+ Meer informatie

GOD IN DE (POST-)MODERNE LITERATUUR

16 minuten leestijd

Onder de hierboven geplaatste titel vroeg de redactie mij een artikel te schrijven voor dit blad. Eerlijk gezegd schrok die titel me wat af. Waarom eigenlijk? Wel, wie zal kunnen zeggen dat hij God ‘aangewezen’ heeft, nog afgezien van de vraag wat ‘literatuur’ is? Wèlke God, en, in wèlke literatuur? Twee woorden, twee begrippen waarover eindeloos nagedacht wordt, waarmee ook zonder gêne gesold wordt. Noem me twee zaken waaraan, van links tot rechts, van elitair tot vulgair, zoveel uiteenlopende invullingen worden gegeven!

En juist dat toont tegelijkertijd aan dat we met een werkelijkheidsprobleem te maken hebben: de vraag naar God—of god(!)—in onze moderne cultuur. Want literatuur is vooral ook een representatie, een uitdrukking—zij het een bijzondere—van de cultuur van een samenleving. We kunnen er het denken en voelen van getalenteerde mensen in ontdekken, die deel uitmaken van een gemeenschap, een volk, waartoe ook wij behoren. Is er in dat moderne denken en voelen van deze schrijvers (nog) plaats voor God, anders dan als krachtterm? En zo ja, wat zegt hun die God als zij hun verhaal schrijven waarin mensen in tal van relaties worden getekend, waarin hoop en wanhoop spelen, het heden al of niet wordt aangeklaagd, een toekomst nauwelijks aanwezig is of ontkend wordt en de vraag naar de zin van alle dingen plaats maakt voor de ingewikkeldheid van het leven-hier-en-nu, dan wel ironisch of zelfs cynisch wordt beantwoord? Kortom, er is meer dan één reden die maakt dat het voor ieder die met open ogen in z’n tijd staat, van belang is kennis te nemen van de literatuur.

Ik noem er twee:

1e de spiegelfunctie die moderne literatuur heeft: of we het resultaat van die spiegeling waarderen is een andere zaak; feit is dat er op indringende wijze weergave van onze werkelijkheid in plaatsvindt;

2e literatuur als kunst heeft het vermogen ons ‘aan te raken’, te confronteren, wakker te schudden. Anders gezegd: ze mobiliseert onze beweegredenen, daagt ons uit ons rekenschap te geven van onze diepste overtuigingen ònze ‘Sitz im Leben’.

Na 25 jaar

Ooit schreef ik voor ditzelfde blad een artikel onder de titel ‘Leest onze wijkouderling Wolkers?’ Voor een verdere onderbouwing van het belang voor kerkelijke ambtsdragers om kennis te nemen van de eigentijdse literatuur verwijs ik kortheidshalve naar dit artikel (Ambt.Cont. nr.6 juni 1976). Intussen zijn we meer dan twintig jaar verder en dat roept de vraag op of er sindsdien veel veranderd is. Volgens sommigen ‘mag’ God weer een plaats hebben in de cultuuruitingen van onze tijd. Is dat het geval?

En kunnen we ons als christenen daarin herkennen? In wat volgt zal ik proberen antwoorden te geven op die vragen. Daarbij is enig voorbehoud noodzakelijk. Dat heeft te maken met de beperkingen waaraan ook dit artikel gebonden is, maar ook met het volgende:

- Slechts moderne Nederlandse literatuur is in mijn leeswerk betrokken;

- de ontwikkelingen in de Europese en wereldliteratuur blijven buiten mijn verhaal;

- ook zó moest ik uiteraard wel selectief te werk gaan gezien de omvang van de literaire productie in ons land;

- ik heb gekeken naar literair werk, zowel proza als poëzie van de laatste twintig jaar met accent op het meest eigentijdse.

Tenslotte nog dit:

ter wille van de leesbaarheid èn omdat dit artikel de neerslag is van een ‘leesronde’, maar geen wetenschappelijke pretentie heeft, heb ik afgezien van voetnoten en litera-tuurverwijzigingen. Spijtiger is, dat er weinig ruimte is om met een ruime keus uit proza- en poëzieteksten het beoogde te illustreren.

Mijn God / mijn god

Vijfjaar geleden was ‘Mijn God’ het thema van de nationale boekenweek. Het traditionele geschenk voor de Nederlandse lezer was de novelle van Renate Dorrestein ‘Want dit is mijn lichaam’: schokkender titel leek nauwelijks denkbaar voor de christelijke lezer die ontdekt dat het boekje als thematiek niet het sacrament van het Heilig Avondmaal heeft, maar de zeer eigentijdse lichaamscultuur: het onontkoombare verval van het ‘mooie lichaam’!

Religieuze motieven komen in deze novelle zeker voor, maar het ‘luchtig cynisme’ geeft die een speciale toonzetting. Eén voorbeeld. Als Dorrestein sommige commentatoren in de mond legt dat de toestand van de wereld alarmerend geworden is, schrijft ze: “zo alarmerend, dat de vraag of er een God bestond steeds nijpender werd. Anders was de mens immers verantwoordelijk voor dit debacle.” En daarmee zitten we midden in het postmoderne levensgevoel.

Ik geef dat maar als volgt weer: fundamentele scepsis, levensbeschouwelijke heterogeniteit, erkende pluraliteit en het einde van ‘de grote verhalen’. Geen geldige ‘denksystemen’ meer, geen gemeenschappelijke Waarheid, ieder z’n eigen kleine leven, z’n eigen kleine waarheid. Een schrijnend voorbeeld van dit levensbesef levert het onderstaand gedichtje van de dichter Anton Korteweg, ooit gereformeerd geboren en getogen:

Geen beter leven
Dat nachtenlang getob
over honger, neutronenbom,
schrijvers en ander volk
achter tralies waar het niet hoort -
niets leverde het op.

Dus besloten, na rijp beraad
en op grond van een overdaad
aan ervaring met al dat leed,
slechts vragen te stellen waarop
mijn bevestigend antwoord tot
verlichting van eigen lot
in hoge mate bijdraagt.

Staat ‘t eten klaar? Is zij bereid?
zo ja, heerse tevredenheid.

Let in dit gedicht op,—wat ik nu maar noem,—de aangevreten humor van de man die vergane illusies transformeert naar de platte ‘pijnstillers’ van eten, drinken en het bed; meer niet. Tussen haakjes: van hoevele Nederlanders/medelanders is hiermee een portret getekend? Merk ook op, dat in dit gedicht geen ‘ik’ voorkomt; veelzeggend nietwaar? Er is, helaas (te) veel romanliteratuur waarin dit postmoderne levensgevoel gestalte krijgt. Waarbij de zinloosheid van de dingen, ja van het hele bestaan, op een ironische en luchtige toon onder woorden wordt gebracht, wordt ‘afgedaan’.

Auteurs als Arnon Grunberg, Léon de Winter, Joost Zwagerman maken van deze nood hun ‘deugd’: romans vol van het platte vlak. Hier is het bestaan twee-dimensionaal geworden. Voor God is daarin geen plaats, of een toevallige, onbetekenende.

Er zijn andere auteurs waar de problematiek van de ‘versnipperde’ werkelijkheid en de menselijke eenzaamheid literair gezien op een hoger niveau wordt getild. Ik denk aan Anna Enquist, Harry Mulisch, Milo Anstadt, Jeroen Brouwer, Dirk A. Kooiman, Koos van Zomeren en, ja ook Gerrit Komrij. Vraag is: komt God er bij hen ‘beter’ af?

Antwoord: fundamenteel niet, maar, hoe verschillend ook, zij confronteren ons wel op een integere en/of indringende manier met de vraag wáár de mens de zin van zijn en andermans bestaan in vindt. En in de zoektocht naar die zin passeren vervolgens voor ieder mens herkenbare vragen, moeizame ontmoetingen en existentiële twijfels. Voor zover in die romans de auteurs hun hoofdpersonen serieus naar antwoorden op die zinvragen op zoek sturen, lijkt—en dat is in zekere zin nieuw—religie wel (weer) een station te zijn dat men aandoet. Maar het is dan ook weer Gerrit Komrij—uitgeroepen N.B. tot ‘Dichter des Vaderlands’-die in een interview zegt:‘Godsdienst heeft pas zin als je in onsterfelijkheid gelooft. Dat perspectief is aan mij niet besteed. Ik geloof heiligt!) in de crepeerwaardigheid van de mens. Als een kreng of als een rat zullen we aan ons einde komen. Mijn fascinatie voor religie is beperkt tot het systeem van bedrog en oplichterij, zeg maar de harde kern van de godsdienst.’ (sic!) En Anna Enquist—auteur van het boekenweekgeschenk 2002 ‘De IJsdragers’- gaf eerder als haar mening in een vraaggesprek: “God bestaat niet. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat een notie als ‘God’ een projectie van mensen is…” en “…we willen graag dat het leven zin heeft, maar wetenschappelijk is er geen enkele zin in te ontdekken.”

Geen God of maatschappij,
die mijn bestaan betrekt
in een bezield verband.
(H. Marsman)

De hemel ontdekt?

Dat er breed in onze samenleving een hang ontstaan is naar het ‘wonderbaarlijke’, het irrationele, het mystieke en spirituele kan ieder waarnemen. Het is niet toevallig dat het boek van Harry Mulisch ‘De ontdekking van de hemel’ uit begin negentiger jaren, nù als speelfilm z’n tienduizenden verslaat. Dat succes lijkt nog te worden overtroffen door de verfilming van de Harry Potter-boeken en van het meesterwerk van Tolkien ‘The lord of te rings’. Hoe verschillend ook, met het succes van deze producties treedt ontegenzeglijk óók een opmerkelijk gevolg van onze postmoderne samenleving aan de dag: de behoefte aan, misschien zelfs schreeuw òm, een wereld waarin moraliteit weer houvast biedt. Als dat een wereld zonder God moet zijn, dan zij dat zo; maar laat het er in ieder geval één zijn waarin goed en kwaad weer helder te onderscheiden zijn, niet de grijsheid en kleurloosheid waarin alle idealen, normen en waarden zijn ten onder gegaan. (Wie herkent hier niet de bijna massale onvrede, die vandaag politiek gemobiliseerd wordt door een charismatische figuur die niet ‘zo maar’ werd aangeduid als ‘de rattenvanger van Hamelen’?)Het is, om onze tijd te verstaan en de vragen en moeiten van mens en samenleving te onderkennen, naar mijn mening van groter belang het werk van goede auteurs serieus te nemen dan de krantenkoppen te snellen, laat staan de waan-van-de-dag-praat van vele politici ter harte te nemen. Uit heel wat goede literatuur uit de jaren ‘80 en ‘90 waren de maatschappelijke, ethische signalen van nu al volop waar te nemen. Ik denk aan het befaamde boek van Cees Nooteboom ‘Rituelen’, reeds in 1980 verschenen, vele malen herdrukt en in acht talen(!) vertaald. De wijze waarop Nooteboom z’n hoofdpersoon Inni Wintrop -‘handelaar in alles waar geld in zit’- door het leven laat zwalken spreekt postmoderne boekdelen. Alleen al de eerste zin van het boek is van een onthutsende confrontatie: ‘Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde, stonden de aandelen Philips 149.60’. En ‘en passant’ in een beschrijving van het interieur van een huis : ‘…de meubels waren glanzend en wit, van een calvinistische, haatdragende moderniteit.’ Onthullender is het antwoord dat Inni krijgt van de geïsoleerde mensenhater Arnold Taads: ‘God klinkt als een antwoord, dat is het verderfelijkste aan dat woord: het is zo vaak als antwoord gebruikt.’ De hoofdpersoon laat overigens heel wat antwoorden uit diverse religies op zich afkomen, maar constateert dat het alles ‘één pot nat’ is; nergens voelt hij zich thuis. Intussen spelen ervaringen met religieuze ceremoniën een belangrijke rol in zijn bewustwordingsproces: ‘zij (de priesters) waren dan toch maar met geheimzinnige, antieke rituelen bezig… Ook in dit boek speelt het offerbloed van Christus een confronterende rol, maar anders, existentiëler dan bij Dorrestein. Uiteindelijk wordt Wintrop beheerst door ‘duistere voorgevoelens, en een peilloze angst om iets, wat dan ook, al was het maar door een teken of een ceremonie, aan zijn leven te veranderen’. Dus gaat hij cynisch en met zelfspot, toch levensgenietend verder.

Nog een voorbeeld van postmoderne ontreddering en de vraag naar God. Koos van Zomeren kwam in 1996 met zijn boek ‘Meisje in het veen’: de hoofdpersoon—een vereenzaamde bioloog, bezet met schuldgevoelens o.m. wegens de aanstaande scheiding van zijn vrouw—vindt op een dag het vermoorde lichaam van een jong meisje. Hij is geobsedeerd door de vraag naar de zin, de bedoeling van deze afschuwelijke gebeurtenis. Daarover in gesprek met zijn broer Ulco, antwoordt deze: …daar moet je voor uitkijken, jongen, iets wat een bedoeling heeft, want dan is er ook een bedoelende kracht werkzaam en wie of wat zou dat dan wel moeten zijn? God soms?” De hoofdpersoon: “Ik zou het helemaal niet erg vinden om in God te geloven.” Ulco: “Wij vinden het flauwekul om in God te geloven.” De hoofdpersoon: “Misschien zouden we het ook flauwekul moeten vinden om niet in God te geloven.” En dan ‘De ontdekking van de hemel’. Komt Mulisch wel bij God uit? Ja en nee. Het boek is bloedserieus en diepzinnig. In feite behandelt het een ‘mission’: in de hemel is besloten dat de stenen tafelen (de Wet van Mozes) waarmee God zich met Israël en de mensheid verbonden had, van de aarde moeten worden weggenomen, omdat de mens een contract met de duivel is aangegaan. Dat gebeurt en daarmee heeft de hemel het verbond met de aarde verbroken. De persoon die dat uitvoert is Quinten Quist: hij ònt-bindt de geboden. Deze Quinten is ten diepste een tegenhanger van zowel Mozes (de wetgever) als Jezus Christus (de wetvervuller). Hij is een anti-Christus. Het gaat Mulisch niet om God, maar om een toekomstbeeld van de technologische mens! Daartoe gebruikt hij veel bijbelse noties. Echter Mulisch’ bijbel levert hem een Apocalypse, maar geen Evangelie! Hij confronteert ons wèl met een wereld die voortsnelt naar wat voor einde? En die wereld is zeker ònze westerse wereld. Om over na te denken…

het enige wat ik weet is:
er stilletjes tegenin gaan
en hopen dat de Messias komt.
(Guillaume van der Graft)

Zijn er nog ‘lichtwachters’?

Als schrijvers geen waarden of on-waarden mee te delen hebben, vertegenwoordigen ze geen inhoud en betekenen ze niets, schrijft Hans Werkman ergens. De vraag is aan de orde of onze postmoderne tijd nog literaire cultuurdragers heeft overgelaten, die het leven méér dan twee-dimensionaal belichten. En, wat méér is, die de werkelijkheid dóór-lichten tot op God. Het antwoord kan, gelukkig, ‘ja’ zijn. Tenminste, als we bereid zijn in onze zo vérgaand geseculariseerde samenleving elke literaire productie die de vraag naar God serieus neemt, positief te beoordelen. Verwacht niet dat al die auteurs die ik daarbij op het oog heb, ‘antwoorden’ geven die in alles overeenkomen met de inhoud van Schrift en belijdenis. Wie dat verlangt heeft de diepte van de crisis waarin onze westerse cultuur zich bevindt, wellicht niet goed begrepen. Het schrijver/dichter-duo Vonne van der Meer en Jan Willem Otten heeft zich bekeerd tot het christelijk geloof. U zult ze niet tegenkomen in de chr. geref. kerkdienst, maar toch! Er is moed voor nodig om in onze tijd, in de wereld van kunst en wetenschap te belijden dat er méér is dan economie, vrije markt en informatietechnologie. We dienen als christenen m.i. blij te zijn met al die stemmen die uitdrukking willen geven aan verzet tegen de postmoderne culturele ‘smog’ die ons in dodelijke watten legt. En zulke schrijvers waren er, en zijn er gelukkig. Ik schrijf ‘waren’, omdat ik de namen wil noemen van o.m. B. Nijenhuis, van Van Randwijk, van Van der Stoep en C. Rijnsdorp. Voor een deel wordt hun werk herdrukt en dat zegt iets! En voor het heden moeten o.a. namen genoemd als die van Meint van den Berg, van Mance ter Andere en Pieter Nouwen.

Zij willen hun verhaal schrijven met erkenning van het Grote Verhaal: Gods openbaring. Dat ze daarbij de ‘rauwe werkelijkheid’ niet negeren maar serieus nemen, wordt hun door de gemiddelde christelijke lezer niet altijd in dank afgenomen. Ten onrechte! Het Licht, zegt Johannes, schijnt immers in onze duisternis. Die duisternis ontkennen is zelfbedrog en doet aan de bedoeling van het Evangelie geen recht. Geen enkele, waarachtige kunstenaar wenst zich trouwens te identificeren met de wereld van de Boeketreeks.

Pieter Nouwen, auteur van ‘De Lichtwachter’ en van de ontdekkende roman ‘Het negende uur’zegt in een interview: “Het is al langere tijd in de mode God te verwijten dat de wereld niet deugt, maar naar jezelf kijken, ho maar.” Vergelijk dat eens met het hiervoor aangehaalde citaat van Dorrestein! Een roman als ‘Het negende uur” zou geen ambtsdrager ongelezen moeten laten: een boek van een schrijver die van zichzelf zegt: ‘Ik heb twintig jaar geprobeerd atheïst te zijn, en zelfs anti-godsdienstig’. Wie ‘De rand van het heelal’ van Mance ter Andere leest kan alleen al in pastoraal opzicht heel veel leren over de moeite van het aanvaarden en verwerken van ziekte en dood. Maar de (Afrikaanse) christen-auteur Louis Krüger zag zijn roman ‘Wederkomst’ afgewezen als actieboek door het Christelijk Lektuur Contact. Het zou te somber zijn. Willen we als christenen dan toch alleen maar ‘zoete koek’? Want laten we deze auteurs toch niet overvragen. Zij maken net zo goed als wij deel uit van die twee-dimensionale cultuur waarin wij thans leven. Zij en wij hebben daarmee ook deel aan een werkelijkheid die alleen nog maar ‘kleine waarheden’ lijkt te kennen. De worsteling daarmee doorbreekt oppervlakkigheid en schept ruimte voor de weg naar ‘Boven’. En de dichters dan? Het is helaas een ervaringsgegeven dat poëzie (‘het gedicht’) bij de gemiddelde lezer moeilijker scoort dan proza. En dat is meer dan jammer. Want ‘dichters liegen de waarheid, zei Bertus Aafjes ooit. Nergens worden waarheid en werkelijkheid zó pregnant en geconcentreerd onder woorden gebracht als in een goed gedicht. Wie werkelijk het ‘moderne levensgevoel’ ontdekken wil, moet hedendaagse poëzie lezen. Hiervóór nam ik al een veelzeggend gedicht van Anton Korteweg op. Maar er zijn ook heel wat christen-dichters, die méér dan alleen maar pastorale poëzie à la Nel Benschop schrijven. Ik noem Harmen Wind, Jaap Zijlstra, Henk Knol, Lenze Bouwers, Hilbrand Rozema, Anton Ent en C.O. Jellema. En er zijn er meer te noemen. Men neme slechts kennis van het christelijk literair tijdschrift ‘Liter’ om te weten te komen wat er hier leeft. Houdt u van de Psalmen? Wel, neem dan ook eens kennis van de ‘psalmen’ van Leo Vroman en van psalmbewerkingen van Lloyd Haft! Schokkend? Jazeker, maar buitengewoon òntdekkend. Tenslotte nog dit: het is voor kerk en christenheid zelfs levensgevaarlijk om stemmen dood te zwijgen van dichters als Schulte Nordholt, Ad den Besten, Jan Wit, Klaas Heeroma en Guillaume van der Graft. Mensen die onze stem en ons hart hebben willen brengen bij ‘een nieuw lied’ (zie: het ‘Liedboek voor de kerken’) Daarvoor hebben zij hun nek uitgestoken, wetend dat ze door het literaire wereldje met de nek zouden worden aangekeken om hun keuze voor psalmberijming en geestelijk lied. Maar zij ‘hielden de lofzang gaande’ en dankzij hen ook wij. Daar vinden we God in de ‘literatuur’ (de liturgie) van de gemeente.

Ik schrijf dit artikel in de tijd van ‘Passie en Pasen’. Daarom wil ik eindigen met een gedicht van Jaap Zijlstra: ‘Stille week’ En merk op hoe hier op christelijke wijze, biolo-gisch-vitaal levensbesef en geestelijk be-leven met elkaar op zéér beeldende wijze in spanning worden gebracht.

Stille week
Het voorjaar komt. De knoppen breken
en bloesems geven taal en teken.

De vogels zingen. God wat is dit mooi.
Ook ik wil zingen in mijn alledaagse kooi.

Maar kan niet. Deze dagen staat
tussen de takken uw bebloed gelaat.

De bomen lopen wonderbaarlijk uit
rond uw verminkte, naakte huid.

Spijkers die hand en hout doorboren,
de aarde bloeit als nooit tevoren.

Ik hunker naar wat gaande is,
naar opbloei, naar verrijzenis.

Maar kan het voorjaar nog niet aan,
eerst moet de Heer zijn opgestaan.

Drs. Joh. Vuijk was tot juni 2000 lid van het college van bestuur van de Chr. Hogeschool Ede. Hij is lid van de gemeente van Arnhem; kerkelijk is hij betrokken bij het vormingswerk in onze kerken: hij is docent bij de jaarlijkse vormingscursus en is lid van het comité dat ons blad uitgeeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.