Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VERTEERD IN DE DIENST (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERTEERD IN DE DIENST (3)

DS. G. BOER

6 minuten leestijd

Op verzoek van de redactie van het blad Woord en Dienst hadden ds. G. Boer en dr. H. Berkhof (1914-1995) in 1956 een gedachtewisseling over de positie van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk. Beiden hadden daarbij de nodige aarzelingen, maar het kwam er toch van. Dat gebeurde in de vorm van een vijftal open brieven die werden gepubliceerd. Berkhof was in die tijd rector van het Seminarium Kerk en Wereld. Later werd hij in Leiden hoogleraar dogmatiek en bijbelse theologie en één van de meest invloedrijke theologen in ons land. In 1952 (een jaar na het aannemen van de nieuwe kerkorde) schreef hij dat de hegemonie in de Hervormde Kerk kwam te liggen bij de middenorthodoxie. Aan haar zou de historische roeping zijn toegevallen het verbindende midden te zijn tussen allerlei groeperingen in de kerk die elkaar (nog) niet verstonden. Het moest nu tot een doorbraak komen. De tijd van wat men noemde de oude schotjesgeest was voorbij. Dat was voor Berkhof en anderen een wenkend perspectief en tegelijk een grote geestelijke verantwoordelijkheid. En dat naar twee kanten. Enerzijds ging het om de vraag wat solidariteit met de wereld betekende: de kerkelijke vormen moesten radicaal worden herzien. Daarbij kon men veel leren van de vrijzinnigen in de Hervormde Kerk. Anderzijds kwam hij op voor de inhoud van de prediking en het geloofsleven en zou men de kritiek van de Gereformeerde Bond in het bijzonder niet kunnen missen.

BELIJDENIS

Berkhof schreef dat veel gereformeerde bonders hem lief waren om hun vroomheid en levensstijl, maar hij had wel de nodige vragen bij hun kerkpolitieke opstelling. Daarover wilde hij graag helderheid. Boer wilde hem die wel geven. Het was voor hem de vraag hoe de kerk er over 25 of 50 jaar uit zou zien. Dat was voor hem een aangelegen punt omdat hij uiterst bezorgd was dat het oorspronkelijk karakter van de kerk steeds minder gereformeerd zou worden. Bovendien waren na het aannemen van genoemde kerkorde de verhoudingen er niet beter op geworden. De afstand tussen de Gereformeerde Bond en de anderen bleef even groot als daarvoor. Boer geeft stem aan het feit dat er tal van onderwerpen op tafel kwamen en voorstellen werden gedaan die schadelijk werden geacht voor de kerk. Van enige helderheid van belijden kwam niets terecht want de waarheid van God bleef goeddeels in de mist. Het ging Boer niet om het absoluut stellen van eigen standpunt, maar wel om de volle ongebroken kracht van het Woord van God. Ook stelde hij met nadruk de noodzaak van het handhaven van de belijdenis in haar kerkelijk gezag. Hij onderstreepte dat de Gereformeerde Bond er naar stond de Hervormde Kerk haar oorspronkelijk karakter te hergeven. Anderen wilden die kerk van gedaante veranderen. Maar die waren daarmee in strijd met dat wat God had gegeven in de Reformatie. Bij alle veranderingen die ook hij waarnam wilde Boer de volle geestelijke bagage van Doornik, Heidelberg en Dordt meenemen. Dat was voor hem geen louter conservatisme. Hij was er diep van overtuigd dat naar zijn inzicht nog onvermoede schatten in de belijdenissen lagen opgesloten. Hij hoopte dan ook dat een volgende generatie weer zou gaan vragen naar de ongekende diepten van het Woord van God én van de belijdenis van de kerk.

MEER OF MINDER

Berkhof heeft een andere benadering. Hij merkt wel op dat voor hem de belijdenissen toetssteen zijn voor de vraag of wij staan in het geloof dat aan de heiligen is overgeleverd, of dat wij er een eigenwillige vroomheid op nahouden. En hij vraagt Boer daar goede nota van te nemen. Maar dat neemt niet weg dat hij wel bezwaren heeft. Hij voelt zich door het verwijt van verwatering dat uit de pen van Boer vloeide niet geraakt. De reden daarvan is dat Berkhof stem geeft aan degenen van wie hij zegt dat ze in plaats van minder, juist meer dan de belijdenissen willen. Dat velen van minder wilden weten had onder meer betrekking op de Dordtse Leerregels. Die zouden wat minder zeker en ‘volledig’ over de verkiezing hebben moeten spreken. De polemiek had de dingen scheef getrokken. Berkhof noemt verschillende filosofen en auteurs die, al hadden ze secundaire betekenis, hem en anderen de ogen hadden geopend voor de Schrift. De klassiek gereformeerde functie van de belijdenis had die functie bij hen niet gehad. De vraag waarop de belijdenis antwoord geeft is: Hoe krijg ik een genadige God? Berkhofs aanvechtingen gaan om de vraag: Is er een God? En hoe is Hij dan? De reactie van Boer luidt dat de vraag: ‘Is er wel een God?’ en het antwoord dat daarop de weg baant tot de vraag: ‘Wie is deze God en hoe kom ik met Hem in het reine?’ Hij merkt op dat waar Berkhof eindigt het pas begint. Wanneer wij gesteld worden in de ontmoeting met de levende God komt onze schuld aan de orde en komen de volle tonen van zonde en genade tot ontplooiing. Wie in dat gericht betrokken werd, weet dat hij daar nooit uit was gekomen, wanneer zich niet een Ander had gemeld, namelijk onze Heere Jezus Christus. Hij zou nooit onze Verlosser kunnen zijn als Hij niet was Gods eigen eniggeboren Zoon: Christus als God en mens.

LEVENSVRAAG

Dat Boer telkens opkomt voor het gezag van de belijdenis was bepaald niet alleen maar om een formele juridische handhaving ervan. Het ging hem om het bewaren van de schat waaruit hijzelf en anderen leefden, zonder daarbij zichzelf te verabsoluteren. En als Berkhof schrijft dat men nu toch ergens anders stond dan de vaderen, pareert Boer dat met de opmerking dat hij zijn uitgangspunt niet neemt in een bepaalde cultuurfase, maar in de verhouding van God en mens. Bij de vele veranderingen waaraan ieder onderworpen is, zijn niet de situatievragen, maar is de levensvraag van doorslaggevend gewicht. Wanneer andere vragen de vraag naar een genadige God verdringen gaat het contact met de levende gemeente verloren. Het gaat hem om de levende geloofskennis van God in het aangezicht van Jezus Christus, in gebondenheid aan het Woord van God. Dat is naar de overtuiging van Boer het enig bederfwerend zout in het verval van de tijd. Wie de levende geloofskennis mist gaat vroeg of laat mee en wordt van de diepste kern van het Evangelie vervreemd. Woorden van grote actualiteit.

Dit artikel werd u aangeboden door: Hersteld Hervormde Kerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 2021

Zicht op de kerk | 32 Pagina's

VERTEERD IN DE DIENST (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 2021

Zicht op de kerk | 32 Pagina's