Actueel pleidooi voor collectieve godsdienstvrijheid
Als het gaat over grondrechten, overheerst in onze cultuur en samenleving de individuele benadering. Daardoor dreigt een belangrijk aspect onder te sneeuwen, namelijk dat je als mens je vrijheid, identiteit en geloof of overtuiging beleeft en viert door deze met anderen te delen. Zo kun je volwaardig mens zijn. Hans-Martien ten Napel publiceerde hierover een belangwekkend boek dat op een eigentijdse manier weerwoord biedt aan de te individualistische focus.
Godsdienstvrijheid in een constitutionele democratie: mag de staat regels stellen die het volgen van godsdienstige principes aan banden leggen, en het optreden van religieuze organisaties? Bijvoorbeeld voor dierenwelzijn of emancipatie van vrouwen of lhbt’ers? Wat is de waarde van de Nederlandse vrijheid van onderwijs? Het boek Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom van Hans-Martien ten Napel biedt voor dit actueel (strijd)thema een benadering die het verdient om er grondig kennis van te nemen.
Staatsonthouding gewenst…
Sinds de jaren 1960 is ons land in levensbeschouwelijk opzicht een stuk minder overzichtelijk geworden. En dat roept vragen op hoe de overheid en het recht met die verscheidenheid moet omgaan. De laatste decennia zou je in het debat over die vragen ruwweg twee benaderingen kunnen onderscheiden. Allereerst die van het oudere tolerantie-liberalisme, waarbij levensbeschouwelijke groeperingen zoveel mogelijk de ruimte krijgen. Het recht (de staat) bemoeit zich niet onnodig met interne aangele-genheden binnen zo’n groepering en haar organisaties. Staatsdwang moet immers vermeden worden, zeker binnen de godsdienstige kringen.
… Of drang tot staatsoptreden?
Daarnaast is inmiddels ook een benadering zichtbaar die haar vertrekpunt neemt in het autonome individu. Het recht en de vrijheden dienen de ontplooiing van het individu. Rond dit uitgangspunt is er een seculiere moraal die de hele samenleving zou moeten onderschrijven en dat kan dan ook betekenen dat de staat orde op zaken moet stellen binnen levensbeschouwelijke organisaties. (Zie over deze twee benaderingen ook: Floris Mansvelt Beck, ‘Franse toestanden?’ in: Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2016 (7), 3, p. 6-23.)
Het publieke debat naar aanleiding van de Nashville-verklaring legde helder bloot hoe de publieke opinie in dit spanningsveld zit. ‘Natuurlijk’ hoorden we alom afkeuring over de inhoud van ‘Nashville’, maar in veel gevallen (zoals in de reactie van premier Rutte) was de teneur tegelijkertijd: ‘ook deze groep mag zijn mening geven’. Daarnaast was er het onverdraagzame geluid van mensen die bijvoorbeeld aangifte wilden doen. Zij beschouwen het kennelijk wel als een staatstaak om erkenning van individuele autonomie bij eenieder af te dwingen; tegelijkertijd echter overheerst in de opinie (naar mijn inschatting) het uitgangspunt waarin men inziet dat de staat de verschillende bevolkingsgroepen met uiteenlopend moreel kader moet respecteren.
Mens heeft sociale instituties nodig
Ten Napel geeft in dit boek een diepgravende wetenschappelijke analyse van die benadering van godsdienstvrijheid, die volgens hem het meest recht doet aan wat mens en maatschappij nodig hebben. De multidisciplinaire onderzoeksmethode (met name juridisch en filosofisch) en de brede blik (West-Europa en Noord-Amerika) komen de kracht van het betoog ten goede.
Ten Napel vraagt allereerst aandacht voor de collectieve dimensie van godsdienstvrijheid: niet alleen privépersonen, maar ook levensbeschouwelijke organisaties – kerken, scholen, stichtingen voor zorg of welzijn kunnen zich op godsdienstvrijheid beroepen. Dat heeft een reden: mensen organiseren zich, en blijken behoefte te hebben aan instituties om gezamenlijk een maatschappelijke opdracht vorm te geven. In veel gevallen gaat het dan ook om een religieus ervaren roeping. Hierbij wijst Ten Napel op de fundamentele menselijke behoefte aan die sociale instituties, waarbij vaak de gedeelde levensbeschouwelijke of religieuze drijfveer (identiteit en grondslag van de instelling) als wezenlijk wordt ervaren.
To be fully human
Vandaar de ondertitel: To Be Fully Human. Willen we elkaar de ruimte geven om ‘volledig mens te zijn’, dan hoort daarbij ook dat de staat (het recht) zich zoveel mogelijk onthoudt van sturend optreden in die religieuze instituties die we nodig hebben. We zijn immers meer dan individu, en ook meer dan individu en politiek burger. De religie of levensbeschouwing is in veler leven geen strikt persoonlijke ‘kers op de taart’, maar een essentieel aspect dat al onze activiteiten doortrekt (bewust of onbewust). Ook het deel uitmaken van instituties op allerlei terreinen is dan essentieel to be fully human. In kerkgenoot-schappen, maar ook bijvoorbeeld opvoeding, onderwijs en zorg. .
Die instellingen en organisaties zijn dus onmisbaar in de samenleving, maar die drijven op de gedrevenheid van de deelnemers. Ze functioneren vaak dankzij een gedeelde levensbeschouwelijke drijfveer waaraan iedereen loyaal is, en altijd met behulp van een gezagsstructuur. Dat functioneren wordt echter gefrustreerd wanneer de staat (wetgever, bestuur of rechter) binnen zo’n instelling stapt om intern een (seculiere) morele opvatting – die aan de identiteit van deze instelling min of meer vreemd was met dwangmiddelen aan de orde te stellen. En het is niet aan de staat om de gezagsstructuren opzij te zetten en om zodoende een moreel gedachtegoed – buiten de publieke ruimte – ingang te doen vinden. Vandaar het belang ook van collectieve godsdienstvrijheid
Rawls en wolterstorff
Tot zover de eerste twee bouwstenen van Ten Napels boek: collectieve godsdienstvrijheid en sociaal pluralisme (de instituties verdienen interne autonomie). De derde bouwsteen is die van democratie: welke rol kan levensbeschouwing spelen in het publieke debat? Daarbij weegt Ten Napel de uitgangspunten van twee toonaangevende politiek filosofen tegen elkaar af. Allereerst die van Rawls: ‘spreek in het publieke debat slechts de taal van de gemene deler van de moraal van iedereen’. Vervolgens die van Wolterstorff: ‘elke levensbeschouwing krijgt haar stem, ook als anderen de daarop gebaseerde argumenten niet delen.’ Ten Napel concludeert dat de laatstgenoemde meer ruimte laat voor het genoemde doel: To be Fully Human.
Dit boek biedt op een heel fundamenteel niveau een eigentijds weerwoord op pleidooien voor meer individualistisch georiënteerde grondrechten. Het bepleit met diepgravende en eigentijdse argumenten de blijvende noodzaak van begrenzingen aan de staatssoevereiniteit, door middel van intern vrije kerkelijke en burgerlijke instellingen. De erkenning van het beperkt mandaat van de staat waar ook Groen van Prinsterer zo veel op hamerde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 2019
Zicht | 104 Pagina's