De Tweede Bede
Opgaan, blinken en verzinken…Het is een bekende trits die van toepassing is op al de koninkrijken van deze wereld. Maar níet op het Koninkrijk van God! De drie-enige God Zélf staat in voor de komst van het Koninkrijk van Zijn genade in zondaarsharten. Naar het eeuwig welbehagen van de Vader. Op grond van de kruisdood en opstanding van de Zoon. Door de vernieuwende en bewarende kracht van de Heilige Geest. Hij dóet het; en tegelijkertijd wil Hij er óók om gebeden zijn: ‘Uw Koninkrijk kome!’
‘Uw Koninkrijk kome!’ Het is een voor ons bekend gebed. Maar wát bidden we nu in deze ‘tweede bede’? Johannes Calvijn geeft ons daar Bijbels onderwijs over in vraag en antwoord 268-270 van de Catechismus van Genève. We gaan opnieuw bij Calvijn in de leer in dit vervolgartikel over zijn catechismus. Daarbij wordt uit vraag en antwoord 268 duidelijk dat Calvijn het gebed om de komst van Gods Koninkrijk nadrukkelijk opvat als een verwijzing naar het Koninkrijk van Zijn genáde. Als het gaat om het Koninkrijk van Gods macht ís Zijn Koninkrijk immers al een levende werkelijkheid in het heden. De HEERE regeert in hemel en op aarde, en als de almachtige God leidt Hij álle dingen naar Zijn wil.
Bij de komst van Gods Koninkrijk gaat het om de openbaring van Zijn genade in Christus Jezus door Zijn Geest, in het hart van zondaren. Calvijn ziet de komst van dit Koninkrijk in nauw verband met de volvoering van Gods eeuwig Raadspan. In antwoord op de vraag (268) ‘Wat verstaat gij in de tweede bede onder het Koninkrijk van God?’ volgt immers als antwoord: ‘Het bestaat voornamelijk uit twee delen. Dat Hij de uitverkorenen door Zijn Geest regeert; dat Hij de verworpenen, die weigeren zich aan Hem in gehoorzaamheid over te geven terneerwerpt en ten verderve overgeeft, opdat het zó duidelijk worde dat er niets is wat Zijn kracht kan weerstaan.’
Calvijn verwijst hier rechtstreeks naar Gods eeuwig besluit van verkiezing en verwerping. Waarom?
Omdat juist zó duidelijk wordt dat onderdaan worden van het Koninkrijk van God een wónder is van genade alléén! De HEERE is aan niemand Zijn genade verplicht. Wij staan allen als rechteloze zondaren voor de HEERE, terwijl Hij alle redenen en rechten heeft om ons allen voorbij te gaan met Zijn genade. Maar dat dóet
Hij niet! Wat een oneindig wonder! Dit is echt ‘amazing grace’. Alléén daarom zullen alle uitverkorenen ontwijfelbaar vast en zeker door Zijn Geest levend gemaakt - en door het geloof aan de Heere Jezus Christus verbonden worden; tot rechtvaardiging én heiliging. Alléén daarom zullen Gods kinderen straks voor Gods troon ook samenstemmen in het loflied op Zijn genade. Hoe verschillend de weg ook is die God met de Zijnen gaat, het is áltijd de weg van het wonder die eens eindigt in de verheerlijking van de drie-enige God: ‘Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen! (Ps. 89).
Intussen schrijft Calvijn in dit antwoord ook over de keerzijde van Gods eeuwig besluit tot verkiezing. Daarbij moet het wel onze aandacht hebben hóe hij daarover schrijft. Calvijn maakt duidelijk dat we de verwerping niet los mogen maken van de werkelijkheid van de zondeval en alle gevolgen daarvan. De verworpenen zijn immers degenen ‘die weigeren zich aan Hem in gehoorzaamheid over te geven’. Dat ontneemt zondaren elke vermeende verontschuldiging.
Wie verloren gaat, gaat verloren omdat hij weigert zich in gehoorzaamheid aan God over te geven. Niemand kan zich daarbij ter verontschuldiging beroepen op Gods eeuwig besluit. Zó blijft de Bijbelse waarheid gehandhaafd. Zalig worden is énkel genade van de drie-enige God vanwege Zijn eeuwig welbehagen, terwijl verloren gaan altijd eigen schuld is. Zó volvoert God Zijn eeuwig Raadsplan, dat door niets en niemand tegengestaan kan worden. Hij bouwt Zijn eeuwig Koninkrijk! ‘God gaat zijn ongekende gang, vol donk're majesteit.’
Wanneer we bidden om de komst van Gods Koninkrijk bidden we om de vermeerdering van het getal van de ware gelovigen. Onder het Joodse volk; als de oudste erfgenaam van Gods genadeverbond. Maar ook wereldwijd onder de heidenvolken. We bidden daarmee om de krachtige werking van de Heilige Geest door de Evangelieverkondiging in Gods wereldwijde kerk, door het zendingswerk en in het evangelisatiewerk. Zodat de werken van de duivel verbroken worden en zijn onderdanen worden overwonnen en ingewonnen door Koning Jezus.
Maar als we bidden om de komst van Gods Koninkrijk bidden we evenzeer om de krachtige dóórwerking van de Heilige Geest in het hart van alle gelovigen. Zoals de apostel Paulus bidt voor de gemeente van Efeze: ‘Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte is, En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods' (Ef. 3:18-19). Zó wordt de duisternis van het rijk van de duivel verdreven en breekt het licht van Gods genade en gerechtigheid steeds meer door. Wie deze rijke Bijbelse inhoud van vraag en antwoord 269 vergelijkt met vraag en antwoord 123 van de Heidelbergse Catechismus ontdekt de grote overeenkomsten tussen beide catechismi. Tegelijkertijd stelt dit antwoord ons voor de beproevende vraag: bidden wij zo ook dagelijks om de komst van Gods Koninkrijk? Het is niet minder dan een krachtige aansporing om zó dagelijks te bidden!
Maar Gods Koninkrijk ís toch al gekomen in deze wereld? Is het dan wel nodig om dagelijks daarvoor te bidden? Diezelfde tegenwerping klinkt in feite ook in vraag 270: ‘Gebeuren al deze dingen dan niet dagelijks?’ In zijn antwoord op deze vraag wil Calvijn dat feit zeker niet ontkennen; integendeel. Het Koninkrijk van God is inderdaad op aarde gekomen in de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus. Het wordt sinds de uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren wereldwijd gebouwd in het hart van jongeren en ouderen. Er is dus een eerste begin van het Koninkrijk van God. Maar het is ook nodig dat dit Koninkrijk ‘toeneemt en voortgaat’ en juist daarom is ons dagelijks gebed zo nodig. Hoewel de HEERE Zélf instaat voor de komst van Zijn Koninkrijk wil Hij er tegelijkertijd om gebeden worden door de Zijnen. Zodat ze hopend en verlangend uitzien naar het moment dat Zijn Koninkrijk voltooid zal zijn. Dat perspectief ontbreekt ook niet in dit gedeelte van de Catechismus van Genève. Aan het slot van antwoord 270 wijst Calvijn immers naar de jongste dag van de wereldgeschiedenis, de dag van de wederkomst van Christus. Dán zullen allen verschijnen voor de rechterstoel van Gods Zoon (of, met de woorden van Calvijn: alle schepselen zullen dan tot de orde geroepen zijn). Ja, dán zal Gods Koninkrijk voltooid zijn. Dán heeft Christus allen, die Hij van eeuwigheid uit de hand van Zijn Vader ontvangen heeft en voor wie Hij Zijn bloed gestort heeft op Golgotha, door de kracht van Zijn Geest en Woord tot Hem getrokken in geloof en bekering. Ja, dán wordt ook dat andere woord van de apostel Paulus eeuwige, zalige werkelijkheid: ‘En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen’ (1 Kor. 15:28). Zult u er dan óók bij zijn? Kom, buig nú voor Koning Jezus!
De Behandelde Vragen En Antwoorden 268-270
De tweede bede
Vraag 268: Wat verstaat gij in de tweede bede onder het Koninkrijk van God?
Antwoord: Het bestaat voornamelijk in twee delen. Dat Hij de uitverkorenen door Zijn Geest regeert; dat Hij de verworpenen, die weigeren zich aan Hem in gehoorzaamheid over te geven terneerwerpt en ten verderve overgeeft, opdat het zó duidelijk worde dat er niets is wat Zijn kracht kan weerstaan.
Vraag 269: Hoe bidt gij dat dit Rijk moge komen?
Antwoord: Dat de Heere het getal der gelovigen dagelijks vermeerdere, dat Hij ze gedurig overstelpe met de gaven van Zijn Geest, totdat Hij ze geheel gevuld heeft. Daarbij, dat Hij Zijn waarheid tot verdrijving van de duisternissen van Satan meer en meer helder en klaar aan den dag doe 36 treden, opdat Hij door het openbaar maken van Zijn gerechtigheid, alle ongerechtigheid teniet doe.
Vraag 270: Gebeuren al deze dingen dan niet dagelijks? 1 Cor. 15:28.
Antwoord: Zij gebeuren op zulk een wijze, dat gezegd kan worden dat het Rijk van God begonnen is. Wij bidden dus, dat het voortdurend toeneemt en voortgaat, totdat het tot de hoogste top gekomen is, hetgeen wij hopen dat eindelijk op de laatste dag zal geschieden, waarop God alleen, nadat alle schepselen tot de orde geroepen zullen zijn, verhoogd zal worden en uitblinken zal, en zó alles in allen zal zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 2023
Zicht op de kerk | 32 Pagina's