Tolerantie doorgeslagen én onder druk in seculiere samenleving
Onze tijd zou zich kenmerken door een ruimhartige tolerantie. Maar is dat wel zo? Volgens critici van de islam staan juist de kernwaarden van de Verlichting en de door haar mogelijk gemaakte religiekritiek op het spel. Een ontmanteling van de democratie wordt gesignaleerd, als gevolg van het populisme. In de jaren zestig beleefden de waarden van vrijheid en tolerantie een doorbraak. Maar vandaag speelt het cultuurmarxisme op. En voelen we de spanning tussen islam en de moderne rechtsstaat. Kortom, tolerantie is geen vanzelfsprekende zaak.
De jaren zestig van de vorige eeuw staan bekend als de periode waarin vrijheid en tolerantie de boventoon voerden. Daarvan geeft dit standaardwerk een uitstekend beeld. De jaren zestig stonden in het teken van stijgende welvaart. De snel toenemende welstand zorgde echter niet voor een breed gedragen geloof in de toekomst. Materieel geluk bleek lang niet altijd gemoedsrust op te leveren. ‘Sociaal, politiek, religieus en cultureel gezien waren het in grote delen van de wereld jaren van diepgaande conflicten.’ Het boek besteedt veel aandacht aan ontwikkelingen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Naast ‘peace’ roepende hippies, woedden er onafhankelijkheidsoorlogen, burgeroorlogen en vonden er militaire staatsgrepen plaats. De Koude Oor-
In de jaren zestig en zeventig verdrievoudigde het aantal niet-gelovigen ter wereld, van 6,7 naar 19,2 procent. De jaren zestig en vroege jaren zeventig gelden dus met reden als de minst godsdienstige uit de moderne geschiedenis. Met name bij de culturele elite in het Westen nam het aantal ongelovigen snel toe. Kunstenaars, activisten en intellectuelen beïnvloedden de publieke opinie. Provo’s spraken met minachting over arbeiders en burgers als ‘klootjesvolk’ die meer gehecht waren aan rust en welvaart dan aan revolutie. Maar niet iedereen stond te juichen toen tradities op de schop gingen en conventies als achterhaald werden weggezet. De jaren zestig zorgden op verschillende terreinen voor enorme maatschappelijke polarisering. Er waren landen die overgingen tot censuur van uitingen in kunst, cultuur en politiek. Er diende zich een conservatieve tegencultuur aan die zich weer sterk maakte voor de traditionele waarden en de oude huwelijksmoraal.
Uiteindelijk is de geest van tolerantie onmiskenbaar doorgedrongen, zelfs dominant geworden en plukken we daar nu de wrange vruchten van. Je beseft des te meer hoe fundamenteel de jaren zestig zijn geweest. Er was sprake van een fundamentele cultuurverandering en een revolutie op diverse terreinen. Maar zo ‘gelukkig’ was deze periode ook niet. Dat tolerantie ook verliezers oplevert in de geestelijke zin van het woord, daarvan legt dit boek indrukwekkend getuigenis af. Het verwerpen van gezag en traditie heeft het kind met het badwater weggegooid. Religie is ingewisseld voor eenzaamheid, nihilisme en bandeloze vrijheid. Een onthullend boek dat de wortels van het huidige levensgevoel scherp beschrijft.
Deze studie is een enigszins aangepaste versie van proefschrift van James Kennedy over het gelijknamige onderwerp. De stelling van de schrijver is dat de jaren zestig niet alleen een tijdperk was waarin studenten en radicalen demonstreerden voor meer vrijheid, maar ook een tijd waarin de elites gingen twijfelen aan de houdbaarheid of wenselijkheid van de oude wegen en besloten om de nodige vernieuwingen door te voeren. Dat was vooral pragmatisch gemotiveerd, zonder een principiële discussie over de vraag of argumenten wenselijk waren. Kennedy vraagt zich af of de meegaandheid van de elites niet alleen een teken van wijs pragmatisme was, maar ook van ideologisch bankroet. In de jaren
Kennedy constateert dat in heel het Westen oudere generaties steun gaven aan de idealen van de opstandige jeugd. De generatiekloof was vooral in Nederland kleiner dan elders, deels vanwege de bereidheid van de oude generatie om aan de jongere generatie de ruimte te geven die zij verlangde. Eind jaren zestig had Amsterdam de reputatie een van de belangrijkste centra van de seksuele revolutie in Europa te zijn. Dat de stad een bron van zedeloosheid werd, was volgens Kennedy te wijten aan het bereidheid van lokale en nationale politici om toe te staan wat slechts enkele jaren daarvoor volstrekt zou zijn afgewezen. Waarden als vrijheid, openheid, tolerantie, vrije seksuele ethiek enzovoorts, werden wel door de tegencultuur benadrukt maar waren variaties op waarden die al weerklank gevonden hadden binnen de dominante cultuur. Nederland kende al lang een traditie van verlicht regentendom. Het is niet moeilijk om een doorgaande lijn van de legendarische tolerantie van de regenten in de Nederlandse republiek tot aan de tegemoetkomendheid van burgemeester Samkalden te trekken. Zowel toen als nu gold: in een pluralistische en snel veranderende samenleving was het laten vieren van de teugels de beste optie. Het tijdig doen van concessies kon chaos, revolutie en onenigheid voorkomen. Er werd een grote mate van vrijheid toegestaan opdat de orde kon worden gehandhaafd. In de periode van 1968 tot 1975 vond er een stormachtige verruiming plaats ten aanzien van pornografie, abortus, drugs en euthanasie, zo laat Kennedy overtuigend zien. De Nederlandse samenleving ontwikkelde zich tot een van de meest tolerante samenlevingen in de wereld. Uiteindelijk werd die roes van vrijheid in een nieuwe zakelijkheid geblust waarin de elites zich nu wijdden aan bestuurskundige kleinigheden en technische details, en ideologische verschillen tussen de partijen vervaagden.
Een boek dat mijns inziens de verantwoordelijkheid van de bestuurders onderstreept. Niets is zo funest als leidslieden nauwelijks tegenwicht bieden aan de wensen van meer vrijheid van het volk. Dat een nieuwe tijd vernieuwingen eist, ook ten aanzien van de uitoefening van het gezag, staat buiten kijf. Maar dat is wat anders dan een kritiekloze omhelzing van wat er in de samenleving gaande is. Dat is helaas in die tijd gebeurd.
Religie heeft een negatieve invloed op vrijheid en democratie, zo is de kern van deze bundel samen te vatten. Met de titel Moord op Spinoza bedoelen de auteurs dat het modernistische wereldbeeld dat de Nederlandse filosoof Spinoza introduceerde onder druk staat vanwege allerlei islamitische opvattingen van theocratie. De Verlichting is de filosofie achter de moderniteit, zo benadrukken de auteurs. Sid Lukkassen zegt het kras: het mechanisch-causale wereldbeeld van Spinoza heeft zijn wetenschappelijke superioriteit bewezen. Daarmee is een religie op basis van wonderen en persoonlijke God uitgesloten. De islam staat voor waarden van premoderniteit, intolerantie en haat jegens andersdenkenden. De vijanden van de vrijheid zijn niet alleen de jihadisten en terroristen maar ook de postmodernisten en multiculturalisten. De fout van linkse denkers is dat zij vanuit de westerse notie van gelijkwaardigheid denken maar niet beseffen dat dit laatste in de islam onmogelijk is.
Paul Cliteur herhaalt wat hij in vele andere publicaties heeft uiteengezet: Religie is een macht die historisch gezien voor problemen heeft gezorgd. ‘Religie was, en is nog steeds, moeilijk in te passen in de politieke realiteit van vandaag.’ Het secularisme is volgens hem het enige model dat ten aanzien van de verhouding van kerk en staat werkelijk verdedigbaar is. In grote delen van de wereld is het verzet tegen laïcité, het Franse beginsel van een vergaande scheiding van kerk en staat, gigantisch. ‘Spinoza is nog niet dood, maar moordpogingen zijn aan de orde van de dag in het constitutionele denken.’ Cliteur vreest dat over vijftig jaar de emancipatiestrijd van de jaren zestig van de twintigste eeuw voor een aanzienlijk deel zal zijn teruggedraaid. Het salaf-jihadisme is vandaag de grootste voedingsbodem voor gruwelijk geweld en genocide. Mat Herben verdedigt tegenover het multicultarisme de grote culturele bronnen van moderniteit zoals jodendom, christendom, humanisme en verlichting. Hij keert zich tegen het ‘scheldwoord’ populisme. Hij constateert een kloof tussen een arrogante hoofdstedelijke elite en de provincie. Mensen worden beschuldigd van islamofobie als zij wijzen op het inherent gewelddadige karakter van de islam.
Religiekritiek, lang een pilaar van het progressieve denken, aldus Coen de Jong, ‘is afgezakt tot ritueel schelden op algemeen geaccepteerde doelwitten als de SGP’. De radicale verlichting ligt volgens hem onder vuur. ‘Links heeft veel van zijn principes verkocht op de islamitische markt, rechts breekt sociale en burgerrechten af zonder de oorzaken van het terrorisme aan te pakken.’ Tolerantie is echter niet hetzelfde als alles kritiekloos accepteren, zoals oproepen tot geweld, vrouwen- en kindermishandeling, terrorisme. ‘Alleen in theocratieën als Iran en Saoedi-Arabië mag je moorden voor God.’
Dirk van der Blom wijdt een bijdrage aan Theo van Gogh, ‘martelaar van het vrije woord’. Floris van den Berg stelt dat op universiteiten het postmodernisme welig tiert, wat zich uit in een doorgeslagen negatieve houding tegenover de westerse traditie en de Verlichting. Ethiek is ‘subjectieve’ opinie, mensenrechten zijn ‘westers’, er bestaat geen universele ethiek en met de islam op zich is er niks mis. ‘Postmodernisme ondergraaft de grondslagen van de moderniteit, objectieve wetenschap, liberalisme en humanisme.’ Perry Pierik constateert ook een tegenbeweging die zich kritisch opstelt tegenover de excessieve migratie en de islamisering van de westerse cultuur. Toch zal de druk op de wereld van Spinoza de komende decennia een belangrijke twistappel worden. Onder meer de links-liberale mantel der liefde en een onrealistische EU-politiek met open grenzen verhinderen een Realpolitik ten aanzien van de islam.
Moord op Spinoza is een boek dat de islamisering scherp beschrijft, maar de idealen van de Verlichting te kritiekloos omarmt. Juist de knechtende aspecten van de Verlichting komen de laatste tijd in diverse publicaties aan de orde. Ook de Verlichting heeft niet de vrijheid en vrede gebracht die zij beloofde. Dat laat onverlet dat de islam een blijvende bedreiging vormt voor de moderne rechtsstaat.
Een vergelijkbaar boek als het bovenstaande. Met cultuurmarxisme bedoelen de auteurs een manier van denken dat sociale en politieke verandering nastreeft. Het begrip cultuurmarxisme gaat volgens Paul Cliteur terug op de Italiaanse marxist Antonio Gramsci (1891-1937) die het hanteerde ter aanbeveling van een nieuwe vorm van sociale revolutie. Het zou een vorm van revolutie moeten zijn die gebaseerd is op cultuur, niet op klasse. Gramsci constateerde dat het marxisme er niet in was geslaagd de revolutie te realiseren die het had voorspeld. Het proletariaat was onvoldoende bevrijd van oude conservatieve ideeën, zoals loyaliteit aan je land, gezinswaarden en religie. Die moesten dus eerst vernietigd worden voordat de proletarische samenleving een kans zou krijgen. Kortom, marxisme zou zich meer op de cultuur moeten richten.
Welnu, volgens Cliteur zien we dat de afgelopen honderd jaar. Cultuurmarxisme heeft volgens hem een negatieve invloed op wat hij noemt: weerbare democratie Een linkse, progressieve elite, The New Left, ondermijnt het instituut van de democratie, zoals destijds in het communisme. Het is de tactiek van het Trojaanse paard. ‘Cultuurmarxisme is ideologische oorlogsvoering tegen de democratische instituties door deze van binnenuit te monopoliseren.’ Cultuurmarxisten streven naar culturele hegemonie binnen centrale instellingen, zoals de omroepen, de universiteiten en de media. Zij stimuleren een soort antiwesters, antidemocratisch denken, gekenmerkt door onder meer de criminalisering van islamofobie, dat wil zeggen het criminaliseren van de kritische analyse en islamisme. Cultuurmarxisme verbindt zich met postmodernisme dat stelt dat de democratie niet beter is dan welk ander systeem. Alle waarden zijn tenslotte relatief.
De auteurs voeren in dit boek een pleidooi voor de waarden van Verlichting en tolerantie. Terecht leggen zij een verband tussen islam en gewelddadigheid, al is het vraag of die niet te absoluut wordt gelegd zodat ook de islam het voorwerp wordt van vijanddenken. Dat er ondertussen heel wat mis is onder het mom van multiculturalisme of cultuurrelativisme, laat dit boek duidelijk zien. Ook wordt terecht de vinger gelegd bij de kosmopolitische en bureaucratische Europese elites, zetelend in hun hoge torengebouwen, die vervreemd zijn van de gewone burger. Dreigend schrijft Sid Lukkassen: ‘Maar waar het volk in het nauw wordt gedreven wordt, zullen de torens van Babel vroeg of laat in vlammende brandstapels veranderen.’
Cultuurmarxisten en neomarxisten (van de Frankfurter Schule) zijn uit op ontmanteling van de traditionele instituties en de ontworteling van vitale kiemen van gezinsbanden, morele normen en cultuurgoed. ‘De Westerse marxisten gingen over tot de ontwortelde levenshouding: het hedonisme van massaconsumptie en de seksuele ‘bevrijding’’, zegt Lukkassen terecht. Het komt er volgens hem op aan om een nieuwe elite op te leiden die de traditionele waarden van Europa weer uitdraagt.
De vraag is wel of deze gevuld zijn door noties die geïnspireerd zijn door het christendom of alleen door westerse conservatieve tradities en democratische verworvenheden, hoe heilzaam die ook zijn.
Wie vrijheid en tolerantie zegt, moet niet bij de islam zijn. We kwamen dat in het bovenstaande regelmatig tegen. Dat is ook de kern van dit boek van Sam van Rooy. Een onthutsend maar ook soms monotoon klinkend boek dat in een mantra laat zien hoe intolerant en slecht de islam is. Men is doodsbang voor islamofobie. Paul Cliteur zegt in zijn voorwoord dat het boek is geschreven uit grote bezorgdheid, frustratie en soms gevoel van wanhoop. ‘Onze vrij, vrolijke en welvarende samenleving lijkt ten dode opgegeven – op sommige vlakken ligt ze al op intensive care.’ Gesluierde moslima’s maken volgens Van Rooij duidelijk dat ze een hekel hebben aan de vrije samenleving en westerse beschaving. We lijden volgens hem aan oikofobie: haat tegen het Westen, afkeer van de eigen cultuur, de eigen waarden en normen. De migratiestromen hebben geleid tot aantasting van individuele vrijheden, zoals de godsdienstvrijheid. De islam wordt met een fluwelen handschoen aangepakt. Islam betekent echter onderwerping. De islam is een allesomvattend, totalitair systeem. ‘Vrijheid voor de islam resulteert steevast in islamisering tot een onvrije islamitische samenleving.’ Islam houdt modernisering en verandering tegen. De democratie wordt verworpen omdat het ingaat tegen de sharia, de wet van God. Er bestaan wel verlichte of liberale moslims, maar niet een verlichte of liberale islam. Een boek dat je scherp houdt, maar waar ik mij afvraag of het niet een te zwart beeld van de werkelijkheid tekent. De tradities van rechten en vrijheden zijn mijns inziens nog hecht genoeg om ook de islamisering op te vangen. Wel is het zaak dat bestuurders en overheden alert zijn op de gevaren van de politieke islam. Op dat punt kan nog het nodige verbeterd worden.
De bekende journalist Ten Hooven die verschillende lezenswaardige boeken schreef over politiek en samenleving, beschrijft in dit werk de neergang van de democratie in de vrije westerse samenleving als gevolg van autocratische en dictatoriale krachten die de rechtsstatelijke structuren aantasten. Westerse democratieën zijn volgens hem sinds twintig, dertig jaar instabiel geworden. Antisysteempartijen braken in het bestel in, meestal in de gedaante van het anti-Europese, nationalistische populisme. ‘Meer dan ooit sinds de oorlog staat het westerse liberale waardenstelsel met zijn normen voor democratie, rechtsorde en menselijke waardigheid onder druk.’
Ten Hooven noemt het populisme een pathologische afwijking van de democratie. Democratie ziet hij vooral als de georganiseerde kunst van het samenleven, gekenmerkt door verantwoordelijkheidszin, vrijheid en beschaving. Een democratie kan ook niet zonder die ‘altijd pijnlijke’ deugd van tolerantie: je moet ruimte laten voor andersdenkenden, zelfs als je hen verafschuwt. Verbieden is een teken van zwakte. De volkssoevereiniteit neemt pas een democratische vorm aan als zij is gekoppeld aan rechten en vrijheden die minderheden beschermen, niet als zij gekoppeld is aan de vorming van een meerderheid. Polarisatie kan ook een bron van vitaliteit en vernieuwing zijn, als zij maar niet leidt tot vijanddenken.
Ten Hooven stelt dat rechtspopulisten zoals Wilders vrijheid zien als een voorrecht van gelijkgezinden. Zij hebben weinig geduld met denkbeelden die afwijken van de eigen zienswijze. Populisme is rebellie tegen de vooruitgang, een bokkige reactie op de modernisering en toont een politiek van ressentiment. Een populist is reactionair, niet conservatief. Een conservatief kijkt naar het verleden als een bron van kennis, een schatkist vol ervaring om uit te putten, niet als een paradijs om naar terug te keren. Een conservatief droomt niet zoals een reactionair van een geïdealiseerd, mythisch verleden en wil niet radicaal breken met het heden, maar staat voor een geleidelijke, organische verandering.
De schrijver verfoeit het neoliberalisme dat een funeste invloed heeft op de gelijkheid en solidariteit in de samenleving. Het is alleen eendimensionaal en armoedig gericht op het economisch nut. Essentieel in de liberale visie is voor Ten Hooven de erkenning van de menselijke beperkingen en verschillen. Rechtsstaat en democratie zijn onmisbare instituties in een maatschappij die waarde hecht aan orde, met behoud van vrijheid. Fortuyn en Wilders interpreteren het non-discriminatiebeginsel als dwangmatig gelijkheidsdenken. Dat is heel wat anders dan gelijkberechtiging. Met de afschaffing van dat laatste (ten koste van moslims) schopt de PVV het fundament onder de rechtsstaat vandaan, en is zij geheel gericht op macht. Gert-Jan Segers verdedigde terecht de vrijheid van onderwijs voor moslims principieel: het beginsel dat grondrechten voor iedereen een gelijke werking hebben, telt voor hem zwaarder dan zijn weerstand tegen een geloof dat het zijne niet is. Kortom: ‘Het populisme en het neoliberalisme zijn de politieke krachten die het naoorlogse waardensysteem van democratie, rechtsstaat en mensenrechten uit zijn voegen trekken.’
De schrijver bepleit eerlijke verdeling van welvaart. De ongelijkheid groeit volgens hem, de bestaansrisico’s van mensen in de middenklasse nemen toe. Democratie is nodig omdat je dezelfde maatschappelijke ruimte deelt en daarom zelden volledig je zin zult krijgen. Democratie is een vorm van beschaving, een geformaliseerde manier om fatsoenlijk, redelijk met elkaar om te gaan. Gematigdheid is een politieke deugd, evenals prudentie: de bekwaamheid om zichzelf te beheersen met de hulp van de redelijkheid. Het compromis is de praktische politieke vorm van gematigdheid. Een boek dat de kracht van de democratie laat zien en terecht de ondermijnende invloeden van het populisme aan de kaak stelt. Alleen is het de vraag of je nu zo sterk kunt spreken van de ontmanteling van de democratie als zijnde een noodzakelijke ontwikkeling. Daarvoor is de huidige democratie mijns inziens toch net te weerbaar.
KvdZ
Alle ministers en de meeste staatssecretarissen zijn door het duo Wilma Borgman en Max van Weezel gevraagd om terug te blikken op het kabinet Rutte-II. In Vrienden tegen wil en dank doen de politiek redacteuren verslag van de gesprekken met bewindslieden. Verschillende onderwerpen passeren de revue: de samenwerking tussen PvdA en VVD, de onderlinge verhoudingen tussen de bewindslieden, de samenwerking met de ‘constructieve oppositiepartijen’, de zoektocht naar ‘de schoonheid van het compromis’ en het sluiten van talloze akkoorden met oppositiepartijen en maatschappelijke partners.De opzet van het boek is enerzijds prettig: de bewindslieden vertellen over hun ambt, de druk die dat met zich meebrengt - ook op persoonlijk vlak - en memoreren hoe de kaarten onderling geschud werden. De lezer waant zich soms aan de tafel van de ministerraad. Deze manier van verslaglegging heeft anderzijds iets vluchtigs: ruimte voor beschouwing is er amper. En de bewindslieden zijn wel heel aardig voor elkaar en de collega’s van de andere partijen. Er wordt vaak gerept in termen van vriendschap, dito verhoudingen, goed opschieten met… Terwijl vriendschap in Den Haag een zeer schaars artikel is. Misschien op de kameraadschap van Rutte en Samsom na. Zeker leuk zijn de weetjes. Verschillende bewindslieden roemen de rol van Blok, het oliemannetje tussen de coalitiepartijen. En Ploumen lijkt met afstand de meeste populaire minister. Niet geliefd is de vrijdagse ministerraad, die nogal eens voor chagrijn zorgt. Want verschillende besluiten lijken op de maandagen al voorgekookt door Rutte, Samsom, Zijlstra en Asscher. In dit boek komen ook de constructieve gedoogpartners aan het woord, tenminste Pechtold, Slob en zijn opvolger Segers. Met Van der Staaij zijn geen gesprekken gevoerd. Dat lijkt me een verkeerde keuze, omdat de gedoogpositie voor de SGP destijds een nieuwe ontwikkeling was. Juist het perspectief van de staatkundig-gereformeerden zou voor interessante invalshoeken kunnen zorgen.
Hoogtepunten van dit boek zijn de beschouwende stukken. De inleiding, die de samenwerking tussen VVD en PvdA inkadert vanuit de bijzondere verkiezingsuitslag in 2012. En de conclusie, waarin een beschouwing is opgenomen over het kabinet Rutte-II, inclusief twaalf lessen die te trekken zijn uit deze regeringsperiode. Vrienden tegen wil en dank is een heerlijk tussendoortje voor de politiek geïnteresseerde lezer. Deze is in twee avonden weer helemaal geïnformeerd over de recente Haagse ontwikkelingen. Wie op zoek wil naar een diepteboring kan volstaan met het lezen van de inleiding en conclusie of wachten op een wetenschappelijke(r) studie.
JMtH
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 2018
Zicht | 104 Pagina's