Boekbesprekingen
Erik Jan Tillema (red.), Vrijzinnig Verleden, deel 2 ([Warmenhuizen:] Bureau Deus, 2019) 187 p., € 20,00, te bestellen via www.bureaudeus.nl (ISBN: geen).
Deze bundel kwam ik op het spoor doordat een zoektocht op het internet naar publicaties over Louis Adriën Bähler mij op de website van Jan Koops bracht. Hij is de auteur van het eerste hoofdstuk, getiteld ‘Een man van geestdrift en verontwaardiging’. Zie ook mijn artikel over Bähler elders in dit nummer.
Koops heeft via een veilingsite een schoenendoos met brieven van Bähler op de kop weten te tikken en verwerkt dat materiaal in een interessant overzicht van zijn levensloop. De briefkaarten van zijn vader zijn in een codetaal, dat wil zeggen in Griekse letters geschreven. Hij vermaant hem onder andere om Boeddha te laten rusten en duidelijk te maken dat hij hem niet boven Jezus plaatst. ‘Welnu, welnu. Boedeer dan niet met Boeddha!’ Op de foto van de briefkaart staat inderdaad ‘βοεδεερ’ al zou mijns inziens het werkwoord ‘boeleren’ in de zin van ‘overspel bedrijven’ beter passen.
Koops corrigeert ook het gevestigde beeld dat Bähler, die in Aduard zijn ambt neerlegde, dat gedaan zou hebben omdat hij het in een preek had opgenomen voor een onderwijzer die een zedendelict had begaan.
‘Het tegenovergestelde was echter het geval.
Bähler had in een preek de gemeenteleden geconfronteerd met juist hún al te luchthartige opvattingen over de zedelijkheid’ (25).
Dat stemt inderdaad beter overeen met het streven van de Rein Leven Beweging waar Bähler een voorstander van was en die seksuele geheelonthouding propageerde, met uitzondering van het doel om kinderen te verwekken.
Bähler had ooit bij een schets van zijn grafmonument de tekst: ‘Hier ligt Louis Adriën Bähler die het stoffelijk omhulsel was van diens Hoogere Zelf voor de aardsche jaren 1867 - ... Vergiffenis!’ (28), maar deze tekst is niet op zijn grafsteen terechtgekomen. Op de conclusie dat Bähler invloedrijk was (31), valt wel wat af te dingen. Aandacht is immers nog iets anders dan invloed.
De bijdragen hebben een verschillend niveau. Sommige zijn goed geannoteerd, maar andere zoals het nogal smeuïg gepresenteerde verhaal van Pieter Hoogenraad over de schuinsmarcheerder en NSB‘er Gerrit Jan van Duyl, vrijzinnig predikant in Hilversum, volstaan met de opsomming van het gebruikte archiefmateriaal. Het is jammer dat de redactie hierin niet iets meer uniformiteit heeft nagestreefd.
Interessant is het hoofdstuk over het ontstaan van de Vrijzinnig Christelijke Studenten Bond van Klaas Douwes, predikant in de Regentessekerk in Apeldoorn, die werkt aan een proefschrift over de geschiedenis van het vrijzinnig jeugdwerk. Zijn hoofdstuk werpt licht op de zoektocht naar de kern van de vrijzinnige identiteit. Die blijkt volgens de voorzitter E.E. Meursing te bestaan uit het vrij kunnen formuleren van de eigen geloofsovertuiging en het ‘oprecht streven naar zuiver religieus leven, d.w.z. een leven in gemeenschap met God, zooals in het Evangelie tot uiting komt’ (61). Er was in de eerste jaren echter ook felle discussie over de vraag in hoeverre ‘vrijzinnig’ ook christelijk moest zijn.
De bijdrage van de eindredacteur Erik Jan Tillema betreft Harm van Lunzen (1897-1969), de oprichter van de Zwinglibond. Hij was een fel tegenstander van de kerkorde van 1951, omdat die de mogelijkheid bood voor de herinvoering van de leertucht. Toen hijzelf in 1952 schreef dat de kerk in de loop der eeuwen een afgod van Jezus had gemaakt ‘door hem steeds meer goddelijke eigenschappen toe te dekken [sic.]’ drong de confessionele predikant Hendrik Gerard Groenewoud (1906-1969) – het artikel noemt hem slechts ‘dominee Groenewoud’ – aan op een leertuchtprocedure. Van Lunzen sprak op zijn beurt van ‘inquisitie’.
Een procedure kwam er niet, mede omdat er een overgangsperiode van tien jaar was afgesproken en de kwestie nadien werd overschaduwd door de uitspraken van de vrijzinnige theoloog Piet Smits over de verzoeningsleer. Tillema concludeert: ‘Er was een leertucht, maar het was niet mogelijk om die in de praktijk ten uitvoer te brengen’ (101).
Andere bijdragen gaan over de ‘Evangelische Unie’ die maar een kortstondig bestaan kent (1897-1907), over drie predikanten uit het Friese Noordwolde, over Hendrikus Johannes Prakke (1900-1992) en de vrijzinnigheid in Drenthe, en over vrijzinnigen in Rhenen, in Amersfoort en Oudshoorn.
De bundel is vooral bedoeld voor de kring rond de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten in Nederland, waarvan Tillema beleidssecretaris is. Dat de bundel in eigen beheer is uitgegeven, is te begrijpen, maar wie zelfs niet de moeite neemt om een ISBNummer aan te vragen, geeft een boek prijs aan de vergetelheid. De noeste arbeid van amateurs, in de zin van ‘liefhebbers’, levert vaak een schat aan kennis op over de kleine kerkgeschiedenis en verdient beter. De artikelen zijn voorzien van mooie illustraties.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2019
Theologia Reformata | 112 Pagina's