwbenoemde hoogleraren, ook degenen die nog niet geïnaugureerd zijn, wens ik van harte toe dat zij met vreugde en vrucht werkzaam zullen zijn op de leerstoel die ze (gaan) bekleden.
De collega’s die afscheid namen van hun leerstoel dank ik voor wat zij daar voor theologie en kerk hebben bijgedragen en wens hun, waar het een afscheid vanwege emeritering is, een otium cum dignitate toe.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's