+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

6 minuten leestijd

35.

Gods mededeelbare eigenschappen of deugden. (vervolg)

Uit Gods wil voortvloeiende, kunnen we verder rangschikken: Gods goedheid, genade, barmhartigheid, liefde, goedertierenheid en lankmoedigheid.

Ook deze eigenschappen zijn in God alleen Goddelijk, volmaakt. God alleen is goed. In Hem is idee en realiteit één. God ontvangt niets in Zichzelf, want Hij is de Zelfgenoegzame, Hij geeft alleen.

Enkel uit goedheid heeft God alles geschapen, om Zijns zelfs wil. Hij had het schepsel niet nodig om verheerlijkt te worden, want Hij verheerlijkt Zich in Zichzelf. Zo is God de „overvloedige Fontein van alle goeden” naar art. 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Er is geen goed in enig schepsel dan uit en door Hem. De Bijbel is één lofzang op de goedheid Gods.

Gods goedheid wordt „goedertierenheid” genoemd, zoals zij vrijwillig en verplicht is. (Nupoort Katechisatie blz. 87).

Zij wordt „genade” genoemd, zoals God weldoet aan schuldige schepselen onverdiend; „Barmhartigheid”, naardien God Zich ontfermt over „ellendigen, deerniswaardigen”. „Lankmoedigheid”, zoals God de straf over het schepsel uitstelt en Zijn roepstemmen geeft. Voorts treed Gods goedheid op als „liefde”, waarin God niet slechts Zijn weldaden geeft, maar ook Zichzelf.

De hoogste openbaring van al deze eigenschappen heeft God gegeven in de zending van Zijn Zoon. „Alzo lief heeft God de wereld gehad” (Joh. 3 : 16).

Ten opzichte van de openbaring dezer eigenschappen aan het schepsel, moeten we onderscheiden. We hebben bij de „alomtegenwoordigheid” Gods gehoord, dat God Zich niet overal in dezelfde maat uitlaat. B.v. in Zijn liefde en heiligheid.

Zo laat God Zich uit jegens al Zijn schepselen in Zijn goedheid, barmhartigheid en lankmoedigheid, zover God aan alle schepselen weldoet. We zijn gewoon te spreken van Gods algemene goedheid, zelfs (goedverstaan) van algemene genade, waarbij God het schepsel nog in algemene weldaden laat delen, ja onverdiend. Op talloze plaatsen lezen we daarvan in Gods Woord. Denk slechts aan Ps. 36: „O Heere, Uw goedertierenheid is tot in de hemelen”. „Heere, Gij behoudt mensen en beesten”. In Mattheüs 5: „Want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen”. (vs. 45). In Hand. 11 : 25: „Alzo Hij Zelf allen het leven en de adem en alle dingen geeft”. En in Psalm 145 : 9 lezen we: „De Heere is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken”.

Zo zijn er „algemene” en „bijzondere” werkingen en gaven van de Heilige Geest. Hebr. 6 wijst op die algemene gaven. Velen van Gods kinderen zijn over deze teksten in bange bestrijding gekomen. De apostel schrijft (vs 4): „Want het is onmogelijk degenen, die eens verlicht zijn geweest en de hemelse gaven gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelf de Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken”.

Wat bedoelt de apostel met „eens verlicht zijn geweest en de hemelse gaven gesmaakt hebben, des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn”?

Allereerst een zekere verlichting, waardoor het geweten gaat spreken en enige overtuigingen krijgt van Gods heiligheid, van de zonde, van dood en eeuwigheid. Deze overtuiging gaat gepaard met indrukken, met bidden en zoeken. Zonder meer gaan eze weer over. Dan is dus het zaad van het Woord Gods gevallen op steenachtige plaatsen en onder de doornen, naar Matth. 13. Daarom moet „overtuiging” „overbuiging” worden, zoals onze ouden opmerkten. De overbuiging van het hart is het zaligmakend werk van de Heilige Geest, waardoor het hart van de zondaar wordt verslagen, verootmoedigd en ingewonnen voor de Heere en Zijn dienst, door Gods liefde. Met „hemelse gaven gesmaakt hebben” bedoelt de apostel, dat overtuiging van het geweten gepaard kan gaan met enige verlichting en kennis van het Woord des Heeren, zelfs met blijdschap. Dit smaken is echter niet een,,eten,J, zoals Jeremia zegt: „Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten” (Jer. 15 : 16). „Het goede Woord Gods smaken” uit Hebr. 6 is slechts een oppervlakkig proeven, zoals u iets even op uw tong neemt, doch daarna weer uitspuwt. Christus spreekt in Zijn gelijkenis van het zaad over degenen, die het Woord met vreugde ontvangen. Maar het is vooreen tijd, want als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geërgerd.

Evenzo is het met „des Heiligen Geestes deelachtig zijn geworden”. Hier staat niet „de Heilige Geest deelachtig zijn geworden”, maar „van de Heilige Geest”, d.i. van Zijn algemene gaven, die bij de dood ontvallen. Wie de Heilige Geest Zelf deelachtig is geworden door wedergeboorte, door vernieuwing des harten, kan die Geest niet meer verliezen,want er is toch immers geen „afval der heiligen” volgens Schrift en Belijdenis. Wel kan de Heilige Geest Zijn krachtige werkingen als ’t ware tijdelijk inhouden, wanneer Gods kinderen Hem bedroeven. De inzinkingen in het geloofsleven zijn hen niet vreemd. Maar die Geest brengt hen weer tot schulderkentenis en wederkeer tot de Heere, De Katechismus zegt in zondag 19 : „Maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons”.

Dit alles uit Hebr. 6 leide tot ernstig zelfonderzoek. Algemene gaven te bezitten zoals genoemd, is niet genoeg voor de eeuwigheid. Er zullen er zijn, die aan de hemelpoort staan en zeggen: hebben wij niet in Uw straten geleerd, in Uw Naam duivelen uitgeworpen?” Maar dan zal Christus tot hen zeggen: „Ik heb u nooit gekend”.

De oprecht ontdekten aan zichzelf zijn juist zo bang voor zelfbedrog, en smeken: „Doorgrond mij, o God, em ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten; en zie, of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg”.

Tegenover Gods algemene goedheid, die Hij bewijst aan al Zijn schepselen, openbaart de Heere Zich aan al Zijn uitverkoren volk op zaligmakende wijze in Zijn goedheid, barmhartigheid en genade, door Christus zo duur verworven.

Efeze 1 en 2 laten dit duidelijk zien. O.a. bijzonder Efeze 2 : 5: „Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levendgemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden)”.

Zo bewijst God steeds Zijn liefde en barmhartigheid aan Zijn volk: door Zijn tedere zorg over de Zijnen, waardoor zij uit noden gered, tegen gevaren en vijanden worden beschut, in droefheid worden getroost.

Daarom leert de Heere Zijn volk in de weg van armmakende genade roemen in vrije genade alleen. „Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen!”

En eens zal Gods kerk en Sion eeuwig roemen in de onverdiende zaligheid, Gods deugden verheerlijken, ja, die God eeuwig toebrengen de lof en de dankzegging, de heerlijkheid en de eer.

„’k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen”.

Zult u in dit koor der gezaligden ook mogen meezingen? Alleen dan, wanneer u hier dit moogt leren op de school der genade.

Brenge de Heere ons op die school en lere Hij ons zingen van goedertierenheid en recht (Ps. 101).

R’dam-West

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.