Het Derde Gebod
Wat betekent de Naam van God voor ons? Wat doet het met ons wanneer we horen hoe de Naam van de Heere Jezus als een vloek misbruikt wordt? Hebben we Gods Naam liefgekregen; en belijden we Zijn Naam in ons dagelijks leven? Al deze vragen rondom Gods Naam raken het derde gebod van Gods wet. Daarin spreekt de HEERE: ‘Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden die Zijn Naam ijdellijk gebruikt’ (Ex. 20:7). In de vragen en antwoorden 159-165 behandelt Calvijn in de Catechismus van Genève dit gebod.
Wij dragen allemaal een bepaalde naam. Die naam hoort bij de unieke persoonlijkheid van elk mens waardoor wij van andere mensen te onderscheiden zijn. Sommige mensen dragen hele mooie namen met rijke Bijbelse betekenissen. Toch zegt de naam die wij dragen in feite niets over wie wij écht zijn. Hoe anders is dat met de HEERE! Zijn Namen in de Bijbel openbaren ons wíe Hij is en hóe Hij is. Juist dáárom neemt Hij het ijdel (zinloos) gebruik van Zijn Naam zo hoog op. Zijn Naam raakt Zijn wezen!
Calvijn betrekt bij de uitleg van dit gebod in eerste instantie vooral het zweren van een eed. Zeker, hij weet van een voluit Bijbels gebruik van een eed. Wanneer deze in bepaalde situaties gebruikt wordt om de waarheid te bevestigen of wederzijdse liefde en eendracht onder de mensen te beschermen. In vraag en antwoord 161 legt Calvijn uit dat we op deze manier de eed met goede reden gebruiken. Maar we misbruiken en onteren Gods heilige Naam wanneer we meineed plegen of onnodig zweren. Dat het plegen van meineed ingaat tegen Gods wil zal voor een ieder, naar ik hoop, duidelijk zijn. Het gaat daarbij immers om het opzettelijk afleggen van een vals getuigenis onder ede. Zo verdraaien we heel bewust de waarheid met een beroep op Gods alwetendheid… Dat is een ernstige zonde tegen Gods gebod. Maar ook het onnodig zweren wordt door Calvijn naar voren gebracht. Wanneer we om het minste of geringste onze woorden kracht bij willen zetten met de formulering ‘ik zweer het je’, is het goed om te bedenken dat dit zonder meer behoort tot het onnodig zweren waar Calvijn over spreekt. Wie beseft dat het afleggen van een eed het aanroepen van de Naam van de alwetende God als onze Getuige van de waarheid is, zal niet lichtvaardig zweren. Tegelijkertijd kan het Bijbelse gebruik van de eed juist ook in onze tijd een vorm van belijdenis van het christelijk geloof zijn. Het raakt mij altijd als ik bij de installatie van de 2e Kamer van de Staten-Generaal hoor hoe Gods Naam beleden wordt door het afleggen van een eed; al besef ik ook dat niet iedereen die de eed aflegt dit met die intentie doet.
Maar toch klinkt Gods heilige en heerlijke Naam dan wel talloze malen als allerhoogste Getuige in het hart van onze Nederlandse samenleving. Terwijl het je anderzijds pijnlijk raken kan wanneer mensen bewust kiezen voor het afleggen van de belofte om juist het noemen van Gods Naam te vermijden. Zo kan de eed in onze postmoderne samenleving een publiek getuigenis van de allerhoogste God zijn.
Nadat Calvijn bij de uitleg van het derde gebod is ingegaan op het misbruik en het goede gebruik van Gods Naam bij het zweren van een eed, maakt hij vervolgens duidelijk dat het derde gebod een veel bredere strekking heeft dan alleen dit terrein. In vraag en antwoord 162 wijst hij erop dat wij door dit gebod in het algemeen vermaand worden om de Naam van God altijd met gepaste vrees en eerbied te gebruiken. Zodat Zijn eer daardoor bevorderd zal worden. Gods Naam is immers heilig omdat God Zélf heilig is. Alléén in dat besef en alléén voor dit doel mogen en moeten wij Gods Naam gebruiken! Wie dat op zich in laat werken ontdekt hoe vaak wij Gods Naam ontheiligen. Misschien zelfs wel het meest in onze ‘allerheiligste verrichtingen’. Hoe vaak gebruik ik Gods Naam gedachteloos in gebeden of gesprekken? Hoe vaak gebruik ik Gods Naam als een soort stopwoord in mijn persoonlijke (en ook ambtelijke) gebeden? Hoe vaak ontbreekt het besef van Zijn heiligheid en het beogen van Zijn eer wanneer ik Zijn Naam uitspreek? Wat een schuld laden we daarmee op ons voor Gods aangezicht.
Het derde gebod laat ons ook horen dat God de zonde van het onteren of ontheiligen van Zijn Naam niet ongestraft zal laten. Integendeel! Hij zal níet onschuldig houden die Zijn Naam ijdel gebruikt. In vraag en antwoord 165 laat Calvijn ons weten waarom dit derde gebod een expliciete bedreiging in zich heeft; terwijl God elders ook in het algemeen uitspreekt dat Hij de overtreders van Zijn wet zal straffen. Juist door deze toevoeging aan het derde gebod wordt duidelijk hoe hoog God de eer van Zijn Naam stelt! We zien dat heel duidelijk terug in de Heilige Schrift. Denk aan de geschiedenis die we lezen in Lev. 24. Daar lastert de zoon van een Israëlitische vrouw heel uitdrukkelijk de Naam van de HEERE (JHWH), de Verbondsgod van Israël. Wanneer dan de HEERE gevraagd wordt wat met hem te doen, geeft Hij Mozes het bevel: ‘En wie den Naam des HEEREN gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem zekerlijk stenigen. Alzo zal de vreemdeling zijn gelijk de inboorling; als hij den NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden’ (Lev. 24:16).
Mede op grond van deze Bijbeltekst leert de Heidelbergse Catechismus ons in vraag en antwoord 100: ‘Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden? Ja gewis; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams; waarom Hij die ook met den dood te straffen bevolen heeft.’ Wie van ons staat níet schuldig aan dit gebod wanneer we bij het licht van Gods Geest zien hoe wijd (Ps. 119:96) ook de eis van dit gebod is?
Wat een wonder dat er Eén op aarde gekomen is Die ook dít gebod volmaakt vervuld heeft: de Heere Jezus Christus! Hij heeft Gods Naam volmaakt verheerlijkt, en die geheiligd. Hij heeft Gods Naam ook geopenbaard aan mensen met de naam zondaar.
In het hogepriesterlijk gebed zegt Hij tot Zijn Vader: ‘Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt’ (Joh. 17:6a). Toch werd Hij als een godslasteraar ter dood veroordeeld toen Hij de Naam van Zijn Vader beleed (Matth. 26:65-66). Maar juist daarom is Hij een machtige, gewillige en volkomen Zaligmaker! Voor zondaren, die schuld belijdend tot Hem vluchten door het geloof. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Ja, óók van zonden tegen het derde gebod. En door Zijn Geest wil Hij al de Zijnen ook leren leven naar dit gebod. Hoewel dat levenslang met vallen en opstaan geleerd wordt. Zijn Naam is de enige Naam, waardoor wij móeten zalig worden (Hand. 4:12). Hebt u Zíjn Naam ook liefgekregen? Dan zingt het in uw ziel: ‘Uw Naam is voor het oprecht gemoed, van al Uw gunstvolk goed’ (Ps. 52:7 berijmd).
De behandelde vragen en antwoorden 159 T/M 165
Het derde gebod
Vraag 159: Nu naar het derde.
Antwoord: Gij zult de Naam van den Heere, uw God, niet ijdel gebruiken.
Vraag 160: Wat is de zin?
Antwoord: Het verbiedt de Naam van God te misbruiken, niet alleen door meineed, maar ook door onnodig zweren.
Vraag 161: Is er dan ook wel een wettig gebruik van de Naam van God bij het zweren?
Antwoord: Jazeker. Wanneer die gebruikt wordt om goede reden. (ex justa causa). Ten eerste, tot bevestiging van de waarheid; vervolgens, wanneer de zaak van zoveel gewicht is, dat zweren gepast is, om de wederzijdse liefde en eendracht onder de mensen te beschermen.
Vraag 162: Maar, heeft het geen breder strekking dan om de eden te verhinderen, waardoor de Naam van God ontwijd wordt, of Zijn eer verminderd wordt?
Antwoord: Door het voorstellen van één soort, vermaant het ons in het algemeen, dat de Naam van God door ons nooit in het midden gebracht moet worden, dan met vrees en eerbied, en tot dat doel, dat Hij eervol uitkomt. Want daar Hij hoogheilig is, moeten wij ons op alle manier wachten, dat het niet schijnt dat wij die verachten, of anderen gelegenheid verschaffen die te verachten.
Vraag 163: Hoe zal dat geschieden?
Antwoord: Als wij over God, en Zijn werken niet anders denken of spreken, dan tot Zijn eer.
Vraag 164: Wat volgt er?
Antwoord: De dreiging, waardoor Hij verklaart dat niet onschuldig zal zijn, die Zijn Naam tot ijdelheid gebruikt heeft.
Vraag 165: Daar Hij elders uitspreekt, dat Hij de overtreders van Zijn Wet zal straffen, wat behelst dit dan nog meer?
Antwoord: Daarmee heeft Hij willen aanwijzen, hoe hoog Hij de eer van Zijn Naam stelt, opdat wij ons daartoe te meer zouden beijveren, wijl wij zien, dat de wraak gereed zal zijn, als iemand die ontheiligt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 2022
Zicht op de kerk | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 2022
Zicht op de kerk | 32 Pagina's