Boeken schap
Leren samenleven in onzekere tijden
Toenemende polarisatie vergroot de kans op parallelle samenlevingen. Extra reden om zaken als ‘Onwaar’ aan te merken die ook echt onwaar zijn. Ook moeten de gevaren die met onwaarheid samenhangen onder ogen worden gezien. En we dienen te bedenken dat we uiteindelijk over meer zekerheden beschikken dan we vaak denken. Maar in plaats van een Great Reset is daartoe wel een herwaardering van aloude maatschappelijke verbanden noodzakelijk. Op welke wijze? Een aantal auteurs van recente publicaties probeert wegen te wijzen die ons behulpzaam kunnen zijn.
‘Voor onze moeders, die hun best hebben gedaan om ons voor te bereiden op het leven,’ zo luidt het eerbetoon dat psycholoog Jonathan Haidt en jurist Greg Lukianoff hun boek hebben meegegeven.
Van hun moeders leerden zij dat er op zijn minst drie dingen die doorgaans voor waar worden aangenomen of als zodanig worden aangeprezen, niet waar zijn. Allereerst dat gekwetst worden je zwakker zou maken. Vervolgens dat je gevoel de beste richtwijzer is in het leven. Tenslotte dat er in de wereld twee soorten mensen bestaan: goeden en slechten.
Precies de geloofsopvattingen van veel politiek-correcte mensen tegenwoordig. En de schrijvers ageren daartegen. Niet omdat ze hen ervan verdenken slechte bedoelingen te hebben, maar omdat ze volgens hen gewoonweg niet waar zijn.
Deze onwaarheden zijn echter niet zomaar onwaar. Volgens de auteurs verdienen ze zelfs het predicaat ‘Onwaar’ met een hoofdletter, en wel op basis van de volgende drie criteria. Ze zijn allereerst in strijd met de oude wijsheden die in alle culturele tradities voorkomen en daardoor zeer aannemelijk zijn (zeg maar: common sense). Ze zijn daarnaast in strijd met modern psychologisch onderzoek naar menselijk welzijn (wetenschappelijk criterium). Maar bovendien schaden ze de individuen en gemeenschappen die geloof hechten aan deze onwaarheden (moreel criterium).
Maar is dat niet wat kort door de bocht allemaal? Het gaat namelijk lijnrecht in tegen dat wat in weldenkende kringen tegenwoordig wordt verkondigd. En bovendien: het vormt ook de achtergrond van veel ‘christelijk’ klinkende standpunten en beleidsvoornemens. Waarom zouden we anders opkomen voor degenen die zich gekwetst voelen door bepaalde uitspraken in het publieke debat? Waarom zouden we anders het hele debat ook in christelijke kringen hebben over genderdiversiteit? En waar komt anders die neiging ook onder christenen vandaan om het publieke debat zo sterk te polariseren, soms zelfs tegenstanders te demoniseren?
De auteurs halen de orthodox-Joodse rabbijn Jonathan Sacks aan die eens stelde: ‘Er is een moreel dualisme dat goed en kwaad beschouwt als innerlijke instincten waartussen we moeten kiezen. Maar er is ook een – wat ik zou willen noemen – pathologisch dualisme waarbij de mensheid zelf radicaal wordt verdeeld in hen die onbetwistbaar goed zijn en hen die onherstelbaar slecht zijn. Je bent of het een of het ander.’
Het criterium voor goed en kwaad is niet gelegen in bepaalde karaktereigenschappen of gedragingen, maar in iemands identiteit. En die identiteit wordt veelal gezocht in termen als ‘onderdrukker’ versus ‘onderdrukte’, ‘man’ versus ‘vrouw’ of ‘transgender’, ‘blank’ tegenover ‘zwart’, met de ‘blanke man’ als het ul-tieme kwaad en de ‘zwarte transgender’ als de ultieme manifestatie van het goede. Als je een werkeloze arbeider vragen heeft bij massale immigratie, dan wordt hij gezien als ‘racist’. Is hij bovendien tegen ‘genderquota’ dan is hij tevens een ‘seksist’ of ‘homofoob’.
De achtergrond van dit onderscheid tussen goed en kwaad wordt niet alleen gevormd door de gedachte dat het zwakke bescherming verdient tegenover het sterke, maar dat iemand met een bepaalde huidskleur per definitie tot de zwakken wordt gerekend. Dat zorgt ervoor dat, om met Rod Dreher te spreken (zie ons interview met hem elders in dit themanummer) de eerdergenoemde werkeloze arbeider per definitie tot de onderdrukkers gerekend wordt, en de zwarte vrouwelijke professor nog steeds als slachtoffer gezien kan worden.
En iedereen die het waagt vragen te stellen bij dit wereldbeeld, loopt groot risico beschuldigd te worden van hate speech en, bij gevolg, uitgesloten te worden van het publieke debat. Dat is inmiddels vrij gebruikelijk op Amerikaanse universiteiten, in mainstream media en ook op social media. Op die manier worden zogenaamde safe spaces gecreëerd waarin de ‘onderdrukten’ wier gevoelens anders al te gemakkelijk gekwetst zouden raken, beschermd worden tegen de opvattingen en invloed van de ‘onderdrukkers’ en ‘geprivilegieerden’.
Haidt en Lukianoff laten zien wat een dergelijk wereldbeeld doet met de geest van toekomstige generaties. Door een sterke doorvoering van politieke correctheid wordt ons vermogen om kritisch na te denken bedreigd. Bovendien lopen we het risico individuen niet langer te zien als mens met bepaalde karaktereigenschappen, maar vanuit de eigen ideologie louter nog als representant van een vijandige groep.
De auteurs leggen de (goede) bedoelingen en ideeën achter deze trend bloot en laten zien wat de effecten ervan zijn, zowel binnen de universiteiten als op de maatschappij. Hun verhaal eindigt met een oproep om afscheid te nemen van de onwaarheden die het uitgangspunt zijn van het moderne ideologische wereldbeeld, en terug te keren naar de oude wijsheden. De jeugd dient niet zozeer beschermd te worden in safe spaces, als wel voorbereid te worden op een weg vol onzekerheden en uitdagingen. Daarbij dienen we ons er bij de opvoeding van bewust te zijn dat wij allemaal vatbaar zijn voor emotioneel redeneren op basis van bepaalde vooroordelen. Het is in dat verband van groot belang die vooroordelen kritisch te bezien en continue te toetsen aan de alledaagse werkelijkheid. We zijn ook allemaal vatbaar voor tribalisme en het denken in termen van ‘wij’ en ‘zij’. Maar we dienen ons daarbij altijd te bedenken dat de scheidslijn tegelijkertijd ook tussen goed en kwaad door het hart van ieder mens loopt, zo besluiten de auteurs.
Wijze woorden. Een boodschap die niet alleen maar Amerika aangaat, maar ook Europa en niet in het minst ook ons in Nederland. Het is ook niet voor niets dat de uitgever besloot om dit boek in het Nederlands te laten vertalen. Van harte ter lezing aanbevolen.
‘We associëren totalitarisme vooral met werk-, concentratie- en vernietigingskampen, maar dat is dus slechts de laatste, verbijsterende stap in een lang proces,’ zo stelt de Gentse hoogleraar klinische psychologie Mattias Desmet in zijn nieuwste boek.
Volgens Desmet gaat het bij totalitarisme om een vrij recente staatsvorm die zich onderscheidt van de klassieke dictatuur. Die laatste is gebaseerd op een primitief psychologisch mechanisme, namelijk de vrees die het agressieve potentieel van het dictatoriale regime de bevolking inboezemt. De totalitaire staat daarentegen is gegrond in het psychologische proces van massavorming.
Zijn boek is geschreven met de bedoeling een grondige analyse te geven van het proces dat ertoe leidt dat onder individuen op grote schaal de bereidheid ontstaat om hun persoonlijke belangen op te offeren uit solidariteit met het collectief (de massa), gepaard aan intolerantie ten opzichte van dissidente stemmen en de vatbaarheid voor absurde (pseudowetenschappelijke) indoctrinatie en propaganda.
Die massavorming is dus wat dictaturen onderscheidt van een totalitaire staat. Het gaat daarbij, zo stelt Desmet, om een vorm van groepshypnose die individuen elk vermogen tot kritische distantie en ethisch besef ontneemt. Dat proces heeft een sluipend karakter en de bevolking valt er vaak argeloos aan ten prooi. In de woorden van de Joodse historicus Yuval Noah Harari: de meeste mensen zouden het niet eens opmerken wanneer ze onderworpen zijn aan een totalitaire staat .
Een belangrijk element in de analyse van Desmet vormt het blinde geloof in ‘de wetenschap’ als kenmerkend voor totalitaire staten. Dat wisten we al wanneer het ging om het totalitarisme van Hitler en Stalin. Maar volgens de auteur vormt het ook een bedreiging voor onze democratische rechtsstaat. Zeker als we in ogenschouw nemen dat opvattingen die onder de vlag van ‘de wetenschap’ worden verkocht, ofwel helemaal niet gesteund worden door wetenschappelijk onderzoek, ofwel geen rekening houden met de onzekerheid die er ook binnen de wetenschap vaak nog is over bepaalde onderwerpen. En dan hebben we het nog niet eens over de kwaliteit van veel wetenschappelijk onderzoek.
Voor het geval dat mensen denken dat ik overdrijf en Desmet opvattingen in de schoenen schuif die hij zelf niet voor zijn rekening zou durven nemen, hier een citaat: ‘Slordigheden, fouten, geforceerde besluitvorming en zelfs regelrechte fraude bleken [bij onderzoek uit 2005 in Vlaanderen] zo wijdverbreid in wetenschappelijk onderzoek, dat een onthutsend hoog percentage van de onderzoeksartikelen – tot 85% in sommige wetenschapsgebieden – tot radicaal verkeerde besluitvorming komt. En wat vanuit psychologisch onderzoek het meest interessant is: de meeste onderzoekers verkeren daarbij in de overtuiging dat zij min of meer correct handelen. Op een of andere manier beseffen ze niet dat hun onderzoeksmethode hen niet dichter bij ‘de feiten’ of ‘de realiteit’ brengt, maar een fictieve werkelijkheid creëert.’
Voor wie Desmet er op basis van een dergelijke passage van verdenkt een aanhanger van complottheorieën te zijn: hij beschuldigt betrokkenen er helemaal niet van kwade bedoelingen te hebben. Maar door het paradigma van waaruit zij wetenschap bedrijven, ontkomen ze er niet aan om selectief met feitenmateriaal om te gaan en vervolgens verkeerde conclusies te trekken.
Wel is het dan de vraag of het dan juist is om te spreken van ‘regelrechte fraude’, zoals Desmet hier doet. Dat suggereert toch op zijn minst dat er juist wel sprake is van kwade opzet. Of hij moet ervan uitgaan dat er opzettelijk verkeerde conclusies getrokken worden met het oog op het doel dat wordt nagestreefd.
Dat doet niet af aan de observatie dat niet alles wetenschap is dat zich als wetenschap aandient. Wanneer we dan tegelijk zien dat de grote massa in de veronderstelling verkeert dat overheidsbeleid per definitie steunt op wetenschappelijk verantwoorde inzichten, en alleen al daarom kritiekloos dient te worden gevolgd, dan kunnen we ons iets beter voorstellen wat Desmet beoogt met zijn waarschuwingen tegen de totalitaire verleiding.
Wat de samenleving hierbij parten speelt is de permanente angst die ons wordt aangepraat. Is het niet de aanhoudende dreiging van terreur, een nakende klimaatcatastrofe dan is het wel een nieuwe coronapandemie. En elke keer dat er iets dreigt, dan is er binnen het huidige beheersingsdenken maar een oplossing: meer controle. Dat het menselijk wezen maar een beperkte mate van controle verdraagt, wordt daarbij over het hoofd gezien. Maar erger nog: controledwang leidt tot angst en angst leidt tot controledwang. Zo raakt de maatschappij in een vicieuze cirkel terecht die onvermijdelijk uitmondt in een totalitaire staat, aldus Desmet.
Is die totalitaire staat inderdaad de onvermijdelijke uitkomst van de huidige politieke ontwikkelingen? Desmet meent van niet. Maar dan moeten we wel tot het besef komen dat de oplossing voor onze angsten en onzekerheden niet licht in meer (technologische) controle. Daarvoor in de plaats dienen we ‘een nieuw mens- en wereldbeeld te construeren, een nieuwe grond voor onze identiteit, nieuwe principes te formuleren voor het samenleven met anderen, een herwaardering te realiseren van een oeroud menselijk vermogen – de waarheid te spreken,’ aldus Desmet.
Zelf geeft Desmet waardevolle aanzetten in deze richting. Wel roept zijn opmerking de vraag op of het inderdaad nodig is om een heel nieuw mens- en wereldbeeld te creëren. Kennelijk is hij onvoldoende vertrouwd met de joods-christelijke traditie om te weten dat een dergelijk alternatief allang bestaat. De uitdaging voor ons is alleen om vanuit die rijke traditie een antwoord te formuleren dat ook door niet-christenen herkend wordt als een perspectief dat de moeite waard is – juist ook nu!
Mijn suggestie zou zijn om de analyse van Desmet met betrekking tot de psychologie van het totalitarisme mee te nemen in onze eigen zoektocht naar een herwaardering van de rijke traditie waarin wij staan. Bij die herwaardering kan zijn kritiek op het huidige beheersingsdenken als gemeenschappelijk vertrekpunt dienen. Als zodanig is het boek van Desmet een absolute aanrader.
Door enkele dramatische gebeurtenissen van de afgelopen periode zijn we met zijn allen misschien wat onzeker geworden. Sinds de financiële crisis van 2008 zijn het in economisch opzicht onzekere tijden. Mensen die dachten dat het neoliberalisme definitief het einde van de geschiedenis had ingeluid, werden hardhandig wakker geschud door de verkiezing van Donald Trump en de Brexit in 2016.
Steeds meer mensen twijfelen aan de waarheid van datgene wat media, politici en zelfs de wetenschap ons vertellen. Bovendien gaf de recente coronacrisis ons eens temeer het gevoel vooral kwetsbaar te zijn.
Zonder daaraan iets af te willen doen, pleit VU-hoogleraar wijsbegeerte, René van Woudenberg, ervoor om ons ook eens te focussen op al datgene waaraan wij wel (een grote mate van) zekerheid kunnen ontlenen met betrekking tot de toekomst. En feitelijk doen we dat ook, iedere dag weer opnieuw. Want de zekerheden die er gisteren waren, zijn er ook vandaag nog en zullen er ook morgen en overmorgen nog zijn.
Zo zijn er de zogenaamde waarheden van het verstand: dat 1 + 1 samen 2 is, dat alles wat er gebeurt een oorzaak heeft, dat gedachten betekenen dat er iemand is die ze denkt, iemand kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor een gebeurtenis waartoe hij of zij niet de mogelijkheid had die te verhinderen, etc.
Dan zijn er nog de zogenaamde feitelijke waarheden waaraan wij kennis hebben dankzij ons gezond verstand en wetenschappelijk onderzoek. Het gaat daarbij om natuurwetten: het feit dat water bevriest bij een temperatuur onder de 0°C, dat een voorwerp dat in water wordt ondergedompeld een opwaartse druk ondervindt die gelijk is aan het gewicht van de verplaatste hoeveelheid vloeistof, etc. Daarnaast zijn er de sociale wetten, vaak vervat in spreekwoorden: het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen, hoge bomen vangen veel wind, strenge heren dienen niet lang en wiens brood men eet, diens woord men spreekt, etc.
Waarheden van het verstand en feitelijke waarheden hebben betrekking op zowel verleden, heden en toekomst. Een laatste categorie waarheden heeft louter betrekking op de toekomst, aldus Van Woudenberg: die van de beloften die we elkaar doen. Inderdaad hebben beloften betrekking op iets dat zich ten opzichte van die belofte in de toekomst zal afspelen. Maar mij lijkt dat de zekerheid die aan die beloften kan worden ontleend toch op zijn minst ook iets te maken heeft met de mate waarin degene die een belofte doet, er een gewoonte van maakt die ook na te komen. Iemand die te vaak het ene zegt en vervolgens het andere doet, zal allicht minder snel vertrouwd worden.
Afgezien daarvan heeft Van Woudenberg natuurlijk gelijk dat beloften een belangrijk uitgangspunt mogen zijn voor ons vertrouwen in de toekomst. Het bijzondere van beloften is dat het niet-nakomen ervan schuld
maakt. Vanuit die wetenschap moet je ook alleen dingen beloven die je oprecht waar wil maken en waarvan je weet dat het in je macht ligt om ze na te komen. Daarnaast moet de ander erop kunnen vertrouwen dat je het goede met hem of haar voor hebt. Bovendien is het van belang dat ook derden er geen schade van ondervinden. Wanneer, omgekeerd, die ander niet langer prijs stelt op die belofte of het risico op nevenschade voor derden te groot is, ben je ook ontslagen van de verplichting die na te komen.
De belofte kent vele verschijningsvormen: van afspraken die vastgelegd worden in een agenda, via lidmaatschappen, het geven van garanties, het afleggen van de eed, tot het uitvaardigen van wettenen internationale verdragen.
En zoals we weten worden in al die verschijningsvormen beloften veelvuldig gebroken. Mensen zijn vergeetachtig, zwak, soms ook ontrouw of ronduit egoïstisch. Dus wat heeft het voor zin om in dit verband nog van toekomstige zekerheid te spreken? Waarom zoveel betrouwbaarheid aan beloften toekennen?
Volgens Van Woudenberg leert de praktijk dat veel beloften wel degelijk worden nagekomen. En zelfs als een belofte niet wordt nagekomen, dan wil dat niet per definitie zeggen dat deze als zodanig van nul en generlei waarde zou zijn. Om dat te begrijpen onderscheidt hij tussen een kennis-, gevoels- en handelingselement in beloften. Het eerste element maakt dat ik geloof hecht aan datgene wat beloofd wordt. Het tweede element maakt dat ik degene die de belofte doet vertrouw. Het derde element maakt dat ik in mijn handelwijze er rekening mee houd dat die ander zich aan zijn belofte zal houden. Een belofte kan ongeloofwaardig zijn, zonder dat ik daarmee direct hoef te twijfelen aan de goede bedoelingen of betrouwbaarheid van de ander; ik zal er alleen rekening mee houden dat de belofte niet tot het beloofde resultaat zal leiden, maar dat er hoe dan ook voldoende vertrouwen overblijft om bij die ander te blijven.
Vanuit dat perspectief zou je ook de huwelijksbelofte kunnen zien. Van Woudenberg benadrukt dat een dergelijke belofte weliswaar geen volkomen zekerheid geeft over de toekomst, maar dat er niettemin voldoende goede redenen zijn om de daarin gedane beloften te accepteren en elkaar trouw te zijn.
Dat alles is geheel volgens de regels van het gezond verstand. Als zodanig is het boek van Van Woudenberg zeer aan te bevelen.
Een kanttekening zou ik hier nog wel graag maken. Nergens refereert Van Woudenberg aan het christelijk geloof als bron van vertrouwen naast of zelfs voorafgaand aan gezond verstand. Toegegeven, voor een wijsgerige betoog is dat ook niet strikt noodzakelijk. Maar voor een boek dat de bedoeling heeft ons iets meer houvast te geven in een tijd van toenemende onzekerheid had aandacht voor het geloof wel degelijk meerwaarde gehad. God wil niet alleen de beloften van mensen middellijk gebruiken om ons bestaan de nodige zekerheid te geven. Ons geloof dat God de wereld goed geschapen heeft en dat Hij daarin Zijn beloften altijd gestand zal doen, vormt daarnaast de dragende grond onder de zekerheid die wij aan menselijke beloften menen te kunnen ontlenen – ondanks alle teleurstellingen waarmee wij in dit leven regelmatig ook te maken krijgen. Een dergelijke redenering had ook in een wijsgerig betoog mijns inziens niet misstaan.
De Vlaamse hoogleraar sociologie Mark Elchardus (1946) publiceert met Reset een boek dat lezers aan het denken zet. De auteur toont zich zeer bezorgd over het politieke beleid van de afgelopen decennia, waarin liberalisme en individualisme de toon zetten.
Sociaaldemocraten en christendemocraten boden geen stevig weerwerk, integendeel, ze dreven mee op de hoofdstroom van neoliberaal denken die vanaf eind jaren ’80 aan kracht won. De globalisering die door de val van de Berlijnse Muur en de opening van China uitrolde, zou hiertoe nopen, omdat er geen alternatief zou zijn. De ‘vrije’ wereldhandel bracht economische groei en lage werkloosheid, vooral vanaf de tweede helft van de jaren ‘90. Mobiliteit en migratie namen enorm toe en het internet versnelde de informatie-uitwisseling. Aan deze ontwikkelingen kleven schaduwzijden. Zo vindt Elchardus het problematisch dat staten hun soevereiniteit deels hebben afgestaan aan multinationals en internationale organisaties. Dat leidt tot een machtsverschuiving van democratische staten naar niet-democratische multinationals en bureaucratieën. Op deze manier wordt de volkssoevereiniteit uitgehold. Bovendien nam de kwetsbaarheid van de wereldeconomie toe. Dat bleek overduidelijk bij de economische en financiële crisis in 2008. Kapitaal dat zich ongereguleerd en snel verplaatst over de gehele wereld werkte ontwrichtend. Overheden kregen er geen grip op. Evenzo het ongereguleerd verplaatsen van mensen: ook dat werkt ontwrichtend uit voor de samenleving, zo was te merken in bepaalde stadswijken waar integratieproblemen de kop opstaken. Voeg daarbij de toegenomen ongelijkheid tussen rijk en arm en het gevoel van eenzaamheid en machteloosheid dat veel burgers ervaren: ze hebben geen grip meer op hun leven.
Tegen deze achtergrond breekt Elchardus een lans voor het gemeenschapsdenken. Dat staat in tegenstelling tot het individualistische liberale denken. Niet alleen in economisch opzicht, maar ook in cultureel en moreel opzicht. Denk bijvoorbeeld aan de liberalisering van abortus en euthanasie, maar ook aan de invoering van koopzondagen, het homohuwelijk en thans de transgenderwet. En de riante fiscale regelingen voor tweeverdienersgezinnen. Voor individualistisch denkende liberalen zijn dat haast allemaal vanzelfsprekendheden. Het lijkt geen sinecure om mensen ontvankelijk te krijgen voor gemeenschapsdenken na de radicale individualisering van de laatste drie decennia. Dat maakt het boek ook voor SGP’ers bijzonder interessant. Het is op veel punten een tegenhanger van The Great Reset van Schwab e.a., al denkt en schrijft Elchardus niet vanuit christelijk perspectief.
Elchardus focust op een ‘reset’ van de democratie. Hij wenst geen wereldsamenleving die georganiseerd wordt als een onbegrens-de markt waarin streven naar winst leidend is. Zo’n liberale orde vernietigt namelijk de vrijheid van de mensen. Elchardus beoogt met name de volkssoevereiniteit te herstellen. Daarvoor is een herwaardering nodig van de natiestaat met haar duidelijke, bewaakte grenzen. Dat dringt de illegale migratie terug. Herstel van de volkssoevereiniteit maakt een einde aan de ‘juristocratie’ waarin rechters de hoogste macht hebben. Bij politieke kwesties mag de rechterlijke macht niet langer het laatste woord spreken, dat behoort aan het volk, danwel aan het parlement. Elchardus voert derhalve geen pleidooi voor herstel van de sociaal- of van de christendemocratie. Nee, die hebben hun ziel verkocht aan het ‘kosmopolitisch vooruitgangsgeloof’. Daartegenover plaatst Elchardus een politiek die een nationaal conserverende realiteitszin uitstraalt.
Als het gaat om identiteit, maakt Elchardus onderscheid tussen kleine (individuele) en grote (collectieve) identiteiten. Hij bekritiseert het kleine identiteitsstreven, zoals ‘woke’ dat aan de dag legt. Als men zich afvraagt hoe het toch kan dat zoveel wijken in grote steden een schrijnend gebrek tonen aan sociale cohesie, dat zoveel mensen online verbonden zijn, maar zich toch eenzaam voelen, dan is dat mede het gevolg van het celebreren van de diversiteit. Veel beter is het een serieuze poging te doen om, met respect voor de pluraliteit van de samenleving, te werken aan een hechte gemeenschap van mensen, die verbondenheid ervaren en solidariteit, ofwel verantwoordelijkheid voor elkaar opbrengen. Een individu kan namelijk op z’n eentje niet veel bereiken, maar is afhankelijk van de steun door de gemeenschap, van de opgebouwde ervaring in het verleden, van een goed onderwijsstelsel, een deugdelijk (spoor)wegennet, enzovoorts. Individuele autonomie bestaat bij de gratie van de gemeenschap. Daarom moeten gemeenschapsdenkers hun stem verheffen in het publieke debat en zich niet in de luren laten leggen door zogenaamde liberalen die vrijheden aan banden leggen.
Elchardus laat een geluid horen dat in het huidige politieke debat zeer welkom is. Hij stelt (post)moderne vanzelfsprekendheden ter discussie op een manier die aan het denken zet. Al volg ik niet zijn radicale pleidooi voor de volkssoevereiniteit, ik deel wel het streven naar meer ruimte, vrijheid en verantwoordelijkheid voor lokale gemeenschappen. Dat noopt tot het loslaten van abstracte, uniforme en individualistische ‘mensenrechtenmallen’ die de lokale identiteit verschralen en menselijke vrijheid minimaliseren. Het boek stimuleert hopelijk ook tot een bezinning op het thema identiteit en gemeenschap vanuit christelijk perspectief. Dan wordt ook de diepere bron van het Woord van God aangeboord en komt de Persoon van Jezus Christus ter sprake. In Hem is onze ware identiteit en vrijheid te vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 2022
Zicht | 128 Pagina's