+ Meer informatie

Belangrijk dat twijfels en vragen bespreekbaar zijn

15 minuten leestijd

De één heeft het christelijk geloof achter zich gelaten, de ander is predikant geworden. In gesprek met de 37-jarige tweeling Sander (op foto links) en Mark Bot: “Er moet binnen de opvoeding ruimte zijn voor de vraag of het christelijke geloof wel waar is.”

Wie is Sander? “Ik woon in Groningen, samen met mijn vriendin Janne. Na de lerarenopleiding economie ben ik een tijdje leraar economie geweest. Vervolgens ben ik biologie gaan studeren in Groningen. Daar ben ik nu ondernemer. Ik exploiteer een webshop voor biologen en verkoop allerlei veldwerkmateriaal, boeken en optische instrumenten voor biologen.”

Broer Mark woont in Maassluis en is getrouwd met Elsbeth. “Samen hebben we twee dochtertjes van 3 en 5 jaar. Na de HAVO heb ik eerst commerciële economie gestudeerd aan de HEAO in Rotterdam. Vervolgens heb ik de overstap gemaakt naar de Theologische Universiteit in Apeldoorn. Na afloop van de theologiestudie heb ik admissie-examen gedaan. Inmiddels mag ik 4 jaar de Christelijke Gereformeerde Kerk van Maassluis dienen. Dat is dezelfde gemeente als waar ik tijdens mijn studietijd pastoraal werker was. Ik woon in Maassluis in een heel seculiere straat. Mensen weten er niets meer van het geloof. Wat een dominee is, begrijpen ze nog wel. Maar echt niet wat een theoloog is. Men vraagt zich af: mag je dan wel trouwen?”

Zowel Marks als Sanders huidige woonomgeving vormen een groot contrast met die van hun jeugd. De broers groeiden op in Sliedrecht. Daar was op zondag de hele hoofdstraat gevuld met kerkgangers, waaronder de familie Bot. De tweeling is de oudste van het gezin. Na Sander en Mark zijn er nog twee jongens en een meisje gevolgd. “Onze ouders waren dol op ons”, zo kijken de beide broers met dankbaarheid terug op hun jongensjaren. “We hebben een onbezorgde jeugd gehad. Moeder had geen baan buitenshuis, dus er was ook altijd iemand thuis. Daarnaast hadden we onze vrienden van school. Er leek geen vuiltje aan de lucht.”

Kerkelijk was het gezin aangesloten bij de grote Bethel-gemeente. Dat was geen vanzelfsprekende keuze: vader Bot had in zijn jeugd weinig kerkelijke vrienden gehad, omdat hij weinig ophad met de wettische sfeer die er in zijn ogen in de kerk heerste. Moeder Bot was in een buitenkerkelijk gezin opgegroeid. “Onze ouders waren dan ook behoorlijk modern. Zo hadden we bijvoorbeeld televisie in huis”. Dat het gezin dan toch in de behoudende Bethel-gemeente kerkte, kwam voornamelijk omdat ook de ouders van vader Bot daar kerkten.

Het gezin van Sander en Mark was actief betrokken op het wel en wee van de gemeente: de kinderen bezochten de zondagsschool en de jeugdvereniging. De beide broers: “Het was kerkelijk zogezegd ‘full package’: onze ouders gingen er helemaal voor.”

Hoe functioneerde het geloof in jullie gezin?

Mark: Onze ouders geloofden echt. Je kon ook open over geloofszaken praten. Maar het was wel moeilijk om er in persoonlijke zin over te spreken. Dat hoort ook wel bij de oudere generatie. Aan tafel werd er hardop gebeden, maar werden er wel formuliergebeden gebruikt. Op een gegeven moment gingen wij daarover vragen stellen: waarom geen ‘vrij’ gebed? Dat leek mijn vader een goed idee, maar dat had hij vanuit zijn jeugd niet meegekregen.

Sander: Het geloof was vanzelfsprekend. Dat bedoel ik in positieve zin. In mijn jeugd was het dan ook eigenlijk geen optie om niet te geloven, omdat het geloof zo alomtegenwoordig was. Ik heb daardoor ook niet echt diep nagedacht over de vraag: wat vind ik er nou eigenlijk zelf van?

Merkten jullie bij je ouders persoonlijk geloof?

Mark: Het geloof was voor hen inderdaad geen stoffige theorie, maar een inhoudelijke zaak. Hun hele leven was ervan doortrokken. Ze zouden geen kerkdienst overslaan, puur omdat ze het zo belangrijk vonden. Verder hadden we ook discussies met onze ouders over gospelmuziek, of over de EO-jongerendag. Wij kregen wel toestemming om het te luisteren of ernaar toe te gaan, maar onze ouders wilden er wel met ons over doorspreken. Daarbij kwamen dan zaken als de heiligheid van God aan de orde.

Sander: Die reactie van onze ouders begreep ik wel. Je wist ook niet beter. Dat een EO-jongerendag discussie opriep, konden we best begrijpen. Bovendien beletten onze ouders ons niet om er naar toe te gaan. Bij een groot aantal van onze vrienden was dat wel het geval. Maar onze ouders waren zelden of nooit ‘top-down’, zo van: nee, dat mag je niet, punt uit. Wij hebben dat als positief ervaren.

Hoe kwam het dat jullie gezin ging kerken in de Eben-Haëzer-gemeente in Sliedrecht, toen jullie 18 jaar waren?

Sander: In de Bethel was altijd alles hetzelfde. Men zong op hele noten, de kerkenraad kwam aan het begin van de dienst helemaal in het zwart gekleed achter elkaar aan de kerk ingelopen en iedere kerkganger had z’n vaste plekje in de kerk. Er was ook geen enkele vorm van interactie. Soms was er een preekbespreking na de dienst met de jeugdvereniging. Vaak hadden we dan vooral gesprekken over wat je wel en niet mocht doen op zondag. Dat we als gezin de overstap naar de Eben-Haëzer-gemeente maakten, was een beetje mijn schuld. Ik ging steeds vaker naar de Nederlands Hervormde Kerk. Ik wilde ook wel voorgoed daarnaar toe. Ik had er vrienden en de diensten spraken me meer aan. Het ging er vrijer aan toe en er was meer ruimte voor gesprek. Zodoende voelde ik me er veel meer thuis. Men sprak op de jeugdvereniging meer over wat je zelf ervoer en voelde, in plaats van te discussiëren over de vraag waarom een boer wél en een conducteur niet mag werken op zondag. Op de hervormde jeugdvereniging kon je de vraag krijgen: Sander, wat voel jij hierbij?

Mark: Onze ouders merkten dat de kerkgang steeds meer conflict ging opleveren.

Sander: Ik dreef het ook wel een beetje op de spits. Op zeker moment zei ik dat ik naar de Nederlands Hervormde Kerk wilde overgaan. Toen kwamen mijn ouders met de Eben-Haëzer-gemeente als alternatief. Die overstap maakten ze daarbij ook wel om persoonlijke redenen, want ook zij liepen tegen allerlei dingen aan. Maar wij waren mogelijk wel de aanleiding om de overstap te maken.

Hoe hebben jullie de kerkelijke overstap ervaren?

Mark: Ik ervoer de nieuwe gemeente als veel ruimer. Daarom was het voor mij een grote positieve overgang. De jongeren waren er moderner. Daar waren ook vrienden die thuis meer mochten. Daarbij was het een kleinere kerk, waardoor het gezelliger aanvoelde dan zo’n hele grote Bethelkerk. Al met al heb ik de overgang wel als een hele grote stap ervaren.

Sander: Na de overstap ging ik niet meer naar de Nederlands Hervormde kerk, hoewel dat wel lastig was, omdat vrienden daar nog wel zaten. Ik heb het best naar mijn zin gehad in de Eben-Haëzer-kerk. Voor mij heeft die periode echter maar anderhalf jaar geduurd. Toen was ik weg.

Vast patroon

Achteraf gezien hebben het grote en massale karakter van de Bethelkerk in combinatie met het vaste patroon van het verloop van de kerkdienst de beide broers geen gevoel van geborgenheid gegeven. Destijds hebben ze dat echter niet zo pleet uitgepraat. Achteraf kan ik aangeven dat het een verklaarbaar proces was hoe het allemaal gegaan is. Maar het was beter geweest als ik dat eerder had gecommuniceerd naar mijn ouders.

Mark: Ik heb het meest op de JV over mijn vragen gesproken. Verder is het vooral een persoonlijk-geestelijke strijd geweest. Ik heb daar zelf uit moeten komen. De theologiestudie heeft me daarbij geweldig geholpen. Ik ging naar een open avond van de TUA. Ik viel als een blok voor de hoogleraren die in 10 minuten iets over hun vakgebied vertelden en waarin ik mijn vragen terug hoorde. Ik was helemaal verkocht. Het was een vrijplaats om te mogen denken. Thuis was daar minder gelegenheid voor.

Sander: Ik zat met allerlei vragen. Na het HBO ben ik vier maanden in Australië geweest. Daar heb ik een bijzondere ervaring doorgemaakt. Je komt aan in Australië en in het begin is alles fantastisch en nieuw. Na een paar weken kwam echter de klap, want op een gegeven moment ben je aan al het moois gewend en sta je er alleen voor. Toen voelde ik me heel slecht en schreef ik op een avond kantjes vol in mijn dagboek.

De avond dat ik het opschreef, had ik eigenlijk niet door wat ik opgeschreven had: dat ik niet meer in God geloofde. De volgende ochtend heb ik uitgebreid nagelezen wat ik had opgeschreven had. Daar schrok ik enorm van. Ik had opgeschreven wat ik al jaren had gedacht. Maar ik had dat steeds diep in mijn binnenste weggestopt. Nu klopte alles. Ineens zag ik het. In mijn onderbewuste speelde dit al jarenlang. Onbewust wist ik namelijk dat dit in mijn omgeving problemen zou gaan opleveren. Maar in m’n eentje in Australië kwam er eindelijk ruimte. Alles kwam eruit. Het speelde al jaren, zonder dat ik het door had gehad.

De jaren ervoor hadden we op de JV wel eens een rollenspel gedaan. Ik was dan de ongelovige. Dat ging mij zo goed af, dat ik daarvan schrok. Ook anderen schrokken ervan. Maar het zat er dus gewoon al. In Australië vielen alle puzzelstukjes op hun plaats. Enerzijds viel er een last van me af. Anderzijds ook weer niet. Het was heel heftig. Want ik wilde echt niet van mijn geloof af.

In Australië kwam ik christelijke mensen tegen. Ik heb geprobeerd terug te komen bij het christelijke geloof, maar het viel erg tegen. Ze hadden geen antwoord op de vragen waarmee ik rondliep. Dat was teleurstellend. Maar het bevestigde me er ook in dat het christelijke geloof echt niet waar is.

De eerste zondagen dat ik niet meer naar de kerk ging, had ik een gevoel van opluchting. Als ik op mijn fiets zat en ging doen wat ik anders op zaterdag of maandag deed, viel er echt iets van me af. Omdat je als christen altijd zo’n zware last moet meedragen. Vanwege de grote vragen die je altijd verplicht met je meedraagt: hoe kan God dit of dat toestaan? Nu hoef ik niet meer alle grote levensvragen mee te nemen. Ik denk nog steeds heel existentieel over het leven. Het is niet zo dat ik de gemakkelijke weg kies, maar ik hoef het niet meer te relateren aan het geloof en aan God.

Maar die gruwelijkheden in Syrië zie je nog steeds. Hoe vind je daar dan een weg in?

Sander: Ik kan nu veel beter verklaren hoe die strijd ontstaat. Ook kan ik erover nadenken hoe de mensheid in elkaar steekt zonder dat ik dat bijvoorbeeld hoef te verbinden aan een God die liefde is. Het levert niet meer die extra bagage op, waardoor ik moet gaan twijfelen aan mijn geloof. Ik heb nu een wereldbeeld waarbinnen zulke twijfel niet meer nodig is.

Hebben de vragen met betrekking tot schepping en evolutie een rol gespeeld in jullie ontwikkeling?

Sander: We waren erg met de natuur bezig. Daarom gingen we ook wel naar Naturalis in Leiden. Daar zag je dinosauriërs. Dan weet je: deze passen niet in een wereld die 6.000 jaar oud zou moeten zijn volgens de Bijbel.

Mark: Ik ging geen biologie studeren. Dus dat scheelde. Het was wel één van de vragen die ik had. Ik weet nog dat ik het lastig vond dat in de kerk uitsluitend gesproken werd over de goede schepping. God werd gedankt voor een stralende zondagmorgen, maar als het hagelde of regende of de oogst mislukte, hoe verhield zich dat dan met de overtuiging dat God alles goed geschapen had? De ijsvogel in de Biesbosch stierf voor 90 procent uit tijdens strenge winters.

Ik heb voor mezelf een weg gezocht wat betreft de wreedheid en de harde mechanismen in de natuur. Dat kan ik verdisconteren door het feit dat de goede schepping is aangetast. Daarom zucht de schepping. Zo heb ik zelf correcties kunnen aanbrengen in mijn denken.

Op veel gebieden kom ik er aardig uit, maar op het gebied van de evolutie niet. Daar staat Sander met 1-0 voor. Mijn geloof is voor mij echter geen rationeel systeem. Daarom is dit voor mij ook geen punt waardoor een heel gebouw zou moeten instorten. Geloof is relatie en daarbinnen probeer ik deze vragen een plek te geven. Of het op alle delen zo op z’n plek valt? Dat vind ik een lastige vraag, maar voor mij blijft de kern dat het geloof relatie is.

Wat is ten diepste het verschil tussen jullie beiden?

Sander: Ik ben redelijk rationeel. We staan voor de vraag hoe de wereld is ontstaan. Het antwoord van de evolutie-biologie is voor mij vele malen bevredigender dan dat van het boek Genesis. De evolutie-biologie geeft met de minste tekst het meeste antwoord. Het is veruit de meest elegante hypothese. Het christelijke antwoord is voor mij dan ook niet het waarschijnlijkste antwoord.

Mark: Dit thema is wel iets van de latere jaren. Beiden groeiden we met twijfel op. Maar ik heb op meerdere momenten gemerkt dat God mij vasthield en de goede kant op stuurde. Dat heeft Sander niet ervaren. Ik heb ondervonden dat het geloof mij gegeven is, want ik kon het zelf niet bij elkaar krijgen. Dat is bij Sander niet gebeurd en dat vind ik het moeilijkste van het verhaal. Op cruciale momenten heb ik gemerkt dat God mij aansprak. Maar Sander bleef helaas met zijn twijfels zitten.

De centrale inhoud van het evangelie is Jezus Christus. Wat doet de boodschap van Zijn leven, lijden en opstanding met jullie?

Sander: Als je niet in God gelooft, ben je ook op dat vlak snel klaar. Ik ben daar op dit moment geheel niet mee bezig. De discussie over de historische figuur van Jezus is voor mij niet zo’n interessante discussie. Of de historische figuur Jezus wel of niet heeft bestaan, is voor mij ook niet zo relevant. Als de historische figuur Jezus wel heeft bestaan, ben ik het oneens met zijn denkbeelden dat hij een ware Messias was, maar zie ik hem als een van de meerdere figuren die tot op de dag van vandaag opstaan en beweren een Messias te zijn.

Mark: Het is typerend voor onze opvoeding: je was meer bezig met de bevindelijkheid dan met de feitelijkheid. Als je God zo existentieel ervaart, is het waar. Dan zal de rest ook wel op z’n plek vallen. Wat Jezus heeft gedaan, speelde niet zo’n prominente rol in onze geloofsontwikkeling. Dat kwam bij mij pas later.

Wat zouden jullie ambtsdragers willen meegeven?

Mark: Sander en ik zijn als eeneiige tweeling heel nauw samen opgegroeid. Wat we nu delen, heeft zich in onze hoofden afgespeeld, zonder er ooit met elkaar over gepraat te hebben. Toen Sander meedeelde afstand te hebben genomen van het christelijke geloof was het al een voldongen feit. Pastoraal gezien is dat waardeloos. Wij hebben dus geen enkele interactie gehad al die jaren.

Daarom is het voor mij de vraag of dit bij anderen die afhaken vaak niet net zo gaat. Maar mogen jongeren wel met hun twijfels komen? Vaak is het veel te gevaarlijk om het thuis aan de orde te stellen. Dan stort de hele wereld van ouders in. Totdat je kind in Australië zit, hij een omgekeerde ‘bekering’ meekrijgt en je als ouders voor een voldongen feit staat. Dan ga je je afvragen: Wat hadden we anders kunnen doen? Wat hebben we verkeerd gedaan? Nou ja, eigenlijk niets, denk ik…

Maar het is wel verbijsterend dat Sanders opvattingen in dezelfde slaapkamer zijn ontwikkeld waarin een stapelbed stond waar we samen tot ons achttiende jaar sliepen. Maar ik heb er nooit een idee van gehad wat zich in zijn hoofd heeft afgespeeld. Dus wat kunnen we daarvan leren? Dat het zo belangrijk is dat twijfels en vragen bespreekbaar zijn. Blijkbaar was er voor Sander onvoldoende ruimte om met zijn vragen te komen. En dan lijkt er dus een soort onbewust mechanisme in werking te treden om ze maar voor jezelf te houden.

Sander: Waar het in de kern op neerkomt: in de christelijke opvoeding is er misschien vaak weinig aandacht voor het gevoel. Ik kan diverse voorbeelden daarvan geven: verliefdheid bijvoorbeeld. Dat was iets raars. Daarover werd op school lacherig gedaan. Want over gevoelszaken spreek je niet.

Zodoende heb ik nooit geleerd om naar mijn gevoel te luisteren. Ik wist eigenlijk niet eens wat mijn gevoel was. Daar werd op de zondagsschool of in de kerk ook nooit naar gevraagd. Als mijn gevoel, maar ook mijn zelfbewustzijn en weerbaarheid, beter was ontwikkeld, had ik waarschijnlijk eerder gepraat. Dan was het proces natuurlijker verlopen, dan nu het geval is geweest. Dat zou prettiger zijn geweest. Zowel voor mijn ouders, als voor mijzelf.

Het is een groot ding om beter naar je gevoel te luisteren. Van jongs af aan over je gevoel te leren praten, is echt heel belangrijk. Dat is beter, dan dat opeens het kwartje moet vallen als je ver van huis bent. Daarom is het belangrijk dat iedereen zelf goed leert nadenken, zijn gevoel kan ontwikkelen en zodoende een goede persoonlijke ontwikkeling doormaakt.

Mark: Wij komen uit een diep bevindelijke traditie. Je zou denken: geloof is dan gevoel. Het gáát ook om gevoel. Maar vaak zijn het vooral oudere mensen die diepe geloofservaringen hebben. Zodoende ligt de lat ook hoog en leer je niet ontspannen over je eigen gevoel te praten.

Daarbij is de volstrekte vanzelfsprekendheid van het christelijke geloof ook een probleem. Feit is dat alles wat in de Bijbel staat wáár is, anders zijn we geen kerk. Maar moeten we het geloof ook niet zó uitleggen, dat je op voorhand weet: waar het vuur van het geloof is, daar is ook de rook van de twijfel, zoals Luther dat uitdrukt. Er moet binnen de opvoeding ruimte zijn voor de vraag of het christelijke geloof wel waar is. Maar als je opgroeit in een beschermde subcultuur komt die vraag meestal niet aan de orde.

Sander: Er moet een sfeer worden gecreëerd, waarin vragen tot uitdrukking mogen komen. Vervolgens moeten mensen tot een bewust en eigen antwoord kunnen komen. Als ik kinderen zou hebben, zou ik niet willen dat ze per se mijn persoonlijke overtuiging zouden overnemen. Zelf zijn wij teveel in een beschermde omgeving opgegroeid. Er had meer oog moeten zijn om ons weerbaar te maken.

Mark: Ik ben altijd weer opgevangen door God. Hij heeft mij gevonden en mij altijd vastgehouden. Het geloof is dan ook echt een geschenk van God.

Dit interview is afgenomen door de redactieleden Baarda en De Bruijne.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.