Boekbesprekingen
William den Boer, René Fransen en Rik Peels (red.), En God zag dat het goed was: Christelijk geloof en evolutie in 25 cruciale vragen (Kampen: Summum Academic Publications, 2019) 426 p., € 24.99 (ISBN9789492701060).
‘We moeten erop kunnen vertrouwen dat de data die de astronomen, de geologie, de paleontologie en de archeologie aandragen, ons niet bedriegen en dat het mogelijk is om vanuit die data tot plausibele reconstructie van de prehistorie te komen’, zegt Henk van den Belt, in een bundel waarin 25 theologen en filosofen zich buigen over de vragen van het christelijke geloof in relatie tot de evolutietheorie. En Eric Peels zegt dat ‘de moderne wetenschappen een theorie (hebben) ontwikkeld met krachtige aanwijzingen voor het bestaan van een zeer oude aarde en de langzame ontwikkeling van de biodiversiteit’. Mart-Jan Paul wil aan een student die argumenten noemt ‘voor een oude aarde en een evolutionaire ontwikkeling van het leven’, de vraag stellen ‘welke kennis hij heeft van de filosofische kaders waarin wetenschap bedreven wordt, en welke wetenschappelijke literatuur met andere gezichtspunten is gelezen’. Daar zou ik tegenover willen stellen de vraag in hoeverre theologen en filosofen altijd zodanig zijn ingevoerd in kennis (kennen is bevinden) van de natuurwetenschappen, dat ze kunnen invoelen hoe een natuurwetenschapper met een eerlijk geweten in zijn vakgebied bezig kan en wil zijn. De redactie stelt dat men ‘het biologische en geologische bewijsmateriaal’ laat rusten en men zich heeft beperkt tot de theologische vragen. Maar het gaat in de onderhavige problematiek om een veel wijder veld dan biologie en geologie, namelijk om het hele terrein van de fysica met inbegrip van de kosmologie. Terecht stelt de redactie dat de woorden van het christelijk geloof en die van de empirische wetenschap (ten dele) gaan over dezelfde werkelijkheid. Maar daarom is het toch een manco, dat in deze bundel geen enkele natuurwetenschapper aan het woord is. Wel geeft de bioloog René Fransen een gedegen overzicht van ‘redenen voor de wetenschappelijke consensus rond de evolutietheorie en de ouderdom van het universum’.
Expliciet schrijft Henk van den Belt over de rol van niet-theologische wetenschappen bij het interpreteren van de Bijbel. Ten aanzien van het heil is de Schrift duidelijk (claritas en perspecuitas). Maar daarmee is de exegese van Genesis 1-3 nog niet eenvoudig. De natuurwetenschappelijke data die betrekking hebben op de hoge ouderdom van de kosmos en ‘het bestaan van een cyclus van leven en dood in de dierenwereld voor de komst van de Homo sapiens’, noemt hij voor de benadering van Genesis 1 ‘kwantitatief en kwalitatief overtuigender’ dan ‘de evolutionaire samenhang van al het leven’. ‘Het is vanwege de val van de engelen mogelijk dat er voor de schepping van de mens in de wereld sprake is van een wisselwerking tussen het goede, scheppende handelen van God en de macht van het kwaad dat zich in de wereld manifesteert.’ Op de bijdrage van Van den Belt volgt die van Peels over de exegese van Genesis 1. Een ‘letterlijk historisch lezen’ stelt voor ‘serieuze problemen’. Hij wil geen ‘letterlijk verstaan’ inbrengen tegenover de moderne wetenschap. Maar ‘op een vin-gernagel’ wordt wel samengevat wat de essentie van de schepping is.
Deze twee bijdragen mogen exemplarisch heten voor het geheel van deze bundel, waarin in vele varianten het evolutievraagstuk wordt benaderd in eerbied voor het schriftgetuigenis. Alle bijdragen overziende komt Gijsbert van den Brink tot de conclusie dat de vele auteurs ‘op een constructieve manier’ met zijn boek En de aarde bracht voort zijn omgegaan. De ‘atheïstische ideologie van het evolutionisme’ wordt afgewezen. Maar de evolutietheorie op zich kan niet met een handomdraai van tafel worden geveegd. Terecht komt hij wel ook tot de conclusie, dat de divergentie zich aftekent als het gaat om de komst van de (eerste) mens. Maar ook als het gaat om een ‘gemeenschappelijke afstamming’ tekent zich convergentie af. Hier weet de theologie meer dan de natuurwetenschap, namelijk dat de mens uniek geschapen is naar Gods beeld. Van den Brink zegt in orthodox-christelijke kring veel sympathie te ontmoeten ‘voor de mogelijkheid om in een evolutionaire hertaling van het oorsprongsverhaal vast te houden aan de zondeval als historisch gegeven en aan de menselijke dood als “loon” op de zonde.’ De heilsgeschiedenis blijft overeind. Wel bekent Van den Brink tegenover Arnold Huijgen en Wim van Vlastuin in hun bijdragen, dat zij op het punt van de menselijke ziel weerstand tegen het evolutiedenken hebben, die dieper zit dan hijzelf had ingeschat.
Dit boek laat zich niet op een achternamiddag lezen. Naar mijn oordeel hebben redactie en auteurs een adequate bijdrage geleverd inzake een discussie die vaak is gestempeld door vooringenomenheid, wantrouwen, emotie en ondeskundigheid. Met deze bundel is een fundament gegeven voor een grondige en eerlijke bezinning, die nog geen einde heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 2020
Theologia Reformata | 122 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 2020
Theologia Reformata | 122 Pagina's